Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4830

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
20-003974-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 4 oktober 2011 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van een onherstelbaar vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting wel gebleken dat de officier van justitie niet altijd voldoende oog heeft gehad voor de belangen van verdachte, maar niet aannemelijk is geworden dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank heeft derhalve de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003974-11

Uitspraak : 27 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van
4 oktober 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-703475-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

wonende te[woonplaats], [adres],

waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank Maastricht.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging;

  • -

    subsidiair dat wanneer het hof het openbaar ministerie wel ontvankelijk zou achten, de zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 september 2008 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of (ongeveer) 2,5 gram en/of (ongeveer) 4,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 23 september 2008 in de gemeente Maastricht twee wapens van categorie I onder 7°, te weten een veerdruk-machinegeweer (lengte ca. 70 cm.) en/of een veerdrukpistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 23 september 2008 in de gemeente Maastricht twee spuitbussen pepperspray/peppergas, te weten een spuitbus voorzien van de opschriften PRO TECT, Pfeffer-Spray, anti-dog, Enthält 3% Reizstoff Capsicum, Inhalt 40ml en/of een spuitbus voorzien van de opschriften ORIGINAL, COMMANDO INDUSTRIES, PEPPERGAS en PFEFFER ABWEHR SPRAY, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

4.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 30 januari 2009 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) van voorwerpen en/of van een voorwerp, te weten van geldbedragen, althans van geld, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten die geldbedragen, althans dat geld, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten die geldbedragen, althans dat geld, voorhanden had, terwijl hij en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) (telkens) de criminele herkomst van dat geld (drugsgeld) verborgen en/of onttrokken aan het nazicht van de opsporing.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Van de zijde van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging, aangezien het handelen van het openbaar ministerie ten gevolge heeft gehad dat er meermaals ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn gemaakt, waarbij met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte ernstig tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1.

de onderhavige strafzaak reeds een erg lange tijd duurt en de officier van justitie zijn toezegging dat er vaart achter de zaak zou worden gezet niet is nagekomen;

2.

op brieven van de verdediging niet of pas zeer laat door het openbaar ministerie werd gereageerd;

3.

uitdrukkelijke bevelen van de rechtbank niet werden opgevolgd;

4.

grove miscalculaties en eenvoudige rekenblunders niet of niet volledig werden hersteld;

5.

aanvullende stukken pas na geruime tijd aan de verdediging werden verstrekt;

6.

ondanks de schriftelijke toezegging dit niet te doen, de in beslag genomen BMW van verdachte executoriaal is verkocht.

B.

De advocaat-generaal heeft – zakelijk weergegeven – gerequireerd tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Maastricht om op de bestaande tenlastelegging te worden berecht en afgedaan. Daaraan heeft de advocaat-generaal ten grondslag gelegd:

  • -

    primair dat de door de rechtbank genoemde veronachtzaming, waarbij door de rechtbank niet is getoetst of de verzuimen hersteld zijn of herstelbaar waren en het niet in overweging nemen van de andere sancties die artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), onvoldoende grond biedt om de conclusie te rechtvaardigen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard;

  • -

    subsidiair dat nooit sprake is geweest van een vooropgezet doel om de belangen van verdachte te benadelen en de onderhavige vormverzuimen herstelbaar zijn.

C.

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de stafvervolging van de verdachte. Daartoe overwoog de rechtbank:

“(…) dat het cumulatief effect van slordigheden, vertragingen, het niet of slechts marginaal reageren op verzoeken van de verdediging en het laat reageren op bevelen van de rechtbank, naar het oordeel van de rechtbank maakt dat er sprake is van veronachtzaming van de belangen van verdachte, hetgeen er toe moet leiden dat in de onderhavige zaak het maatschappelijk belang bij vervolging thans moet wijken voor de belangen van de verdachte. Dit betekent niet dat de rechtbank van oordeel is dat door het openbaar ministerie voorgaande handelingen bewust en met het doel om de belangen van verdachte of de verdediging te willen schaden, zouden zijn geschied. Dat neemt echter niet weg dat het effect ervan wel de niet-ontvankelijkheid rechtvaardigt.”

