Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4909

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
20-001695-12
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steken met een schroevendraaier. 1. Voorwaardelijk opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. 2. Noodweer. Onttrekkingsvereiste en proportionaliteit. 3. Noodweerexces.

Ad 1. Het hof is van oordeel dat de kans dat A zou komen te overlijden door het steken met een schroevendraaier door een jas met een uitritsbare binnenjas en T-shirt heen, op de wijze als door verdachte beschreven, waarbij A in zijn linkerzij twee steekwonden van onbekende diepte heeft opgelopen, niet naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Vrijspraak van poging tot doodslag; bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling.

Ad 2. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of verdachte, zoals hij heeft verklaard, met zijn rug tegen een muur stond. In aanmerking genomen dat A verdachte een kopstoot heeft gegeven, direct gevolgd door een vuistslag, tengevolge waarvan verdachte een gebroken neus heeft opgelopen, het verdachte zwart voor ogen zag en hij duizelig werd, terwijl verder geweld van de kant van A nog dreigde, kon van verdachte onder de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de confrontatie. De omstandigheid dat hij niet is weggelopen, staat in dit geval dan ook niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer.

In het midden kan blijven of voor verdachte andere, minder ingrijpende mogelijkheden open stonden om aan de aanranding door A een einde te maken dan door A te steken. De eventuele aanwezigheid van dergelijke minder ingrijpende mogelijkheden dwingt op zichzelf immers nog niet tot het oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel (het steken) disproportioneel is. Niettemin is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Hoewel het geven van een kopstoot en een vuistslag een ernstige aanranding oplevert, staat het viermaal steken met een schroevendraaier, waarbij A tweemaal in zijn linkerzij werd geraakt met een klaplong tot gevolg en waarbij een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan, naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding tot de ernst van die aanranding.

Ad 3. Geslaagd beroep op noodweerexces. Aannemelijk is dat verdachte, toen door de onverwachte kopstoot en de direct daaropvolgende vuistslag in het gezicht zijn neus brak en het hem zwart voor de ogen werd, heeft gevreesd voor een verdere aanranding van zijn lijf en dat hij heeft gehandeld in een emotionele gemoedsopwelling. Dit in aanmerking nemende, acht het hof aannemelijk dat door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bij verdachte een hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt en dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging van die gemoedsbeweging een onmiddellijk gevolg is geweest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/24
EeR 2013, afl. 5/6, p. 230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001695-12

Uitspraak : 23 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 27 april 2012 in de strafzaak met parketnummer 12-715011-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1988,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte vrijgesproken van - kort gezegd - poging tot doodslag (feit 1 primair, impliciet primair) en bedreiging met de dood of met zware mishandeling (feit 3). De verdachte werd ter zake van poging tot zware mishandeling (feit 1 primair, impliciet subsidiair) en mishandelingen (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] werd deels toegewezen. De benadeelde partij [B] werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Zowel het hoger beroep van de verdachte als van de officier van justitie moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd en van hetgeen door de advocaat van de benadeelde partij [A] naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte ter zake van poging tot doodslag (feit 1 primair, impliciet primair) en mishandeling, meermalen gepleegd (feit 2) zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [A] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 3.605,33 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag, subsidiair 46 dagen hechtenis;

  • -

    de benadeelde partij [B] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag. Voorts heeft de raadsman (subsidiair) ter zake van het onder 1 ten laste gelegde ontslag van alle rechtsvervolging bepleit op grond van noodweer, dan wel noodweerexces. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde is primair algehele vrijspraak bepleit, subsidiair bewezenverklaring van één geval van mishandeling bestaande uit het geven van een trap. De raadsman heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd en betoogd dat de beide benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De advocaat van de benadeelde partij [A] heeft de vordering tot schadevergoeding toegelicht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Bovendien is het vonnis niet te verenigen met de beslissing van het hof.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij op of omstreeks 2 januari 2012 te gemeente Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of linkerzij, althans zijn bovenlichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 2 januari 2012 te gemeente Vlissingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [A]) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of linkerzij, althans zijn bovenlichaam, heeft gestoken/gesneden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 januari 2012 in gemeente Vlissingen, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [B]) meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen) heeft geslagen en/of gestompt (al dan niet met een (hard) voorwerp) en/of geschopt en/of getrapt en/of hieraan heeft getrokken en/of hiertegen geduwd, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 2 januari 2012 te gemeente Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een schroevendraaier, althans een scherp en puntig voorwerp, in de linkerzij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 januari 2012 in gemeente Vlissingen, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [B]) tegen het lichaam heeft geslagen (al dan niet met een hard voorwerp) en heeft getrapt, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in die bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Feit 1 primair

