Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5010

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
HD 200.118.573-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vechtpartij buiten een café; hoofdelijke aansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/482
JA 2014/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.118.573/01

arrest van 22 oktober 2013

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. J.H.M. van Dinten te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. van Megen te Veldhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2012 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 2 augustus 2012 tussen appellante – [appellante] – als (mede)gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 792736, rolnr. 11/11655)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met productie;

- het pleidooi op 13 september 2013, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. In het vooraf door [geïntimeerde] toegezonden procesdossier bevindt zich een memorie van antwoord d.d. 18 juni 2013. Uit de rolkaart blijkt evenwel dat er geen memorie van antwoord is genomen. Het hof zal bij de beoordeling van het onderhavige geschil dan ook geen acht slaan op dit stuk.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op of omstreeks 29 november 2008 is [geïntimeerde] in [woonplaats 2] nabij café ‘Jerommeke’ door de toenmalige partner van [appellante], [toenmalig partner appellante] (hierna: [toenmalig partner appellante]), met een glas op zijn hoofd geslagen waardoor hij snijwonden in zijn gezicht en ernstig letsel aan zijn linkeroog heeft opgelopen. Vervolgens is [geïntimeerde], terwijl hij op de grond lag, geschopt door [appellante].

4.2.

[toenmalig partner appellante] is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 2 december 2009 strafrechtelijk veroordeeld voor zware mishandeling, welk vonnis door de strafkamer van dit hof bij arrest van 25 augustus 2011 is bekrachtigd. [appellante] is door de rechtbank

’s-Hertogenbosch bij vonnis van 2 december 2009 strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, welk vonnis eveneens door de strafkamer van dit hof van 25 augustus 2011 is bekrachtigd.

4.3.1.

[geïntimeerde] heeft [toenmalig partner appellante] en [appellante] in rechte betrokken en heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, voor zover thans van belang, gevorderd:

- een verklaring voor recht dat [toenmalig partner appellante] en [appellante] aansprakelijk zijn voor de schade

die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandelingen van [geïntimeerde] op of omstreeks 29 november 2008 te [woonplaats 2] buiten/nabij café Jerommeke;

- hoofdelijke veroordeling van [toenmalig partner appellante] en [appellante] om aan [geïntimeerde] alle schade te vergoeden die [geïntimeerde] als gevolg van voornoemde mishandeling heeft geleden en nog zal lijden, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- hoofdelijke veroordeling van [toenmalig partner appellante] en [appellante] om aan [geïntimeerde] een bedrag van

€ 20.000,- te voldoen ten titel van voorschot op schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2008, per 31 oktober 2011

€ 2.355,60, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeling van [toenmalig partner appellante] en [appellante] in de proceskosten en het nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis.

4.3.2.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [toenmalig partner appellante] door [geïntimeerde] met een glas/fles in het gezicht te slaan en [appellante] door [geïntimeerde] te schoppen, terwijl hij al op de grond lag, onrechtmatig hebben gehandeld jegens [geïntimeerde]. [toenmalig partner appellante] en [geïntimeerde] hebben, aldus [geïntimeerde], allebei actief deelgenomen in groepsverband aan de mishandeling van [geïntimeerde], zodat zij op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade. Deze schade bestaat volgens [geïntimeerde] daaruit dat [geïntimeerde] als gevolg van het ernstige letsel aan zijn linkeroog een uiterst beperkt zicht in dat oog heeft, te weten slechts 3,33 %, dat het glas in het gezicht van [geïntimeerde] blijvende littekens heeft achtergelaten die het gezicht van [geïntimeerde] ontsieren, dat [geïntimeerde] veel pijn aan zijn verwondingen heeft ondervonden, dat het door het verlies van het zicht in het linkeroog voor [geïntimeerde] niet mogelijk is om als lasser werkzaam te zijn en hij zich zal moeten laten omscholen en dat door [geïntimeerde] levensvreugde wordt gederfd.

