Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5467

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
HD 200.113.166-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huwelijkse voorwaarden, te verrekenen vermogen, waarde van de ondernemingen, gift

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.113.166/01

arrest van 19 november 2013

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.E.P. Kooi te Schinnen,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 september 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 22 juli 2009, 7 april 2010, 23 maart 2011, 14 maart 2012 en 8 augustus 2012 tussen de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 140593 /HA ZA 09-613)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 351 Rv;

- de antwoordakte van 6 november 2012;

- het arrest van dit hof van 15 januari 2013 in het incident;

- de memorie van grieven, met producties, tevens houdende wijziging van eis;

- de akte van niet-dienen voor memorie van antwoord ter rolle van 7 mei 2013;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Partijen zijn op 31 oktober 1987 na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

(i) De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal geen vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

(…)

Artikel 3.

De echtgenoten zijn, voorzover niet anders is bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden, hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.

(…)

Artikel 5.

Indien na verloop van een kalenderjaar blijkt, dat een gedeelte van de inkomsten der echtgenoten niet behoefde te worden aangewend voor betaling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zal voor een en dertig december daarna het overgespaarde bedrag tussen de echtgenoten bij helfte worden verdeeld, danwel zal voor die datum daaromtrent in onderling overleg tussen de echtgenoten schriftelijk een betalingsregeling worden getroffen.

(…)”.

(ii) Bij beschikking van 19 maart 2008 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken.

(iii) De echtscheidingsbeschikking is op 8 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iv) Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden.

4.1.2.

De rechtbank heeft in de beroepen vonnissen de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld en de gemeenschappelijke goederen verdeeld.

4.1.3.

De man kan zich (met onderdelen) van de beroepen vonnissen niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de man zien op de volgende onderwerpen:

  1. de wijze van behandeling (grief 1);

  2. het door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 335.615,13 (grief 2);

waarbij de man grieft ten aanzien van de beslissingen over:

- de woning;

- de banksaldi op vier bankrekeningen;

- de rekening-courantschuld;

- de Levensverzekering Zwitserleven met polisnummer [polisnummer Zwitserleven];

- de waarde van de ondernemingen van de man.

4.1.4.

De vrouw is in de gelegenheid gesteld om tegen de roldatum 9 april 2013 een memorie van antwoord te nemen. Op 9 april 2013 heeft de vrouw uitstel verzocht. Dit is haar verleend tot 7 mei 2013 (vier weken). Op 7 mei 2013 heeft de vrouw opnieuw uitstel verzocht. Dit tweede uitstel is haar niet verleend. Ingevolge de artikelen 2.11 en 2.12 van het Procesreglement voor de pilot dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wordt nader uitstel in beginsel niet verleend. Er is geen sprake geweest van een eenstemmig verzoek van partijen of een klemmende reden, zodat geen nader uitstel is verleend en tegen de vrouw ambtshalve een akte niet-dienen is verleend. De vrouw heeft daarop pleidooi verzocht en heeft op het pleidooi een pleitnota overgelegd welke, gelet op de inhoud, deels kan worden beschouwd als een memorie van antwoord.

4.2.

In rov. 3.12 van het tussenarrest van 15 januari 2013 heeft het hof de man verzocht zich uit te laten over de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep tegen de afwijzing van de reconventionele vordering in het (deel)vonnis van 7 april 2010. In de memorie van grieven verklaart de man zich neer te leggen bij de niet-ontvankelijkheid. De reconventionele vordering, die de inboedel betrof, valt daarmee buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.

4.3.

Alvorens tot de bespreking van de in geschil zijnde onderwerpen over te gaan, dient het hof in te gaan op het door de man ter gelegenheid van het pleidooi gevoerde prealabele verweer. Met de man is het hof van oordeel dat nieuwe grieven en verweren van de vrouw zo, deze zijn aangevoerd tijdens het pleidooi, in beginsel (waarover nader rov. 4.3.1 en 4.3.2) niet meer in de beoordeling kunnen worden meegenomen. Het hof kan daarentegen wel letten op de ter gelegenheid van het pleidooi door vrouw ontvouwde toelichtingen op haar in eerste aanleg aangevoerde stellingen en verweren.

4.3.1.