Het ten laste gelegde onder 1 primair behelst het verwijt dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag (impliciet primair), althans poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair).

Standpunten van de procespartijen

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat, gelet op de bij het slachtoffer geconstateerde steekwonden en de beschadigingen in diens kleding, vaststaat dat de verdachte met een mes heeft gestoken. Gelet hierop heeft er een aanmerkelijk kans op de dood van het slachtoffer bestaan. Deze kans is door de verdachte bewust aanvaard, zodat hij heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft bestreden dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Daartoe is aangevoerd dat niet vaststaat dat de verdachte met een mes heeft gestoken. De mogelijkheid blijft open dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, heeft gestoken met een schroevendraaier. De lengte van de steekverwondingen bij het slachtoffer kan namelijk worden veroorzaakt doordat er sprake is van zogenaamde scheurwonden. Nu niet bekend is met welke kracht er is gestoken en voorts gelet op het niet-levensbedreigende letsel van het slachtoffer, heeft er geen aanmerkelijke kans op de dood bestaan, aldus de raadsman.

Overwegingen van het hof

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet bewezen dat de verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad anders dan in voorwaardelijke zin. Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad.

Op grond van bestendige jurisprudentie moet daarbij worden vooropgesteld dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van het slachtoffer - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de beantwoording van de vraag of er een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft bestaan, acht het hof in het bijzonder van belang (a) het wapen waarmee is gestoken, (b) de wijze van steken en (c) de plaats op het lichaam waar het slachtoffer werd geraakt.

Ad (a) - het steekwapen

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof het volgende vast.

  • -

    i). De verdachte heeft in zijn eerste verklaring bij de politie, bij welke verklaring hij nadien is gebleven, verklaard dat hij het slachtoffer heeft gestoken met een schroevendraaier. Die schroevendraaier had hij naar zijn zeggen ten tijde van het ten laste gelegde in de rechterzak van zijn trainingsbroek zitten omdat hij splinters uit een buitenspiegel van zijn auto had verwijderd nadat die door vuurwerk was beschadigd (p. 85 en 89).

  • -

    ii). [A] heeft verklaard dat hij met iets scherps in zijn linkerzij werd gestoken. Hij heeft een scherp, glimmend voorwerp gezien, maar hij heeft niet gezien of dat een mes was (p. 24).

  • -

    iii). Er is geen mes aangetroffen waarmee zou zijn gestoken.

  • -

    iv). De verdachte werd niet lang na het ten laste gelegde aangehouden. Een schroevendraaier die de verdachte bij zich droeg en waarvan de verdachte verklaarde dat hij daarmee had gestoken, werd in beslag genomen (p. 4 en 18).

  • -

    v). Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat kan worden aangenomen dat de beschadigingen aan de kleding van [A] en het letsel van [A] niet zijn toegebracht met de in beslaggenomen en onderzochte schroevendraaier, maar met een ander scherprandig voorwerp (p. 30-31).

  • -

    vi). Forensisch geneeskundige [geneeskundige] heeft - op basis van bij de behandelend chirurg [chirurg] schriftelijk ingewonnen informatie - verklaard dat dr. [chirurg] het waarschijnlijker acht dat de verwondingen zijn veroorzaakt door een mes dan door een schroevendraaier (p. 67a).

