Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5357

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
20-002501-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de teelt van hennep en de handel in hennepstekken. Het hof schat het verkregen voordeel op een bedrag van € 1.025.955,66 en legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.020.955,66.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002501-11

Uitspraak : 8 november 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Maastricht van 27 mei 2011 op de vordering ex artikel 36e, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-703090-05 tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

wonende te[woonplaats], [adres],

waarbij aan de veroordeelde de verplichting werd opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.391.421,80 ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Hoger beroep

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof de beroepen beslissing zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van € 2.298.965,57 en aan veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel zal opleggen tot datzelfde bedrag.

Beslissing waarvan beroep

De beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 3.104.295,33 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot datzelfde bedrag.

De beoordeling

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 7 december 2005 in de strafzaak onder parketnummer 03/703090-05 tot straf veroordeeld ter zake van:

  1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij de organisatie leidt.

  2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt gepleegd in de uitoefening van een bedrijf.

  3. diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

  4. valsheid in geschrift.

  5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

  6. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, het bewezen verklaarde feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

De redengeving van de op te leggen maatregel

A.1

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 2.298.965,57. Aan zijn vordering heeft de advocaat-generaal – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd:

  • -

    veroordeelde en [medeveroordeelde] dienen te worden beschouwd als een economische eenheid, aangezien zij reeds geruime tijd een relatie hebben en hun inkomsten en uitgaven verweven zijn, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de helft ten bate van veroordeelde en voor de helft ten bate van [medeveroordeelde] is gekomen en dit voordeel dus ook via deze verdeling dient te worden ontnomen;

  • -

    middels de teelt van hennep in het pand aan de [adres] te Echt is een bedrag van
    € 53.402,98 aan voordeel wederrechtelijk verkregen;

  • -

    middels de handel in hennepstekken in de periode van 30 oktober 2001 tot en met
    31 mei 2005 is een bedrag van € 664.690,00 aan voordeel wederrechtelijk verkregen;

  • -

    middels de teelt van hennep in het pand aan de [adres] te Stein is een bedrag van € 1.579.554,75 aan voordeel wederrechtelijk verkregen;

  • -

    de opbrengst van de stekkenhandel dient te worden geëxtrapoleerd ten aanzien van de periode 1 januari 2000 tot en met 30 oktober 2001, terwijl de opbrengst van de hennepteelt in het pand aan de [adres] te Stein dient te worden geëxtrapoleerd ten aanzien van de periode 1 januari 2000 tot en met 1 september 2002, hetgeen resulteert in een bedrag van € 2.300.283,40 aan wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt aldus € 4.597.931,13.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal hieraan toegevoegd dat op het totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.000,00 in mindering kan worden gebracht aan knipkosten met betrekking tot de hennepkwekerij in het pand aan de [adres] te Echt alsmede een aan [betrokkene 3] betaalde vergoeding.

A.2

De verdediging heeft bepleit dat:

  • -

    de voordeelberekening waar deze is onderbouwd met de methode van extrapolatie dient te worden afgewezen;

  • -

    de periode die voorafgaat aan 14 december 2000 op grond van beginselen van behoorlijk procesrecht bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing dient te blijven;

  • -

    veroordeelde uit de hennepkwekerij aan de [adres] te Echt geen voordeel heeft genoten, omdat deze is leeggeroofd;

  • -

    in de hennepkwekerij aan de [adres] te Steijn één maal is geoogst, waarbij de opbrengst verdeeld dient te worden over [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en veroordeelde;

  • -

    de kasopstelling geen concrete basis vormt voor het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    het kastekort, rekening houdend met de tekortkomingen, maximaal € 734.656,00 bedraagt en er geen enkele aanleiding bestaat om naast het saldo van de kasopstelling ook inkomsten op basis van een transactieberekening bij dit tekort op te tellen.

Het hof overweegt als volgt.

A.3

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van strafbare feiten, te weten: de teelt van hennep in een pand aan de [adres] in Echt, de handel in hennepstekken en de teelt van hennep in een pand aan de [adres] in Stein, die er, gelet op het tegen veroordeelde ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO), toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en berekent dit voordeel op de navolgende wijze.