4.4.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter (voor zover hier van belang) voor recht verklaard dat [toenmalig partner appellante] en [appellante] aansprakelijk zijn voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandeling op of omstreeks 29 november 2008 in [woonplaats 2] buiten en nabij café Jerommeke. De kantonrechter heeft [toenmalig partner appellante] en [appellante] vervolgens hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van alle schade die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze mishandeling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en tot betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot van € 20.000,- op deze schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot 31 oktober 2011 ad

€ 2.355,60 en voor zolang en voor zover de hoofdsom na die datum onbetaald blijft. [toenmalig partner appellante] en [appellante] zijn ten slotte (hoofdelijk) veroordeeld in de proceskosten.

[appellante] kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis en komt hiertegen op.

4.5.

De grieven van [appellante] houden in dat de kantonrechter ten onrechte:

- heeft overwogen dat vast staat dat zij [geïntimeerde] bij de bewuste gebeurtenis een paar keer tegen het hoofd heeft geschopt (grief 1);

- heeft geoordeeld dat [appellante] met [toenmalig partner appellante] een groep heeft gevormd, dat het feit door de strafrechter geen medeplegen bewezen is verklaard, daaraan niet afdoet en dat de kans op die schade [appellante] had moeten weerhouden van het schoppen als onderdeel van de totale geweldpleging tegen [geïntimeerde] en dat [appellante] dus medeaansprakelijk is (grief 2);

- geen grond heeft gezien een andere verdeling van de bijdrageplicht op te leggen dan de wet voorschrijft (grief 3).

4.7.

Met haar grieven legt [appellante] aan het hof de vraag voor of [appellante] op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de op of omstreeks 29 november 2008 plaatsgevonden mishandeling. Art 6:166 lid 1 BW bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans van slagen op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

Van deelneming in voorbedoelde zin is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval sprake indien [appellante] op de een of andere manier een bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen die het gevaar voor schade hebben doen ontstaan en tussen die bijdrage en de bijdrage van de andere deelnemer aan die gedragingen ([toenmalig partner appellante]) een zodanige mate van samenhang bestaat dat de gedragingen van [appellante] en [toenmalig partner appellante] als gedragingen in groepsverband gekwalificeerd kunnen worden.

4.7.1.

Op basis van de stukken, in het bijzonder de overgelegde processen-verbaal van de politieverhoren (productie 3 tot en met 6 bij inleidende dagvaarding), stelt het hof de toedracht van het op of omstreeks 29 november 2008 plaatsgevonden geweldsincident tussen [geïntimeerde], [toenmalig partner appellante] en [appellante] als volgt vast.

[appellante] en [geïntimeerde] hebben op de bewuste avond c.q. nacht buiten café ‘Jerommeke’ in [woonplaats 2] een woordenwisseling gekregen. [toenmalig partner appellante] is in het café door een vriendin van [appellante], die getuige was van de woordenwisseling, gealarmeerd en heeft zich naar buiten begeven. Daar trof hij [appellante] en [geïntimeerde] tegenover elkaar aan, terwijl een cafémedewerker tussen hen in was gaan staan om te voorkomen dat het tussen hen uit de hand zou lopen. [appellante] heeft toen, zoals zowel zij als [toenmalig partner appellante] later tegenover de politie heeft verklaard (producties 3 en 4 bij inleidende dagvaarding), [toenmalig partner appellante] medegedeeld dat [geïntimeerde] haar had geslagen. [toenmalig partner appellante] heeft [geïntimeerde] daarop met een glas op het hoofd geslagen, waarna [geïntimeerde] tegen de grond is gegaan. [appellante] heeft [geïntimeerde] vervolgens nog een aantal malen geschopt.