Het hof acht de onder (v) en (vi) genoemde conclusies van [verbalisant] en [chirurg] onvoldoende onderbouwd om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte met een mes heeft gestoken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat specifieke deskundigheid van verbalisant [verbalisant] op het gebied van letselonderzoek niet is komen vast te staan. Voorts is de forensische deskundigheid van [chirurg] niet komen vast te staan en is evenmin gebleken dat door [chirurg] is onderzocht of, zoals de raadsman als mogelijkheid heeft aangevoerd, het letsel van [A] kan worden veroorzaakt doordat er sprake is van zogenaamde scheurwonden die zijn ontstaan bij het steken met een schroevendraaier, waardoor het verschil tussen de lengte van de steekverwondingen en de breedte van de vouw van de in beslag genomen schroevendraaier kan worden verklaard.

Gelet voorts op hetgeen hiervoor is vastgesteld onder (i) tot en met (iv) is het hof van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte met een schroevendraaier heeft gestoken.

Ad (b) - de wijze van steken

Over de wijze waarop de verdachte heeft gestoken, verklaarde hij als volgt.

- bij de politie op 3 januari 2012 (p. 84):

“Ik pakte de schroevendraaier met mijn rechterhand uit mijn rechterzak. Tijdens die klap pakte ik de schroevendraaier en weerde ik mij af met die schroevendraaier. Die stak ik in zijn richting om af te weren.”

- bij de politie op 4 januari 2012 (p. 89):

“Ik weerde mij af met een schroevendraaier. Ik maakte een prikkende beweging, door hem naar achteren te laten gaan. Ik heb niet de intentie gehad om hem te doden. Anders had ik hem wel ergens anders geraakt.”

- ter terechtzitting van de rechtbank op 16 april 2012 (p. 3 van het proces-verbaal van die terechtzitting):

“Om de aanval af te weren pakte ik mijn schroevendraaier en zwaaide/sloeg ermee in zijn richting. (…) (Verdachte toont de rechtbank desgevraagd hoe hij de schroevendraaier heeft gebruikt. Hij maakt met zijn rechterarm in horizontale stand een zwaaiende/slaande beweging naar voren.) (…) Op de manier zoals ik hem heb geslagen, zal ik hem niet aan de voorkant hebben geraakt, eerder met een bochtje aan de zijkant of de rugkant van zijn lichaam.”

- ter terechtzitting van het hof op 9 oktober 2013:

“Ik heb naar [A] uitgehaald met een schroevendraaier. Ik had mijn linkerarm voor mijn gezicht om mij te beschermen en heb me tegelijkertijd verweerd met mijn rechterhand met daarin de schroevendraaier. [A] stond op dat moment voor mij.”

Ook [A] heeft verklaard dat de verdachte op het moment dat hij stak, vóór hem stond (p. 24).

Gelet op deze laatste verklaring en de plaats van de steekwonden (in de linkerzij van [A]) ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verdachte beschreven wijze van steken: een, terwijl de verdachte en [A] tegenover elkaar staan, zwaaiende/slaande beweging “met een bochtje”, waarbij de verdachte - zie hierna - het slachtoffer tweemaal in diens linkerij heeft gestoken.

Ad (c) - de plaats op het lichaam waar het slachtoffer werd geraakt

Bij lichamelijk onderzoek werden bij [A] twee steekwonden gezien op de lijn verlopend vanuit de linkeroksel naar beneden (p. 67a), te weten circa 10 centimeter onder de linkeroksel en circa 20 centimeter daaronder (p. 67).

Uit het dossier blijkt niet welke diepte deze steekwonden hebben. Wel is gebleken dat er sprake was van een kleine pneumothorax (klaplong), ontstaan door perforatie van de borstkaswand en het longvlies van buitenaf (p. 67 en 67a).

