Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5457

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
HD 200.093.161_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding letselschade. Begroting schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.093.161/01

arrest van 19 november 2013

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.J.M. Boot,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Hoogendoorn,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 juni 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector civiel recht, gewezen vonnis van 30 maart 2011 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde]– als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (nr. 122769/HA ZA 07-843)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de pleitnota van mr. Hoogendoorn van 2 juli 2013;

- de reactie van mr. Boot op de pleitnota van geïntimeerde van 2 juli 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de dagvaarding in hoger beroep.

4 De beoordeling

4.1.

In dit geding kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

4.1.1.

Op 14 juni 2004 is [appellant], die toen 23 jaar oud was, door [geïntimeerde] met messteken ernstig verwond aan de achterzijde en de zijkant van zijn rechterschouder en de voorzijde van zijn rechterbovenarm, hierna ook: het incident. Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Breda van 29 november 2004 is [geïntimeerde] in verband hiermee strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot doodslag.

4.1.2.

[appellant], geboren op [geboortedatum] 1981, was voor het incident werkzaam als autopoetser. Na het incident heeft [appellant] van 14 juni 2004 tot en met 11 juni 2006 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen vanwege letsel aan zijn rechterarm.

4.1.3.

Na de periode gedurende welke [appellant] een Ziektewet-uitkering ontving, heeft hij met ingang van 12 juni 2006 gedurende negen maanden een WW-uitkering ontvangen. Na beëindiging van de WW-uitkering op 11 maart 2007 heeft [appellant] een bijstandsuitkering ontvangen.

4.1.4.

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het UWV geweigerd [appellant] met ingang van 12 juni 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Het hiertegen ingestelde bezwaar van [appellant] is bij besluit van 5 januari 2007 door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Breda heeft dit besluit bij uitspraak van 9 oktober 2007 vernietigd doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij is daarbij uitgegaan van een verlies aan verdiencapaciteit van 31,41%. De uitspraak van de rechtbank is door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 20 maart 2009 bevestigd, voor zover aangevochten.

4.1.5.

[appellant] is in januari 2007 gestart met een eigen autopoetsbedrijf. Na ongeveer zes maanden heeft [appellant] deze werkzaamheden beëindigd in verband met een hersteloperatie aan de rechterpols in juni 2007. Op 18 augustus 2008 heeft [appellant] nog een liposuctie-operatie ondergaan aan zijn rechterhand.

4.1.6.

Bij beslissing van het Schadefonds Geweldsmisdrijven van 31 juli 2006 is vastgesteld dat [appellant] als gevolg van het incident ernstig (geestelijk) letsel heeft opgelopen en is aan [appellant] een uitkering toegekend ten bedrage van € 13.195,--. Dit bedrag behelst een tegemoetkoming in immateriële schade (smartengeld) van € 2.750,-- en in materiële schade van € 10.445,--. De beslissing is gebaseerd op een onderzoek naar de aard en ernst van het letsel en naar de aard en omvang van de schade. Het bedrag van € 10.445,-- behelst een bedrag van € 10.000,-- aan vergoeding voor verlies van arbeidsvermogen.

4.1.7.

[appellant] is sedert 2008 geïndiceerd voor de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). In opdracht van de gemeente Roosendaal heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts] na medisch onderzoek van [appellant] op 27 februari 2008 vragen beantwoord over structurele functionele beperkingen voor werk en een belastbaarheidsprofiel (FML) opgesteld. In het betreffende rapport staan als claimklachten en beperkingen vermeld:

“Cliënt kan nog steeds de rechter arm en hand nauwelijks belasten en is erg gevoelig voor koude.

Heeft ook vrij veel last van zenuwpijnklachten in de nek/schouderstreek die doortrekken naar de arm.

Krijgt hiervoor medicatie. Wordt wekelijks behandeld met fysiotherapie en wil gaan sporten.”