De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel geen acht behoort te slaan op grieven en op verandering of vermeerdering van eis of verweren die in een later stadium dan de memorie van grieven dan wel de memorie van antwoord worden aangevoerd. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis of het verweer slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eis is gesteld.

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aangevoerd, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief of het nieuwe verweer alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief of verweer kan worden aangevoerd. Het hof begrijpt het prealabele verweer als het maken van bezwaar.

4.3.2.

Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of verweer na de memorie van grieven of de memorie van antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of het nieuwe verweer ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of het nieuwe verweer niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. Het hof is niet gebleken dat hetgeen de vrouw ter gelegenheid van het pleidooi heeft aangevoerd in strijd komt met de goede procesorde. De man heeft dienaangaande ook niets aangevoerd ter zitting.

Voor zover het pleidooi van de vrouw een grief of een nieuw verweer inhoudt, zal het hof, zonodig over de toelaatbaarheid daarvan oordelen.

4.4.

Grief 1

4.4.1.

In zijn eerste grief stelt de man dat sprake is van een misslag, althans van een onjuiste toepassing van het recht, althans dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd, althans dat de feiten het oordeel van de rechtbank niet kunnen dragen. Aan de tegenstrijdige wijze van handelen van de rechters die de zaak achtereenvolgens hebben behandeld, te weten de mrs. Huinen en Frénay, kleeft een motiveringsgebrek nu deze zonder nadere toelichting voor de man onbegrijpelijk is, althans voor hem onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. De man meent dat het vonnis van 8 augustus 2012 dient te worden vernietigd en dat het hof de zaak dient terug te verwijzen naar de rechtbank.

4.4.2.

Het hof overweegt als volgt. Wat er ook zij van de stellingen van de man in zijn eerste grief, het hof zal de zaak in hoger beroep op de punten waartegen de man heeft gegriefd opnieuw beoordelen, zodat de man geen belang heeft bij zijn grief.

4.5.

Grief 2

Deze grief heeft betrekking op het door de rechtbank in het eindvonnis aan de vrouw toegewezen bedrag van € 335.615,13 en bestaat uit een aantal subonderdelen aangeduid met de hoofdletters A tot en met E.

4.6.

Ad A: de woning

De man heeft op het pleidooi zijn grief ten aanzien van de te verrekenen overwaarde van de woning ingetrokken (€ 70.075,-), zodat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van die grief.

4.7.

Ad B: de banksaldi op vier bankrekeningen

4.7.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man ter verrekening van de saldi op de vier bankrekeningen bij ABN-AMRO aan de vrouw een bedrag van € 42.500,- dient te betalen.

4.7.2.

De man stelt dat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum € 73.000,- bedroegen zodat hij niet meer dan de helft daarvan, € 36.500,-, verschuldigd kan zijn. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat de banksaldi geheel zijn gevormd door het saldo van een onder een ‘privéclausule’ van zijn ouders ontvangen schenking én daarom buiten iedere verrekening dienen te blijven. De man overlegt een brief van zijn vader van 11 april 2005, waarin deze verklaart dat de schenking van € 85.000,- niet in enige gemeenschap valt, alsook buiten iedere verrekening blijft.

4.7.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het standpunt van de man dat de banksaldi op de peildatum in totaal € 73.000,- bedroegen is juist, zoals ook de vrouw ter zitting heeft erkend. De rechtbank heeft kennelijk abusievelijk voornoemd bedrag van € 85.000,- verdeeld.

Grief 2 is in zoverre gegrond.

4.7.4.

De man heeft als productie 57 bij memorie van grieven een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat op 1 april 2005 een bedrag van € 85.000,- is ontvangen op de op naam van de man gestelde rekening met nummer [bankrekeningnummer]. Uit de als productie 55 overgelegde brief van de ouders van de man d.d. 11 april 2005 blijkt dat de ouders van de man hem dit bedrag van € 85.000,- als gift hebben gegeven, als voorschot op de erfenis. In deze brief van de ouders van de man wordt eveneens benoemd dat deze gift niet het voorwerp zou uitmaken van enige verrekening in het kader van een huwelijksovereenkomst. Wat verder ook zij van deze uitsluitingsclausule, als bedoeld in artikel 1:134 BW, partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden niet overeengekomen dat geschonken goederen en de vruchten daaruit moeten worden verrekenend (alleen inkomen moet worden verrekend en naar algemeen juridisch spraakgebruik, dat kennelijk door de notaris, die de huwelijkse voorwaarden heeft opgemaakt, is gebezigd, valt onder inkomen niet een gift), zodat deze gift van de ouders van de man alleen al om die reden in beginsel niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

4.7.5.

