Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4824

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
HD 200.131.525/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a lid 1 BW. Verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor een verhuizing met de kinderen van een dorp in Zeeland naar een stad in Flevoland.

Het hof is op grond van alle relevante omstandigheden en belangen van oordeel dat het belang van de kinderen bij het zoveel mogelijk in stand laten van de huidige situatie, zwaarder weegt dan het belang van de moeder en/of de kinderen bij een verhuizing naar elders. De door de moeder aangeboden maatregelen ter compensatie van de gevolgen van de beoogde verhuizing wegen daar niet tegenop.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 17 oktober 2013

Zaaknummer: HV 200.131.525/01

Zaaknummer eerste aanleg: 262412 / FA RK 13-1916

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. V.C. Serrarens,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. V.J.C. Pieters.

Deze beschikking bevat, anders dan de eerder op 12 september 2013 uitgesproken beschikking, tevens de motivering van de beslissing van het hof.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2013, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de hierna te noemen minderjarigen naar [plaats Flevoland] te verhuizen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2013, heeft de vader verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, het appel van de moeder ongegrond te verklaren en haar verzoeken af te wijzen, zo nodig onder verbetering van de gronden.

Tevens heeft de vader incidenteel appel ingesteld en verzocht, uitvoerbaar bij voorraad:

- Indien en voor zover het verzoek van de moeder wordt afgewezen en de moeder toch zal verhuizen naar [plaats Flevoland]:

o te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben;

o te bepalen dat de zorg- en contactregeling tussen de moeder en de minderjarigen zal zijn als volgt: de minderjarigen verblijven bij de moeder gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond, waarbij de moeder de minderjarigen op vrijdagmiddag bij de vader thuis ophaalt en op zondagavond weer terugbrengt, alsmede gedurende een gedeelte van de schoolvakanties in onderling overleg tussen partijen te bepalen;

- Voor het geval het verzoek van de moeder wordt toegewezen en het incidenteel appel c.q. zelfstandig verzoek van de vader wordt afgewezen:

o De zorg- en contactregeling tussen partijen te verdelen, aldus dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur bij hem verblijven, alsmede een gedeelte van de schoolvakanties en feestdagen waarbij de moeder de minderjarigen bij de vader brengt en haalt;

o Te bepalen dat de kinderen en de vader telefonisch contact met elkaar zullen hebben elke woensdag en zondagavond om 20.00 uur.

2.2.1.

Ter zitting van het hof heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader in incidenteel appel af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Serrarens;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Pieters;

2.3.1.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is niet ter zitting verschenen, zoals reeds aangekondigd bij brief d.d. 15 augustus 2013.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 juni 2013;

  • -

    de stukken van de eerste aanleg, overlegd door de advocaat van de moeder bij brief d.d. 15 augustus 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 19 augustus 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 19 augustus 2013;

  • -

    de ter zitting door mr. Pieters overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 14 september 2000 met elkaar gehuwd.

Voordien is uit de moeder geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (Ecuador).

De vader heeft [kind 1] erkend.

Uit het huwelijk van partijen zijn voorts geboren:

  • -

    [kind 2] (hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

  • -

    [kind 3](hierna: [kind 3]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen verblijven thans bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 30 mei 2012, gewijzigd bij beschikking van 28 november 2012, heeft de rechtbank Middelburg, bij wijze van voorlopige voorziening, onder meer een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld.

Bij de rechtbank Middelburg, thans rechtbank Zeeland-West-Brabant is tevens een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt, waarin partijen in afwachting van een uitspraak zijn.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek van de moeder strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming om vanaf 29 juni 2013 met de kinderen naar [plaats Flevoland] te mogen verhuizen, afgewezen.

3.3.1.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

Bij vonnis in kort geding van 14 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, de moeder verboden de kinderen naar school te laten gaan anders dan de in dat vonnis genoemde scholen in Goes en [woonplaats].

Voorts heeft de voorzieningenrechter de moeder geboden mee te werken aan de schoolgang van de kinderen naar die scholen met ingang van 14 augustus 2013 en voormelde beschikking van 31 juli 2013 na te komen in die zin dat de moeder niet met de kinderen naar [plaats Flevoland] verhuist, zulks op straffe van verbeurte van een in die beschikking genoemde dwangsom.

In het principaal appel

3.6.

De moeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

3.6.1.

