Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5359

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
20-003822-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BN8662, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woningoverval op 3 januari 2010 in Mierlo. Verdachte heeft aanvankelijke bekentenis ingetrokken. Volgens psychologisch onderzoek is hij ‘meegaand’ met autoriteiten. Anders dan de rechtbank is het hof tot de conclusie gekomen dat aan de bekennende verklaring van de verdachte geloof kan en moet worden gehecht, gelet op details in de bekennende verklaringen van verdachte, op de (bekennende) verklaring van de medeverdachte en op forensisch bewijs (DNA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003822-10

Uitspraak : 13 november 2013

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2010 (ECLI:NL:RBSHE:2010:BN8662) in de strafzaak met parketnummer 01/839025-10 tegen de verdachte:

[naam van verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in] 1983,

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte vrijgesproken van het samen met een ander plegen van een woningoverval, zoals dat hem ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. C.J.P.M. Revis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. H.S.M. Vogelaar, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen - en opnieuw rechtdoende - het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen en aldus de vrijspraak van het ten laste gelegde in stand zal laten.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu dat niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Het hof komt namelijk, anders dan de rechtbank, wel tot een bewezenverklaring van hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 januari 2010 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [adres 2] heeft weggenomen, een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[A] en/of [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [A] en/of [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) met hantering/gebruikmaking van een wapen (bibigun)

  • -

    die [B] heeft/hebben vastgepakt en/of (vervolgens) de woonkamer/woning in geduwd; en/of

  • -

    die [A] heeft/hebben aangevallen, althans vastgepakt; en/of

  • -

    die [A] heeft/hebben geschopt en/of geslagen; en/of

  • -

    die [A] met een op een vuurwapen gelijkend (hard)voorwerp/een wapen (Bibigun) tegen de zij/het lichaam heeft/hebben geprikt/geduwd; en/of

  • -

    die [B] (tegen de borst/het lichaam) heeft/hebben geschopt; en/of

  • -

    die [A] hebben/heeft gezegd dat zij geld wilden hebben.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Op grond van de hierna vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 januari 2010 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [adres 2] heeft weggenomen een tas, toebehorende aan [A], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [A] en [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij en zijn mededader met gebruikmaking van een wapen (bibigun)

  • -

    die [B] hebben vastgepakt en vervolgens de woonkamer in geduwd; en

  • -

    die [A] hebben vastgepakt; en

  • -

    die [A] hebben geschopt en geslagen; en

  • -

    die [B] tegen de borst/het lichaam hebben geschopt; en

  • -

    die [A] hebben gezegd dat zij geld wilden hebben.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs: de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.1

1. Op zondag 3 januari 2010, omstreeks 21:05 uur, werd de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gemeld dat er een overval had plaatsgevonden op een woning gelegen aan [adres 2] te Mierlo. De verbalisanten waren omstreeks 21:12 uur ter plaatse en troffen daar de heer [A] en mevrouw [B] aan.2 [A] en [B] deden aangifte van een overval/diefstal met geweld.3

2. De aangifte van voornoemde [B] houdt voor zover van belang het volgende in.

“Ik ben zelf de hoofdbewoner aan [adres 2] te Mierlo. Op zondag 3 januari 2010 had ik bezoek van [A]. […] Omstreeks 21:00 uur werd er bij mijn woning aan de voordeur aangebeld. […] Nadat de bel […] was gegaan, ben ik naar de voordeur gelopen. Ik […] heb [daarna] de voordeur geopend. Ik zag dat er twee personen stonden die ik niet kende. Ik zag dat beide personen een bivakmuts droegen. Ik zag dat één dader iets in zijn hand vast hield. Ik zag dat het iets zwarts was. […]

Ik draaide mijzelf om en riep: ‘[A]’. Nadat ik mijzelf had omgedraaid, voelde ik dat dader 1 mij met kracht vastpakte bij mijn bovenarmen. Dader 1 stond achter mij en hield mij vast en [duwde mij] naar de huiskamer toe.