Uit voornoemd bankafschrift blijkt voorts dat vervolgens op 5 april 2005 een bedrag van € 74.930,- is overgemaakt naar de spaarrekening met nummer [spaarrekeningnummer]. Tussen partijen is niet in geschil dat ook deze rekening op naam van de man staat. Een bedrag van € 10.000,- is eveneens op 5 april 2005 overgemaakt naar de op naam van beide partijen gestelde rekening met nummer [gezamenlijke rekening].

4.7.6.

De man stelt dat van de € 10.000,- die is gestort op de gemeenschappelijke rekening met nummer [gezamenlijke rekening] op de peildatum 31 december 2006 nog een bedrag van € 7.262,21 over is.

Via deze bankrekening zijn vele betalingen en ontvangsten gedaan zodat het hof op geen enkele wijze kan vaststellen dat het saldo op de peildatum bestaat uit de gift die ruim anderhalf jaar daarvoor op de bankrekening is gestort. De man heeft de samenstelling van het eindsaldo ook niet onderbouwd. Het hof gaat er dan vanuit dat het saldo op deze bankrekening gemeenschappelijk is en dat het saldo dan bij helfte dient te worden gedeeld.

Grief 2 is in zoverre ongegrond.

4.7.7.

Ten aanzien van het bedrag van € 74.930,- dat op 5 april 2005 op de spaarrekening van de man is gestort, is het hof vooralsnog van oordeel dat aannemelijk is dat het saldo op de peildatum 31 december 2006 ten bedrage van € 61.996,- resteert van de gift van 1 april 2005. Op een spaarrekening zullen immers niet veel mutaties plaatsvinden. De vrouw heeft ook niet aangegeven dat, laat staan hoe, voornoemd bedrag van bijna € 75.000,- in deze relatief korte periode is verteerd, althans niet tijdig bij memorie van antwoord. Zij voert alleen aan dat de stelling van de man niet is onderbouwd aan de hand van bankafschriften. Gelet op het aanbod van de man om dit alsnog te doen zal het hof de man in de gelegenheid te stellen om de genoemde aannemelijkheid te specificeren aan de hand van bankafschriften van de rekening met nummer [spaarrekeningnummer] door deze afschriften in het geding te brengen over de periode 5 april 2005 tot en met 31 december 2006 en de mutaties zonodig te voorzien van een toelichting.

4.8.

Ad C: de rekening-courantschuld van partijen aan Holding [Holding A.] b.v.

4.8.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man zijn stelling dat deze schuld per 31 december 2006 € 90.941,- bedroeg, in plaats van de ten minste € 48.000,- en maximaal € 58.000,- waarvan eerder in de procedure is uitgegaan, niet voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de schuld op voornoemde peildatum € 48.000,- bedroeg en bepaalt dat de vrouw in dat kader een bedrag van € 24.000,- aan de man dient te betalen.

4.8.2.

De man stelt in hoger beroep dat partijen steeds zijn uitgegaan van de op schattingen berustende verklaringen van de accountant van de man. Uit de jaarrekening 2006 blijkt echter dat de rekening-courant op 1 januari 2006 € 58.097,- en op 31 december 2006 (de peildatum) € 90.941,- bedroeg. De man stelt dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de jaarrekening 2006 onjuist zou zijn. De aangifte IB 2006 wijkt af van de jaarrekening 2006 omdat de aangifte is gedaan op het moment dat de jaarrekening nog niet voorhanden was. De man stelt dat de vrouw hem een bedrag van € 45.470,50 dient te betalen.

4.8.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In de door de vrouw overlegde – concept – belastingaangifte 2006 is aan rekening-courantschuld aan Holding [Holding A.] b.v. op de peildatum een bedrag van € 48.140,- opgenomen. De man heeft daartegenover de – definitieve – jaarrekening 2006 van Holding [Holding A.] b.v. overgelegd waaruit een rekening-courantschuld op de peildatum blijkt ten bedrage van € 90.941,-. Uit beide stukken kan worden opgemaakt dat de stand van de rekening-courantschuld bij het begin van 2006 € 58.097,- bedroeg.

