Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4908

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
HD 200.106.215/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:BW0043, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertegenwoordigingsbevoegdheid. Titel voor levering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2014/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.106.215/01

arrest van 22 oktober 2013

in de zaak van

Mutualis Beleggingen B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.P. Zanders te Venlo,

tegen

Waterleiding Maatschappij Limburg N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.E.A.F. Aertssen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 april 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 28 maart 2012 tussen appellante – Mutualis – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde – WML – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 99877/HA ZA 10-230)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met productie;

- de akte uitlaten inzake beraad partijen van WML d.d. 23 oktober 2012;

- de antwoordakte d.d. 20 november 2012 van Mutualis;

- de antwoordakte d.d. 8 januari 2013 van WML;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij brief van 15 februari 2013 door WML toegezonden producties;

- de akte d.d. 4 juni 2013, waarbij WML het rapport [Bedrijfsrecherche] (opnieuw) in het geding heeft gebracht;

- de antwoordakte na pleidooi van Mutualis d.d. 9 september 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( a) Bij koopovereenkomst van 24 december 2007 (productie 1 bij akte overlegging producties d.d. 31 maart 2010 in eerste aanleg) zijn 21 kavels (bestaande uit een of meer percelen) onroerend goed voor in totaal € 115.003 verkocht aan (thans) Mutualis. Namens WML is deze koop gesloten door de heer [manager registergoederen] (hierna: [manager registergoederen]), die bij WML werkzaam was als manager registergoederen en rentmeester .
De onroerende zaken waren eigendommen van WML die in het kader van de waterwinning waren aangeschaft en in verband met de sluiting ervan voor verkoop bestemd waren.
Aan het slot van deze koopovereenkomst is het volgende opgenomen:

"NOTARIËLE AKTE
De notariële akte van levering zal worden verleden ten overstaan van Mr. J.L. Houben van Notariskantoor Van Hecke & Houben ( ). Bij deze verklaart verkoper onherroepelijk last en volmacht te geven aan bovenvermelde notaris of een van de medewerkers van bovenvermelde notaris om voor en namens verkoper het bovenvermelde registergoed te kopen en in eigendom over te dragen, de koopsom en lasten te verrekenen, de ter zake voorgeschreven akten en stukken op te maken, te verlijden en te tekenen, woonplaats te kiezen en verder al datgene te verrichten wat de gevolmachtigde raadzaam zal oordelen."

( b) Levering van genoemde percelen vond plaats bij akte van 25 februari 2008 (productie 2 bij akte overlegging producties d.d. 11 maart 2010). In de akte van levering is op bladzijde 1 opgenomen dat bij het passeren van de akte de heer [notarisklerk], notarisklerk, optrad voor WML, en is vervolgens opgenomen:

"…volgens zijn verklaring te dezen handelende in zijn hoedanigheid van schriftelijk gevolmachtigde, blijkens een onderhandse volmacht welke aan deze akte zal worden gehecht, tezamen met de koopovereenkomst waarin zij is opgenomen, van,
de naamloze vennootschap genaamd NV Waterleiding Maatschappij Limburg met zetel te [plaats] ( ) bij het verstrekken der volmacht rechtens vertegenwoordigd door de heer [manager registergoederen], wonende te [postcode] [woonplaats] ( );
op zijn beurt bij het verstrekken der volmacht handelende in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde met de macht van substitutie van mevrouw [bestuurder WML] ();
bij het verstrekken der volmacht op haar beurt handelende als zelfstandig bevoegd bestuurder van NV Waterleiding Maatschappij Limburg voornoemd.
Van de volmacht op de heer [manager registergoederen] voornoemd blijkt uit een onderhandse akte van volmacht welke is gehecht aan een akte van depot op negen en twintig januari tweeduizend zeven voor J.L. Schroyen, notaris te St. Odiliënberg, verleden"

  • -

    c) [manager registergoederen] was bevoegd om namens WML koopovereenkomsten af te sluiten tot 250.000 euro, mits er voorafgaand intern door parafering goedkeuring werd verleend door de sectormanager van WML. Voor onderhavige koop is deze interne goedkeuring niet gevraagd en verleend.
    Deze validatieprocedure werd binnen WML niet consequent toegepast.