Ik voelde op een gegeven moment dat ik door dader 1 werd losgelaten […]. Ik ben toen naar de stoel in de woonkamer gelopen. Naast deze stoel staan twee koperen ketels. Ik heb de kleinste koperen ketel gepakt. […] Ik zag […] vervolgens [dat] dader 2 de woonkamer binnen kwam gelopen. Ik heb met de koperen ketel minstens drie keer op zijn hoofd geslagen. Ik zag dat dader 2 vervolgens met beide handen naar zijn hoofd greep. Zonder iets te zeggen, heeft dader 2 vervolgens de woning verlaten.

Ik zag daarna dat [A] op dat moment in een hoek was gedreven. Ik zag dat [A] tussen de deuren van de keuken en de deur naar de bovenverdieping in zat. Ik zag dat [A] met kracht geschopt en geslagen werd door dader 1. Ik hoorde [A] […] roepen: ‘Wat moeten jullie van mij?’ Ik hoorde dat dader 1 hierop antwoordde: ‘Geld’. […] Ik ben achter dader 1 aangegaan met de koperen ketel nog in mijn hand. Bij de hal aangekomen, zag ik dat dader 1 een schop achterwaarts gaf. Ik voelde de schop met kracht tegen mijn borstbeen aankomen. Vervolgens ben ik achterover gevallen en op de grond terechtgekomen. Ik zag dat dader 1 wegvluchtte uit de woning.” 4

3. In aanvulling daarop verklaarde [B] voorts het volgende.

“Op het moment dat de eerste overvaller binnenkwam en [A] hem geslagen had, liet hij mij los. De eerste overvaller is met [A] gaan vechten en kwamen in een hoek van de kamer op de grond terecht. De tweede overvaller is pas later binnengekomen. Deze kwam pas op het moment dat [A] en de eerste overvaller in de hoek op de grond lagen. […] Ik heb vervolgens een koperen ketel (moor) gepakt en ben naar de tweede overvaller toegelopen. […] Ik heb vervolgens met de moor midden op het hoofd van de overvaller geslagen. […] Na de derde slag, zag ik dat de tweede overvaller met zijn handen naar zijn hoofd greep en zonder iets te zeggen zich omdraaide en via de hal naar buiten liep. […] Op dat moment had ik de moor nog in mijn handen en draaide ik me om richting de eerste overvaller die nog met [A] aan het vechten was. Ik was van plan om ook deze overvaller met de moor te slaan. […] Deze overvaller […] [vluchtte] vervolgens snel [weg].” 5

4. De aangifte van [A] houdt voor zover van belang het volgende in.

“Op zondag 3 januari 2010 […] zat ik samen met mevr. [B] naar de televisie te kijken in de woonkamer [van haar woning aan [adres 2] te Mierlo]. […] De deurbel […] ging. Mevr. [B] heeft vervolgens de voordeur geopend. Ik hoorde haar nog zeggen: ‘Wie is daar?’ Vervolgens maakte zij de voordeur open. Ik zat op dat moment nog in de woonkamer. Ik zag dat mevr. [B] via de hal de woonkamer binnenkwam en zag dat zij vastgehouden werd door een persoon. Ik zag direct dat deze persoon in het zwart gekleed was en dat deze een bivakmuts droeg. Ik ben direct opgestaan en naar hem toegelopen. Ik heb die persoon […] op zijn gezicht geslagen. Hierdoor liet hij mevr. [B] los. Vervolgens pakte deze persoon mij vast. […] Ik [kwam] ten val in de hoek van de woonkamer. Ik had zelf deze persoon vast waardoor hij gebukt boven mij stond. […] Ondertussen was er een tweede persoon de woning binnengekomen. Ik zag in een schim dat mevr. [B] een moor vasthad. […] Doordat deze tweede persoon de woning weer uitging, wilde de persoon die bij mij stond ook de woning uitgaan. […] Toen ik op de grond lag, heb ik me ook afgeweerd met mijn voeten. Toen deze persoon van mij af liep, zag ik dat hij richting de voordeur liep. Ik zag dat mevr. [B] een trap kreeg van deze persoon tegen haar borst aan. Hierdoor viel zij op de grond. […] Mijn tas, een grijze weekendtas, stond in de hal en ik hoorde later dat deze weg was. […] Bijna op het einde van de worsteling heb ik aan de persoon gevraagd ‘Wat wilde van me’. Toen zei deze persoon ‘geld’.” 6

