Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5108

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
HD 200.130.745_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat betaalde griffierechten, beroep op hardheidsclausule van art. 127a lid 3 Rv niet gerechtvaardigd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 127a, geldigheid: 2013-10-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/33

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.745/01

arrest van 29 oktober 2013

in de zaak van

Ole Soegaard-Nielsen in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar Deens recht Eurostar 25 Denmark ApS,

kantoorhoudende te Aarhus, Denemarken,

appellant,

advocaat: mr. B.F. van Noort te 's-Gravenhage,

tegen

Eurostar 25 Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. van Gool te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 20 februari 2013 tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/245439/HA ZA 12-104)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Appellant heeft bij voormeld exploot geïntimeerde opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 juli 2013.

2.2.

Appellant heeft de zaak aangebracht ter rolzitting van 30 juli 2013. Ieder van partijen heeft een advocaat doen stellen.

2.3.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen vier weken na aanbrengen, derhalve uiterlijk op 27 augustus 2013 te voldoen. Geconstateerd is dat appellant het griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan.

2.4.

Beide partijen hebben een akte genomen.

2.5.

Hierna is bepaald dat arrest wordt gewezen.

3 De motivering

3.1.

Op grond van artikel 3 lid 1 jo. 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en artikel 353 jo. 127a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien de appellant het door hem verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig (binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak) heeft voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van de sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen van de sanctie van ontslag van instantie (art. 127a lid 3 Rv.).

3.2.

Volgens opgave van de financiële administratie heeft appellant het griffierecht op 29 augustus 2013, derhalve te laat, betaald.

3.3.

Appellant heeft niet betwist dat het griffierecht te laat is betaald. De advocaat van appellant heeft bij akte aangevoerd dat binnen zijn kantoor abusievelijk uitgegaan is van de toepasselijkheid van de rekening-courant systeem waarbij het kantoor van de advocaat is aangesloten bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. Hierdoor is geen notitie gemaakt van het handmatig betalen van het griffierecht. Pas na zijn vakantie heeft de advocaat van appellant de omissie ontdekt en direct opdracht gegeven om het griffierecht telefonisch over te boeken. Uiteindelijk is het griffierecht twee dagen te laat betaald. Appellant stelt dat het toepassen van niet-ontvankelijkheid in reactie op de korte termijnoverschrijding van twee dagen in het onderhavige geval disproportioneel is, nu dit zal leiden tot een onherroepelijk verlies van de mogelijkheid om de zaak in hoger beroep aan het gerechtshof voor te leggen. Daarnaast stelt appellant dat dit tevens in strijd is met artikel 6 EVRM nu het in casu de weg naar hoger beroep afsluit.

3.4.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de door de advocaat van appellant aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie dat de toepassing van het tweede lid van artikel 127a Rv, gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is appellant het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting en zorgt hij dat het griffierecht binnen vier weken nadien is betaald. De advocaat dient zelf voor een juiste en tijdige betaling zorg te dragen. Advocaten moeten op grond van hun deskundigheid zonder meer geacht worden juist te zijn geïnformeerd omtrent de wettelijke termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn voldaan, alsmede omtrent de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding van de termijn. Advocaten dienen ook hun cliënten van deze verstrekkende gevolgen op de hoogte te brengen, zodat cliënten hierop tijdig kunnen anticiperen.

3.5.

De in artikel 6 lid 1 EVRM geregelde vrijheid van toegang tot de rechter is niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor de appelinstanties en de cassatie-instantie, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken. De heffing van griffierechten is dus weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast (HR 27 januari 2012, LJN: BV2020). In dit geval is niet gesteld of gebleken dat appellant niet in staat is het verschuldigde griffierecht te voldoen. Niet blijkt daarom dat de heffing van dit bedrag het recht van appellant op toegang tot de rechter in de kern aantast.

3.6.

Het beroep van appellant op de uitspraak van dit hof van 14 juni 2011 gaat niet op nu die uitspraak is gewezen kort na de invoering van de onderhavige wetbepaling. Gelet op de ingrijpende wijziging in vergelijking met de voorgaande wetgeving heeft het hof korte tijd een soepeler maatstaf aangelegd (zie het slot van r.o. 3.4.3. van dat arrest).

Appellant heeft zich er nog op beroepen dat hij niet in de huidige situatie zou hebben verkeerd indien het reeds aangekondigde landelijke rekening-courantsysteem voor de heffing van griffierechten zou zijn ingevoerd.

Aan appellant moet worden toegegeven dat te betreuren valt dat dit systeem niet is ingevoerd, maar dat ontslaat appellant niet van zijn verplichting om binnen het huidige systeem tijdig te betalen.

3.7.

Tot slot heeft het hof ook ambtshalve geen feiten en omstandigheden geconstateerd die een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv rechtvaardigen.

3.8.

Geïntimeerde heeft laten weten dat hij geen incidenteel appel wil instellen. Gezien het hiervoor overwogene zal geïntimeerde daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv van deze instantie worden ontslagen. Appellant zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde.

4 De uitspraak

Het hof:

ontslaat geïntimeerde van deze instantie;

veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 4.961,- aan griffierecht en € 447,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 oktober 2013.