  • -

    d) In verband met een vermoeden van belangenverstrengeling tussen [manager registergoederen] en Mutualis heeft WML opdracht gegeven aan [Bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche (verder: [Bedrijfsrecherche]) om daarnaar onderzoek te doen (het rapport van 8 oktober 2008 is als productie 5 bij akte overlegging producties d.d. 11 maart 2010 in het geding gebracht; bij akte van 4 juni 2013 heeft WML een beter leesbare versie van dit rapport in het geding gebracht). Ook heeft WML taxatierapporten van makelaars/taxateurs [makelaars/taxateurs] overgelegd waarin een hogere waarde voor genoemde percelen is opgenomen (productie 14 bij akte overlegging producties d.d. 31 maart 2010).

  • -

    e) Mutualis heeft in de periode van 27 mei 2008 tot en met 15 augustus 2008 vijf van de onder (a) genoemde onroerende zaken verkocht voor een totaalprijs van 239.500 euro.

  • -

    f) In regionale en landelijke bladen zijn in mei 2009 publicaties verschenen over genoemde transactie en mogelijk daarbij gepleegde fraude.

  • -

    g) WML heeft bij brief van 11 februari 2010 (productie 15 bij akte overlegging producties d.d. 31 maart 2010) jegens Mutualis de nietigheid/vernietigbaarheid van de koopovereenkomst ingeroepen.

  • -

    h) WML heeft ten laste van Mutualis beslag gelegd op de hiervoor genoemde aan Mutualis geleverde en door haar niet doorgeleverde onroerende zaken.

4.2

WML heeft in eerste aanleg met verwijzing naar onder meer bovenomschreven onderzoeken gesteld dat de koopovereenkomst tussen WML en Mutualis nietig was door een gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid, althans onder invloed van bedrog of dwaling tot stand was gekomen c.q. strijdig was met de openbare orde dan wel dat Mutualis onrechtmatig jegens WML gehandeld had, althans onrechtmatig geprofiteerd had van een door [manager registergoederen] jegens WML gepleegde wanprestatie. Deze stellingen van WML kwamen er kort gezegd op neer dat [manager registergoederen] en de heer [directeur Mutualis] (directeur van Mutualis, verder: [directeur Mutualis]) samengespannen hadden om de betreffende onroerende zaken (te) goedkoop aan Mutualis over te dragen met het oogmerk om daarvan vervolgens samen voordeel te hebben.
WML heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de koopovereenkomst en daaropvolgende leveringsakte nietig zijn, althans vernietigd zijn, althans gevorderd dat zij bij vonnis worden vernietigd. Voorts heeft zij uit hoofde van nietigheid, vernietiging of schadevergoeding gevorderd om ingevolge art. 3:299 BW gemachtigd te worden over te gaan tot teruglevering van de nog in bezit van Mutualis zijnde (gekochte) percelen dan wel Mutualis onder verbeurte van dwangsommen te bevelen aan die teruglevering mee te werken.
Voorts heeft WML betaling gevorderd van € 124.497, zijnde het saldo van de opbrengst van de door Mutualis doorverkochte percelen (€ 239.500) verminderd met de (door WML ontvangen) koopsom voor de 21 percelen ad € 115.003, vermeerderd met wettelijke rente.
Mutualis heeft in eerste aanleg de vorderingen bestreden. Zij heeft gesteld dat de transactie volstrekt zakelijk en eerlijk is verlopen, dat [manager registergoederen] behoorlijk en afdoende gevolmachtigd was om de zaken te verkopen en te leveren, en dat er van fraude, benadeling of enige andere onregelmatigheid geen sprake was.
Mutualis heeft voorts gesteld dat het taxatierapport van [taxateur] apert ondeugdelijk was en eigen, andersluidende, taxaties overgelegd.
Mutualis heeft in eerste aanleg in reconventie gesteld dat WML moest beseffen dat [makelaars/taxateurs] bepaalde aspecten van de getaxeerde zaken onvoldoende hadden belicht en dat hun taxatie dus niet klopte. Door toch op dat rapport af te gaan en op basis van de resultaten daarvan Mutualis te beschuldigen en de publiciteit te zoeken heeft WML volgens Mutualis onrechtmatig jegens haar gehandeld. Zij heeft de door haar ter beperking van schade gemaakte kosten voor de door haar gevraagde taxaties ad € 12.692 exclusief omzetbelasting gevorderd, alsmede overige schade op te maken bij staat. Voorts heeft zij opheffing van het door WML gelegde beslag gevorderd en plaatsing van een annonce in Dagblad de Limburger en de NRC met de tekst zoals in de vordering is opgenomen.