Het hof volgt de man in zijn betoog dat het verschil in de eindstand van de rekening-courantschuld in beide stukken kan worden verklaard doordat de jaarrekening 2006 ten tijde van de concept-belastingaangifte 2006 nog niet gereed was. Daarbij komt dat de man als productie 74 een brief van zijn accountant d.d. 16 september 2013 heeft overgelegd waarin deze aangeeft dat hij in het door hem op 4 juni 2007 opgestelde voorlopig overzicht voor de vermogensdeling in april 2007 een geschat bedrag van € 70.000,- heeft vermeld omdat op dat moment de exacte bedragen nog niet bekend waren. De vrouw heeft deze verklaring van de accountant en de jaarrekening 2006 niet bestreden.

Aan hetgeen de vrouw in haar pleitnota aan nieuwe verweren op dit punt heeft aangevoerd gaat het hof, gelet op hetgeen hiervóór in rov. 4.3 en verder is overwogen, voorbij. Bovendien heeft de vrouw onvoldoende gesteld om te twijfelen aan de hoogte van de rekening-courant schuld zoals door de accountant opgegeven (alleen de verwijzing naar een concept-aangifte volstaat niet), zodat het hof bewezen acht dat de rekening-courantschuld aan Holding [Holding A.] b.v. op de peildatum € 90.941,- bedroeg. De vrouw dient de man in dit kader dan ook een bedrag van € 45.470,50 te betalen. Grief 2 is in zoverre gegrond.

4.9.

Ad D: de Levensverzekering Zwitserleven met polisnummer [polisnummer Zwitserleven]

4.9.1.

De rechtbank heeft in rov. 6 van het tussenvonnis van 14 maart 2012 overwogen dat de man niet heeft aangetoond, door overlegging van de polis, dat de verzekering bij Zwitserleven geen waarde heeft en evenmin heeft aangegeven waarom de accountant destijds van € 38.000,- is uitgegaan. De rechtbank heeft de man veroordeeld aan de vrouw een bedrag van € 19.000,- te betalen.

4.9.2.

De man heeft in hoger beroep de polis overgelegd en stelt dat de genoemde polis een zuivere levensverzekering betreft op risicobasis. De polis heeft nooit enige waarde vertegenwoordigd. De polis keert uitsluitend bij overlijden uit. In 2017 vindt uitsluitend een uitkering van slotdividend plaats van € 204,-, waarvan een bedrag van € 102,- aan de vrouw toekomt. Van mutaties, zoals door de vrouw is gesteld, is geen sprake. De enige mutatie die plaatsvindt is de jaarlijkse verlaging van de verzekering met € 2.042,-.

4.9.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit de door de man overgelegde polis blijkt dat de verzekering bij Zwitserleven geen spaarpolis betreft maar een risicoverzekering die op de peildatum geen waarde vertegenwoordigde. Alleen de uitkering van slotdividend van € 204,- komt voor verrekening in aanmerking, zodat de man aan de vrouw ter zake een bedrag van € 102,- dient te betalen.

Grief 2 is in zoverre gegrond.

4.10.

Ad E: de waarde van de ondernemingen van de man

4.10.1.

De rechtbank heeft overwogen dat de waarde van de ondernemingen van de man wordt gevormd door de waarde van de holding b.v. en dat die waarde op 31 december 2006 € 500.000,- is, en dat dit bedrag in de verrekening dient te worden betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man een bedrag van € 250.000,- aan de vrouw dient te betalen.

4.10.2.

De man stelt in hoger beroep dat het vermogen in Holding [Holding B.] b.v.

€ 26.927,- negatief is en dat het vermogen in Holding [Holding A.] b.v. € 370.582,- positief is. Per saldo bedraagt de waarde € 343.655,-. Deze waarde dient te worden verminderd met de aanmerkelijk-belangclaim van 25% zodat de waarde van de ondernemingen maximaal € 257.741,25 bedraagt. Aan de vrouw komt een bedrag toe van maximaal € 128.870,62.

Daarnaast stelt de man dat hij en zijn zus de aandelen van hun ouders feitelijk cadeau gekregen hebben. De aandelen van Holding [Holding A.] b.v. en Holding [Holding B.] b.v. zijn destijds volgestort met gelden welke (ook) van [Holding C.] Holding b.v. zijn geleend. Deze 2 x fl. 40.000,- zijn derhalve geen overgespaard inkomen.