5. Verbalisant [verbalisant 3] kreeg op 3 januari 2010 omstreeks 21.10 uur de opdracht om te gaan naar [adres 2] te Mierlo. Ter plaatse is hij samen met zijn diensthond Rico gegaan naar de kruising [adres 2] - [adres 3] - [adres 4]. Daar heeft hij de diensthond het commando ‘zoeken’ gegeven. De diensthond liep vervolgens een brandgang in tussen de percelen [adres 4]en [adres 5]. Aan het einde van deze brandgang liep de diensthond rechtsaf. Daar zag de verbalisant een sporttas liggen.7

6. De forensisch technische ondersteuning heeft onderzoek gedaan naar sporen, onder meer in de woning aan [adres 2] te Mierlo. In de hal van de woning werd achter een ketel een houder van een zogenaamde B.B. Gun (hof: bibigun) aangetroffen.8

7. Op 3 februari 2010 heeft medeverdachte [C] tegenover de politie verklaard dat hij de overval samen met de verdachte heeft gepleegd. Hij verklaarde bij die gelegenheid het volgende.

“Ik verklaar nu dat ik […] de overval op de woning heb gepleegd met [de verdachte].” 9

“Ik voel me nu wat rustiger in mijn hoofd. Ik ga nu de waarheid vertellen. […] Ik ben die zondagavond 3 februari 2010 met [de verdachte] naar buiten gegaan. […] U vraagt of we onderweg nog iemand zijn tegengekomen. Ja, dat klopt, twee meisjes […] Wij zijn met z’n tweeën gaan lopen. Op een gegeven moment zagen we in een woning oude mensen zitten. We dachten, die kunnen we wel overvallen, die doen toch niets. Ze waren zeker boven de 65 jaar oud. We zijn teruggelopen […] en [hebben] […] koffie gedronken. […] Ik heb mijn bivakmuts gepakt. [de verdachte] had ook een bivakmuts. […] Ik had ook nog een bibigun […] in de woning liggen. Ik heb die ook meteen meegenomen. […] U vraagt mij of ik nu iets mis uit die bibigun. Ja, ik mis het magazijn uit mijn bibigun. […]

Ik heb vervolgens aangebeld aan de voordeur. Ik hoorde een mevrouw iets zeggen. […] [de verdachte] stond vooraan, ik stond achter [de verdachte]. Op het moment dat de vrouw de deur opendeed, ging het allemaal heel snel. [de verdachte] duwde die vrouw naar binnen, ik ben achter [de verdachte] aangelopen en ik heb de deur dichtgedaan. […] Die mensen begonnen zich te verweren en ik dacht ‘dit loopt uit de hand’. Ik ben omgedraaid en […] via de voordeur weer naar buiten gerend. Bij het naar buiten lopen zag ik een tas in de gang staan. Die heb ik gepakt en ben verder door naar buiten gelopen. De tas heb ik buiten neergezet. Ik dacht namelijk ‘ik kan [de verdachte] niet alleen laten’ en ben teruggegaan. […] Ik [ben weer] naar binnen gegaan. Toen ik binnen kwam, zag ik dat [de verdachte] met een pot op z’n hoofd geslagen werd door die vrouw. Ik ben vervolgens naar die vrouw [gelopen] en heb die pot uit haar handen getrokken. Ik heb die pot […] ergens in de woonkamer […] neergegooid. Ik zag dat [de verdachte] op de grond lag met die man. Toen [de verdachte] niet meer geslagen werd door die vrouw, kon [de verdachte] ook wegkomen. Ik rende als eerste de deur uit. […] Die tas, die ik eerder buiten heb gezet, heb ik in het rennen meegenomen. We zijn vanuit de woning linksaf de Julianalaan ingelopen. […] We zijn de brandgang in gerend. Ik heb snel in de tas gekeken, maar er zat naar mijn idee niets in. Ik heb die tas vervolgens laten staan. We zijn de brandgang uitgerend rechtsaf de [adres 6] op. […] Toen we in het gangetje liepen, kwam ik er achter dat ik die houder van de bibigun kwijt was. […]