De moeder stelt dat haar nieuwe partner in [plaats Flevoland] woont en dat zij met de kinderen in zijn appartement wenst te gaan wonen. Het gaat de moeder er niet zozeer om dat zij met haar nieuwe partner wil gaan samenwonen: zij wenst enkel een nieuwe toekomst op te bouwen en in [plaats Flevoland] ziet zij daartoe mogelijkheden. Haar broer en schoonzus uit Ecuador zullen ook naar [plaats Flevoland] verhuizen als de moeder daarvoor toestemming heeft gekregen. De in [plaats Flevoland] wonende familie van haar nieuwe partner (moeder en zus) kunnen op de kinderen passen na school of in noodgevallen. In [woonplaats] wonen de vader en zijn familie. De dorpsbewoners hebben de kant van de vader gekozen en houden de moeder en de kinderen constant in de gaten, aldus de moeder.

Over de webshop in seksartikelen van haar partner, verklaart de moeder dat hij deze is begonnen als vrijgezel om extra inkomsten te creëren, dat de artikelen nimmer in zijn huis hebben gestaan en dat hij heeft de eenmanszaak inmiddels heeft opgeheven.

3.6.2.

De moeder stelt dat zij gebonden is aan [plaats Flevoland]. De partner van de moeder heeft er een koopwoning. De moeder bespaart voorts geld door bij hem te gaan wonen. De partner van de moeder wordt op 10 september 2013 voor een half jaar uitgezonden naar Afghanistan: de woning staat dan geheel aan de moeder en de kinderen ter beschikking. De woning biedt derhalve voldoende ruimte en privacy voor de kinderen, aldus de moeder. Wanneer de partner van de moeder terugkeert, gaan zij samen een andere, ruimere woning kopen.

De moeder stelt dat zij in Zeeland geen geschikte woning kan vinden. Zij heeft wonen in een dorp nooit prettig gevonden en voor de kinderen is het beter om in een stad te wonen, gelet op de aanwezige voorzieningen. In Goes is echter sprake van een lange wachttijd voor sociale huurwoningen. Voor de particuliere sector heeft de moeder een te laag inkomen.

Nadat de moeder uit het familiebedrijf van de vader was ontslagen, heeft de moeder gedurende twee perioden bij Philips Vitrite gewerkt. Nadien waren alle pijlen gericht op een verhuizing naar [plaats Flevoland]. Zij heeft toen daar gesolliciteerd en is bij Cosiro aangenomen. De moeder rijdt thans in de avonduren naar [plaats Flevoland] om daar te werken.

3.6.3. [kind 1] en [kind 2] hebben volgens de moeder in eerste aanleg schriftelijk en ter zitting verklaard dat zij het belangrijk vinden om alle drie bij elkaar te blijven en dat zij met hun moeder willen meeverhuizen naar de grote stad [plaats Flevoland]. De kinderen hebben zich sinds april 2013 voorbereid op een nieuwe toekomst in [plaats Flevoland]. De scholen en een sportschool bevinden zich daar op loopafstand. De kinderen gaan thans naar scholen in Zeeland, maar kunnen nog instromen op verschillende scholen in [plaats Flevoland]: [kind 1] in de derde klas, anders dan in Zeeland waar zij is blijven zitten in de tweede klas.

3.6.4.

De vader heeft het volgens de moeder te druk met zijn eigen zaak waardoor hij, zoals tijdens huwelijk ook het geval was, weinig tijd heeft voor de kinderen.

De omgang tussen de twee oudste kinderen en de vader is al een half jaar slecht te noemen. De kinderen kunnen niet overweg met de nieuwe partner van de vader. In de zomer is de situatie met [kind 1] geëscaleerd, waarbij de vader heeft aangegeven dat zij niet meer welkom was bij hem. De jongens hebben daardoor steeds meer weerstand om alleen naar hun vader te moeten gaan. Er is thans sprake van een standaard weekendregeling. Als de moeder met de kinderen naar [plaats Flevoland] zou verhuizen zou dit als enige verandering met zich brengen dat de vader de kinderen niet meer op maandagochtend naar school kan brengen, aldus de moeder. De moeder stelt dat de vader niet bang hoeft te zijn dat hij de kinderen niet meer zal zien: zij is bereid de kinderen steeds te brengen en te halen.

3.7.

De vader voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

3.7.1.

