Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5008

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
HD 200.116.321-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2878
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:852, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5078
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5854
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5984
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractenrecht; ontbinding koopovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.321/01

arrest van 22 oktober 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A.A.J.L. van Elk de Freese te Cuijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A.J. Koks te Rosmalen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 juni 2013in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 810612/390, rolnr. 12-1664, gewezen vonnis van 23 augustus 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 11 juni 2013;

- de memorie naar aanleiding van voormeld tussenarrest van [appellant] met een productie;

- de (antwoord)memorie van [geïntimeerde] .

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Het hof heeft vragen geformuleerd die aan de deskundige gesteld kunnen worden en partijen in de gelegenheid gesteld suggesties te doen over die vragen. [appellant] diende tevens aan te geven of, en zo ja hoe lang, het schip na de levering in het water is geweest.

7.2.

Over het aantal van de te benoemen deskundigen hebben partijen medegedeeld in te stemmen met de benoeming van één deskundige. [appellant] heeft aangegeven dat de deskundige dient te beschikken over de volgende kwalificaties:

- EMCI International Registered Yachtsurveyor/marinesurveyor

- EMCI International Maritime Specialist

- EMCI International Registered Maritime Mediator

- ADR International Certified Arbitrator

- ADR International Mediator.

Naar aanleiding hiervan heeft [appellant] voorgesteld om de heer B. Peters van PMC Jacht Expertise te benoemen. [geïntimeerde] heeft hiertegen bezwaar, nu hij van mening is dat de deskundige niet ook als arbiter of mediator gecertificeerd hoeft te zijn. Volgens [geïntimeerde] dient de deskundige alleen expertise te hebben over het fenomeen osmose.

7.3.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de heer Peters van PMC Jacht Expertise benoemen tot deskundige, nu [geïntimeerde] geen zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd om anders te oordelen. [geïntimeerde] heeft ook niet gesteld dat Peters geen expertise heeft over het fenomeen osmose.

7.4.

Het hof blijft bij zijn tussenarrest en zal bepalen dat een deskundigenbericht wordt verricht aan de hand van de vragen zoals die reeds in het tussenarrest waren geformuleerd..

[appellant] heeft zich niet uitgelaten over de vragen, zodat het hof ervan uitgaat dat hij met deze vragen instemt.

[geïntimeerde] kan zich, met uitzondering van vraag 4, vinden in de vraagstelling. [geïntimeerde] stelt met betrekking tot vraag 4 dat hij vraagtekens zet bij de objectiviteit van de waarnemingen van [partijdeskundige 1] en [partijdeskundige 2] . In hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd ziet het hof echter geen aanleiding om vraag 4 te wijzigen, nu [geïntimeerde] tegenover de partijdeskundige-verklaringen van [partijdeskundige 1] en [partijdeskundige 2] zijnerzijds de expert [expert] heeft laten verklaren.

7.5.

[appellant] stelt dat het schip reeds vanaf 22 september 2011 op het droge ligt en sedertdien ook op het droge is gebleven. Hij verwijst tevens naar de rapportage van [partijdeskundige 1] van 14 december 2011 waarin hij de staat van het schip onder de waterlijn op 13 december 2011 beschreven heeft. Deze keuring heeft plaatsgevonden te [keuringsplaats] . Deze constatering kan volgens [appellant] alleen gedaan worden als het schip op het droge ligt. Dit wordt bij gebrek aan wetenschap betwist door [geïntimeerde] .

7.6.

Op grond van het vorenstaande kan het hof niet als vaststaand oordelen wanneer en hoelang het schip na de levering op het droge ligt of heeft gelegen. [appellant] stelt dat het schip kort na de levering op het droge is gelegd en sedertdien zich op de wal bevindt en heeft hiertoe een bewijsaanbod gedaan.
Het hof komt vooralsnog aan bewijslevering niet toe; eventueel komt dit aspect, indien relevant, later aan de orde. Aan de deskundige zullen in dit verband enkele aanvullende vragen worden gesteld; zie de formulering in het dictum.

7.7.

[appellant] heeft bij de memorie een productie overgelegd, waarin de heer [partijdeskundige 2] , als partijdeskundige, de hiervoor onder r.o. 7.4 genoemde vragen beantwoordt. Het hof zal deze productie echter buiten beschouwing laten, nu het hof niet om de aanvullende verklaring van [partijdeskundige 2] heeft verzocht.

7.8.

In genoemd tussenarrest van 11 juni 2013 heeft het hof beslist dat het voorschot met betrekking tot de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [appellant] dient te komen. Nu [appellant] blijkens de rolkaart van het hof procedeert op basis van een toevoeging, zal het voorschot via voorlopige in debetstelling op de voet van artikel 195 derde zin Rv ten laste van ’s Rijks kas komen. Ten overvloede wordt voorts opgemerkt dat in beginsel de kosten van de deskundige uiteindelijk worden gedragen door degene die in het ongelijk wordt gesteld.

7.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

8 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht in verband met de volgende vragen;

  1. is uit de administratie van de jachtwerf te [keuringsplaats] , alwaar de boot op het droge is gelegd, vast te stellen wanneer het schip op het droge is gelegd en of het schip sindsdien altijd op het droge heeft gelegen/gestaan;

  2. is anderszins na te gaan hoe lang het schip sedert de aankoop/sedert het onderzoek van 22 september 2011 in het water heeft gelegen dan wel op het droge heeft gelegen/gestaan;

  3. in hoeverre is het voor uw onderzoek van belang of en sinds wanneer het schip op het droge heeft gestaan/gelegen dan wel in het water heeft gelegen;

  4. in hoeverre is het voor de ontwikkeling van eventuele osmose van belang of het schip sedert voornoemd tijdstip in het water dan wel op het droge heeft gelegen/gestaan?

  5. kunt u toelichten in hoeverre u aan de hand van de bevindingen thans een uitspraak kunt doen over de staat van het schip in september 2011?

  6. kunt u toelichten of en in hoeverre u aan de hand van eerdere waarnemingen (door [partijdeskundige 1] , [expert] en [partijdeskundige 2] ) een uitspraak kunt doen over de staat van het schip in september 2011?

  7. zijn er aanwijzingen voorhanden dat het schip ten tijde van de koop en levering in september 2011 was aangetast door osmose?

  8. konden de destijds waargenomen verschijnselen op iets anders wijzen dan osmose?

  9. vertoont het schip - rekening houdend met de leeftijd van het schip (in 1978 gebouwd) en in vergelijking met soortgelijke boten – een boven– of minder dan gemiddelde mate van osmose?

  10. wat is het gevolg van osmose in het algemeen?

  11. staat de geconstateerde osmose in de weg aan een normaal gebruik van het schip?

  12. is de osmose te verhelpen, en zo ja wat zijn dan de kosten?

  13. wat acht u verder van belang om op te merken?

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer B.W. Peters

[Marine Consultancy] Marine Consultancy

[adres]

[postcode] [vestigingsplaats]

telefoonnummer: [telefoonnummer] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest en van het tussenarrest van 11 juni 2013 aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 513,52 incl. BTW, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat ingevolge r.o. 4.11 van het tussenarrest het voorschot voor rekening van [appellant] moet komen, doch dat dit voorschot, nu aan [appellant] een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. J.M. Brandenburg tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 4 maart 2014 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [appellant] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, B.A. Meulenbroek en P.Th. Gründemann en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.