Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4907

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
HD 200.089.374/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:3527
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2012:3888
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:590
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arrest na deskundigenonderzoek; deskundige is gevraagd te beoordelen of het aanbod tot herstel van -gebrekkige- tegelvloer adequaat en deugdelijk was. Deskundige concludeert dat dat het geval is. Hof neemt conclusies deskundige over en dit leidt ertoe dat vorderingen opdrachtgever moeten worden afgewezen. Volgt bekrachtiging vonnis rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.089.374/01

arrest van 22 oktober 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. N.P.H. Vissers te Leusden,

tegen

[geïntimeerde], h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.G.J. Boddaert te Venlo,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 9 augustus 2011, 4 september 2012 en 12 februari 2013in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 100117/HA ZA 10-257 gewezen vonnis van 2 maart 2011.

13 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 februari 2013;

- het deskundigenbericht van 30 mei 2013;

  • -

    de memorie na deskundigenonderzoek van [geïntimeerde];

  • -

    de antwoordmemorie na deskundigenonderzoek van [appellant] [met één productie].

Partijen hebben arrest gevraagd.

14 De verdere beoordeling

14.1.

Bij genoemd tussenarrest is een deskundigenonderzoek gelast, is ing. P.J. de Vries benoemd tot deskundige ter beantwoording van de in onderdeel 11.7 van het tussenarrest vermelde vragen en is iedere verdere beoordeling aangehouden.

14.2.

Tussen partijen is niet in discussie dat het door [geïntimeerde] in opdracht van [appellant] in de woning gelegen aan de [straatnaam][huisnummer A]] te [woonplaats] op de begane grond en eerste verdieping aangebrachte tegelwerk diverse gebreken vertoonde. Zoals door het hof in het tussenarrest van 4 september 2012 overwogen, spitst het geschil van partijen zich toe op de vraag of [geïntimeerde] aan [appellant] een adequaat en redelijk voortstel tot herstel van de gebreken aan het tegelwerk heeft gedaan (r.o. 7.5 van dat arrest). In datzelfde arrest heeft het hof geoordeeld dat het aanbod van [geïntimeerde] tot herstel van het tegelwerk van de begane grond een redelijk aanbod betrof en dat [appellant] door het niet accepteren van dat aanbod in schuldeisersverzuim is komen te verkeren en dat op dit punt de vordering tot partiële ontbinding evenals de vordering tot schadevergoeding door de rechtbank terecht is afgewezen (r.o. 7.9 en 7.10).

Wat betreft de vloer van de eerste verdieping kon het hof op grond van de tegenstrijdige partijrapportages niet beoordelen of het aanbod tot herstel van [geïntimeerde] een adequaat en redelijk voorstel was. Voor de beoordeling daarvan is bij arrest van 12 februari 2013 ing. P.J. de Vries (hierna: De Vries of de deskundige) tot deskundige benoemd.

het deskundigenonderzoek

14.3.

De Vries heeft op 30 mei 2013 een deskundigenrapport uitgebracht en dit rapport is op 4 juni 2013 op de griffie van het hof ontvangen.

Uit het rapport blijkt dat De Vries na ontvangst van het procesdossier in overleg met partijen een datum heeft bepaald voor een plaatsopneming, die op 11 maart 2013in aanwezigheid van beide partijen en hun beider advocaten heeft plaatsgevonden.

Het rapport vermeldt de informatie die tijdens de plaatsopneming is verstrekt (p. 5/6):

- door [geïntimeerde] is een betonvloer aangeboden en geleverd;

- achteraf zijn water-, afvoer- en elektraleidingen op de betonvloer aangebracht;

- vervolgens is door een derde vloerverwarming aangebracht op tackerplaat met kantisolatie welke over de water-, afvoer- en elektraleidingen is aangebracht;

- door Kosten is een cement dekvloer aangebracht met daarop de tegelvloer;

- er zijn geen werktekeningen en/of werkomschrijvingen.