Het slachtoffer droeg ten tijde van het ten laste gelegde een jas met een uitritsbare binnenjas en een T-shirt. Uit de beschadigingen van de kleding (p. 30-31) leidt het hof af dat de verdachte viermaal heeft gestoken. Twee van die steken hebben de jas van [A] beschadigd, maar niet geperforeerd. Hieruit concludeert het hof dat twee van de vier steken niet krachtig genoeg waren om de jas te perforeren.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat de kans dat [A] zou komen te overlijden door het steken met een schroevendraaier door een jas met een uitritsbare binnenjas en T-shirt heen, op de wijze als door de verdachte beschreven, waarbij het slachtoffer in zijn linkerzij twee steekwonden van onbekende diepte heeft opgelopen, niet naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Anders dan de advocaat-generaal, die is uitgegaan van het steken met een mes, acht het hof daarom niet bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [A] heeft gehad.

Het hof acht de kans dat [A] door de gedragingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen daarentegen naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk. Die gedragingen kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feit 2

Anders dan door en namens de verdachte is betoogd, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de tot bewijs gebezigde aangifte van [B]. Daaraan doet niet af dat die op 3 januari 2012 gedane aangifte mede betrekking heeft op mishandelingen die geruime tijd voor die aangifte hebben plaatsgevonden.

De verklaring van aangeefster is gedetailleerd, maakt op het hof een authentieke indruk en vindt op wezenlijke onderdelen steun in onder meer de verklaringen van [C], aangeefsters nicht [D], aangeefsters moeder [E] en aangeefsters vader.

[C] is zelf getuige geweest van een mishandeling van aangeefster door de verdachte. Zij heeft in de zomer van 2010 gezien dat de verdachte aangeefster met een bezemsteel over haar hele lichaam meerdere malen heeft geslagen. In die periode heeft [C] vaker gezien dat aangeefster onder de blauwe plekken zat (p. 112).

[D] heeft gezien dat aangeefster niet goed kon lopen en dat haar bovenbeen, van knie tot heup, helemaal bont en blauw was. Aangeefster vertelde haar bij die gelegenheid dat zij door de verdachte was geslagen met een stofzuigerslang. [D] heeft bovendien vaak blauwe plekken op aangeefsters armen gezien (p. 118-119).

De vader (p. 127) en moeder (p. 129) van aangeefster hebben in de tijd dat aangeefster een relatie met de verdachte had, eveneens meerdere malen gezien dat aangeefster onder de blauwe plekken zat.

De verklaring van aangeefster over een mishandeling door de verdachte op 27 december 2011 vindt eveneens steun in de verklaringen van haar vader (p. 127-128), haar moeder die bij de huisartsenpost heeft gezien dat aangeefster bijna niet kon lopen (p. 130) en haar nicht [D] (p. 61). De gang van zaken rondom die mishandeling vindt voorts bevestiging in de verklaringen van de - niet tot de familiekring van aangeefster behorende - getuigen [F] (p. 120) en [G] (p. 125), alsmede in een mutatie van de politie (p. 104).

Dat er sprake is geweest van geweld binnen de relatie van aangeefster met de verdachte vindt ten slotte ook steun in de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 april 2012, dat hij aangeefster een trap heeft gegeven.

Het hof acht het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

1.

poging tot zware mishandeling;

2.

mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Feit 1

Standpunten van de procespartijen

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld in noodweer, dan wel noodweerexces. Daartoe is door en namens de verdachte aangevoerd dat hij op de Kerkstraat te Vlissingen het slachtoffer tegenkwam, waarbij laatstgenoemde zonder kenbare aanleiding de verdachte een kopstoot heeft gegeven en hem direct daaropvolgend met de vuist in het gezicht heeft geslagen. De verdachte zag het hierdoor zwart voor de ogen en hij werd duizelig. Om zich tegen verder geweld te verweren, heeft hij de hiervoor genoemde schroevendraaier uit zijn broekzak gepakt en daarmee uitgehaald naar [A]. Omdat de verdachte met zijn rug tegen een muur aan stond, kon hij niet weglopen. De verdachte heeft bij de confrontatie een gebroken neus en een hersenschudding opgelopen. Nu er zwaar geweld tegen hem werd toegepast, was zijn handelen proportioneel. Indien het hof het handelen van de verdachte niet proportioneel acht, moet zijn handelen verontschuldigbaar worden geacht op grond van noodweerexces, nu hij heeft gehandeld in een emotionele opwelling in een tijdsbestek van enkele seconden nadat zijn neus door de aanranding van [A] was gebroken. Het hof begrijpt dit laatste aldus, dat subsidiair betoogd wordt dat de overschrijding van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt is door de aanranding.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer en noodweerexces moet worden verworpen. Daartoe is aangevoerd dat wel aannemelijk is dat [A] geweld heeft gebruikt tegen de verdachte, maar geen geweld dat noopte tot het handelen van de verdachte. De advocaat-generaal is daarbij, zoals hiervoor overwogen, ervan uitgegaan dat de verdachte met een mes heeft gestoken. In de visie van de advocaat-generaal bestond er geen noodweersituatie omdat de verdachte, na de vuistslag door [A], had kunnen en moeten weglopen. Nu de verdachte bovendien aan kickboksen doet, had hij zich op een minder vergaande wijze kunnen verdedigen, aldus de advocaat-generaal.

Overwegingen van het hof

De voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer houden ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit moet zijn geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

[A] heeft ontkend dat hij de verdachte een kopstoot heeft gegeven of hem heeft geslagen. [A] heeft voorts verklaard dat hij evenmin ander geweld tegen de verdachte heeft gebruikt; hij stelt de verdachte niet te hebben aangeraakt en ook niet te weten hoe de verdachte een gebroken neus heeft opgelopen (p. 24 en 27).

De getuige [getuige] heeft op 2 januari 2012 bij de politie verklaard dat hij, vanaf een afstand van 100 à 150 meter, een blanke man en een negroïde man zag staan op de hoek van de Oudemarkt en de Kerkstraat. Hij zag dat de negroïde man in een keer met zijn vuist uithaalde naar de blanke man, waarna de blanke man twee keer uithaalde (p. 59).

De verdachte is een blanke man; [A] een negroïde man (zie de foto van de verdachte op p. 26 en die van het slachtoffer op p. 56).

Uit het dossier blijkt dat de verdachte na zijn aanhouding door een GGD-arts is onderzocht en dat daarbij werd vastgesteld dat zijn neus was gebroken en moest worden rechtgezet (proces-verbaal van bevindingen (p. 18), verklaring verdachte (p. 83) en formulier “medische bijzonderheden” met registratienummer PL1900 2012000656-3 van de regiopolitie Zeeland).

Nu de lezing van de verdachte over het door [A] toegepaste geweld steun vindt in de medische gegevens en in de verklaring van [getuige], terwijl de lezing van [A] daarmee in strijd is, gaat het hof uit van de lezing van de verdachte dat hij een kopstoot en vuistslag van [A] heeft gekregen, met als gevolg een gebroken neus. Van daaraan voorafgaand geweld van de zijde van de verdachte is niet gebleken.

Het hof acht dan ook aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [A].

Onttrekking aan de confrontatie

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte, na de vuistslag door [A], niet heeft hoeven weglopen. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de verdachte, zoals hij heeft verklaard, met zijn rug tegen een muur stond. In aanmerking genomen dat [A] de verdachte een kopstoot heeft gegeven, direct gevolgd door een vuistslag, tengevolge waarvan de verdachte een gebroken neus heeft opgelopen, het de verdachte zwart voor ogen zag en hij duizelig werd, terwijl verder geweld van de kant van [A] nog dreigde, kon van de verdachte onder de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de confrontatie. De omstandigheid dat hij niet is weggelopen, staat in dit geval dan ook niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer.

Proportionaliteit

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen voornoemde aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2950, NJ 2013/165, rov. 2.5).

De advocaat-generaal heeft de verdachte tegengeworpen dat hij aan kickboksen doet en zich daarom op een minder vergaande wijze had kunnen verdedigen. Daarmee stelt de advocaat-generaal zich kennelijk op het standpunt dat de verdachte disproportioneel heeft gehandeld, omdat voor de verdachte andere, minder ingrijpende mogelijkheden open stonden om aan de aanranding door [A] een einde te maken dan door [A] te steken.

