Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5117

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
HV200.129.911_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 3 oktober 2013

Zaaknummer: HV 200.129.911/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/177963 / FT RK 13/44

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.A.G. Smeets.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juli 2013, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op hem wordt gehonoreerd.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2013.

Bij die gelegenheid is [appellant] gehoord, bijgestaan door mr. Smeets.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 juni 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 5 juli 2013;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellant] overgelegde pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) blijkt een totale schuldenlast van € 28.440,49. Daaronder bevindt zich een schuld aan het CJIB van € 4.971,-- Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord zijn gegaan.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

[appellant] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd dat door hem nimmer een bedrag van € 1.000,-- is genoemd ter zake van een reparatie aan een auto, die [appellant] in de garage heeft achtergelaten omdat hij de rekening niet kon betalen. Uit het schuldenoverzicht blijkt immers dat [appellant] een schuld aan autobedrijf Kerres BV heeft van € 249,22.

[appellant] heeft in dat verband aangevoerd dat hij zijn auto ter reparatie naar de garage had gebracht. Aangezien het een dure reparatie zou worden en [appellant] een auto nodig had om zowel zijn zoontje te vervoeren als om op zijn werk te geraken, is hem door de voetbalclub een auto (van een bedrag van € 500,--) ter beschikking gesteld.

Uit het enkele feit dat [appellant] in het verleden zijn auto niet zou hebben opgehaald bij het garagebedrijf, kan niet worden afgeleid dat [appellant] de schuldsaneringsregeling niet zal kunnen nakomen.

3.3.1.

Met betrekking tot de CJIB-boetes merkt [appellant] op dat de rechtbank ten onrechte voorbijgaat aan het feit dat in het kader van de Wet Mulder het inschakelen van een advocaat niet verplicht is. [appellant] zou vanzelfsprekend naar de zitting zijn gegaan, maar dan zonder bijstand van een advocaat.

[appellant] heeft zich echter alsnog tot een advocaat gewend en het verzoek tot gijzeling is door de kantonrechter afgewezen in verband met betalingsonmacht van [appellant].

3.3.2.

[appellant] merkt tot slot op dat de enkele omstandigheid dat hij ten aanzien van het ontstaan van enkele schulden niet te goeder trouw zou zijn geweest op zichzelf genomen niet aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat en dat uit alles voldoende aannemelijk is dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven

3.4.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.4.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.2.

Het hof is van oordeel dat [appellant] in elk geval ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB niet te goeder trouw is geweest. In dit verband wijst het hof op artikel 5.4.4. Bijlage IV van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Daaruit volgt, voor zover thans van belang, dat (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen (Wet Mulder-feiten) schulden zijn die in beginsel niet ter goeder trouw zijn ontstaan (vgl. artikel 288 lid 1 sub b Fw).

Dat, door middel van het overleggen van verificatoire bescheiden, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat [appellant] inmiddels bedragen van € 366,-- en € 1.440,-- op deze schuld aan het CJIB van in totaal € 4.971,-- heeft voldaan, kan hieraan in beginsel niet afdoen. Zo is - ook na de gebleken betalingen - er naar het oordeel van het hof nog steeds sprake van een (vrij) substantiële geldboete.

3.4.3.

Het hof acht, gelet op zowel de gedingstukken als het verhandelde ter zitting in beroep, evenwel termen aanwezig om in de onderhavige zaak over te gaan tot (ambtshalve) toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Daarbij verdient vermelding dat aan de hardheidsclausule toepassing kan worden gegeven wanneer mede met de persoon van de schuldenaar samenhangende factoren, die tot het eerder derailleren van de schuldenaar op financieel gebied hebben geleid, goed onder controle zijn gebracht en daardoor het uitzicht bestaat dat hij het schuldsaneringstraject goed zal doorlopen (vergelijk recent de conclusie van A-G Wuisman vóór HR 5 oktober 2012, LJN: BX5785, onderdeel 2.4). Artikel 288 lid 3 ziet, hoewel dit in de praktijk veelal het geval zal blijken te zijn, daarmee dus niet uitsluitend op personen met psychosociale en verslavingsproblemen (vergelijk. Kamerstukken II 29 942, nr. 23, blz. 2/3).

3.4.4.

Dat het hof in deze zaak termen aanwezig acht om tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw houdt verband met het hiernavolgende.

3.4.5.

Het hof overweegt dat uit de artikel 285-verklaring van [appellant] is gebleken dat het merendeel van de schulden van in totaal € 28.440,49 is ontstaan in een betrekkelijk korte periode, namelijk in 2010-2011. In die periode verbrak zijn ex-vriendin de relatie en mocht hij geen omgang hebben met zijn zoontje. Daarnaast werd [appellant] in die periode vanwege een conflict met zijn nieuwe directeur van het taxibedrijf, waar hij werkzaam was, op staande voet ontslagen. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen dergelijke omstandigheden nog niet dat [appellant] zijn schulden onbetaald heeft gelaten, doch van de andere kant is voldoende aannemelijk geworden dat de problemen van [appellant] in de privésfeer een zodanige impact op hem hebben gehad dat hij geen zicht heeft gehouden op zijn uitgavenpatroon. Daar komt nog bij dat [appellant] nimmer met geld heeft leren omgaan en zijn bankzaken daarom destijds voornamelijk liet regelen door zijn ex-vriendin, zoals door hem ter zitting in hoger beroep is verklaard.

3.4.6.

Uit de inhoud van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de omstandigheden rond [appellant] inmiddels in gunstige zin zijn gewijzigd.

[appellant] heeft een nieuwe relatie met wie hij samenwoont en ook vindt omgang plaats met zijn uit zijn eerdere relatie geboren zoontje.

[appellant] heeft de cursus “omgaan met geld” gevolgd en er is sprake van budgetbeheer.

Voorts is gebleken dat [appellant] in de tussenliggende periode een MBO-diploma heeft behaald en een baan heeft bij XEROX waarbij de kans bestaat dat hij zal worden gepromoveerd tot teammanager, zoals door hem ter zitting in hoger beroep is verklaard.

Tot slot is gebleken dat sinds 2011 en daarmee ook na het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling [appellant] geen nieuwe schulden heeft doen laten ontstaan.

3.4.7.. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de omstandigheden rond [appellant] zodanig in positieve zin zijn gewijzigd dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw).

3.4.8.

Voorts acht het hof, gelet op de zowel gedingstukken als ook op hetgeen [appellant] thans in hoger beroep heeft verklaard, voldoende aannemelijk dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Zo is onder meer gebleken dat [appellant] wel degelijk al geruime tijd zijn post opent en ook leest en daarmee op de hoogte is van wat men van hem verwacht en verlangt, terwijl [appellant] gemiddeld tenminste 36 uur per week betaalde arbeid verricht.

Verder acht het hof voldoende aannemelijk dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.5.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende aan de [woonadres], 6211 RW [woonplaats];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder;

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, R.R.M. de Moor en G. Feddes en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2013.