Tijdens de plaatsopneming heeft De Vries onderzoek uitgevoerd aan de vloerafwerking en in het rapport vermeldt hij wat hij daarbij heeft geconstateerd (p. 6):

  • -

    de tegelvloer in de betreffende ruimte heeft een minimaal hoogteverschil ter plaatse van de dorpel balkondeuren;

  • -

    ter plaatse van de verhoging is een kookeiland aangebracht; niet zichtbaar is of onder het kookeiland de vloer ook is afgewerkt met tegels.

De Vries heeft de hem gestelde vragen beantwoord. Zijn conceptrapport is aan partijen toegestuurd voor commentaar en de daarop ontvangen brieven zijn als bijlage B en C bij het rapport gevoegd. [geïntimeerde] heeft geen inhoudelijke opmerkingen op het rapport van De Vries. De Vries heeft zijn antwoorden op de opmerkingen van [appellant] in het definitieve rapport verwerkt. Daarmee is aan de – procedurele – voorschriften van artikel 198 Rv voldaan.

de beantwoording van de vragen

14.4.1.

De beantwoording van de vragen wordt voorafgegaan door een “Algemene beschouwing; zienswijze van de deskundige”. Daarin staat:

“Bij de schriftelijke bevestiging van de afspraak voor een bezichtiging is er gevraagd om, indien beschikbaar, bouwtekeningen en/of werkomschrijvingen te overleggen. Er zijn geen bouwtekeningen of werkomschrijvingen resp. afspraken over afgesproken kwaliteiten of gestelde eisen overgelegd.

Het hoogteprobleem wordt door [geïntimeerde] verklaard door een plaatselijke verhoging in de vloer omdat de vloerverwarming over een op de vloer aangebrachte afvoerleiding liep, welke verhoging door de vloerenlegger zonder overleg op eigen wijze was opgelost. Als de coördinatie van werkzaamheden tussen de verschillende disciplines onvoldoende is, kiezen de respectieve partijen doorgaans de voor hen gemakkelijkste oplossing en leidt dat achteraf tot dit soort problemen. Meterpeilen in de bouw blijken vaak uiterst onbetrouwbaar maar tussen partijen is niet in geding dat er ter plaatste van die leidingconcentratie de tegelvloer verhoogd is uitgevoerd. Omdat er geen vlakheidsmeting is uitgevoerd volgens NEN 2747 na het ontstaan van de klacht over onvlakheid, is die onvlakheid nu niet meer te beoordelen.

Waar ITS (12 februari 2010) melding maakt van het wisselen van tegels met 2mm verschil, wordt dit geïllustreerd met een foto waarop geen hoogteverschil tussen 2 naastgelegen tegels zichtbaar is maar met een duimstok een onvlakheid wordt getoond. De onvlakheid dient te worden gemeten met een kaliberweg. Voor het beoordelen van de vlakheid van tegelvloeren bestaan geen normen. Het werk moet bij een objectieve beoordeling dus voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk, maar wat moet daaronder dan worden verstaan.

Voor SGAT-erkende tegelzetters zijn er uitvoeringsrichtlijnen (URL) waarin de hogere eisen staan waaraan het werk van die erkende bedrijven geacht worden te voldoen. Maar die eisen zijn alleen van toepassing op tegelwerk aangebracht op vloeren hechtend aangebracht op de constructie en niet voor vloeren op een isolatielaag zoals hier aan de orde. Daarenboven zijn die eisen niet van toepassing op een tegelvloer met directe bedding voor tegels met een oppervlak groter dan 900 cm2 (URL35-101, tabel 5) (deze tegels zijn 3600 cm2) en/of ruimtes groter dan 15 m2. Kennelijk moeten we dan rekening houden met hogere toleranties. Volgens URL zou de maximale afwijking voor tegelwerk in woningen (hogere eisen) in andere gevallen dan hier, maximaal 1 mm + de tolerantie van de tegel (holling/bolling) bedragen.

Volgens de meer algemene STABU-bestek systematiek en NEN-EN14411 is de tolerantie 0,5% van het oppervlak; de URL gaat uit van 0,2%, maar dat betekent dat er nog altijd een maximale tegeltolerantie mogelijk is tot wel 3,6 mm ofwel een onvlakheid tussen twee tegels van 50% tegeltolerantie +1 mm= 2,8; afgerond 3 mm voor verlijmd tegelwerk op een hechtend aangebrachte ondervloer waarbij dan eisen worden gesteld aan de vlakheid van de ondervloer.