Het hof overweegt dienaangaande dat aan de hier te stellen proportionaliteitseis niet pas is voldaan indien, naast de noodzaak van de verdediging als zodanig, ook de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan. Wat dat laatste betreft, is immers beslissend of de desbetreffende gedraging - als verdedigingsmiddel - niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. rov. 2.6 van voornoemd arrest van de Hoge Raad). In het midden kan derhalve blijven of voor de verdachte andere, minder ingrijpende mogelijkheden open stonden om aan de aanranding door [A] een einde te maken dan door [A] te steken. De eventuele aanwezigheid van dergelijke minder ingrijpende mogelijkheden dwingt op zichzelf immers nog niet tot het oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel (het steken) disproportioneel is.

Niettemin is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Hoewel het geven van een kopstoot en een vuistslag een ernstige aanranding oplevert, staat het viermaal steken met een schroevendraaier, waarbij [A] tweemaal in zijn linkerzij werd geraakt met een klaplong tot gevolg en waarbij een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan, naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding tot de ernst van die aanranding.

Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer.

Noodweerexces

Ingevolge artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet strafbaar, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Aannemelijk is dat de verdachte, toen door de onverwachte kopstoot en de direct daaropvolgende vuistslag in het gezicht zijn neus brak en het hem zwart voor de ogen werd, heeft gevreesd voor een verdere aanranding van zijn lijf en dat hij heeft gehandeld in een emotionele gemoedsopwelling. Dit in aanmerking nemende, acht het hof aannemelijk dat door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt en dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging van die gemoedsbeweging een onmiddellijk gevolg is geweest.

Het beroep op noodweerexces slaagt. De verdachte is daarom niet strafbaar voor het onder 1 bewezen verklaarde.

Feit 2

Ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het onder 2 bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich verspreid over een langere periode schuldig gemaakt ernstige mishandelingen van zijn toenmalige vriendin. Hij maakte daarbij soms gebruik van voorwerpen, zoals een bezemsteel, stofzuigerslang en zelfs een koevoet, waarmee hij zijn vriendin sloeg. Zij heeft meermalen helemaal onder de blauwe plekken gezeten. Een nicht van verdachtes vriendin heeft gezien dat de zijkant van haar been van knie tot heup helemaal blauw en paars was. Deze nicht had nog nooit zo’n grote bloeduitstorting gezien (p. 118).

Uit de verklaringen van aangeefster bij de politie blijkt de hevige angst voor de verdachte waaronder zij gedurende haar relatie met hem gebukt ging. De mishandelingen vonden bovendien deels plaats in haar eigen woning, waar zij zich bij uitstek veilig behoort te kunnen voelen. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen enkel blijk gegeven zich te kunnen verplaatsen in de moeilijke situatie waarin aangeefster zich gedurende de relatie met hem heeft bevonden.

Het hof acht de bewezen verklaarde mishandelingen, mede gelet op het letsel en leed dat daardoor werd veroorzaakt, ernstige feiten waarop een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom gewelddadig gedrag te vertonen, acht het hof voorts een voorwaardelijk strafdeel aangewezen.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De duur van het onvoorwaardelijke deel van deze straf is gelijk aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van deze duur wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoeding

Benadeelde partij [A] (feit 1)

De benadeelde partij [A] kan niet in de vordering tot schadevergoeding worden ontvangen, nu de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het feit waardoor de gevorderde schade zou zijn veroorzaakt.

Benadeelde partij [B] (feit 2)

De benadeelde partij [B] kan niet in de vordering tot schadevergoeding worden ontvangen, nu de gevorderde schade (gestolen sieraden) niet is toegebracht door de bewezen verklaarde mishandeling.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [A] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [B] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. M. Malsch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 23 oktober 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.N. van der Spoel en mr. M. Malsch zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.