We kwamen eigenlijk samen op het idee om die bibigun te gebruiken. Ik heb gezegd dat ik nog een bibigun […] had liggen en dat we die wel konden gebruiken. [de verdachte] vond het goed.” 10

8. Medeverdachte [C] heeft deze verklaringen in grote lijnen bevestigd ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 5 maart 2013. Bij die gelegenheid verklaarde hij het volgende.

“U vraagt mij wat ik nog weet van de overval op de twee oude mensen in [adres 2] te Mierlo op 3 januari 2010. […] Ik weet […] dat ik samen met [de verdachte] die overval heb gedaan. […] Ik had een […] bibigun bij me. U vraagt mij […] hoe ik weet dat [de verdachte] de mededader was. Dat weet ik omdat ik met [de verdachte] in het steegje liep na de overval. U vraagt mij nog eens rustig na te denken welke herinneringen ik nog heb aan de overval. […] Ik zie mij binnen bij die oude mensen met een bibigun in mijn handen. Ik zie de oude mevrouw staan. Ik weet nog dat ik naar buiten rende en terug naar binnen ben gegaan en een tas heb gepakt. Verder zie ik voor me dat [de verdachte] en ik zijn weggerend door het gangetje tussen de [adres 4] en [adres 6] en dat ik daar de tas heb weggegooid.

U vraagt mij […] welke beelden ik heb van de betrokkenheid van [de verdachte] bij de overval. Ik zie voor me dat [de verdachte] en ik na de overval zijn weggerend door het gangetje en dat ik daar de tas heb weggegooid die ik bij de overval had weggenomen, zoals ik net verklaarde. […]

Vanwege het dumpen van de tas ben ik achterop gekomen. Ik liep toen achter [de verdachte] en zag [de verdachte] voor me rennen.” 11

9. De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de overval tegenover de politie bekend op 2, 3 en 4 februari 2010. Hij deed dat op de volgende wijze.

“Op de avond van de overval […] heb ik met [bijnaam] (hof: medeverdachte [C] heeft verklaard dat “[bijnaam]” zijn bijnaam is 12 ) buiten een jointje gerookt. […] Ik heb twee mensen met een of twee honden gezien. Volgens mij wonen ze op de [adres 2] in Mierlo” 13

“Het […] [waren twee vrouwen met twee honden], ik dacht dat het twee kleine, soort lassiehonden waren. […] Tijdens het lopen hebben [[bijnaam] en ik] een jointje gerookt […] Wij zijn de [adres 6] uitgelopen in de richting van waar we die mensen zijn tegengekomen. (…)

U vraagt stapje voor stapje te denken wat er gebeurd is. Volgens mij hebben we aangebeld ergens bij die bejaardenwoningen […] op de [adres 2] [en] […] binnengevallen. […] Ik zag volgens mij de vrouw aan de deur staan en de deur duwde ik of [bijnaam] open. Toen zijn we naar […] binnen gedrongen. […]. Toen is die man volgens mij uit zijn stoel gekomen. […]. Ik ben op een gegeven moment met die man op de grond gevallen. […] Volgens mij […] lag hij op mijn arm.” 14

