Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5017

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
HD 200.122.644-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:8683
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:477
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:7017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennep; groepsaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.644/01

arrest van 22 oktober 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.H. Hermanides te Eindhoven,

tegen

Edinet BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Sommen te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 december 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 19 oktober 2011, 15 februari 2012 en 7 november 2012 tussen onder meer appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – Endinet – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 223031 / HA ZA 10-2824)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 28 december 2012;

- de memorie van grieven met zes producties;

- de memorie van antwoord vijftien producties (genummerd 18 tot en met 32);

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Op 16 juli 2008 is op het adres [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] een hennepkwekerij aangetroffen. De hennepkwekerij was op dat moment nog in gebruik. In het pand werd op de begane grond één ruimte aangetroffen die was ingericht voor het telen van hennepplanten. De in deze ruimte aangetroffen planten waren circa 30 dagen oud.

4.1.2.

Het pand is eigendom geweest van [appellant]. Hij heeft het pand op 27 april 2007 in eigendom overgedragen aan de heer [koper pand/Y.] en diens echtgenote.

4.1.3.

Zowel voor als na de overdracht werden de eerste en de tweede verdieping van het pand verhuurd. Mevrouw [huurder 1e verdiep/getuige 5] was in de periode 11 oktober 2006 tot de inval huurder van de eerste verdieping. De heer [huurder 2e verdiep] was huurder van de tweede verdieping.

4.1.4.

De elektriciteitsaansluiting van voormeld adres stond ten tijde van de inval op naam van “[X.]”. Deze persoon is onvindbaar en waarschijnlijk gefingeerd. Van 7 februari 2006 tot 3 december 2006 stond de aansluiting op naam van [appellant]. Van 3 december 2006 tot 22 maart 2007 stond de aansluiting niet op naam van iemand. Van 22 maart 2007 tot 1 augustus 2007 stond de aansluiting op naam van [huurder 2e verdiep].

Endinet heeft geconstateerd dat de in de hennepkwekerij gebruikte stroom niet via de meter liep. Op de aansluitkabel vóór de kWh-meter was een illegale aftakking gemaakt waardoor de afgenomen elektriciteit niet meer van de teller van de kWh-meter kon worden afgelezen. Endinet heeft hierdoor schade geleden.

4.1.5.

Op 8 februari 2006 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor verzwaring van de elektrische installatie.

4.1.6.

Bij vonnis van de strafkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 februari 2010 is – onder meer - bewezen verklaard dat [appellant]

8.

in de periode van 1 maart 2007 tot en met 16 juli 2008 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [straatnaam 3][huisnummer C]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

9.

in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 16 juli 2008 te [plaats] (in een pand aan de [straatnaam 3][huisnummer C]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan NRE Netwerk B.V. (rechtsvoorganger van Endinet;hof).”

Voor dit bewijs heeft de rechtbank met name van belang geacht dat verschillende personen in hoofdlijnen hetzelfde verklaren over de werkwijze die werd toegepast om stromannen te laten opdraaien voor de hennepkwekerijen wanneer deze werden ontdekt. Die stromannen werden, aldus de rechtbank, overgehaald om een vals huurcontract te tekenen - soms achteraf -, welk contract werd gebruikt wanneer de kwekerij was ontdekt. De betreffende persoon moest zich dan vervolgens melden bij de politie en de volledige verantwoordelijkheid voor de kwekerij op zich nemen, opdat de daadwerkelijke verantwoordelijken, waaronder [appellant]

, buiten schot konden blijven.

De rechtbank heeft [appellant] (inclusief voor meerdere in het vonnis bewezen geachte misdrijven) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.1.7.

Bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, sector strafrecht, van 29 november 2012 is het strafvonnis van 8 februari 2010 vernietigd. Het hof heeft daartoe geoordeeld dat