Uit het rapport volgt dat sprake is van structurele functionele beperkingen van de rechterhand/arm. Ten aanzien van de belastbaarheid staat vermeld:

“Functioneel blijft de rechter hand functie ernstig beperkt. Cliënt zal nooit grote kracht met de rechter hand kunnen uitoefenen en de grijp en knijpfunctie blijft beperkt. Cliënt kan niet tegen trillingen aan de rechter arm en is gevoelig voor koude.”

En voorts:

“Cliënt heeft duurzame beperkingen. Ik [lees: arts, hof] verwacht hierin geen wezenlijke wijziging in de toekomst. Een medisch heronderzoek is daarom niet zinvol.”

Blijkens het rapport geldt er geen medische urenbeperking. Met betrekking tot de werkzaamheden die [appellant] kan verrichten, staat vermeld:

“Cliënt is slechts geschikt voor werkzaamheden die grotendeels als eenarmige gedaan kunnen worden. Kan de rechterarm/hand slechts als lichte steunfunctie belasten en is aangewezen op zeer lichte werkzaamheden zoals receptionist of adm. medewerker.

Het FML is iets aangepast, cliënt moet niet werken in koude.

Gezien de ernst van de lichamelijke stoornis en de beperkingen die gelden is het belangrijk een goed beroepskeuze te maken.”

4.1.8.

Bij beschikking van 13 juli 2011 is de WSW-indicatie voor [appellant] verlengd tot 13 juli 2016. In de beschikking staat vermeld:

“Volgens het WERKbedrijf is er bij u sprake van beperkingen. U heeft aanpassingen nodig om met deze beperkingen te kunnen werken.

De belangrijkste aanpassingen zijn:

- u bent aangewezen op werk wat grotendeels eenarmig gedaan kunnen worden,

- de rechter arm/hand kan slechts als lichte steunfunctie belast worden en u bent aangewezen op zeer lichte werkzaamheden,

- u kunt niet in een koude werkomgeving functioneren,

- trillingen moeten vermeden worden,

- afwisselend werk en rekening houden met de belastbaarheid,

- rekening houden met uw continuïteit, bij pijn is er aanzienlijk minder mogelijk,

- coachende en sturende begeleiding die uw belastbaarheid blijft bewaken,

- geen medische urenbeperking, wel op gaan bouwen van uren indien u meer uren kunt gaan werken binnen het autobedrijf,

- een vertraagd werktempo, wisselend in geval van pijnklachten of lage omgevingstemperaturen.

Motivering:

U blijft uw aanpassingen nodig hebben in werk en daarom verlengen wij uw indicatie Wsw.”

In de rapportage indicatie WSW, dat als bijlage bij de beschikking van 13 juli 2011 is opgenomen, staat nog vermeld, samengevat, dat de klachten gelijk zijn gebleven en dat daarom geen reden is gezien om extra onderzoek te doen ten aanzien van de beperkingen. Voorts dat het zonder technische en organisatorische aanpassingen niet mogelijk is voor [appellant] om passende arbeid te kunnen verrichten alsmede dat de benodigde aanpassingen niet zonder WSW-subsidie kunnen worden gerealiseerd in een gewone werkomgeving.

4.2.1.

[appellant] heeft in deze procedure aanvankelijk gevorderd, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en volgens de wet, alsmede tot betaling van een voorschot van € 10.000,--. Na wijziging van eis vordert [appellant], samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 50.000,-- als vergoeding van de door [appellant] geleden schade als gevolg van het incident van 14 juni 2004, te vermeerderen met wettelijke rente, en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] is gehouden tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die [appellant] als gevolg van het door [geïntimeerde] toegebrachte letsel heeft geleden. [appellant] heeft gesteld dat zijn materiële schade bestaat in verlies van arbeidsvermogen. Het gevorderde bedrag van € 50.000,-- is opgebouwd uit een bedrag van € 35.000,-- wegens inkomensverlies en een ‘ex equo et bono’ begroot bedrag van € 15.000,-- voor door hem geleden immateriële schade.

4.2.2.

