Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4914

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
HD 200.116.052/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2752
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet op het consumentenkrediet. Kosten beschermingsplan en overige kosten. Proceskosten hoger beroep als nodeloos aangewend aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.052/01

arrest van 22 oktober 2013

in de zaak van

Hoist Kredit AB,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Zweden), mede kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

appellante,

advocaat: mr. L.J.H. Hoven-Kohl te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 juli 2013in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen onder zaaknummer 458111 CV EXPL 12-12 gewezen vonnis van 25 juli 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 2 juli 2013;

- de akte uitlating na tussenarrest van Hoist met eiswijziging.

Hoist heeft arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest is Hoist in de gelegenheid gesteld de in haar vordering begrepen kredietvergoeding opnieuw te berekenen in verband met de afwijzing van de kosten voor het beschermingsplan ad € 534,30 en de post overige kosten ad € 81,75. In haar akte uitlating na tussenarrest matigt Hoist de in het transactieoverzicht (productie 3 bij conclusie van repliek) berekende kredietvergoeding van € 1.015,05 tot € 515,05. Rekening houdend met de door het hof bij dit eindarrest af te wijzen bedragen, als aangekondigd in rechtsoverweging 4.11 en 4.13 van het tussenarrest, becijfert Hoist de in de inleidende dagvaarding vermelde hoofdsom van € 2.491,10 thans op € 1.375,50 (het hof leest, gezien de door Hoist beoogde vermindering met € 500,= en met de reeds genoemde bedragen die worden afgewezen € 1.375,05). Verder matigt Hoist de vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag der inleidende dagvaarding berekende vertragingsvergoeding van € 671,11 tot € 335,54.

7.2.

Het hof is van oordeel dat Hoist genoegzaam heeft voldaan aan het tussenarrest. De matiging van de in de hoofdsom begrepen kredietvergoeding en van de vertragingsvergoeding is zodanig dat aangenomen kan worden dat daarin geen rentevergoeding meer begrepen is over de af te wijzen kostenposten. Rekening houdend met de in het tussenarrest aangekondigde afwijzing van de kostenposten en de eiswijziging van Hoist, komt het hof tot het volgende overzicht:

hoofdsom [€ 2.491,10 -/- (€ 534,30 + 81,75 + € 500)]

€ 1.375,05

gematigde vertragingsvergoeding tot inleidende dagvaarding

- 335,54

subtotaal

€ 1.710,59

betaald

- 175,00

totaal

€ 1.535,59


Het hof is van oordeel dat deze vordering alsnog kan worden toegewezen.

7.3.

De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het hierboven vermelde totaalbedrag van € 1.535,59 zal met de – te maximeren – vertragingsvergoeding (zie rechtsoverweging 4.8 in het tussenarrest) over de hoofdsom ad € 1.375,05 alsnog worden toegewezen en [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg. De kosten van het hoger beroep zal het hof voor rekening van Hoist laten, nu zij deze kosten nodeloos heeft veroorzaakt door eerst in hoger beroep alle relevante stukken aan te leveren en een beroep te doen op de juiste akte van cessie, zoals zij overigens ook zelf heeft erkend.

8 De uitspraak

Het hof:



vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Hoist te betalen een bedrag van € 1.535,59, vermeerderd met de contractuele vertragingsvergoeding met als maximum de krachtens artikel 35 Wck ten hoogste toegelaten kredietvergoeding (per 1 juli 2012 verlaagd van 16% naar 15% per jaar), over een bedrag van € 1.375,05 vanaf de dag der inleidende dagvaarding, 22 december 2011, tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg, welke kosten aan de zijde van Hoist tot aan deze uitspraak worden begroot op € 531,32 aan verschotten en op € 300,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Hoist in de kosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak worden begroot op nihil;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, J.C.J. van Craaikamp en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.