Aan de hand van de in de rapportages vermelde metingen kan daarom door mij geen kwalitatieve beoordeling ten aanzien van de onvlakheid van het tegelwerk worden gedaan.

Uit productie 24 in eerste aanleg moet worden geconcludeerd (“dikke lijmmoppen”) dat de tegelvloer in deze ruimte niet in het werk is gezet maar op een cementvloer is gelijmd. Kennelijk was het niet waterpas liggen van en de “bult” in de voor tegelwerk bestaande cement dekvloer, bij aanvang van het tegelwerk door geen van partijen opgemerkt.

14.4.3.

Vervolgens beantwoordt de deskundige vraag 1 - Is de wijze van herstel van het tegelwerk van de eerste verdieping zoals voorgesteld door [geïntimeerde] in het e-mailbericht van 20 oktober 2009, mede in het licht van de brief van Mapei van 26 mei 2009, een adequaat en redelijk voorstel, in die zin dat dit na herstel een vakkundig en deugdelijk gelegde tegelvloer oplevert? Hoe beoordeelt u in dit verband het rapport van CED Nomex van 5 oktober 2009, de brief van 12 februari 2012(hof: 2010) van ITS en de brief van 10 juli 2010 van ITS? – als volgt:

“Het voorstel van [geïntimeerde] op basis van het advies van Mapei is naar mijn oordeel een redelijk voorstel op grond waarvan na vakkundige uitvoering een deugdelijk gelegde vloerafwerking kan worden gerealiseerd.

Mapei vermeld(t) dat de te hoog geplaatste tegels (hof: de deskundige verwijst naar een op p. 11 weergegeven schets met vier figuren: figuur 1 betreft de feitelijke situatie, figuur 2 het voorstel Mapei/[geïntimeerde], figuur 3 de interpretatie ITS/CED Nomex van dat voorstel en figuur 4 het voorstel ITS/CED Nomex) kunnen worden verwijderd waarna de vloer volgens Mapei en [geïntimeerde] kon worden geëgaliseerd en overlaagd door tegel op tegel zoals weergegeven op de schets blz 11, figuur 2

CED Nomex/ITS echter gaan uit van het hoogste punt zoals aangegeven op de schets blz 10 (hof: 11) figuur 3 en begrijpen dat de gehele vloer dient te worden geëgaliseerd. (…)

Volgens voorstel Mapei worden de tegels meer dan 3 mm te hoog zoals aangegeven op het bovenste schema verwijderd (figuur 1 rode deel). De vloer wordt ter plaatse van de bult in de vloer naar het gewenste peil gebracht, waarna in plaats van overlagen wellicht ook nog aanhelen mogelijk zou zijn gebleken. CED Nomex/ITS gaan echter uit van het hoogste peil en komen dan tot de conclusie dat het peil van de gehele vloer dient te worden opgehoogd. Het rapport van CED Nomex van 5 oktober 2009 is opgesteld aan de hand van de bevindingen op 29 augustus 2009. CED Nomex gaat daar uit van de noodzaak van een nieuw speciepakket op grond van een constatering dat de tegels op de strook waar de leidingen op de ondergrond werden aangebracht, in die strook 2 mm hoger liggen dan het naastliggende tegelwerk (foto 5 bij produktie 7 in eerste aanleg). De tegels liggen hier niet onderling verschillend maar niet in één vlak.

Er is geen vlakheidsmeting waaruit peilverschillen van 35 mm blijken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door Mapei gestelde oplossing niet mogelijk is. Zelfs als een vloer 35 mm scheef zou liggen, wil dat niet zeggen dat de vloer niet vlak ligt. Met eenvoudige laserapparatuur kunnen door glaswanden reflecties ontstaan met dientengevolge grote peilafwijkingen. In die gevallen dient een vlakheidsmeting te worden uitgevoerd waarbij ook geen reflecties mogelijk zijn.

