Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5534

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
K12/0522
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht 12 Sv tegen treinconducteur ter zake van mishandeling van reizigster afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K12/0522

Beschikking bij vervroeging van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 november 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster],

wonende te[woonplaats klaagster],

hierna te noemen: klaagster,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen,

over de beslissing van de officier van justitie te Middelburg tot het niet vervolgen van:

[beklaagde],

wonende te [woonplaats beklaagde],

hierna te noemen: beklaagde,

te dezer zake in raadkamer bijgestaan door mr. A.M. Morssinkhof, advocate te Amsterdam,

wegens mishandeling.

De feitelijke gang van zaken.

Op 11 februari 2012 heeft klaagster aangifte gedaan van mishandeling, beweerdelijk jegens haar gepleegd door beklaagde.

Op 1 augustus 2012 is door M. Bouwense namens de officier van justitie aan klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd, omdat er onvoldoende wettig en/of overtuigend bewijs aanwezig is om de verdachte met succes strafrechtelijk te vervolgen.

Hierop is namens klaagster bij schrijven van 24 oktober 2012 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 26 oktober 2012, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 4 februari 2013 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 8 april 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat.

De advocaat-generaal heeft toen in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

Bij tussenbeschikking van 6 mei 2013 heeft het hof bepaald dat beklaagde ingevolge artikel 12e van het Wetboek van Strafvordering zal worden opgeroepen om te worden gehoord over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dit berust.

Beklaagde is opgeroepen om op 20 augustus 2013in raadkamer te verschijnen. Bij faxbericht d.d. 19 juli 2013 heeft de advocate van beklaagde bericht dat zij beiden alsdan verhinderd zijn. Daarbij is tevens verzocht om de behandeling van het klaagschrift aan te houden. In raadkamer is door het hof beslist dat de behandeling van de zaak zal plaatsvinden op de klachtzitting van 5 november 2013, met bevel tot oproeping van beklaagde en zijn advocate.

Beklaagde is opgeroepen om op 5 november 2013 in raadkamer te verschijnen en is op die datum in aanwezigheid van zijn advocate door het hof gehoord.

De advocaat-generaal heeft vervolgens alsnog het hof geadviseerd om het beklag af te wijzen.

De beoordeling.

Klaagster heeft op 11 februari 2012 aangifte gedaan van mishandeling door beklaagde, hoofdconducteur bij NS en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar.

Klaagster stelt, zakelijk weergegeven, dat zij per trein reisde naar Goes. en dat zij, toen zij door beklaagde werd gecontroleerd, heeft gezegd dat zij geen tijd had gehad om een kaartje te kopen. Toen beklaagde vroeg om haar legitimatiebewijs, heeft zij haar paspoort afgegeven. Klaagster stelt dat beklaagde begon met het uitschrijven van een uitstel van betaling en vervolgens naar het gevoel van klaagster neerbuigend begon te doen. Bovendien, zo stelt klaagster, weigerde beklaagde bij het naderen van station Goes het paspoort terug te geven aan klaagster. Bij aankomst op station Goes hebben zowel klaagster als beklaagde de trein verlaten. Klaagster stelt dat zij een grote mond had tegen de beklaagde, maar daarbij niet agressief was. Klaagster stelt dat zij tegen beklaagde zei: “Als je wilt slaan, sla me dan.” Klaagster stelt dat zij haar paspoort uit de hand van beklaagde heeft genomen. Omdat zij vond dat beklaagde heel dicht bij haar kwam staan heeft zij haar hand op zijn borst gezet om hem op afstand te houden, aldus klaagster. Klaagster stelt dat zij vervolgens door beklaagde tegen haar rechterbovenbeen werd geschopt, waarna zij viel. Hierna heeft beklaagde, aldus klaagster, haar met enige kracht met de vuist tegen het hoofd geraakt. Klaagster stelt dat zij probeerde op te staan maar dat beklaagde bleef schoppen en slaan.