betrokkenheid van [appellant] bij de ten laste gelegde feiten slechts kan volgen uit een aantal bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen die belastend voor [appellant] zijn. Met die belastende getuigenverklaringen dient echter, aldus het hof, behoedzaam te worden omgegaan, nu niet kan worden uitgesloten dat een aantal van de getuigen er belang bij kan hebben gehad hun eigen rol bij de exploitatie van de desbetreffende hennepkwekerijen en de daarmee samenhangende diefstal van elektriciteit geringer dan deze in werkelijkheid was te doen voorkomen, door [appellant] een belangrijke rol toe te dichten. Naar het oordeel van het hof zijn bedoelde getuigenverklaringen voorts weinig specifiek en ontbreekt het daarin aan verifieerbare details, voorts wordt niet dan wel niet overtuigend aangeduid wat de bron van wetenschap van de getuigen is en is sprake van onvoldoende samenhang en overeenstemming tussen de diverse getuigenverklaringen. Gelet op het voorgaande kan het hof redelijkerwijs niet uitsluiten dat niet [appellant], maar een ander of anderen betrokken is/zijn geweest bij de hennepkwekerij en het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van elektriciteit van NRE Netwerk B.V. in een pand [straatnaam 3][huisnummer C], noch uitsluiten dat [appellant] niet zodanig betrokken is geweest dat sprake was van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. Het hof heeft [appellant] vrijgesproken. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

4.2.1.

Bij exploot van 30 augustus 2010 heeft Endinet een zekere [huurder/ getuige 3] en [appellant] gedagvaard en gevorderd dat [huurder/ getuige 3] en [appellant] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling aan Endinet van een bedrag van € 17.856,68 (bestaande uit €16.688,61 ter zake van illegale elektriciteitafname en €1.168,07 ter zake bijkomende kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 16 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [huurder/ getuige 3] en [appellant] in de proceskosten. Aan deze vordering heeft Endinet ten grondslag gelegd primair een met ieder van gedaagden gesloten overeenkomst en subsidiair een door ieder van gedaagden gepleegde onrechtmatige daad. Bij brief van 19 augustus 2011 heeft Endinet de grondslag van haar vordering vermeerderd in die zin dat de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van [huurder/ getuige 3] en [appellant] voorts wordt gebaseerd op art. 6:166 BW.

4.2.2.

Bij vonnis van 19 oktober 2011 heeft de rechtbank de vordering van Endinet jegens [huurder/ getuige 3] – aan wie verstek is verleend - toegewezen tot een bedrag van € 17.856,68, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 16 juli 2008 tot de dag van volledige voldoening.

Ten aanzien van [appellant] heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een overeenkomst tussen Endinet en [appellant].

Ten aanzien van de vraag of [appellant] jegens Endinet aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 en 6: 166 BW heeft de rechtbank voorshands bewezen geacht dan [appellant] in de periode 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken is geweest bij de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] en [appellant] toegelaten tot tegenbewijs. De rechtbank heeft voorgaand oordeel gebaseerd op de veroordeling van [appellant] bij strafvonnis van de rechtbank ‘s- Hertogenbosch van 8 februari 2010, aan welk vonnis de rechtbank vrije bewijskracht toekende nu daarvan hoger beroep was ingesteld, en de in dat vonnis gegeven motivering. De rechtbank heeft de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [getuige/mede-gedaagde], [huurder/ getuige 3], [huurder 1e verdiep/getuige 5], [huurder 2e verdiep] en [getuige 8] in haar oordeel betrokken. Hetgeen [appellant] in de onderhavige procedure tegen dit vonnis en die verklaringen heeft aangevoerd, is door de rechtbank voorshands verworpen.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant], wanneer hij niet slaagt in het door hem te leveren tegenbewijs, zal worden veroordeeld tot betaling aan Endinet van een bedrag van € 17.856,68 met wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 16 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.2.3.

Bij vonnis van 15 februari 2012 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om tussentijds hoger beroep toe te staan van het vonnis van 19 oktober 2011 afgewezen.

4.2.4.

Bij vonnis van 7 november 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu [appellant] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs, in rechte vaststaat dat [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken was bij de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] en dat [appellant] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Endinet. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan Endinet van een bedrag van € 17.856,68, met wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 16 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

De gevorderde hoofdelijkheid ten aanzien van [huurder/ getuige 3] en [appellant] is toegewezen.

4.3.

In dit hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van de vonnissen van 19 oktober 2011en 7 november 2012 en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, afwijzing van de vorderingen van Endinet jegens [appellant] met veroordeling van Endinet in de kosten van beide instanties.

4.4.1.