“Ik weet nog dat we daar stonden, [voor de deur aan [adres 2] te Mierlo]. […] Een vrouw [deed] open. We zijn vervolgens naar binnengelopen. […] Ik weet nog dat er een man op mijn afgelopen kwam en mij vervolgens sloeg of vastpakte. […] Die betreffende man […] lag op mijn arm. Daardoor kon ik niet opstaan. Op een gegeven moment kwam mijn arm los en wilde ik opstaan. Ik zag nog wel dat de vrouw met een ketel naar mij toe kwam. Ik heb die vrouw aan de kant geduwd en toen ben ik naar buiten gelopen. […] Op het moment dat ik naar buiten rende, liep die vrouw mij achterna. Ik heb me […] toen omgedraaid en de vrouw geschopt. U vraagt mij of de mensen die op [adres 2] te Mierlo iets hebben gezegd. Ik meen me te herinneren dat die man riep: ‘wat moeten jullie?’ […]

Ik had een muts op. […] Volgens mij had [bijnaam] […] een bivakmuts over zijn hoofd getrokken. Ik meen me te herinneren dat [bijnaam] iets in zijn hand had. […]

Ik heb niks uit de woning meegenomen. Ik meen me te herinneren dat [bijnaam] wel iets heeft meegenomen. We zijn het gangetje ingelopen. Ik hoorde dat [bijnaam] zei dat hij iets miste. Ik weet niet wat […] hij kwijt was. Ik zag dat [bijnaam] terugliep en ik riep tegen [bijnaam]: ‘wat doe je nou?’ Ik hoorde [bijnaam] zeggen dat hij iets verloren was.” 15

10. De mouwen van de trui van het slachtoffer [A] zijn bemonsterd op mogelijk aanwezig celmateriaal van de belager van het slachtoffer. De bemonsteringen zijn veiliggesteld als AABA4897NL#01 (rechtermouw) en AABA4897NL#02 (linkermouw) voor een DNA-onderzoek. Bij dit DNA-onderzoek zijn de referentiemonsters van de verdachte (RAAI5880NL) en medeverdachte [C] (RAAI5878NL) betrokken.

De resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek zijn - voor zover van belang - weergegeven in onderstaande tabel uit het rapport van het NFI d.d. 22 mei 2013, opgemaakt door drs. C. van Kooten.

SIN

Beschrijving DNA-profiel / Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

AABA4879NL#01

DNA-hoofdprofiel van een man: onbekende man A

Kleiner dan 1 op 1 miljard

DNA-nevenkenmerken: minimaal 2 personen, waarbij [de verdachte] niet kan worden uitgesloten.

Zie ‘Bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek’

AABA4897NL#02 (linkermouw)

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen waaronder onbekende man A en waarbij [de verdachte] niet kan worden uitgesloten.

Zie ‘Bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek’

Bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek:

Bemonstering AABA4897NL#01 van de rechtermouw van de trui

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer de bemonstering AABA4897NL#01 celmateriaal bevat van onbekende man A, de verdachte [de verdachte] en één willekeurig gekozen, niet aan het slachtoffer of de verdachte verwante, andere persoon, dan wanneer deze bemonstering celmateriaal bevat van de onbekende man A en van twee willekeurig gekozen, niet aan het slachtoffer of de verdachte verwante, andere persoon.

Bemonstering AABA4897NL#02 van de linkermouw van de trui

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de bemonstering AABA4897NL#02 celmateriaal bevat van onbekende man A, de verdachte [de verdachte] en één willekeurig gekozen, niet aan het slachtoffer of de verdachte verwante, andere persoon, dan wanneer deze bemonstering celmateriaal bevat van de onbekende man A en van twee willekeurig gekozen, niet aan het slachtoffer of de verdachte verwante, andere persoon.

11. Op de avond van 3 januari 2010 hebben de zussen [D] en [E], wonende aan de [adres 2] 11 te Mierlo, twee jongens gezien in de nabijheid van de [adres 2].

[D] heeft hierover onder meer het volgende verklaard.