[geïntimeerde] heeft ter comparitie op 14 april 2008 erkend dat hij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de eventueel door [appellant] geleden schade. [geïntimeerde] betwist echter dat [appellant] als gevolg van het incident schade heeft geleden alsmede de hoogte van de door [appellant] gevorderde bedragen. Hij heeft in het kader van zijn causaliteitsverweer aangevoerd dat sprake is van een medische behandelfout waarvoor hij niet aansprakelijk is en dat sprake is van pre-existente klachten wegens een eerdere peestransplantatie in 1998. Voorts heeft [geïntimeerde] de door [appellant] gevorderde bedragen wegens inkomensverlies en immateriële schade betwist.

4.2.3.

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen. [appellant] is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen.

4.3.

Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat [appellant] als gevolg van het incident door toedoen van [geïntimeerde] de door hem gevorderde materiële schade heeft geleden. Grief II is gericht tegen het oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat [appellant] als gevolg van het incident de door hem gevorderde immateriële schade heeft geleden. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

4.4.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat tussen partijen enkel in geschil is of [appellant] als gevolg van het incident schade heeft geleden (causaliteit), en, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, wat de omvang is van deze schade.

Het hof zal eerst ingaan op de verweren die [geïntimeerde] met betrekking tot het causaal verband heeft aangevoerd.

Causaal verband

4.5.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat uit het vonnis van de rechtbank Breda in de WIA-procedure – vermeld hiervoor onder 4.1.4 – blijkt dat er een medische fout is gemaakt. Deze fout, daarin bestaande dat er te laat aandacht is besteed aan het letsel aan een zenuw in de onderarm, wordt volgens [geïntimeerde] ook bevestigd in een brief van het LUMC van 2 november 2005. [geïntimeerde] heeft zich voorts erop beroepen dat uit deze brief blijkt van eerdere klachten aan de rechterhand van [appellant] na een peestransplantatie in 1998. De gevolgen hiervan kunnen naar de mening van [geïntimeerde] niet ten laste van hem worden gebracht.

[appellant] heeft in hoger beroep uitdrukkelijk betwist dat de restgevolgen aan zijn rechterhand niet zijn terug te voeren op het incident maar al eerder zijn veroorzaakt. [appellant] heeft gesteld dat zijn huidige handicap enkel is veroorzaakt door de door [geïntimeerde] toegebrachte messteken. Voorts heeft [appellant] uitdrukkelijk betwist dat hij na de steekpartij op een onjuiste medische wijze is behandeld. Daarbij heeft hij gesteld dat het niet zo is dat hij, indien hij eerder was behandeld, geen restgevolgen zou hebben ondervonden. Hij heeft in dat verband uitdrukkelijk verwezen naar bedoelde brief van 2 november 2005.

4.6.1.

Het bedoelde vonnis van de rechtbank Breda is in dit geding niet overgelegd. In de door beide partijen aangehaalde brief van het LUMC, waarin wordt gerefereerd aan een (neurologisch) onderzoek van [appellant] op 5 april 2005, staat onder meer vermeld:

“Geconcludeerd werd dat hij een compleet N. ulnaris letsel heeft ten gevolge van een steekwond aan de voorzijde van de bovenarm in juni 2004. Gezien het inmiddels verlopen tijdsinterval en de localisatie van het letsel valt van een neurochirurgische reconstructie geen functiewinst meer te verwachten. Zelfs indien een dergelijk letsel op deze localisatie direct wordt gecoapteerd zal er geen totaal functieherstel optreden.”

4.6.2.

Voor zover de uitleg van [geïntimeerde] juist is dat uit de brief volgt dat bij eerder ingrijpen misschien geen volledig herstel, maar in elk geval een beter resultaat te verwachten was geweest, is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet afdoet aan het bestaan van het vereiste conditio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en de door [appellant] geleden schade, nu het incident medisch ingrijpen noodzakelijk maakte. Dat de schade aan de rechterarm wellicht beperkter had kunnen zijn bij eerder medisch ingrijpen staat naar het oordeel van het hof ook niet in de weg aan toerekening in de zin van art. 6:98 BW nu de toerekening van deze schade aan [geïntimeerde] wordt gerechtvaardigd door de aard van de onderhavige aansprakelijkheid (opzettelijk toegebracht letsel, te weten poging tot doodslag door middel van messteken) en de aard van de schade (duurzame letselschade).