B. Hennepkwekerij aan de [adres] in Echt

B.1.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting ten verweer betoogd dat de periode die voorafgaat aan 14 december 2000 op grond van beginselen van behoorlijk procesrecht bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing dient te blijven. Daartoe is – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

Toen veroordeelde op 14 december 2000 werd aangehouden wegens overtreding van de Opiumwet bestond bij de politie het vermoeden dat hij in de periode daarvoor vermoedelijk hennep had geteeld. Ondanks deze wetenschap is niet onderzocht of veroordeelde bij die plantages betrokken was en is er geen financieel onderzoek ingesteld. Met het aanbieden van de transactie op 4 juni 2002 is vervolgens een streep gezet.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.1.2

Blijkens het zich in het dossier bevindende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
12 augustus 2013 heeft veroordeelde in de zaak met parketnummer 03-005797-00 een transactie ter hoogte van € 1.700,00 voldaan ter zake van een op 14 december 2000 in Maastricht gepleegde overtreding van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet.

B.1.3

De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn requisitoir het volgende naar voren gebracht:

“Op 14 december 2000 werd [veroordeelde] aangetroffen bij een hennepplantage te Maastricht. In zijn auto werden 300 plantjes aangetroffen. Deze zaak is afgedaan met een transactie van
€ 1.700,- die alleen betrekking had op het bezit van die 300 plantjes (parketnummer
005797-00). Justitie vond destijds kennelijk, dat er geen wettig en overtuigend bewijs was voor [veroordeelde]’s betrokkenheid bij die kwekerij zelf.”

B.1.4

Het hof begrijpt het verweer aldus dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat gelet op de transactie het ontnemen van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen in de periode tot en met 14 december 2000 een schending van het “ne bis in idem-beginsel” zou opleveren. In aanmerking genomen dat veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het begaan van het strafbare feit ter zake waarvan hij de transactie heeft voldaan, kan het hof de verdediging niet volgen in dat standpunt.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

B.2.1

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat veroordeelde uit de hennepkwekerij aan de [adres] te Echt geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    gelet op de duur van de huur en de duur van een totale kweekcyclus niet twee keer, maar hooguit één keer kan zijn gekweekt in de betreffende loods;

  • -

    veroordeelde uit de kwekerij geen enkel voordeel heeft genoten, omdat de kwekerij werd leeggeroofd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde vanaf 1 april 1996 de loods aan de [adres] te Echt heeft gehuurd van [getuige]. In aanmerking genomen de verklaring van [getuige] dat hij vanaf 1 november 1996 geen huur meer heeft ontvangen van veroordeelde, gaat het hof ervan uit dat veroordeelde in de periode van 1 april 1996 tot 1 november 1996 van de loods gebruik heeft gemaakt. Rekening houdend met een periode van één maand voor de opbouw van de hennepkwekerij, gaat het hof uit van een teeltperiode van 26 weken, zijnde de periode van 1 mei 1996 tot 1 november 1996.

B.2.3

In het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, standaardberekening en normen” zoals dat door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie in april 2005 werd uitgegeven (hierna: het BOOM-rapport) wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk

verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent het aantal oogsten zijn aangetroffen, een kweekcyclus van tien weken als norm aangehouden. In hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet daarop acht het hof aannemelijk dat in de periode van 1 mei 1996 tot 1 november 1996 twee maal een hoeveelheid hennepplanten is geteeld.