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in conventie voor recht verklaard "dat de koopovereenkomst tussen WML en Mutualis van 24 december 2007 en de notariële akte tussen WML en Mutualis van 25 februari 2008 niet zijn". Het hof leest "niet zijn" als een kennelijke verschrijving voor "nietig zijn" – de term nietig wordt immers gebruikt in rechtsoverweging 3.21 en 3.37 van het bestreden vonnis, waarvan dit gedeelte van het dictum een uitwerking is.
Daarnaast heeft de rechtbank WML gemachtigd om ingevolge het bepaalde in artikel 3:299 BW namens Mutualis over te gaan tot teruglevering van de in het vonnis genoemde percelen, en Mutualis veroordeeld om aan WML € 124.497 te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering in reconventie van Mutualis heeft zij afgewezen.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank als "beoordelingskader" aangehouden de vraag of [manager registergoederen] bevoegd was WML te vertegenwoordigen, en of [manager registergoederen] in dit geval kon optreden als wederpartij van de volmachtgever (de zogenaamde Selbsteintritt). De rechtbank is daarbij tot de conclusie gekomen (in rechtsoverweging 3.21) dat [manager registergoederen] als werknemer met tegenstrijdig belang heeft gehandeld in de zin van artikel 3:68 en 7:416 BW, zodat hij niet langer bevoegd was om WML in deze kwestie te vertegenwoordigen, terwijl Mutualis van dit gebrek in bevoegdheid op de hoogte was.


De beoordeling in hoger beroep

4.4

WML heeft in hoger beroep als verststrekkend verweer aangevoerd dat Mutualis niet ontvankelijk is in het hoger beroep, omdat zij van dit hoger beroep geen aantekening heeft doen houden in de registers bedoeld in artikel 433 Rv. Mutualis heeft weersproken dat in dit geval een dergelijke aantekening nodig is.
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis beslist dat voor recht wordt verklaard dat de koopovereenkomst en de notariële akte van levering tussen WML en Mutualis nietig zijn. Daarnaast heeft de rechtbank WML gemachtigd namens Mutualis over te gaan tot (terug)levering van de in dat vonnis genoemde percelen, alsmede tot betaling van het bedrag van € 124.497.
Naar het oordeel van het hof is de toegewezen verklaring voor recht geen verklaring als bedoeld in artikel 3:27 en 3:29 BW. Derhalve was inschrijving in de registers bedoeld in artikel 433 Rv niet noodzakelijk. Datzelfde geldt voor de door de rechtbank verleende machtiging ex artikel 3:299 BW, die niet kan worden aangemerkt als een uitspraak als bedoeld in artikel 301 Rv.
Dit verweer wordt verworpen.

4.5

Het hof zal eerst grief V behandelen, die betrekking heeft op het gebruik van het rapport [Bedrijfsrecherche]. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft het hof bepaald dat door WML een beter hanteerbare versie van dit rapport moest worden overgelegd. Met deze beslissing heeft het hof niet vooruit willen lopen op zijn beslissing op deze grief, zij het dat dit toen wellicht minder gelukkig is verwoord. Het hof wenste, voor het geval dat de grief ongegrond zou worden geacht, te beschikken over een beter hanteerbare versie van dit rapport zonder dat daartoe een tussenarrest zou hoeven te worden gewezen.
De rechtbank had al eerder geoordeeld (in het bestreden vonnis onder 3.1 tot en met 3.4) dat dit rapport toelaatbaar was, en het hof deelt dat oordeel op de daartoe door de rechtbank gegeven gronden. Ook in de aan het hof aanvankelijk voorgelegde versie was het rapport in voldoende mate te raadplegen en was duidelijk naar welke passages in dit rapport door WML werd verwezen.
Overigens blijkt uit het navolgende, dat het hof zijn beslissing in conventie niet baseert op (conclusies uit) het rapport [Bedrijfsrecherche].

4.6

Grief I keert zich ertegen dat de rechtbank de zaak heeft afgedaan op basis van Selbsteintritt, omdat het partijdebat daarover niet is gevoerd en Mutualis zich daarover niet heeft kunnen uitlaten.