In de brief van 12 februari 2010 van ITS wordt de visie van CED Nomex nader toegelicht. In de brief van 10 juli 2010 van ITS wordt uitgegaan van een lijmpakket van 30 mm dikte. Dat wordt echter door Mapei helemaal niet voorgesteld: Mapei stelt voor om, na het verwijderen van de te hoog geplaatste tegels, de vloer in een vlak te brengen met een speciale egalisatiemortel Nivorapid.”

14.4.3.

[appellant] heeft bij het rapport van de deskundige drie opmerkingen geplaatst (zie zijn als bijlage C bij het rapport gevoegde brief).

De eerste opmerking heeft betrekking op de passage in de zienswijze van de deskundige over de onbetrouwbaarheid van meterpeilen. De deskundige heeft daarop uitvoerig geantwoord.

Het hof gaat aan deze opmerking van [appellant] – en dus ook aan de reactie van de deskundige daarop – voorbij aangezien het voor de thans voorliggende vraag niet van belang is of meterpeilen in de bouw al dan niet betrouwbaar zijn dan wel of het meterpeil op de wanden was aangegeven. [geïntimeerde] heeft erkend dat het vloertegelwerk van de eerste etage vanwege het hoogteverschil van ca 2 mm ondeugdelijk was. Over dit hoogteprobleem merkte [geïntimeerde] in zijn brief van 28 mei 2009 (prod. 2 inl. dagv.) al op dat zijn werknemers op dat moment direct met hem contact hadden moeten opnemen en niet verder hadden mogen gaan. Nu dit niet is gebeurd, heeft [geïntimeerde] terecht aansprakelijkheid voor het ontstane hoogteverschil aanvaard en herstel daarvan aangeboden. De vraag waarom het nu gaat is of dit aanbod van [geïntimeerde] tot herstel redelijk en adequaat is. De oorzaak van het ondeugdelijke werk is daarom niet van belang. Om dezelfde reden gaat het hof ook voorbij aan de opmerking van [appellant] over de onvlakheid van de vloer. Deze opmerking is overigens door deskundige uitvoerig weerlegd.

14.4.4.

In de tweede opmerking vraagt [appellant] hoe de deskundige in zijn antwoord op vraag 1 heeft kunnen zeggen dat het mogelijk was om tegel over tegel aan te brengen nu hij daarbij niet in aanmerking heeft genomen hoe hoog de vloerverwarming boven de afvoerbuis lig. Er moet immers sprake zijn van voldoende “dekking” boven de vloerverwarmingleiding en dat daarvan sprake is in het voorstel van Mapei blijkt nergens uit, aldus [appellant].

De deskundige gaat in zijn rapport zeer uitvoerig op deze opmerking in (blz. 13-15). De deskundige merkt op dat de vloerverwarming kennelijk door een derde in opdracht van [appellant] is aangebracht en dat onweersproken is dat daardoor het meterpeil niet gehandhaafd kon blijven. De deskundige deelt niet de visie van [appellant] – en de door hem ingeschakelde [deskundige appellant] – dat in de door Mapei voorgestelde oplossing onvoldoende dekking van de vloerverwarming wordt verkregen. De deskundige wijst erop dat in de facturen van [geïntimeerde] geen sprake is van een gelegde cement dekvloer maar van een gestorte betonvloer. Indien achteraf vloerverwarming wordt ingefraisd in beton wordt bij tegelvloeren algemeen ook een dekking van niet meer dan 5 mm aangehouden omdat de tegel anders dan tapijt of linoleum bestand is tegen hogere temperaturen, vermeldt de deskundige. Volgens het voorstel van Mapei kan, indien nodig, de tegel dus strak over de leiding worden aangebracht en dat geeft ook niet minder rendement van de vloerverwarming, aldus de deskundige.

Daarmee is naar het oordeel van het hof dit bezwaar voldoende weerlegd.

14.4.5.

[appellant] klaagt er in deze opmerking voorts over dat de deskundige eraan voorbij gaat dat in de oplossing van Mapei een substantieel gewicht - ca 1.500 kg – aan de vloer wordt toegevoegd, terwijl er al een flinke gewichtstoename heeft plaatsgevonden met het aanbrengen van de bestaande tegels.