Grief 1 is gericht tegen het vonnis van 19 oktober 2011 en tegen het vonnis van 7 november 2012. Met deze grief en de toelichting daarop voert [appellant] aan dat hij in de periode 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 niet de eigenaar was van het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats], dat de elektriciteitsaansluiting in die periode niet op zijn naam stond, dat Endinet [appellant] louter op grond van het strafvonnis van 8 februari 2010 en enkele belastende getuigenverklaringen, welke ongeloofwaardig, onverifieerbaar en onsamenhangend en weinig overtuigend zijn, aansprakelijk acht. Volgens [appellant] brengt de vernietiging van voornoemd strafvonnis bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 november 2012 mee dat voornoemde vonnissen moeten worden vernietigd, nu de rechtbank ten onrechte op grond van het strafvonnis van 8 februari 2010 voorshands bewezen heeft geacht dat [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 was betrokken bij de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats]. Volgens [appellant] rust de bewijslast van zijn betrokkenheid op Endinet.

4.4.2.

Grief 2 is gericht tegen het vonnis van 7 november 2012. Met deze grief betoogt [appellant]

dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, nu [appellant] heeft afgezien van tegenbewijs, vaststaat dat [appellant] in de periode 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken is geweest bij diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats].

Voorts voert [appellant] aan, voor het geval het hof zou oordelen dat de rechtbank bedoelde betrokkenheid van [appellant] wel voorshands bewezen mocht achten, dat hij voldoende tegenbewijs heeft geleverd.

4.4.3.

Grief 3 is gericht tegen de vonnissen van 19 oktober 2011 en van 7 november 2012 en betreft de proceskosten veroordeling.

4.4.4.

Grief 4 is gericht tegen de vonnissen van 19 oktober 2011 en van 7 november 2012 en betreft de hoofdelijke veroordeling.

4.5.1.

Endinet heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij [appellant] aansprakelijk houdt op grond van artikel 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) en dat deze aansprakelijkheid ondanks de vrijspraak van [appellant] bij arrest van 29 november 2012 voorshands dient te worden aangenomen, om de volgende redenen:

-voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW is, anders dan voor medeplegen in het strafrecht, niet vereist dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking;

-het hof heeft in het hoger beroep van de strafzaak overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat een aantal van de getuigen er belang bij kan hebben gehad hun eigen rol bij de exploitatie van de desbetreffende hennepkwekerijen en de daarmee samenhangende diefstal van elektriciteit geringer dan deze in werkelijkheid was te doen voorkomen, door [appellant] een belangrijke rol toe te dichten, maar de mate van belangrijkheid van het handelen van [appellant] doet er niet toe voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, aldus Endinet;

-[appellant] heeft zelf erkend dat sprake is van een groep, nu hij bij de politie heeft verklaard: “(…) Ik ben maar een kleine jongen in dit geheel je moet mij niet hebben maar de grote jongens die hier echt achter zitten (…) Ik ben maar een heel klein mannetje in deze organisatie je moet mij niet hebben”.

-het hof heeft weliswaar geoordeeld dat met de belastende getuigenverklaringen behoedzaam moet worden omgegaan, maar niet dat het deze getuigenverklaringen ongeloofwaardig acht.

4.5.2.

Endinet heeft voorts nog aangevoerd dat indien niet voorshands dient te worden aangenomen dat [appellant] onrechtmatig jegens Endinet heeft gehandeld, het hof [appellant] dient te bevelen de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen, waarop het hof mede zijn uitspraak van 29 november 2012 heeft gebaseerd, over te leggen; dat het hof [appellant] op grond van de redelijkheid en de billijkheid met het (tegen)bewijs dient te belasten; en dat het hof dient te oordelen dat Endinet de betrokkenheid van [appellant] bij diefstal van elektriciteit in het onderhavige pand voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

4.6.1.

Het hof stelt voorop dat de strafkamer van het hof bij arrest van 29 november 2012 het vonnis van de rechtbank van 8 februari 2010 heeft vernietigd. Dit heeft tot gevolg dat laatstgenoemd vonnis, anders dan de rechtbank bij vonnis van 19 oktober 2011 en 7 november 2012 heeft geoordeeld, geen grond biedt om op voorhand aannemelijk te achten dat [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken is geweest bij de diefstal van elektriciteit in het onderhavige pand.

