Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5474

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
HD 200.120.755_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van overeenkomst van geldlening;misbruik van omstandigheden dan wel bedreiging; verstek; toets of de aangevoerde gronden de vordering wel kunnen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.120.755/01

arrest van 19 november 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 januari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector civiel recht, gewezen vonnis van 5 december 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 255888/HA ZA 12-730)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, met producties;

- de rolbeslissing van de rolraadsheer van 5 februari 2013;

- de akte van [appellant] d.d. 19 februari 2013, met een productie;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven.

[appellant] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

i. Partijen hebben een overeenkomst van geldlening ondertekend op 4 december 2006, hierna: de overeenkomst.

ii. In de overeenkomst (waarvan een kopie door [appellant] is overgelegd) is onder meer opgenomen dat [geïntimeerde] een bedrag van € 100.000,- leent aan [appellant], dat over het openstaande leenbedrag een rente verschuldigd is van 0% op jaarbasis en dat [appellant] het geleende bedrag in twee termijnen zal terugbetalen, en wel op 31 december 2010 en 31 maart 2011. Voorts is in de overeenkomst opgenomen dat [appellant] door ondertekening van de overeenkomst verklaart het bedrag (van € 100.000,--) daadwerkelijk ontvangen te hebben, zodat deze overeenkomst ook als kwitantie geldt voor de betaling en ontvangst van het leenbedrag. De handtekening van [appellant] is voorzien van een met de hand geschreven goedschrift waarin het geldsbedrag voluit in letters is vermeld. De handtekening van [geïntimeerde] is voorzien van een legalisatie op 9 april 2010.

iii. Bij brief aan [geïntimeerde] van 12 oktober 2012 heeft [appellant] de overeenkomst op grond van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden vernietigd.

4.2.1.

[appellant] vordert – bij uitspraak uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] de originele overeenkomst inzake de geldlening te verstrekken binnen vijf dagen na betekening van de uitspraak, een en ander onder last van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat [geïntimeerde] weigert de overeenkomst af te geven tot een hoogte van
€ 25.000,- en voorts voor recht te verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd, dan wel de overeenkomst te vernietigen en voor recht te verklaren dat [appellant] niets aan [geïntimeerde] is verschuldigd, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

4.2.2.

[appellant] heeft daartoe samengevat het volgende gesteld.

[appellant] en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest en hebben samen een minderjarige dochter, die hoofdverblijf heeft bij [geïntimeerde] en met wie [appellant] omgang heeft. [geïntimeerde] heeft gedreigd dat [appellant] zijn dochter niet meer mocht zien als hij de overeenkomst niet zou ondertekenen. Verder heeft [appellant] gesteld dat de overeenkomst feitelijk niet is uitgevoerd. Hij heeft geen geld ontvangen van [geïntimeerde].

4.3.

[geïntimeerde] is in eerste aanleg noch in hoger beroep verschenen.

4.4.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4.5.

In hoger beroep vordert [appellant] blijkens de appeldagvaarding vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van zijn vorderingen. Het hof gaat ervan uit dat de vordering in de memorie van grieven strekkende tot afwijzing van de vorderingen op een abuis berust.

4.6.1.

Het hof ziet aanleiding eerst de derde grief te behandelen. In deze grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van bedreiging.

4.6.2

Deze grief slaagt. Ter toelichting van zijn stelling dat sprake is geweest van bedreiging voert [appellant] aan dat hij de overeenkomst heeft ondertekend ter voorkoming van de stopzetting van de omgangsregeling, dat hij een vader is die zielsveel van zijn dochter houdt, dat hij door de mededeling van [geïntimeerde] dat hij zijn dochter niet meer zou mogen zien als hij de overeenkomst niet zou ondertekenen, als redelijk oordelend mens dusdanig werd beïnvloed dat hij niet meer helder kon denken en dat als hij niet had getekend [geïntimeerde] er alles aan zou hebben gedaan om het contact tussen hem en zijn dochter tegen te gaan.

4.6.3

Deze door [appellant] gestelde feiten kunnen het oordeel dragen/wettigen dat de overeenkomst onder bedreiging is tot stand gekomen als bedoeld in artikel 3:44 leden 1 en 2 BW. Nu [geïntimeerde] niet is verschenen en het hof geen aanleiding heeft aan de rechtmatigheid of gegrondheid van de vorderingen (tot vernietiging en tot verklaring voor recht) te twijfelen,

zal het hof van de juistheid van de stellingen van [appellant] uitgaan en de gevorderde vernietiging en verklaring voor recht toewijzen.

Grief 3 slaagt dus.

4.7.1.

In zijn vierde grief stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot afgifte van de originele overeenkomst heeft afgewezen. [appellant] stelt bang te zijn voor mogelijk misbruik door [geïntimeerde]. Aan de overeenkomst is volgens [appellant] nooit uitvoering gegeven en hij wil voorkomen dat [geïntimeerde] alsnog tot uitvoering overgaat.

4.7.2

Deze grief faalt. Nu de gevorderde vernietiging en verklaring voor recht zullen worden toegewezen, mist [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende belang bij deze vordering; zodanig belang is door [appellant] ook niet gesteld..

4.8.

Grieven 1 en 2 behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

4.9.

Slotsom is dat de vorderingen van [appellant] in hoger beroep zullen worden toegewezen in die zin, dat – bij arrest uitvoerbaar bij voorraad – de overeenkomst wordt vernietigd en voor recht wordt verklaard dat [appellant] niets uit hoofde van die overeenkomst aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Het bestreden vonnis kan dus niet in stand blijven.

4.10.

Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

– explootkosten € 95,19

– griffierecht € 267,00

totaal verschotten € 362,19

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 452,00 € 452,00

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

– explootkosten € 94,79

– griffierecht € 299,00

totaal verschotten € 393,79

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1,5 punten x € 894,00 € 1.341,00

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, behalve wat betreft de afwijzing van de vordering tot afgifte van de originele overeenkomst van geldlening, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

vernietigt de overeenkomst van geldlening die partijen op 4 december 2006 hebben getekend en verklaart voor recht dat [appellant] uit dien hoofde niets aan [geïntimeerde] is verschuldigd;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 362,19 aan verschotten en op € 452,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 393,79 aan verschotten en op € 1.341,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart het arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, Chr. M. Aarts en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 november 2013.