Klaagster verklaart dat zij naar het ziekenhuis is geweest en dat bij haar kneuzingen aan de rechterzijde van het lichaam zijn geconstateerd. Klaagster stelt door dit voorval hevig emotioneel geschokt te zijn. Klaagster stelt voorts dat haar telefoon en mp3 speler zijn beschadigd.

Klaagster is op 22 februari 2012 tevens als verdachte gehoord. Daarbij heeft zij overeenkomstig haar aangifte verklaard. Klaagster heeft, zakelijk weergegeven, aanvullend verklaard dat zij heeft geschreeuwd tegen beklaagde en dat zij vond dat beklaagde haar de les aan het lezen was. Klaagster heeft ontkend beklaagde te hebben geslagen of geschopt.

In raadkamer hebben klaagster en haar advocaat het beklag overeenkomstig het klaagschrift nader toegelicht en gepersisteerd bij de klacht.

Beklaagde heeft, zakelijk weergegeven, als buitengewoon opsporingsambtenaar in een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2012 gerelateerd dat hij werkzaam als hoofdconducteur doende was de treinreizigers op hun vervoersbewijs te controleren. Hij zag, nadat hij boven in de dubbeldekker in de 2e klasse coupé een 20-tal reizigers had gecontroleerd, dat een reizigster (het hof begrijpt: klaagster), opstond en van hem vandaan liep. Vervolgens zag hij de reizigster in het naastgelegen 1e klasse gedeelte staan, terwijl ze in haar tas zocht. Hij heeft klaagster gevraagd naar haar vervoersbewijs, waarna hij zag en hoorde dat klaagster daarnaar op zoek was in haar tas. Beklaagde stelt dat klaagster even later zei dat ze geen kaartje had. Hierop heeft beklaagde klaagster staande gehouden en van haar een geldig legitimatiebewijs gevorderd, waarop zij hem haar paspoort overhandigde. Beklaagde stelt dat hij is begonnen met het uitschrijven van een uitstel van betaling, waarbij hij haar vroeg waar ze was opgestapt. Zij antwoordde dat zij in Roosendaal was opgestapt. Klaagster zei op enig moment tot beklaagde: ”Je bent mijn vader niet. Je bent een arrogante conducteur en je bent niet geschikt voor je functie”. Een oudere reiziger stond op en zei tegen klaagster: “Het is onbeschoft en belachelijk dat je zo tegen de conducteur doet.” Beklaagde stelt dat klaagster, die hij naar het balkon was gevolgd, geïrriteerd raakte en agressief werd, waarbij zij probeerde het paspoort uit handen van beklaagde te trekken. Op het balkon, nabij de deuren van de trein, werd klaagster steeds agressiever. Bij aankomst op station Goes, zijn beklaagde en klaagster uit de trein gestapt. Beklaagde stelt dat hij, na klaagster de cautie te hebben gegeven en na haar gevraagd te hebben naar haar verklaring voor het feit dat zij geen kaartje had, zoals hij dat behoort te doen in geval van het uitschrijven van een uitstel van betaling, hoorde en zag dat klaagster begon te schelden en te gillen en drukke armgebaren maken. Onderwijl bleef klaagster aan het paspoort trekken dat beklaagde nog steeds ten behoeve van het uitschrijven van het uitstel van betaling in zijn hand had. Beklaagde stelt dat toen beklaagde het paspoort terugtrok, hij zag en voelde dat klaagster zeer dicht voor hem kwam staan zodat hun neuzen elkaar raakten, waarop zij met luide stem gilde: “Sla me dan, sla me dan”. Klaagster bleef aan het notitieboekje trekken. Toen zag en voelde hij dat klaagster hem een klap c.q. een duw in zijn gezicht gaf. Zij raakte hem op zijn mond en dat deed hem pijn. In een reflex heeft beklaagde klaagster teruggeslagen. Hij voelde dat klaagster hem tegen zijn benen schopte. Er ontstond een gevecht en de staande houding escaleerde, waarbij hij door klaagster werd mishandeld. Beklaagde stelt dat daarbij door zowel klaagster als hemzelf is geslagen en geschopt.