4.7.1. In de brief van 2 november 2005 staat voorts, onder het kopje “Neurologisch onderzoek (rechter arm)”, vermeld:

“- klauwhand, hypotrofie (hypo-)thenar, intrinsieke handmusculatuur, litteken longitudinaal palmaire zijde distale pols (status na peestransplantatie in 1998)”.

[geïntimeerde] stelt op basis van deze passage dat de klauwstand van de hand, de verzwakking van de spieren rond duim en pink en het daarmee gepaard gaande functieverlies al bestonden in 1998 na een peestransplantatie, en dat de gevolgen hiervan dus niet ten laste van hem gebracht kunnen worden.

4.7.2.

Het hof is van oordeel dat ook dit causaliteitsverweer faalt. In de brief wordt, zoals weergegeven hiervoor in 4.6.1, geconcludeerd dat sprake is van een “compleet” N. ulnaris letsel “ten gevolge van een steekwond aan de voorzijde van de bovenarm in juni 2004”. Voorts heeft [appellant] gesteld dat zijn verdienvermogen pas is verminderd na het incident. Dit is niet door [geïntimeerde] betwist. Evenmin is door [geïntimeerde] betwist dat [appellant] vóór het incident werkzaam was als autopoetser. Uit de hiervoor in 4.1.7 en 4.1.8 vermelde gegevens volgt verder dat [appellant] na het incident door een ernstige beperking van de functie van de rechterhand is aangewezen op lichte werkzaamheden. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat sprake is van pre-existente factoren die zelfstandig, dus zonder het incident, de in dit geding door [appellant] gestelde klachten geheel of gedeeltelijk hebben veroorzaakt en hebben geleid tot de schade waarvan in dit geding vergoeding wordt gevorderd. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding voor een nader deskundigenonderzoek naar de mate waarin eventuele pre-existente factoren aan de gestelde klachten en schade hebben bijgedragen.

Begroting van de materiële schade

4.8.

[appellant] heeft in eerste aanleg bij conclusie van repliek, tevens akte tot wijziging eis van 19 mei 2010 gesteld dat zijn inkomensverlies tot genoemde datum is vast te stellen op een bedrag van (ruim) € 35.000,--. In de akte wordt verwezen naar een aan de rechtbank gerichte brief van 3 februari 2010 waarin opgave wordt gedaan van de gestelde inkomensschade. In de memorie van grieven heeft [appellant] zijn stellingen op dit punt nog verder aangevuld. [geïntimeerde] heeft verschillende verweren tegen de gevorderde materiële schadevergoeding gevoerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat [appellant] inkomensgegevens heeft overgelegd maar op geen enkele manier concreet heeft gemaakt, laat staan inzichtelijk heeft becijferd op welke wijze de door hem gevorderde materiële schade op die stukken gebaseerd kan worden.

4.9.

Het hof constateert dat [appellant] tot op heden heeft nagelaten afdoende inzicht te geven in de berekening van het gevorderde bedrag van € 35.000,--. Het hof zal [appellant], zoals vermeld hierna in r.o. 4.12 en r.o. 4.13, nog één maal in de gelegenheid stellen alsnog inzicht te geven in de door hem gestelde materiële schade. Het geleden verlies aan arbeidsvermogen dient te worden berekend door vergelijking van de situatie zonder ongeval, met de situatie met ongeval. In verband daarmee dient [appellant] in ieder geval inzicht te geven in:

Situatie zonder ongeval

a. a) Het gemiddelde netto-jaarinkomen van [appellant] in de drie jaren direct voorafgaande aan 14 juni 2004, zijnde de datum van het incident

[appellant] is voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen uitgegaan van een netto maandinkomen, inclusief vakantiegeld, van € 1.618,-- per maand. Hij heeft daartoe zijn loonafrekening over de maand mei 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat hij laatstelijk een netto salaris had van € 1.541,05 per maand. [geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat niet valt in te zien waarom het maatmanloon dat het UWV berekend heeft voor de Ziektewetuitkering geen goede maatstaf zou zijn. Hij heeft in dit verband erop gewezen dat uit het hiervoor in 4.1.7 vermelde rapport blijkt dat [appellant] voor het incident diverse losse baantjes heeft gehad en dat geen sprake is van een gestaag, ononderbroken carrière pad.