4.7

Naar het oordeel van het hof is behandeling van deze grief niet langer relevant, nu Mutualis in de pleitnota in hoger beroep uitdrukkelijk de stelling van WML heeft onderschreven dat [manager registergoederen] als medewerker van WML helemaal niet bevoegd was de koopovereenkomst voor WML met Mutualis te sluiten (pleitnota, bladzijde 11). Haar eerder ingenomen stelling dat [manager registergoederen] wél bevoegd was heeft zij daarmee laten varen, althans daaraan gaat het hof – als onvoldoende onderbouwd mede in het licht van de erkenning bij pleidooi – voorbij.
Het feit dat de voorlopige koopovereenkomst door [manager registergoederen] was getekend betekende – aldus Mutualis in deze pleitnota, bladzijde 11 – niet dat om die reden Mutualis [manager registergoederen] behoorde te beschouwen als vertegenwoordigingsbevoegd. Aan de ondertekening was voor Mutualis niet de schijn van een door WML opgeroepen vertegenwoordigingsbevoegdheid te ontlenen. Volgens Mutualis was de overeenkomst in eerste instantie nog niet bindend en daarom nietig. Volgens Mutualis betekende echter de nakoming van de overeenkomst – naar het hof begrijpt: omdat vervolgens levering heeft plaatsgehad – de bekrachtiging daarvan.

4.8

De erkenning van Mutualis dat [manager registergoederen] niet vertegenwoordigingsbevoegd was impliceert dat de vraag of sprake is geweest van Selbsteintritt niet meer beantwoord hoeft te worden, en ook dat geen sprake is geweest van verboden Selbsteintritt leidend tot nietigheid op grond van artikel 3:68 BW. Deze erkenning betekent evenzeer dat dit tot consequentie heeft – zoals Mutualis ook heeft erkend in de pleitnota – dat door het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid geen geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen Mutualis en WML. Datzelfde geldt dan voor de op deze koopovereenkomst gevolgde overdracht. Aan het vereiste van artikel 3:84 BW dat sprake moet zijn van een geldige titel is immers niet voldaan.
Het beroep van Mutualis op bekrachtiging van de nietige koopovereenkomst (dit, naar het hof begrijpt, omdat de akte van levering is getekend door Mutualis en WML) gaat niet op. [manager registergoederen] was blijkens de leveringsakte weliswaar bevoegd WML te vertegenwoordigen bij de levering, maar voor zover deze bevoegdheid berustte op de laatste alinea van de koopovereenkomst (hiervoor geciteerd in rechtsoverweging 4.1 onder (a)) geldt dat [manager registergoederen], die onbevoegd was tot het sluiten van de koopovereenkomst, evenzeer onbevoegd was zichzelf bevoegd te verklaren de verkochte goederen te leveren. Voor zover in de akte van levering andere gronden voor bevoegdheid zijn opgenomen, geldt dat daaruit niet voortvloeit dat met die (algemene) bevoegdheid tot levering ook bevoegdheid bestond om het gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid bij de koop – waarop de volmacht tot levering geen betrekking had – te helen door bekrachtiging van die koopovereenkomst, althans zijn de stellingen van Mutualis onvoldoende om die conclusie te kunnen rechtvaardigen.
Het feit dat sprake zou zijn van een rechtsgeldige vertegenwoordiging van WML bij de levering van bedoelde percelen leidt er niet toe dat daarmee ook sprake was van een geldige koop als titel van die levering. Bij gebreke van een geldige titel is aan de vereisten voor eigendomsoverdracht niet voldaan. Dat geldt in ieder geval nu door WML wordt erkend dat [manager registergoederen] niet bevoegd was WML bij de koop te vertegenwoordigen, en gesteld noch gebleken is dat [manager registergoederen] bevoegd was tot bekrachtiging van de onbevoegd gesloten koop of dat Mutualis van een dergelijke bevoegdheid is uitgegaan.

4.9

Omdat Mutualis heeft erkend dat bij [manager registergoederen] vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbrak, aan de ondertekening door [manager registergoederen] niet de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid werd ontleend, noch [manager registergoederen] overigens op enig moment de indruk heeft gewekt vertegenwoordigingsbevoegd te zijn om de koopovereenkomst te sluiten of te bekrachtigen, behoeft grief II geen behandeling meer. Deze grief heeft immers betrekking heeft op de vraag of Mutualis op de hoogte was of moest zijn van de interne verhoudingen bij WML, en die vraag is door de erkenning van Mutualis niet langer reevant.