B.2.4

Gelet op hetgeen dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, acht het hof het aannemelijk dat de hennepkwekerij ten tijde van de tweede kweekcyclus is leeggeroofd, zodat slechts één kweekcyclus tot een oogst heeft geleid waaruit veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

B.3.1

Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] houdt met betrekking tot het aantal hennepplanten het volgende in:

“Aan de hand van de aangetroffen foto’s is niet exact vast te stellen, hoeveel planten in deze plantage staan. Er zijn we duidelijk 4 compartimenten te zien. Op een van de foto’s is te zien, dat in een compartiment 8 assimilatielampen hangen. Volgens de richtlijnen van BOOM wordt per 1 vierkante meter, 1 assimilatielamp gebruikt. Dit zou dus in dit geval per compartiment gaan om 8 vierkante meter. Per vierkante meter worden ook weer volgens de BOOM richtlijnen gemiddeld 15 planten gezet. Het aantal planten voor de gehele plantage zou dus zijn:

8 vierkante meter x 15 planten x 4 compartimenten = 480 planten.”

B.3.2

Het BOOM-rapport houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in:

“De mediaan voor de variabele ‘Vermogen assimilatiebelichting per m2’ is 510 Watt. Dit komt overeen met gegevens aangetroffen in adviezen over kweekmethoden en kweekschema’s. Daarin wordt namelijk geadviseerd om één lamp van 400 of 600 Watt boven ongeveer één m2 te hangen25. In een eerdere versie van dit document26 wordt zelfs specifiek geadviseerd om een 400 Watt lamp te hangen boven 0,8 m2 en een 600 Watt lamp boven 1,2 m2.

25

Bijvoorbeeld p. 3 en 5 in: Het binnenhuis verbouwen van Marihuana, aangetroffen op www.bazaarroosendaal.nl/html/kweekboek.html, 9 augustus 2004

26

Het binnenshuis verbouwen van hennep, Amsterdam 16 augustus 1993, p. 2”

B.3.3

Gelet op de inhoud van het BOOM-rapport ziet het hof aanleiding uit te gaan van één assimilatielamp per 0,8 m2, in aanmerking genomen dat het hier gaat om de teelt van hennep in 1996. Het hof gaat daarom uit van (8 assimilatielampen x 0,8 m2 =) 6,4 m2 per compartiment. Het hof gaat dan ook uit van: 6,4 m2 x 15 planten per m2 x 4 compartimenten = 384 hennepplanten.

B.4.1

Gelet op het vorenstaande is naar ’s hofs oordeel aannemelijk dat de veroordeelde in ieder geval één keer een hoeveelheid van 384 hennepplanten heeft geoogst in de hennepkwekerij aan de [adres] te Echt.

B.4.2

Het hof neemt voor de berekening van het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel als uitgangspunt het BOOM-rapport.

Het hof stelt aan de hand daarvan vast dat de veroordeelde een opbrengst heeft behaald van:

384 hennepplanten x 28,2 gram per hennepplant x € 2,37 per gram = (afgerond)

€ 25.664,25.

B.4.3

Op het bruto verkregen voordeel zullen de door veroordeelde ten behoeve van de strafbare gedraging gemaakte kosten in mindering worden gebracht. Het hof zal de kosten vaststellen overeenkomstig de opgave in het hiervoor vermelde rapport.

  • -

    vaste afschrijvingskosten bij een hennepkwekerij van 384 planten: € 250,00;

  • -

    variabele kosten (waaronder kosten in verband met stekken en voedingsstoffen) à
    € 4,40 per hennepplant, uitgaande van één oogst à 384 planten: € 1.689,60.

Voorts leidt het hof uit de verklaring van de verhuurder van de loods, [getuige], af dat veroordeelde over de maanden april 1996 tot en met oktober 1996 ƒ 2.500,00 huur per maand heeft betaald voor de loods, zijnde in totaal ƒ 17.500,00. In aanmerking genomen dat het hof aannemelijk heeft geacht dat in de betreffende periode twee maal een kweekcyclus heeft plaatsgevonden waarvan er één tot wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geleid, is het hof van oordeel dat de helft van dit bedrag, zijnde ƒ 8.750,00 aan huurkosten in directe relatie staat tot de hennepteelt ter zake waarvan wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten. Het hof zal derhalve ƒ 8.750,00, zijnde (afgerond)

€ 3.970,58 aan huurkosten op de opbrengst in mindering brengen.