Ook de onder 4.5.1 derde gedachtestreepje geciteerde uitspraken van [appellant] brengen op zichzelf nog niet mee, dat op voorhand aannemelijk moet worden geacht, dat hij betrokken is geweest bij diefstal van elektriciteit in voornoemd pand. Nog los van het verweer van [appellant] dat voormelde uitspraken buiten verhoor zijn gedaan en uit hun verband zijn gerukt, blijkt niet dat deze uitspraken betrekking hebben op betrokkenheid van [appellant] bij de hennepkwekerij of diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats].

4.6.2.

Gezien het voorgaande slaagt grief 1.

Het hof zal de vordering van Endinet, met inachtneming van de nieuwe feiten, opnieuw beoordelen.

4.6.3.

Het hof stelt daarbij voorop dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel

6: 166 BW moet vast staan dat:

- sprake was van een groep waarvan [appellant] deel uitmaakte;

- er bij [appellant] sprake was van een gedraging in dit groepsverband;

- tot deze groep (een) perso(o)n(en) hoorde(n) die elektriciteit van Endinet heeft/hebben gestolen;

- [appellant] wist/ behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar voor elektriciteitsdiefstal schiep.

Het artikel stelt niet de eis dat er rechtstreeks causaal verband is tussen de gedraging van (in dit geval) [appellant] en de schade.

4.6.4.

Thans komt het hof toe aan de beantwoording van de vraag op wie de bewijslast rust

van de betrokkenheid van [appellant] bij de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008.

4.6.5.

Het hof stelt voorop dat deze bewijslast bij Endinet ligt, nu zij zich op die betrokkenheid beroept.

4.6.6.

Endinet heeft, anders dan zij stelt, niet voorshands al bewezen dat [appellant]

in de periode van 7 augustus 2007 tot 16 juli 2008 bij diefstal van elektriciteit in het onderhavige pand betrokken is geweest, om de volgende redenen:

- Hetgeen hiervoor onder 4.5.1. eerste, tweede en vierde gedachtestreepje is weergegeven acht het hof niet van dien aard dat Endinet voorshands in het bewijs is geslaagd. Die stellingen zijn te algemeen zijn om daaraan bewijs toe te kennen.

- De verklaringen tegenover de politie, waar Endinet naar verwijst en die zij heeft overgelegd, hebben, op de verklaringen van [huurder 1e verdiep/getuige 5] d.d. 3 december 2008 en [huurder/ getuige 3] d.d. 4 december 2008 na, geen betrekking op [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats]. De verklaring van [huurder 1e verdiep/getuige 5] ziet wel op de [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats], nu zij verklaart dat zij vanaf 11 oktober 2006 de eerste etage van de woning aan de [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] van [appellant] heeft gehuurd. Voorts heeft zij verklaard dat in augustus 2007 - nadat aldaar wonende Poolse mannen, uit wiens woning zij een sterke wietlucht meent te hebben geroken, waren vertrokken - op de begane grond van [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] een man is komen wonen die zij nooit heeft gezien en dat zij [appellant] meerdere keren heeft gezien in het appartement op de begane grond. [appellant], zo verklaart zij, kwam dan de post halen en zei ook de post van de huurder van het appartement binnen te leggen en een beetje op het appartement te letten zolang de huurder in het buitenland zou zijn. [appellant] haalde ook eens per twee weken de rekeningen, meestal van energiekosten en UPC, op. [huurder 1e verdiep/getuige 5] heeft voorts nog verklaard een gesprek te hebben gehoord tussen [appellant] en een onbekende man en gezien te hebben dat beide mannen naar de meterkast stonden te kijken.

[huurder/ getuige 3] heeft op 4 december 2008 verklaard dat hij in augustus 2008 naar het politiebureau is gegaan om een verklaring af te leggen dat hij een hennepkwekerij had aangelegd en onderhouden in een pand in de [straatnaam 3] te [plaats]. Een week voordat hij in augustus 2008 naar de politie is gegaan om bedoelde verklaring af te leggen, heeft hij, zo verklaart hij, bij [appellant] (naar het hof begrijpt is met [appellant], [appellant] bedoeld) thuis een huurcontract ondertekend waarin stond vermeld dat hij het pand vanaf mei juni zou hebben gehuurd. Voorts heeft hij, op 4 december 2008, verklaard dat hij helemaal geen hennepkwekerij heeft aangelegd, maar dat hij de verklaring in augustus 2008 op verzoek van [appellant] en tegen betaling door [appellant] heeft afgelegd. Het ging er om dat het tijdsbestek zou aantonen dat hij, [huurder/ getuige 3], tijd genoeg zou hebben gehad om de kwekerij op te bouwen en het zou lijken dat het een eerste oogst betrof.