Het hof overweegt op dit punt als volgt.

Uit bedoeld rapport blijkt dat [appellant] diverse fulltime banen heeft gehad als productiemedewerker, loodgieter en autopoetser, alsmede dat hij de werkzaamheden als autopoetser van 2002-2004 heeft verricht. Het hof acht het daarom redelijk, mede gelet op het verweer van [geïntimeerde], bij de berekening van de schade wegens verlies aan verdiencapaciteit als uitgangspunt te nemen het gemiddeld netto-inkomen (inclusief vakantiegeld, eventuele eindejaarsuitkering e.d.) dat [appellant] verdiende in de drie jaren direct voorafgaande aan de datum van het incident. [appellant] dient inzicht te geven in dit gemiddeld netto-jaarinkomen, zulks onder overlegging van jaaropgaven over 2001-2004, althans, bij gebreke daarvan, salarisstroken of andere documenten (waaronder te denken valt aan belastingaangiften) waaruit van zijn inkomsten in deze periode blijkt, alsmede zijn salarisstroken over de maanden januari tot april 2004 (de salarisstrook over mei 2004 is door [appellant] reeds in het geding gebracht). Het hof overweegt in dit verband nog dat onduidelijk is of [appellant] voorafgaand aan het incident een eigen autopoetsbedrijf had dan wel in loondienst was als autopoetser. Het hof verzoekt [appellant] op dit punt helderheid te verschaffen.

Situatie met ongeval

b) De inkomsten die [appellant] uit hoofde van de Ziektewet heeft ontvangen (periode 14 juni 2004-11 juni 2006)

[appellant] heeft gesteld dat hij gedurende de periode dat hij een Ziektewet-uitkering ontving (te weten van 14 juni 2004 t/m 11 juni 2006) een inkomensverlies heeft geleden van € 12.384,--. [appellant] is daarbij uitgegaan van een ziekengelduitkering (inclusief vakantiegeld) van (netto) € 1.102,-- per maand.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat blijkens de door [appellant] bij brief van 3 februari 2010 overgelegde stukken moet worden uitgegaan van een dagloon van € 89,83 bruto, hetgeen omgerekend neerkomt op een bruto jaarloon, inclusief vakantiegeld, van € 23.328,-- (zijnde het resultaat van € 89,38 maal 261 werkdagen, een en ander overeenkomstig artikel 15 Ziektewet) ofwel een bruto maandelijks bedrag van € 1.944,-- inclusief vakantiegeld.

Uit de door [appellant] overgelegde specificaties over 2006 (bijlagen 6 t/m 28 bij brief aan de rechtbank van 3 februari 2010) leidt het hof af dat [appellant] in dat jaar per vier weken een netto uitkering ontving van vier maal een bedrag van € 268,46, zijnde in totaal € 1.073,84. Wat [appellant] in 2004 en 2005 maandelijks aan uitkeringen heeft ontvangen, kan uit de door [appellant] overgelegde stukken (bijlagen 2 t/m 5 bij brief van 3 februari 2010) niet afdoende worden afgeleid. Het hof verzoekt [appellant] nader inzicht te verschaffen in het door hem gestelde bedrag van € 1.102,-- per maand en zijn stellingen zoveel als mogelijk met bescheiden te onderbouwen.

c) De inkomsten die [appellant] uit hoofde van zijn WW-uitkering heeft ontvangen (periode 12 juni 2006-11 maart 2007)