D.1

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 1. gestelde:

D.1.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de strafzaak is aangevangen op 23 september 2008, de dag van de eerste doorzoeking van de woning van verdachte;

  • -

    na de tweede doorzoeking van de woning op 30 januari 2009 het onderzoek ruim
    15 maanden stil heeft gelegen;

  • -

    de behandeling ter terechtzitting is aangevangen op 14 april 2010 na de beslissing van de rechtbank in de procedure ex artikel 36 Sv dat voor het einde van het eerste kwartaal van 2010 een aanvang moest zijn gemaakt met de behandeling van de strafzaak;

  • -

    de behandeling ter terechtzitting vervolgens is voortgezet op 4 oktober 2011;

  • -

    het onderzoek in eerste aanleg zich liet kenmerken door inactiviteit, nalatend handelen en omissies zijdens het openbaar ministerie.

Voorts is aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, aangezien [medeverdachte] door de zaaksofficier is toegezegd dat er vaart achter de zaak zou worden gezet en de officier van justitie zijn woord niet is nagekomen.

D.1.2

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de redelijke termijn is geschonden en dat zulks dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, overweegt het hof dat overschrijding van de redelijke termijn – zoer in deze al sprake van zou zijn – volgens vaste rechtspraak niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

D.1.3

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie aan [medeverdachte] heeft toegezegd dat er vaart achter de zaak zou worden gezet. Voor zover zulks al zou zijn toegezegd, kon daardoor, gelet op de inhoud van de toezegging, naar het oordeel van het hof bij [medeverdachte] redelijkerwijs niet een gerechtvaardigde verwachting worden gewekt met betrekking tot de termijn waarbinnen de behandeling van de zaak zou plaatsvinden. Aldus is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.

D.2

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 2. gestelde:

Het niet of niet tijdig beantwoorden van brieven van de verdediging door het openbaar ministerie kan onder omstandigheden leiden tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zodat er derhalve sprake kan zijn van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften. Zo er al sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, is het hof evenwel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

D.3

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 3. gestelde:

D.3.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

1.

de conclusie van repliek van de officier van justitie uiterst summier was, aangezien deze slechts inhield dat de officier van justitie geen aanleiding zag om tot andere inzichten te komen, zodat de officier van justitie te kort is geschoten in diens voorlichtingsverplichting richting de verdediging en de rechtbank;

2.

het detentieoverzicht, de onder verdachte in beslag genomen loonadministratie en de stukken met betrekking tot de in 1995 in beslag genomen sieraden eerst op
3 oktober 2011 door de officier van justitie zijn verstrekt, zodat het de verdediging onmogelijk werd gemaakt om in de schriftelijke rondes in te gaan op deze stukken en de rechtbank op deze wijze geruime tijd compleet verkeerd werd ingelicht.

D.3.2

Ten aanzien van het hierboven onder 1. genoemd verweer merkt het hof op dat de officier van justitie conform de opdracht van de rechtbank een conclusie van repliek heeft ingediend, zodat geen sprake is van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften. Van een vormverzuim is derhalve geen sprake, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

De omstandigheid dat de officier van justitie in de conclusie van repliek heeft opgemerkt geen aanleiding te zien om tot andere inzichten te komen en niet is ingegaan op de verweren van de raadsman, doet aan het voorgaande niets af.

D.3.3

Ten aanzien van het detentieoverzicht, de loonadministratie en de stukken met betrekking tot de inbeslagname van de sieraden blijkt uit het dossier het volgende.