In totaal dient derhalve in mindering op de opbrengst te worden gebracht een bedrag van
€ 250,00 + € 1.689,60 + € 3.970,58 = € 5.910,18.

B.5

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 25.664,25 minus € 5.910,18 = € 19.754,07.

B.6

In aanmerking genomen dat het voordeel wederrechtelijk is verkregen in 1996 en het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een rapport uit 2005, acht het hof het redelijk, gelet op het tijdsverschil en de tussentijds opgetreden inflatie, het wederrechtelijk verkregen voordeel met tien procent te verlagen. Gelet daarop schat het hof het door de hennepkwekerij aan de Voltaweg te Echt wederrechtelijk verkregen voordeel op (afgerond) € 17.778,66.

C. Handel in hennepstekken

C.1

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof aannemelijk dat veroordeelde in de periode van 30 oktober 2001 tot en met 29 maart 2005 heeft gehandeld in hennepstekken. Daarbij stelt het hof op grond van het kasboek vast dat veroordeelde in de periode van
30 oktober 2001 tot en met 29 maart 2005 480.500 stekken heeft verkocht.

C.2

Op grond van de verklaring van veroordeelde, zoals gebezigd tot het bewijs, dat hij per hennepstek € 1,40 tot € 1,60 vroeg, gaat het hof uit van een verkoopprijs van € 1,50 per hennepstek.

De bruto-opbrengst bedroeg derhalve (480.500 stekken x € 1,50 per stek =) € 720.750,00.

C.3

Op het bruto verkregen voordeel zullen de door veroordeelde ten behoeve van de strafbare gedraging gemaakte kosten in mindering worden gebracht.

Het hof zal de variabele kosten evenals de rechtbank vaststellen overeenkomstig de opgave in het artikel van E.A.H. Weustenraad, getiteld ‘Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepstekkenkwekerij’, opgenomen in BOOM-Nieuws, jaargang 2006, nr. 46, p. 8 en verder, op het bedrag van € 0,20 per hennepstek.

De variabele kosten bedroegen derhalve (480.500 stekken x € 0,20 per stek =) € 96.100,00.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof voorts aannemelijk dat [medeveroordeelde], handelend onder de naam “[bedrijf]”, in de periode van 30 oktober 2001 tot en met 29 maart 2005 heeft bemiddeld ten behoeve van de handel in hennepstekken door veroordeelde, waarvoor zij van veroordeelde een financiële vergoeding heeft ontvangen. Gelet op de inhoud van het kasboek stelt het hof voorts vast dat veroordeelde aldus een bedrag van € 231.271,74 aan [medeveroordeelde] heeft betaald, welk bedrag als ten behoeve van de handel in hennepstekken gemaakte kosten in mindering zullen worden gebracht.

In totaal dient derhalve in mindering op de opbrengst te worden gebracht een bedrag van
€ 96.100,00 + € 231.271,74 = € 327.371,74.

C.4

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in hennepstekken wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 720.750,00 minus € 327.371,74 = € 393.378,26.

D. Hennepkwekerij aan de [adres] in Stein

D.1.1

Door en namens de veroordeelde is op gronden als in de schriftelijke conclusie verwoord betoogd dat veroordeelde in de periode van 1 juli 2004 tot en met 25 november 2004 hennep heeft geteeld in de loods aan de [adres] in Stein. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het evenwel aannemelijk dat veroordeelde in de periode van
1 oktober 2003 tot en met 25 november 2004 gebruik heeft gemaakt van de loods, zijnde een periode van 60 weken.

D.1.2

In het BOOM-rapport wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk

verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent het aantal oogsten zijn aangetroffen, een kweekcyclus van tien weken als norm aangehouden. In hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet daarop acht het hof aannemelijk dat in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 25 november 2004 zes maal een hoeveelheid hennepplanten is geteeld. In aanmerking genomen dat één oogst werd aangetroffen en in beslag genomen bij hennepknipster Stam en één oogst bij de ontmanteling van de hennepkwekerij in beslag is genomen, is het hof van oordeel dat veroordeelde uit vier oogsten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

D.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat door de politie in de loods aan de [adres] in Stein 2.626 hennepplanten zijn aangetroffen. Anders dan de rechtbank en de verdediging ziet het hof geen aanleiding bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van slechts 1.501 hennepplanten. Daartoe overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is dat een gedeelte van de planten als hennepstek werd verkocht.