Beklaagde heeft op 11 en 12 februari 2012, als verdachte gehoord, tegenover de politie verklaringen afgelegd die in de kern overeenkomen met zijn hierboven weergegeven bevindingen.

In het proces-verbaal van bevindingen verklaart beklaagde aanvullend nog dat hij na afloop van het incident is benaderd door twee treinreizigers die hem zeiden dat zij een getuigenverklaring wilden afleggen en daartoe hun namen ([getuige 1] en een man genaamd [getuige 2]) en hun telefoonnummers hebben gegeven. Voorts heeft beklaagde verklaard dat hij zich onder behandeling heeft gesteld van een arts en dat hij aan dit voorval letsel aan zijn gezicht, zijn linkerknie en enkel heeft overgehouden.

In raadkamer heeft beklaagde overeenkomstig het voorgaande verklaard. De advocate van beklaagde heeft het woord gevoerd conform de aan het proces-verbaal gehechte aantekeningen en heeft het hof verzocht om het beklag af te wijzen.

Uit het dossier blijkt dat de politie op verzoek van beklaagde ter plaatse is gekomen, waarna beklaagde op 11 februari 2012 op heterdaad als verdachte is aangehouden. Beklaagde heeft een nacht in een politiecel doorgebracht.

[getuige 3] heeft tegenover de politie verklaard dat hij zag dat beklaagde uit een wagon stapte en een vrouw (het hof begrijpt: klaagster) de trein uit sleepte; beklaagde had klaagster bij haar schouder vast. Getuige zag dat beklaagde klaagster een ‘slinger’ gaf, waardoor ze op de grond viel. Nadat klaagster was opgestaan, sloeg beklaagde haar met een vuist in het gezicht. Getuige denkt dat beklaagde klaagster vijf keer heeft geslagen in de richting van haar gezicht. Nadat klaagster was gevallen, heeft beklaagde haar in totaal drie keer geschopt.

[getuige 4] heeft tegenover de politie verklaard dat hij, toen hij uit de trein stapte, zag dat een grote man (het hof begrijpt: beklaagde) een kleine vrouw (het hof begrijpt: klaagster) in haar gezicht sloeg en dat klaagster door de tweede klap van beklaagde op de grond viel. Daarna heeft beklaagde klaagster twee keer tegen de benen geschopt.

[getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de treincoupé zat toen hij hoorde dat de conducteur (het hof begrijpt: beklaagde) de vrouw (het hof begrijpt: klaagster) om een geldig vervoersbewijs vroeg. Getuige hoorde dat klaagster heel bits en met een schreeuwerige stem tegen beklaagde praatte. Getuige hoorde dat beklaagde klaagster op een normale, correcte en nette manier behandelde, maar dat klaagster beklaagde bleef afblaffen. Getuigde hoorde dat de vrouw zei: “Je moet me niet vertellen wat ik moet doen, je bent mijn vader niet, sla niet zo’n toon tegen me aan.” Toen de trein in Goes was gestopt, stapten beklaagde en klaagster al discussiërend de trein uit. Getuige hoorde dat klaagster inmiddels aan het schreeuwen was tegen beklaagde, maar had geen zicht op beiden. Toen hij hoorde dat klaagster steeds harder begon te schreeuwen, is getuige naar de andere kant van de coupé gelopen om te kijken wat er gebeurde. Hij zag toen dat beklaagde en klaagster bijna met de hoofden tegen elkaar aan stonden en hij zag dat klaagster een soort kopstoot maakte naar beklaagde. Getuige zag dat beklaagde klaagster schopte. Hij heeft de beklaagde tot slot aangesproken en zag dat deze rustiger werd, maar wel begon te ‘shaken’.