De deskundige heeft hierop geantwoord dat, indien over een houten vloer een betonvloer of mortelvloer wordt gestort, er een stijve plaat over de draagbalken komt te liggen, waardoor de sterkte van de vloer toeneemt en een extra tegellaag niet zo veel uitmaakt. Kritiek is dan de situatie tijdens het aanbrengen van de mortellaag op de balklaag en dan is wel aan de orde de vraag of de krachten welke via de balken worden overgedragen op de muren niet te hoog worden. Volgens de deskundige heeft hij bij de plaatsopneming echter geconstateerd dat de vloerafwerking is aangebracht tot juist onder de bovenkant van de dorpel naar het terras. Dat is de maximale hoogte en daarom constateert de deskundige dat de vloerafwerking nooit hoger had kunnen worden gerealiseerd dan nu het geval is. De oplossing van Mapei/[geïntimeerde] kan daarom onmogelijk tot meer hoogte of een grotere gewichtstoename hebben geleid dan nu het geval is.

Daarmee is ook dit bezwaar door deskundige gemotiveerd weerlegd.

14.4.6.

Ten slotte houdt opmerking 3 van [appellant] in dat de deskundige de brief van 10 juli 2010 van ITS niet erbij heeft betrokken, maar de deskundige wijst er terecht op dat uit zijn rapport en de daarbij behorende schets blijkt dat hij wel heeft gedaan.

14.5.

[appellant] heeft zijn hiervoor weergegeven bezwaren herhaald in zijn memorie na deskundigenonderzoek en ter ondersteuning daarvan een rapport overgelegd van EMN Expertise, waarin de hiervoor behandelde punten aan de orde zijn gesteld. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat de deskundige de vraag over de gewichtstoename niet heeft beantwoord. Deze vraag is door de deskundige afdoende beantwoord. Een daadwerkelijke vaststelling van het gewicht van de vloer is daarvoor niet vereist, aangezien een deskundige dat ook op grond van zijn kennis en ervaring in voldoende mate kan inschatten. Het hof gaat daarom op de bezwaren van [appellant] niet nogmaals in, doch volstaat ermee te verwijzen naar de hiervoor weergegeven reacties van de deskundige.

14.5.

Het hof is van oordeel dat het rapport begrijpelijk en consistent is; het is goed gemotiveerd en de conclusies vloeien logisch uit het rapport voort. Het hof neemt de conclusies dan ook over.

14.6.

Daarmee is komen vast te staan dat het herstelvoorstel van [geïntimeerde] een adequaat en redelijk voorstel was. Dit betekent dat [appellant] dit voorstel had moeten aanvaarden en [geïntimeerde] in de gelegenheid had moeten stellen de vloer van de eerste verdieping conform dit voorstel te herstellen. Door dat niet te doen is [appellant] in schuldeisersverzuim komen te verkeren en is [geïntimeerde] ook ten aanzien van de vloer van de eerste verdieping niet in verzuim geraakt.

De grieven 5 en 6 falen mitsdien.

14.7.

In het verlengde daarvan faalt ook grief 7. Nu sprake is van schuldeisersverzuim komt [appellant] geen beroep op het opschortingsrecht van art. 6:262 BW toe. Ook kan [appellant] zich niet op verrekening beroepen. Hij heeft immers geen (schadevergoedings)vordering op [geïntimeerde].

14.8.

Dit leidt ertoe dat het vonnis zowel in conventie als reconventie wordt bekrachtigd. [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, waaronder ook de kosten van de deskundige. Deze kosten dient [appellant] te voldoen aan de griffier van het hof aangezien [geïntimeerde] ten aanzien daarvan voorlopig in debet is gesteld.

15 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Roermond onder nummer 100117/HA ZA 10-257 tussen partijen op 2 maart 2011 gewezen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 284,00 inzake het griffierecht, op € 3.121,80 inzake deskundigenkosten, te voldoen op IBAN-rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van het gerechtshof 's-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.089.374, en op € 4.893,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.