D.3

Het hof neemt voor de berekening van het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel als uitgangspunt het BOOM-rapport. Het hof stelt aan de hand daarvan vast dat de veroordeelde een opbrengst heeft behaald van:

4

oogsten x 2.626 hennepplanten x 28,2 gram per hennepplant x € 2,37 per gram = (afgerond) € 702.024,34.

D.4

Op het bruto verkregen voordeel zullen de door veroordeelde ten behoeve van de strafbare gedraging gemaakte kosten in mindering worden gebracht. Het hof zal de kosten vaststellen overeenkomstig de opgave in het hiervoor vermelde rapport.

  • -

    vaste afschrijvingskosten bij een hennepkwekerij van 2.626 planten, uitgaande van vier oogsten: € 2.000,00;

  • -

    variabele kosten (waaronder kosten in verband met stekken en voedingsstoffen) à
    € 4,40 per hennepplant, uitgaande van vier oogsten à 2.626 planten: € 46.217,60;

  • -

    kosten van de knippers à € 2,00 per hennepplant, uitgaande van vier oogsten à 2.626 planten: € 21.008,00.

Voorts is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat [betrokkene 3] een zogeheten dienstverleningsvergoeding heeft genoten, zijnde een vast bedrag dat in de regel bestaat uit het totaal aan gemaakte kosten vermeerderd met een vaste opslag. De dienstverlenende rol van [betrokkene 3] blijkt naar het oordeel van het hof uit het feit dat [betrokkene 3] de loods heeft gehuurd en als een soort conciërge heeft opgetreden. Aldus handelend was [betrokkene 3] weliswaar geen uiteindelijk winstgerechtigde, maar desalniettemin een onmisbare schakel in de teelt van de hennep in de betreffende loods. Naar zakelijke verhoudingen en gelet op de positie van [betrokkene 3] binnen de hennepteelt, schat het hof de hoogte van deze vergoeding op – netto – € 18.000,00.

In totaal dient derhalve in mindering op de opbrengst te worden gebracht een bedrag van
€ 2.000,00 + € 46.217,60 + € 21.008,00 + € 18.000,00 = € 87.225,60.

D.5

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel uit de teelt van hennep in het pand aan de Nijverheidsweg in Stein wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 702.024,34 minus € 87.225,60 = € 614.798,74.

D.6

Door en namens de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ook dient te worden toegerekend aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    in de ontnemingsrapportage in de zaak tegen [betrokkene 2] een duidelijke relatie is gelegd tussen de loodsen aan de Nijverheidsweg te Stein en Vinkenslag te Maastricht;

  • -

    het uitgangspunt van de politie en de rechtbank in de zaak [betrokkene 2] is geweest dat de opbrengst van de loods aan de Nijverheidsweg in de loods aan de Vinkenslag is geknipt;

  • -

    de rechtbank in de ontnemingszaak tegen [betrokkene 2] ervan is uitgegaan dat [betrokkene 2] een derde van de winst kreeg van de hennep die in een loods aan de Vinkenslag werd geknipt en dat het andere twee derde deel volgens de rechtbank zou kunnen worden toegerekend aan [betrokkene 1] en veroordeelde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, ziet het hof geen aanleiding een gedeelte van het wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Het hof overweegt daartoe allereerst dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 2], die blijkens het door de raadsman overgelegde vonnis is vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij aan de [adres] te Stein, op enigerlei wijze betrokken is geweest bij die hennepkwekerij. Voorts is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de hennep uit de laatstgenoemde hennepkwekerij is geknipt in de loods aan de Vinkenslag te Maastricht. Zulks kan, anders dan door de raadsman betoogd, ook niet volgen uit de door de raadsman overgelegde vonnis en beslissing van de rechtbank in de strafzaak respectievelijk de ontnemingszaak tegen [betrokkene 2]. Ten slotte is uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres] in Stein.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het totale wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij aan de [adres] in Stein ter hoogte van € 614.798,74 aan veroordeelde toerekenen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