4.10.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de aandelen van Holding [Holding A.] b.v. en Holding [Holding B.] b.v. zijn volgestort met van de ouders van de man geleend geld. De man heeft zich beroepen op een arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2012, NJ 2012, 365. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als uitgangspunt voor de beantwoording van de vraag of de waarde van de aandelen op de voet van artikel 1:141 BW verrekend moet worden, bepalend is of de volstorting van die aandelen is gefinancierd door aanwending van inkomen of vermogen dat verrekend had moeten worden.

Nu sprake is van geleend geld hoeft er niet verrekend te worden, aldus de man.
Naar het oordeel van het hof is zijn opvatting alleen dan juist indien op de lening niet is afgelost of is afgelost uit privégelden die niet voor verrekening in aanmerking komen. Indien de lening is afgelost met te verrekenen vermogen dient de waarde van de onderneming wel te worden verrekend. Voor verrekening komen ook in aanmerking de zogenaamde opgepotte winsten en het overgespaarde inkomen dat tijdens het verrekentijdvak is belegd in deze op zichzelf niet te verrekenen vermogensbestanddelen (HR 10 juli 2009, LJN BI4387).

Ter zitting van het hof heeft de man echter aangegeven dat het voor de aandelen geleende geld is afgelost uit gelden van de holding. De gelden uit de holding dienen te worden beschouwd als opgepotte (verrekenbare) winsten en derhalve als verrekenbaar vermogen, nu de onderneming niet is gefinancierd met gelden die als niet te verrekenen vermogen zijn aan te merken. Aldus dient de waarde van de aandelen op de voet van artikel 1:141 BW te worden verrekend.

Grief 2 faalt in zoverre.

4.10.4.

Daar de man in hoger beroep betwist dat Holding [Holding A.] b.v. op de peildatum een waarde vertegenwoordigde van € 500.000,-, zoals de rechtbank vaststelde, dient de waarde van de ondernemingen van de man alsnog te worden vastgesteld. Het hof kan vooralsnog niet, zoals wel door de man wordt betoogd, volstaan met het vergelijken van het positieve vermogen in Holding [Holding A.] b.v. en het negatieve vermogen in Holding [Holding B.] b.v. Het hof acht een deskundigenonderzoek noodzakelijk. Ter gelegenheid van het pleidooi is deze optie met partijen besproken. Volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige. De deskundige dient onderzoek te doen naar de waarde van het dakdekkersbedrijf van de man per peildatum 31 december 2006. De deskundige dient bij de waardering de waarderingsmethode te hanteren die voor de branche waarin de onderhavige onderneming actief is gebruikelijk is. Het hof gaat er voorshands vanuit dat dit de DCF-methode (Discounted Cash Flow) is.

4.10.5.

De deskundige dient eventuele nadere informatie die hij nodig heeft en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen. Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport.

4.10.6.

Het hof zal gelet op de omstandigheden van dit geding de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen.

4.11.

Aldus wordt beslist als volgt.

5 De uitspraak

Het hof:

stelt de man in de gelegenheid de bankafschriften van de bankrekening met nummer [spaarrekeningnummer] over te leggen over de periode van 5 april 2005 tot en met 31 december 2006, zonodig voorzien van een toelichting;

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht als omschreven in de rechtsoverwegingen 4.10.3 tot en met 4.10.5 van dit arrest en benoemt tot deskundige ter uitvoering van die taak:

dhr. drs. Ph. M. van Spaendonck

Van Spaendonck & Dekker

[kantooradres]

[postcode] [vestigingsplaats]

telefoonnummer: [telefoonnummer]

eventueel onder de voorwaarde dat door partijen een exoneratieclausule wordt getekend, waarin partijen verklaren dat de deskundige, behoudens opzet en grove schuld, is uitgesloten van alle aansprakelijkheid ten aanzien van de gevolgen van zijn rapportage;

een en ander tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de benoeming van deze deskundige bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 9.910,- inclusief BTW en 5% kantoorkosten, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 9.910,-, derhalve € 4.955,-, binnen twee weken na heden zal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.113.116/01;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. W.H.B. den Hartog Jager tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 22 april 2014 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van de man;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 november 2013.