Uit de door [appellant] overgelegde stukken (waaronder een beslissing van het UWV, bijlage 29 bij brief aan de rechtbank van 3 februari 2010) volgt dat hij, zoals vermeld hiervoor in 4.1.3, met ingang van 12 juni 2006 tot en met 11 maart 2007 recht heeft gehad op een loongerelateerde WW-uitkering. [appellant] heeft tot op heden geen inzicht gegeven in het bedrag dat hij gedurende deze periode aan WW-uitkering heeft ontvangen. Het hof verzoekt [appellant] dit alsnog te doen en zijn stellingen met bescheiden te onderbouwen.

d) De inkomsten die [appellant] van 12 maart 2007 t/m 19 mei 2010 heeft genoten

[appellant] heeft gesteld dat hij na afloop van de periode waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving, een bijstandsuitkering heeft ontvangen. In hoger beroep heeft hij specificaties van zijn bijstandsuitkering overgelegd over 2006 t/m 2012 alsmede Inkomensverklaringen IB60 van de Belastingdienst over de jaren 2007 t/m 2011.

Het hof stelt vast dat uit de overgelegde specificaties blijkt dat [appellant] reeds in 2006 uitkeringen uit hoofde van de bijstand heeft ontvangen. [appellant] dient inzicht te geven in de netto-inkomsten die hij tot en met 19 mei 2010 uit hoofde van de bijstand heeft ontvangen.

Het hof verzoekt [appellant] inzicht te geven in de verrekening die op dit punt mogelijk met zijn Ziektewet- of WW-uitkering heeft plaatsgevonden.

Voorts dient [appellant] inzicht te geven in zijn overige netto-inkomsten tot en met 19 mei 2010, waaronder de inkomsten die hij in 2007 tot aan de hersteloperatie in het kader van het door hem gestarte autopoetsbedrijf heeft genoten, en de inkomsten die hij vanaf 2008 in het kader van de Sociale Werkvoorziening heeft verworven. Gelijk [geïntimeerde] in dit verband terecht heeft aangevoerd, ontbreken de gegevens om de bruto bedragen op de IB 60-verklaringen netto te maken.

4.10.1.

Naar het oordeel van het hof dient zoveel als mogelijk de werkelijk door [appellant] geleden schade te worden begroot. Daartoe zal een vergelijking moeten worden gemaakt tussen de inkomsten die [appellant] na het incident tot en met 19 mei 2010 werkelijk heeft ontvangen (uitkeringen en verdere inkomsten, zoals inkomsten in het kader van de WSW) en de inkomsten die [appellant] zonder het incident zou hebben ontvangen, waarbij wordt uitgegaan van het gemiddeld netto jaarinkomen als bedoeld hiervoor in 4.9 onder a. Het hof volgt [appellant] dus niet voor zover hij de schade na de Ziektewetperiode wenst te fixeren op een percentage van 31,41 (zijnde het verlies aan verdiencapaciteit zoals dat is vastgesteld in het kader van de WIA-procedure) van zijn voor het incident genoten salaris.

4.10.2.

[geïntimeerde] mist in zoverre belang bij zijn verweer dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van het in december 2006 vastgestelde percentage van 31,41, nu [appellant] in 2007 een hersteloperatie heeft ondergaan en zijn arbeidsongeschiktheid nadien niet meer is beoordeeld. Uit de hiervoor in 4.1.7 en 4.1.8 vermelde rapporten die in het kader van de WSW-indicatie zijn opgemaakt, volgt voorts dat [appellant] ook na de hersteloperatie in 2007 duurzaam ernstig functionele beperkingen heeft aan de rechterhand/-arm en dat hij als gevolg daarvan, vanaf (februari) 2008 tot en met juli 2011 slechts met behulp van aanpassingen in WSW-verband in staat is (lichte) werkzaamheden te verrichten. Gezien deze gegevens acht het hof voldoende aannemelijk dat [appellant] door zijn lichamelijke gesteldheid na de Ziektewetperiode verhinderd is geweest in het normale arbeidsproces terug te keren en zijn oorspronkelijke verdienvermogen te benutten. Het hof verwerpt op die grond het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] geen onderbouwd antwoord heeft gegeven op de vraag waarom hij het door hem in januari 2007 gestarte autopoetsbedrijf na de hersteloperatie in juni 2007 niet heeft hervat.