Het hof merkt voor de volledigheid op dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] [appellante] voorafgaande aan het betreffende geweldsincident heeft geslagen. [appellante] heeft dat weliswaar tegenover de politie verklaard (productie 4 bij inleidende dagvaarding), maar dit wordt door [geïntimeerde] betwist en wordt door de directe omstanders van de woordenwisseling tussen [geïntimeerde] en [appellante] (de eerdergenoemde vriendin en cafémedewerker) niet bevestigd in hun verklaringen tegenover de politie (resp. producties 5 en 6 bij inleidende dagvaarding).

4.7.2.

Vast staat dat [toenmalig partner appellante] toerekenbaar onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door hem met een glas op zijn hoofd te slaan (de kantonrechter heeft immers in het bestreden vonnis in die zin geoordeeld en [toenmalig partner appellante] is hiervan niet in hoger beroep gekomen). [appellante] erkent voorts dat het door haar tegen [geïntimeerde] gebruikte geweld, bestaande uit het schoppen tegen [geïntimeerde] terwijl hij al op de grond lag, eveneens een toerekenbare onrechtmatige gedraging oplevert jegens [geïntimeerde]. Tevens staat in hoger beroep als onweersproken vast dat [geïntimeerde] als gevolg van de mishandeling op of omstreeks 29 november 2009 schade heeft geleden en nog zal lijden en dat deze schade tenminste het door de kantonrechter toegewezen voorschot van € 20.000,- bedraagt.

[appellante] is echter van mening dat niet gesproken kan worden van een bewuste deelname aan een groep en dat zij om die reden niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade als gevolg van de handeling van [toenmalig partner appellante]. Het hof kan haar daarin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

4.7.3.

[appellante] voert tegen de door [geïntimeerde] gestelde groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW aan dat de door haar en [toenmalig partner appellante] verrichte handelingen niet in onderling overleg zijn begaan. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW is echter niet vereist dat sprake is van gecoördineerde handelingen en hoeft evenmin sprake te zijn van gezamenlijke opzet op het toebrengen van de schade.

Het verweer van [appellante] dat zij geen invloed heeft gehad op het handelen van [toenmalig partner appellante] kan haar evenmin baten. Met haar mededeling tegen [toenmalig partner appellante] dat [geïntimeerde] haar had geslagen, heeft [appellante] een ontwikkeling in gang gezet die uiteindelijk tot de schade heeft geleid. Voldoende staat vast dat [toenmalig partner appellante] naar aanleiding van voornoemde mededeling [geïntimeerde] met een glas op zijn hoofd heeft geslagen (vgl. pagina’s 2 en 3 van het proces-verbaal van verhoor van [toenmalig partner appellante] van 4 februari 2008, productie 3 bij inleidende dagvaarding). [appellante] had in redelijkheid kunnen voorzien dat [toenmalig partner appellante], al dan niet onder invloed van alcohol, zich door haar mededeling met de woordenwisseling tussen haar en [geïntimeerde] zou bemoeien en daarbij geweld zou gebruiken met een risico op escalatie tot gevolg. Dat [toenmalig partner appellante] [geïntimeerde] zou slaan met een glas ligt onder de onderhavige omstandigheden niet zozeer buiten de lijn der verwachtingen dat [appellante] daar in redelijkheid geen rekening mee kon houden. [appellante] heeft zich ook vervolgens op geen enkele wijze gedistantieerd van het tegen [geïntimeerde] gepleegde geweld. Zij heeft immers daarna, terwijl [geïntimeerde] op de grond lag en al ‘onschadelijk gemaakt’ was, zelf geweld tegen [geïntimeerde] gebruikt door hem een aantal malen te schoppen, hetgeen in het verlengde kan worden gezien van het door [toenmalig partner appellante] gebruikte geweld. Niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] hierdoor afzonderlijk schade heeft geleden, maar deze handeling van [appellante] heeft in ieder geval de kans op nog meer schade aanmerkelijk vergroot. Hierbij kan in het midden worden gelaten of [appellante] [geïntimeerde], zoals [geïntimeerde] stelt maar door [appellante] wordt betwist, tegen het hoofd heeft geschopt.

4.7.4.