E.1

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het voorhanden bewijs niet aannemelijk is geworden dat in de periode van 1 januari 2000 tot
30 oktober 2001 een of meer strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Evenmin is aannemelijk geworden dat in de periode van 31 oktober 2001 tot 1 september 2002, naast hetgeen het hof hiervoor heeft overwegen met betrekking tot de handel in hennepstekken, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de extrapolatie geen bespreking.

E.2

Het hof slaat bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat geen acht op de kasopstelling. Hetgeen de verdediging dienaangaande heeft aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking.

F.

Gelet op het voorgaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op (€ 17.778,66+ € 393.378,26 + € 614.798,74 =)

€ 1.025.955,66.

De strekking van de maatregel van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is, blijkens de wetsgeschiedenis, te bewerkstelligen dat datgene dat de veroordeelde aan door een strafbaar feit verkregen profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen.

Op te leggen betalingsverplichting

F.1

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het in

artikel 6 EVRM bedoelde recht van veroordeelde op een openbare behandeling van de ontnemingszaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke veroordeelde recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een veroordeelde langer dan redelijk is onder de dreiging van een ontnemingsvordering zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de veroordeelde een handeling is verricht waaruit de veroordeelde heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat tegen hem een vordering tot ontneming aanhangig zal worden gemaakt. In het onderhavige geval stelt het hof vast dat deze termijn moet worden gerekend vanaf 31 mei 2005, de dag waarop de veroordeelde ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 27 mei 2011. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van ruim 5 jaar en 11 maanden na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat hoewel een deel van het tijdsverloop zijn oorzaak vindt in de onderzoekswensen van de verdediging, niet het gehele tijdsverloop daaruit kan worden verklaard. Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat hoewel een deel van het tijdsverloop zijn oorzaak vindt in de onderzoekswensen van de verdediging en de specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden, niet het gehele tijdsverloop daaruit kan worden verklaard.

De veroordeelde heeft op 6 juni 2011 hoger beroep ingesteld, terwijl de officier van justitie op 10 juni 2011 hoger beroep heeft ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 2 jaar en
5 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot vermindering van het ontnemingsbedrag.

Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn is het hof van oordeel dat een vermindering van de betalingsverplichting met een bedrag van € 5.000,00 in het onderhavige geval voldoende compensatie biedt.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de veroordeelde en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, alsmede de specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en dat de ontnemingszaak zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

F.2

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de omzetbelasting en de inkomstenbelasting die over de inkomsten die zien op de bemiddeling in hennepstekken zijn afgedragen op een vast te stellen betalingsverplichting in mindering te worden gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals volgt uit het hiervoor onder C. overwogene, is het hof van oordeel dat [medeveroordeelde] de inkomsten uit de bemiddeling in hennepstekken heeft genoten. Deze inkomsten zijn op het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht. Veroordeelde heeft derhalve niet de inkomsten genoten waarover de belasting is afgedragen. Reeds hierom, nog daargelaten of de stelling dat de belasting in mindering moet worden gebracht steun vindt in het recht, zal het hof bij het vaststellen van de betalingsverplichting de (door de medeveroordeelde) afgedragen belasting niet in mindering brengen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

F.3

Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook overigens niet van omstandigheden gebleken, die voor het hof aanleiding zijn het door de veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de veroordeelde tot het beloop van

€ 1.020.955,66 de verplichting opleggen tot betaling aan de staat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.025.955,66 (eenmiljoen vijfentwintigduizend negenhonderdvijfenvijftig euro en zesenzestig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.020.955,66 (eenmiljoen twintigduizend negenhonderdvijfenvijftig euro en zesenzestig cent).

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. A.J. Coster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 8 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J. Coster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.