[getuige 2] heeft tegenover de politie verklaard dat hij uit de trein stapte op station Goes, toen hij zag dat de conducteur (het hof begrijpt: beklaagde) ruzie had met een vrouw (het hof begrijpt: klaagster). Getuige zag dat de vrouw erg agressief was richting beklaagde en dat zij wilde armgebaren richting beklaagde maakte en dat zij ‘face to face’ tegenover elkaar stonden. Getuige hoorde dat klaagster constant naar beklaagde schreeuwde: ‘Sla me dan, sla me dan’. Getuige zag dat klaagster constant een handbeweging naar beklaagde maakte om haar identiteitsbewijs terug te pakken en dat beklaagde hierdoor een paar keer met zijn lichaam bewoog om haar armbewegingen te ontwijken. Getuige heeft niet gezien dat beklaagde een handbeweging naar klaagster maakte. Getuige vond dat beklaagde erg rustig was. Nadat getuige zich had omgedraaid om weg te lopen, hoorde hij een doffe knal. Hij draaide zich direct om en zag toen klaagster op de grond liggen. Getuige heeft verklaard dat er niet tegen klaagster is aangeschopt of geslagen toen zij op de grond lag. Getuige heeft niet gezien dat beklaagde klaagster heeft geslagen.

Getuige heeft voorts verklaard dat beklaagde niet autoritair was en heel rustig en beheerst was. Hij zag dat de beklaagde erg aangedaan was. Dat zag hij doordat beklaagde trilde.

[getuige 5], werkzaam bij de NS als teammanager machinisten, heeft verklaard dat hij in de trein zat, toen hij plotseling een hele hoop geschreeuw hoorde op het perron van station Goes. Toen getuige vanaf het balkon van de trein naar het perron keek, zag getuige dat beklaagde en een vrouw (het hof begrijpt: klaagster) tegenover elkaar stonden. Getuige hoorde dat zij flink naar elkaar aan het schreeuwen waren. Hij is naar hen toegelopen en is tussen hen in gaan staan.

[getuige 6] heeft zich bij de politie gemeld nadat zij een krantenartikel over het voorval had gelezen. Getuige heeft tegenover de politie verklaard dat zij in de trein zat toen zij zag en hoorde dat klaagster stond te schreeuwen toen beklaagde naar haar identiteitsbewijs vroeg. Klaagster stond te schreeuwen en een opsomming te geven waarom ze geen boete zou moeten krijgen. Getuige verklaart dat klaagster boos, verbaal aanvallend en aanstellerig overkwam en dat beklaagde rustig bleef en probeerde klaagster te kalmeren. Toen getuige uitstapte bij station Goes, hoorde zij achter zich klaagster schreeuwen: “Laat me los!”. Verder hoorde zij niemand schreeuwen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek in raadkamer is naar voren gekomen dat het onderhavige incident is ontstaan door toedoen van klaagster. Klaagster maakte gebruik van de trein, maar was bewust niet in het bezit van een geldig vervoersbewijs en had zich in verband daarmee niet bij treinpersoneel gemeld. Toen klaagster daarop door beklaagde, in zijn functie van (hoofd)conducteur, rechtmatig werd aangesproken, ontstond een woordenwisseling, waarbij klaagster zich verbaal agressief opstelde. Ook nadat beiden op het perron van station Goes waren uitgestapt, is klaagster doorgegaan met agressief gedrag jegens beklaagde. Klaagster heeft beklaagde toegeschreeuwd en geprobeerd haar paspoort uit de handen van beklaagde te trekken, waarbij zij beklaagde fysiek benaderde. Eerst nadat het van de zijde van klaagster daadwerkelijk tot een eerste fysiek contact met beklaagde was gekomen (naar klaagster stelt: door het zetten van haar hand tegen de borst van beklaagde) (naar beklaagde stelt: doordat klaagster een klap of duw in zijn gezicht gaf), is beklaagde fysiek tegen klaagster opgetreden, waarbij beklaagde op zichzelf minder professioneel heeft gehandeld. Onder de geschetste omstandigheden, waarbij het initiatief van agressie en fysieke benadering van klaagster is uitgegaan, acht het hof vervolging van beklaagde niet opportuun.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door:

mr. M. van Zinnen, voorzitter,

mr. J.P.F. Rijken en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

op 19 november 2013.