4.10.3.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het hof geen aanleiding ziet voor een arbeidskundig onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] in de periode na december 2006, zijnde de datum waarop volgens de onbetwiste stelling van [geïntimeerde] het percentage van 31,41 in het kader van de WIA-procedure is vastgesteld. Het hof gaat mitsdien ervan uit dat [appellant] in de periode na het ongeval (tot en met 19 mei 2010) niet méér inkomen heeft kunnen verwerven dan hij in feite heeft gedaan.

4.11.

[appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitbetaalde bedrag vanwege geleden materiële schade door hem dient te worden terugbetaald indien en voor zover dezelfde schade alsnog door [geïntimeerde] aan hem wordt vergoed, en voorts dat op basis van deze door het schadefonds zelf gehanteerde constellatie [geïntimeerde] jegens [appellant] verplicht blijft tot vergoeding van de toegebrachte schade, zonder dat daarbij van belang is of het schadefonds al eerder tot vergoeding is overgegaan. [geïntimeerde] heeft deze stellingen in hoger beroep niet weersproken.

Het hof zal bij de begroting van de schade dan ook ervan uitgaan dat de door het Schadefonds Geweldsmisdrijven verstrekte uitkering niet in mindering strekt op de schade waarvan [appellant] in deze procedure vergoeding vordert.

4.12.

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen zijn schade te berekenen op de wijze als vermeld hiervoor in 4.10.1. [appellant] dient zijn berekening toe te lichten zodat inzichtelijk is op welke wijze hij zijn schade heeft berekend, en de schadebedragen op te nemen in een staat of overzicht waarin het beloop van de schade binnen de tijdsperiode 14 juni 2004-19 mei 2010 gespecificeerd wordt opgegeven. [appellant] dient zijn berekening voorts te onderbouwen door overlegging van de in 4.9 onder a t/m d bedoelde gegevens. Deze gegevens betreffen resumerend:

a. a) jaaropgaven van [appellant] over 2001-2004, althans, bij gebreke daarvan, salarisstroken of andere documenten (waaronder te denken valt aan belastingaangiften) waaruit blijkt van de inkomsten van [appellant] in deze periode (14 juni 2001-14 juni 2004), alsmede zijn salarisstroken over de maanden januari tot april 2004;

b) gegevens waaruit blijkt van de (netto) Ziektewet-uitkeringen die [appellant] in de periode 14 juni 2004 tot 1 januari 2006 heeft ontvangen;

c) gegevens waaruit blijkt van de (netto) WW-uitkeringen die [appellant] in de periode 12 juni 2006 t/m 11 maart 2007 heeft ontvangen;

d) gegevens waaruit blijkt van de (netto) inkomsten die [appellant] tot en met 19 mei 2010 uit hoofde van de bijstand heeft ontvangen, gegevens waaruit blijkt van verrekening die mogelijk met de Ziektwet- of WW-uitkering heeft plaatsgevonden, alsmede gegevens waaruit blijkt van zijn overige (netto) inkomsten tot en met 19 mei 2010, waaronder de inkomsten die hij in 2007 tot aan de hersteloperatie in het kader van het door hem gestarte autopoetsbedrijf heeft genoten en de inkomsten die hij vanaf 2008 in het kader van de Sociale Werkvoorziening heeft verworven.

4.13.

Het hof wijst erop dat nu [appellant] ook in eerste aanleg al enkele malen de gelegenheid heeft gehad zijn gegevens overzichtelijk en onderbouwd aan te leveren, maar die kansen niet heeft benut, aan [appellant] in dit hoger beroep slechts één maal de gelegenheid daartoe zal worden gegeven. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen als vermeld onder 5.

5 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 31 december 2013 voor nadere memorie aan de zijde van [appellant] met de hiervoor in 4.12 vermelde doeleinden, waarna [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordmemorie te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 november 2013.