4.10

Volgens grief III – zoals door Mutualis nader toegelicht in de pleitnota in hoger beroep (bladzijde 11/12) – had de rechtbank moeten overwegen dat de transactie door de levering is bekrachtigd doordat WML de koopsom in ontvangst heeft genomen, zodat de transactie zich niet aan het zicht van WML onttrokken heeft, hetgeen eens te meer geldt nu er zoveel tijd is verstreken tussen het passeren van de akte en het inroepen van de nietigheid.
De grief faalt. Zoals hiervoor is overwogen impliceerde de levering in dit geval niet de bekrachtiging van de koopovereenkomst, althans heeft Mutualis onvoldoende gesteld om een dergelijke bekrachtiging aan te nemen. Ook het enkele feit dat sprake is geweest van enig tijdsverloop tussen de levering en de ontdekking door WML is onvoldoende grond voor bekrachtiging. WML heeft voldoende onderbouwd dat pas na enige tijd duidelijk werd dat er sprake was van onregelmatigheden.

4.11

Grief IV behoeft geen behandeling, omdat deze grief zich richt tegen de redenering van de rechtbank in het kader van haar oordeel dat sprake is van ongeoorloofde Selbsteintritt. Nu dat geschilpunt in hoger beroep niet aan de orde is door de erkenning van Mutualis dat er in het geheel geen sprake was van vertegenwoordigingsbevoegdheid om de koopovereenkomst te sluiten en onvoldoende is gesteld om bekrachtiging van de koopovereenkomst aan te nemen, behoeft deze grief geen behandeling.
Datzelfde geldt voor de grieven VI tot en met XI voor zover die betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank in conventie dat sprake is geweest van Selbsteintritt en het ontbreken van nadeel voor WML.

4.12

Grief XII keert zich tegen de afwijzing van de vordering in reconventie betreffende schadevergoeding in verband met onrechtmatig handelen van WML door de zaak in de publiciteit te brengen en door beslag te leggen ten laste van Mutualis. Deze vordering is door de rechtbank afgewezen onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.35 van het bestreden vonnis; in dit verband zijn dus ook de grieven X en XI van belang, voor zover die zich richten tegen overwegingen van de rechtbank waarop rechtsoverweging 3.35 voortbouwt.

4.13

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gesteld of gebleken dat WML bewust de publiciteit heeft gezocht in verband met deze kwestie. Het feit dat WML (bij monde van de president-commissaris) op vragen van de pers antwoord heeft gegeven betekent niet dat WML de publiciteit heeft gezocht, zeker niet nu deze president-commissaris zich in zijn uitlatingen terughoudend heeft opgesteld en Mutualis niet bij naam heeft genoemd. Opmerkingen over frauduleus handelen door [manager registergoederen] als medewerker van WML zijn daarmee nog niet onrechtmatig jegens Mutualis. Ook heeft WML niet klakkeloos verwijten geuit jegens [manager registergoederen] en/of Mutualis, maar heeft zij eerst door externe deskundigen onderzoek daarnaar laten doen, enerzijds door Deloitte en [Bedrijfsrecherche] en anderzijds door de makelaars [makelaars/taxateurs]. Zij heeft haar reactie vervolgens in redelijkheid kunnen baseren op het onderzoek dat ze had laten verrichten. Door Mutualis is onvoldoende onderbouwd dat WML moest begrijpen dat de door Deloitte, [Bedrijfsrecherche], [makelaars/taxateurs] verstrekte informatie zozeer onjuist was dat WML zich bij haar opmerkingen daarop niet mocht baseren.
Uit het voorgaande vloeit verder voort dat het beslag niet onrechtmatig is gelegd.

4.14

Mutualis stelt in grief XIII dat zij het geding in volle omvang aan het hof wil voorleggen. De grief richt zich evenwel niet tegen concrete overwegingen van de rechtbank, maar houdt slechts bespiegelingen in over de algehele gang van zaken die tot deze procedure heeft geleid.
Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden voldoende kenbaar zijn. De enkele vermelding in de memorie van grieven dat de appellant het geschil in volle omvang aan de appelrechter wenst voor te leggen is niet voldoende om aan te nemen dat enig door de appellant niet vermeld geschilpunt naast andere wel door de appellant nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld (vgl. HR december 2003, nr. C03/124, NJ 2004, 76).
Derhalve faalt de grief.

4.15

Nu alle grieven falen zal het hof het vonnis van de rechtbank onder aanvulling van gronden bekrachtigen. Als in het ongelijk gestelde partij zal Mutualis worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Roermond van 28 maart 2012;

veroordeelt Mutualis in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WML begroot op € 4.836 voor verschotten en € 7.896 voor salaris advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, M.B. Beekhoven van den Boezem en J.W.P.M. van der Velden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.