“Op zondag 3 januari 2010, omstreeks 20:34 uur, ging ik samen met mijn zusje [E] onze honden uitlaten. […] Op [adres 7] zag ik dat er twee jongens ons tegemoet kwamen gelopen. Ik zag dat deze jongens uit de [adres 6] kwamen gelopen. Tussen de [adres 2] en [adres 8] werden wij gepasseerd door deze twee jongens. Dit was omstreeks 20:56 uur. Ik hoorde dat een van de jongens hoi zei. 16

Dat laatste tijdstip wist zij zich te herinneren, omdat zij op dat moment op haar gsm had gekeken. [D] noemde daarbij als tijd 20.54 uur, maar bij de door de verbalisanten uitgevoerde controle van de tijd op haar gsm met de tijd op teletekst, bleek dat haar gsm twee minuten achter liep op de werkelijke (teletekst)tijd.17

12.Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zijn vanaf de plek waar de dames [D en E] “de twee jongens” zijn tegengekomen, in een tijdsbestek van vier minuten gelopen naar de woning waar de overval heeft plaatsgevonden. De melding gewapende overval kwam om 21:05 uur bij de meldkamer van de politie binnen.18

Nadere bewijsoverwegingen

De verdachte is van zijn hiervoor onder 9. opgenomen bekennende verklaring teruggekomen; hij ontkent thans iedere betrokkenheid bij de woningoverval.

Die gewijzigde proceshouding gevoegd bij een aantal andere factoren maakte dat de rechtbank twijfelde aan de juistheid van de bekennende verklaring. Die andere factoren waren dat de bekennende verklaring op een aarzelende wijze tot stand is gekomen en dat uit het rapport van psycholoog A.M.J. de Kuiper naar voren komt dat de verdachte zwakbegaafd is, waardoor de rechtbank er ernstig rekening mee hield dat verdachte tijdens het verhoor de gedachte heeft gekregen dat hij het wel zou hebben gedaan. De rechtbank heeft daarbij tevens acht geslagen op het feit dat de medeverdachte [C] ten overstaan van de rechtbank de verdachte niet opnieuw heeft willen noemen als degene met wie hij de woningoverval had gepleegd.

Het hof heeft in hoger beroep nader onderzoek gedaan. Onder meer is nader onderzoek gedaan door klinisch psycholoog R. Bullens. Deze is, zij het met een andere onderzoeksmethode, min of meer tot dezelfde conclusie gekomen als psycholoog De Kuiper. Volgens psycholoog Bullens functioneert de verdachte op een zwakbegaafd niveau, waarbij vooral de verbale vaardigheden en de verwerkingssnelheid zijn achtergebleven. Op performaal vlak scoort hij een laaggemiddeld niveau. Evenwel zijn er geen aanwijzingen naar voren gekomen dat er sprake is van gebrekkige geheugenfuncties, noch zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een eventuele pathologie of het voorwenden daarvan. Volgens Bullens blijven enkel de scenario’s overeind dat de verdachte ofwel ten onrechte een bekennende, ofwel ten onrechte een ontkennende houding heeft aangenomen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de verdachte zeer gevoelig is voor wat autoriteiten zeggen. Hij blijkt al bij een relatief lichte druk snel beïnvloedbaar, wat wordt veroorzaakt door een combinatie van zijn beperkte intellectuele capaciteiten, gevoelens van (sociale) inadequatie en het preconventionele stadium van de morele ontwikkeling waarop hij nog functioneert: hij zal tegenover autoriteiten snel meegaan met wat hij denkt dat ze van hem verwachten en aldus tot een kloppend antwoord proberen te komen.