Uit deze verklaringen kan, ook niet in onderling verband, niet reeds op voorhand zoveel bewijs voor de betrokkenheid van [appellant] bij de hennepkwekerij in [straatnaam 3][huisnummer C] [plaats] worden geput dat het hof zou kunnen oordelen dat Endinet behoudens tegenbewijs reeds aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. De verklaring van [huurder 1e verdiep/getuige 5] zegt op zichzelf nog onvoldoende over betrokkenheid van [appellant] bij de hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit. Tegenover de getuigenverklaring van [huurder/ getuige 3] staat de vervangende/aanvullende verklaring van [koper pand/Y.] die hij op 23 juni 2010 aan de politie heeft overgelegd en waarin hij verklaart dat hij vanaf begin 2007 met dhr [getuige 7] een bedrijf (HCM) is gaan voeren. In het kader van dit bedrijf zijn door [getuige 2] huurders aangebracht waaronder [huurder/ getuige 3] en [huurder 2]. Beide huurders hielden zich, zo verklaart [koper pand/Y.], bezig met hennepteelt in de panden van [koper pand/Y.], waaronder (naar het hof begrijpt) [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats].

4.6.7.

Gezien het voorgaande slaagt grief 2 voor zover deze het oordeel van de rechtbank betreft dat, nu [appellant] heeft afgezien van tegenbewijs vaststaat dat [appellant] in de periode 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken is geweest bij diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats]. Dit brengt echter nog niet zonder meer mee dat de vonnissen waarvan beroep niet in stand kunnen blijven.

4.6.8.

Anders dan Endinet betoogt levert ook de omstandigheid dat [appellant] in

2006 een aanvraag heeft gedaan voor een verzwaring van de elektrische installatie van het onderhavige pand op zichzelf nog geen omstandigheid op op grond waarvan behoudens tegenbewijs moet worden aangenomen dat [appellant] in de periode 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit op de [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats]. [appellant] heeft immers gesteld dat hij deze aanvraag heeft gedaan in verband met de verbouwing van het pand in appartementen, waardoor het pand door meer mensen zou worden gebruikt, Het hof acht die verklaring niet op voorhand onaannemelijk. Ook het als productie 6 bij memorie van grieven overgelegde briefje levert geen omstandigheid op op grond waarvan voorshands betrokkenheid van [appellant] moet worden aangenomen. Het hof kent aan dit anonieme geschrift voorshands geen bewijskracht toe.

4.6.9.

Andere feiten of omstandigheden die voorshands, behoudens tegenbewijs, bewijs

opleveren van de stelling dat [appellant] in de periode 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit in het pand aan de [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat Endinet naast hetgeen zij reeds heeft aangevoerd, nog nader bewijs zal moeten leveren.

4.6.10.

Het hof zal Endinet toelaten te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan

worden afgeleid dat [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 zodanig betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] dat hij daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden.

4.6.11.

Endinet heeft gemotiveerd verzocht om [appellant] te bevelen de bij de

rechter-commissaris in zijn strafzaak in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen, waarop het hof mede zijn uitspraak van 29 november 2012 heeft gebaseerd, over te leggen. Daar de verklaringen van belang kunnen zijn voor het door Endinet te leveren bewijs zal het hof aan dit verzoek van Endinet gehoor geven en [appellant] bevelen deze getuigenverklaringen over te leggen.

4.6.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

laat Endinet toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 zodanig betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] dat hij daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden;

bepaalt, voor het geval Endinet bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 5 november 2013 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van Endinet tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

gelast [appellant] de bij de rechter-commissaris in zijn strafzaak in hoger beroep

afgelegde getuigenverklaringen, waarop het hof mede zijn uitspraak van 29 november 2012 heeft gebaseerd, hiervoor genoemd onder 4.6.11. over te leggen en deze uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te zenden. Mocht Endinet niet tot het doen horen van getuigen overgaan, dan dient [appellant] de hier genoemde stukken op de rol van 19 november 2013 bij akte in het geding te brengen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.