Ter terechtzitting van 14 april 2010 heeft de rechtbank de officier van justitie onder meer de opdracht gegeven:

  • -

    een afschrift van het detentieoverzicht van verdachte aan het dossier toe te voegen over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 januari 2009;

  • -

    een afschrift van de onder verdachte in beslag genomen loonstroken toe te voegen aan het dossier;

  • -

    stukken met betrekking tot de inbeslagname en teruggave van de sieraden in of omstreeks 1995 aan het dossier toe te voegen.

Bij brief van 3 oktober 2011 heeft de officier van justitie aan de rechtbank onder meer de navolgende stukken aan de rechtbank verstrekt ter completering van het dossier:

  • -

    een registratiekaart d.d. 24 mei 2011 betreffende de detentiehistorie van verdachte;

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 mei 2011 met betrekking tot loonstroken van verdachte, met als bijlagen loonstroken van verdachte;

  • -

    stukken betreffende de afhandeling van het beslag op de sieraden.

De brief van 3 oktober 2011 van de officier van justitie houdt onder meer in dat de set stukken ter completering van het dossier medio mei 2011 was vervaardigd.

D.3.4

Naar het oordeel van het hof is de verstrekking van de stukken op 3 oktober 2011, zijnde één dag vóór de inhoudelijke behandeling, terwijl deze in mei 2011 reeds beschikbaar waren, in het onderhavige geval in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat deze late verstrekking een vormverzuim oplevert. Dit vormverzuim was naar het oordeel van het hof evenwel herstelbaar. Immers, de rechtbank had de behandeling van de zaak kunnen aanhouden teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen (nader) kennis te nemen van de stukken en/of opnieuw een schriftelijke conclusiewisseling te laten plaatsvinden.

Gelet op het vorenstaande is van een onherstelbaar vormverzuim geen sprake, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

D.4

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 4. gestelde:

D.4.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat het openbaar ministerie kennelijk nooit de moeite heeft willen nemen het voorgehouden bedrag op correctheid te controleren dan wel te verbeteren, met een ernstig foutieve kasopstelling als gevolg. Daarbij is door de verdediging gewezen op:

  • -

    dubbeltellingen ter waarde van ongeveer € 600,00;

  • -

    een bedrag van meer dan € 57.000,00 dat ten onrechte in het nadeel van verdachte en [medeverdachte] zou zijn meegenomen.

D.4.2

Naar het oordeel van het hof levert het buiten het kader van de terechtzitting niet reageren op door de verdediging gestelde onjuistheden in de kasopstelling niet op het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, zodat geen sprake is van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

Aan het voorgaande kan niet af doen dat het naar het oordeel van het hof onder omstandigheden wel wenselijk kan zijn dat de officier van justitie buiten het kader van de terechtzitting ingaat op door de verdediging gestelde onjuistheden in de kasopstelling.

D.5

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 5. gestelde:

D.5.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat de verdediging op 7 juli 2011 een aanvullend proces-verbaal heeft ontvangen, terwijl deze stukken al maandenlang in het bezit waren van de verdediging. Immers:

  • -

    de uit België afkomstige stukken waren op 13 december 2010 in het bezit van het openbaar ministerie;

  • -

    het bericht van Holland Casino heeft het openbaar ministerie op 8 oktober 2010 ontvangen;

  • -

    de resultaten van het rechtshulpverzoek aan Turkije heeft het openbaar ministerie op
    27 juli 2010 ontvangen.

Voorts heeft de verdediging gewezen op de verstrekking van het detentieoverzicht van verdachte, de loonadministratie en de processen-verbaal met betrekking tot de sieraden, welk onderdeel van het verweer het hof reeds onder D.3 heeft besproken.