Gelet op de laatstgenoemde overweging van dr. Bullens moet bij de waardering van de bekennende verklaring van de verdachte grote behoedzaamheid worden betracht. Desalniettemin is het hof tot de conclusie gekomen dat aan de bekennende verklaring van de verdachte geloof kan en moet worden gehecht. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De hiervoor tot het bewijs verklaringen van de verdachte bevatten bijzonderheden die bevestiging vinden in andere verklaringen. Zo is de verdachte zelf gekomen met het feit dat hij twee vrouwen met twee honden was tegengekomen, hetgeen wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [C] en overeenkomt met de verklaring van [D]. De verdachte en medeverdachte [C] waren op dat moment van tegenkomen (20:56 uur) op vier minuten lopen van de plaats van de overval aanwezig, terwijl de overval ook rond 21:00 uur heeft plaatsgevonden (bewijsmiddelen 1 en 12).

Verder heeft de verdachte in zijn verklaringen specifieke daderinformatie gegeven. Zo heeft verdachte verklaard dat de man uit de stoel is gekomen, hem heeft geslagen en heeft gevraagd “wat moeten jullie”, hetgeen bevestiging vindt in de verklaring van “die man”, aangever [A].

Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij - na te zijn weggevlucht - in het gangetje [C] hoorde zeggen dat hij iets miste, dat hij iets verloren was. Ook dat wordt bevestigd. [C] heeft namelijk verklaard dat hij in het gangetje erachter kwam dat hij de houder van zijn bibigun kwijt was, terwijl de politie een houder van een zogenaamde B.B. Gun (hof: bibigun) heeft aangetroffen in de hal van de woning van [B]. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen [C] wilde teruglopen nadat deze had gemerkt dat hij iets verloren was, tegen [C] heeft geroepen “wat doe je nou”. Deze uitroep die de verdachte naar zijn zeggen heeft geslaakt toen hij met [C] op de vlucht was na een gepleegde overval, maakt een authentieke geloofwaardige indruk.

Al deze bijzonderheden maakt naar het oordeel van het hof onaannemelijk dat de verdachte deze verklaringen heeft verzonnen.

Daarbij komt dat de in bewijsmiddel 10 weergegeven resultaten van DNA-onderzoek een sterke objectieve aanwijzing opleveren dat de verdachte inderdaad de overvaller was met wie [A] op de grond was terechtgekomen.

Bij de rechtbank heeft [C] niet ontkend dat verdachte de mededader was, maar gezegd dat hij “niet meer wist of hij de overval had gepleegd met iemand die hij kende, dat het [de verdachte] dus wel geweest kan zijn en dat hij niet zegt dat hij het niet gedaan heeft”. Tegenover de raadsheer-commissaris heeft [C] verklaard dat hij dit gezegd heeft omdat “het gewoon als een naaistreek voelt om de naam van de mededader te noemen”. Onder de druk van een mogelijke gijzeling is [C] daartoe dan toch overgegaan. Hiermee heeft [C] bevestigd wat hij reeds bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris had verklaard. Deze verklaring vindt ook steun in de andere hierboven genoemde bewijsmiddelen.

Resumerend houdt het oordeel van het hof dan ook in dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde woningoverval met medeverdachte [C] heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 312, eerste lid juncto het tweede lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd.

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan een overval op twee bejaarde personen, waarbij niet alleen is gedreigd met geweld maar ook daadwerkelijk geweld is gebruikt.

In zo’n geval kan naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de hoogte van die vrijheidsbeneming houdt het hof enerzijds rekening met het feit dat de medeverdachte door de rechtbank onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren (vonnis van 20 mei 2010) en dat de verdachte degene was die het bewezen verklaarde geweld tegen [A] en [B] heeft toegepast. Het hof houdt voorts rekening met de gevolgen die de overval heeft gehad. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen d.d. 13 december 2011 wordt duidelijk welke grote negatieve impact de overval heeft gehad op de heer [A] en mevrouw [B]. [B] schrijft: “Zij hebben ons leven verwoest en wij lachen bijna nooit meer, terwijl wij samen zo veel plezier hadden. Het allerergste vind ik de angst waarmee ik leef, want daardoor kan ik niet meer normaal leven.” [A] schrijft: “Het ergste vind ik dat ik merk dat ik niet goed meer functioneer in het dagelijks leven. Het enige wat ik nog doe is wat in huis poetsen en wat boodschappen doen. Van nature ben ik altijd een vrolijk en optimistisch mens geweest en dat ben ik kwijt.”