[appellante] heeft ten slotte nog aangevoerd dat zij door de strafrechter ‘slechts’ is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en niet voor medeplegen van zware mishandeling en dat het feit dat door de strafrechter medeplegen niet is bewezen verklaard wel degelijk van belang is voor de beoordeling in de onderhavige procedure. Het hof merkt allereerst op dat de strafrechter er niet aan toe is gekomen om te beoordelen of bewezen is dat [appellante] zich schuldig heeft aan het medeplegen van zware mishandeling, aangezien aan [appellante] uiteindelijk ook geen medeplegen ten laste is gelegd (vgl. het proces-verbaal van de op 18 november 2009 bij de rechtbank gehouden terechtzitting in de strafzaak van [appellante], productie 19 bij conclusie van repliek). Maar ook al zou de rechtbank wel hieraan zijn toegekomen en niet bewezen hebben verklaard dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen, dan nog kan dit [appellante] niet baten. Het feit dat strafrechtelijk gezien medeplegen niet bewezen is verklaard, brengt nog niet mee dat daarmee tevens vaststaat dat civielrechtelijk gezien geen sprake is van deelneming in de zin van artikel 6:166 BW. Het gaat hier immers om twee verschillende juridische kwalificaties.

4.7.5.

Het hof is op basis van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat er tussen de bijdrage van [appellante] en de bijdrage van [toenmalig partner appellante] een zodanige mate van samenhang bestond dat de gedragingen van ieder van hen als gedragingen in groepsverband kunnen worden gekwalificeerd. De gezamenlijkheid van het handelen heeft de kans op schade verhoogd, met name door het ontstaan van een sfeer die gevaar oproept en vergroot. [appellante] had zich om die reden behoren te weerhouden van deelneming aan de bewuste gedragingen in groepsverband. De conclusie luidt dus dat [appellante] op grond van artikel 6:166 BW (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het slaan met het glas op zijn hoofd.

4.8.

Voor het geval het hof oordeelt dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 lid 1 BW stelt [appellante] met een beroep op artikel 6:166 lid 2 BW dat er op basis van de billijkheid een andere verdeling dient plaats te vinden van de interne draagplicht van haar en [toenmalig partner appellante]. Zij voert in dat kader aan dat vast staat dat de schade aan het oog van [geïntimeerde] is veroorzaakt door het slaan door [toenmalig partner appellante] met het glas en dat niet is komen vast te staan dat er (verdere) schade is ontstaan door het schoppen door [appellante].

4.8.1.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 6:166 lid 2 BW geeft een bijzondere regeling voor het onderlinge regres tussen groepsleden met als uitgangspunt een gelijke draagplicht van de schade behoudens toepassing van de billijkheidscorrectie. Deze bepaling ziet dus slechts op de onderlinge draagplicht tussen de groepsleden, in dit geval dus tussen [appellante] en [toenmalig partner appellante], en mist daarom toepassing in de verhouding van [appellante] tot [geïntimeerde]. Dit betekent dat in de onderhavige procedure niet kan worden beslist op het betoog van [appellante] dat de billijkheid een andere interne draagplicht vordert dan in artikel 6:166 lid 2 BW is voorzien.

Voor zover het de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellante] betreft wordt het beroep op artikel 6:166 lid 2 BW gepasseerd.

4.9.

[appellante] biedt nog bewijs aan van al haar stellingen. Het hof zal dit bewijsaanbod evenwel passeren, nu de beslissing van het hof is gebaseerd op vaststaande, althans onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden. In zoverre is het aangeboden bewijs niet ter zake doende.

4.10.

Het hof komt tot de slotsom dat de grieven van [appellante] falen. Het bestreden vonnis zal dus worden bekrachtigd.

4.11.

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 666,- aan griffierecht en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: 2 punten (pleidooi) x € 894,- is € 1.788,-.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van dit hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] op € 666,- voor vast recht en € 1.788,- voor salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, A.P. Zweers-van Vollenhoven en A.J. Coster en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.