D.5.2

In het dossier heeft het hof aangetroffen onder meer de volgende stukken aangetroffen:

  • -

    een memo d.d. 28 januari 2011 van het IRC Limburg aan Infodesk / BFR met als bijlage Belgische stukken met betrekking tot een casino te Chaudfontaine;

  • -

    een brief d.d. 27 juli 2010 van het IRC Limburg gericht aan het Bureau Financiële Recherche, ingekomen bij het arrondissementsparket Maastricht op 13 augustus 2010, met als bijlage (vertalingen van) uitvoeringsstukken naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan Turkije;

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2010, inhoudende een wijziging van de kasopstelling naar aanleiding van de resultaten van het rechtshulpverzoek in Turkije;

  • -

    een e-mailbericht d.d. 8 oktober 2010, met bijlage, gericht aan het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Maastricht en afkomstig van [betrokkene],
    Manager Integrale Veiligheid bij Holland Casino Hoofddorp.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid wanneer de betreffende stukken zijn verstrekt.

D.5.3

Ten aanzien van het e-mailbericht van Holland Casino merkt het hof op dat, anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, de late verstrekking hiervan het openbaar ministerie niet verweten kan worden. Dit e-mailbericht is immers verzonden aan het kabinet van de rechter-commissaris.

D.5.4

Voor zover het eerst op 7 juni 2011 verstrekken van de onder D.5.2 genoemde stukken al een vormverzuim oplevert, zou dit vormverzuim herstelbaar zijn. Immers, de rechtbank had de behandeling van de zaak kunnen aanhouden teneinde bijvoorbeeld de verdediging in de gelegenheid te stellen nader kennis te nemen van de stukken en/of opnieuw een schriftelijke conclusiewisseling te laten plaatsvinden.

Gelet op het vorenstaande is van een onherstelbaar vormverzuim geen sprake, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

D.6

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 6. gestelde:

D.6.1

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep een uitdraai van een e-mailbericht d.d. 5 oktober 2009, met bijlage, afkomstig van [naam], beheerder conservatoir beslag van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie overgelegd. Dit e-mailbericht houdt in:

“In de bijlage treft u de intrekking machtiging vervreemding van de BMW M6 aan. De intrekking is vandaag naar DRZ verzonden en de personenauto zal van de veilingslijst worden verwijderd.”

D.6.2

De bijlage bij voornoemd e-mailbericht is een afschrift van de brief d.d. 5 oktober 2009 van de officier van justitie te Maastricht, gericht aan de Regio eenheid Veldhoven, inhoudende – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang –:

“Bij brief van 05 juni 2009 heb ik een machtiging vervreemding verstrekt voor de volgende genoemde voorwerpen.

Voorwerp personenauto [kenteken]

Ik trek die machtiging hierbij in, de voorwerpen mogen niet worden vervreemd en dienen vooralsnog bij u in bewaring te blijven.”

D.6.3

Naar het oordeel van het hof kan uit de hiervoor weergegeven stukken niet het vertrouwen worden ontleend dat de betreffende personenauto in het geheel niet executoriaal zal worden verkocht, doch enkel dat op dat moment de betreffende personenauto niet executoriaal zal worden verkocht. Ook overigens is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat op enig moment van de zijde van het openbaar ministerie schriftelijk is toegezegd dat de betreffende personenauto niet executoriaal zou worden verkocht.

De executoriale verkoop van de personenauto levert dan ook niet op het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, zodat geen sprake is van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing. De
niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is mitsdien niet aan de orde.

E.

Conclusie

E.1

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is gebleken van een onherstelbaar vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting wel gebleken dat de officier van justitie niet altijd voldoende oog heeft gehad voor de belangen van verdachte, maar niet aannemelijk is geworden dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank heeft derhalve de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.

E.2

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven.

E.3

Voor het geval het hof het vonnis van de rechtbank zou vernietigen, is door de advocaat-generaal en de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep terugwijzing van de zaak verlangd. Daarom zal het hof de zaak, ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in de stand waarin zij zich thans bevindt, terugwijzen naar de rechtbank, zijnde thans de rechtbank Limburg, teneinde met inachtneming van ’s hofs arrest recht te doen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. A.R.O. Mooy en mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 27 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.