Het hof rekent dat de verdachte zwaar aan.

Anderzijds neemt het hof in aanmerking dat de verdachte, buiten dit ernstige feit, een blanco strafblad heeft. Ook in de periode na het bewezen verklaarde is de verdachte niet met politie en justitie in aanraking gekomen. Het hof heeft ook kennisgenomen van het de rapporten die over de persoon van de verdachte zijn opgemaakt en ook van hetgeen hij in dat verband ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

Het hof is - na een en ander te hebben afgewogen - tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest (circa 8 maanden) onvoldoende recht zou doen aan de ernst van het bewezen verklaarde, ook niet indien die straf zou worden gecombineerd met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden passend en geboden zou zijn. Het hof moet echter vaststellen dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, aangezien de officier van justitie op 18 oktober 2010 hoger beroep heeft ingesteld en de behandeling in tweede aanleg niet met een eindarrest binnen twee jaren is afgerond. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. De schending dient in dit geval tot strafvermindering te leiden. Het hof zal daarom in plaats van 32 maanden, 30 maanden gevangenisstraf opleggen aan de verdachte.

Schadevergoeding

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft zich in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.348,16, bestaande uit € 98,18 aan materiële schade en € 2.250,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het gevorderde bedrag.

De verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

Vordering van de benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft zich in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.837,--, bestaande uit € 587,-- aan materiële schade en € 2.250,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 2.357,-- te vermeerderen met de wettelijke rente..

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de schadepost “Thuiszorg” (een bedrag van in totaal € 480,--) zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet kan worden toegewezen. De benadeelde partij zal in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

Schadevergoedingsmaatregelen

De verdachte is telkens jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof ziet aanleiding om ten behoeve van de benadeelde partijen - ter meerdere zekerheid van de voldoening van hun civiele vorderingen - aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot het bedrag van de betreffende vordering, voor zover, toegewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 60a en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.348,16 (tweeduizend driehonderdachtenveertig euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], een bedrag te betalen van € 2.348,16 (tweeduizend driehonderdachtenveertig euro en zestien cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot en met de dag der voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of de Staat, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.357,00 (tweeduizend driehonderdzevenenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte die om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [B], een bedrag te betalen van € 2.357,00 (tweeduizend driehonderdzevenenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot en met de dag der voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of de Staat, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. M. Bakhuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 13 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Bakhuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s houdende onder meer ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgenomen in het doorgenummerde onderzoeksdossier van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Gezamenlijke Recherche Valkenswaard, Einddossier Tureluur, pagina 1 t/m 365.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2010, pagina 28 en 29.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 4 januari 2010, pagina 36; proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2010, pagina 47.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 4 januari 2010, pagina 36 en 37.

5 Proces-verbaal van verhoor d.d. 5 januari 2010, pagina 41 en 42.

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2010, pagina 44 en 45.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2010, pagina 31.

8 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 12 februari 2010, pagina 144.

9 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 februari 2010, pagina 251.

10 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 februari 2010, pagina 253 t/m 256.

11 Een niet van voormeld onder 1 bedoeld politiedossier deel uitmakend proces-verbaal van verhoor, te weten het proces-verbaal van verhoor van de getuige [C] dat op 5 maart 2013 door raadsheer-commissaris mr. C.M. Hilverda is afgenomen.

12 Proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2010, pagina 243 en 244.

13 Proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2010, pagina 205 en 206.

14 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 februari 2010, pagina 208, 209 en 213.

15 Proces-verbaal van verhoor d.d. 4 februari 2010, pagina 218 en 219.

16 Proces-verbaal van verhoor d.d. 4 januari 2010, pagina 51 en 52.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2010, pagina 56.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2010, pagina 56-57.