De vader betwist dat de broer en de schoonzus van de moeder naar [plaats Flevoland] zullen verhuizen en dat de familieleden van de nieuwe partner van de moeder op de kinderen kunnen passen. De vader stelt voorts dat zijn familie in [woonplaats] kan bijspringen.

Volgens de vader dienen de kinderen mogelijk nog jaren met de moeder en haar partner in een driekamerappartement te wonen, terwijl zij in [woonplaats] een eigen kamer en een tuin hebben.

Over de online webshop in seksartikelen merkt de vader op dat deze in maart 2013 is opgericht, op welk moment de partner van de moeder kennelijk nog vrijgezel was. De vader concludeert dat de moeder wel erg snel gaat samenwonen met een man die zij pas na maart 2013 heeft leren kennen. Bovendien staat volgens de vader de webshop nog ingeschreven in het Handelsregister en is niet aangetoond dat de artikelen zich niet in het appartement van de nieuwe partner bevinden.

3.7.2.

De vader stelt dat de noodzaak voor een verhuizing naar [plaats Flevoland] niet is aangetoond. Volgens de vader is het belangrijker dat de kinderen in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen, dan dat de moeder woonlasten kan besparen.

De moeder heeft zich volgens de vader onvoldoende ingespannen om een woning in Zeeland (bijvoorbeeld in een dorp nabij Goes) te verkrijgen. De vader stelt dat de kinderen het gewend zijn om in een dorp te wonen. Zij hebben daar vrienden en hun sociale leven ligt daar.

De vader stelt dat de moeder tegenstrijdige verklaringen aflegt over haar werk en dat zij niet heeft aangetoond zich voldoende te hebben ingespannen om, wanneer zij (tijdelijk) zonder werk zat, een baan te vinden in Zeeland. De vader stelt dat in Zeeland voldoende werk te vinden is als schoonmaakster, met welke werkzaamheden de moeder ervaring heeft.

De vader ziet niet in waarom de moeder en haar partner, die gestationeerd is in Gilzen-Rijen en veelal in het buitenland verblijft, niet in Zeeland zouden kunnen samenwonen.

3.7.3.

De vader betwijfelt of het daadwerkelijk de wil van de kinderen is om naar [plaats Flevoland] te verhuizen, aangezien zij beïnvloed worden door de moeder. Volgens de vader verklaren de kinderen aan hem dat zij juist niet willen verhuizen.

In [woonplaats] en de omgeving (Goes, Middelburg en Vlissingen) zijn er volgens de vader ook goede scholen en sportfaciliteiten. De vader heeft er bezwaar tegen als [kind 1] in [plaats Flevoland] naar de derde klas zou gaan, nu ze daar op een lager niveau zou instromen. [kind 3] zit in [woonplaats] op voetbal en danst, net als [kind 1], in Goes. [kind 2] zit op judo.

3.7.4.

Het contact tussen de vader en de kinderen, met name [kind 1], verloopt inderdaad stroef, maar de vader betwist dat de situatie is geëscaleerd. Tussen de jongens en de vader verloopt de contactregeling goed. [kind 2] heeft aan de vader verteld dat hij vaak tegen de moeder dingen zegt die hij niet meent, zoals dat hij het niet naar zijn zin heeft bij de vader. Voorts stelt de vader dat de kinderen wel degelijk goed kunnen opschieten met zijn nieuwe partner.

De vader stelt dat hij de kinderen een weekend per twee weken kan ontvangen. De vader merkt verder op dat veel zal veranderen indien de kinderen naar [plaats Flevoland] zouden verhuizen. De zomervakantie van de kinderen in [plaats Flevoland] loopt niet altijd gelijk met de bouwvak. Het kan dus voorkomen dat de kinderen in de zomervakantie helemaal niet bij hem kunnen verblijven. Voorts zouden de kinderen niet meer doordeweeks bij hem kunnen langskomen en zou de vader de kinderen niet meer op maandagochtend naar school kunnen brengen. De vader vermoedt dat de kinderen de reistijd, naarmate zij ouder worden, als steeds zwaarder zullen ervaren en dat zij hun interesse in hun ‘oude leven’ zullen verliezen. De vader vermoedt voorts dat de moeder de kinderen niet zal halen of brengen indien zij in [plaats Flevoland] zouden wonen.

In het incidenteel appel

3.8.

De vader voert in zijn beroepschrift in incidenteel appel, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

Volgens de vader doet de moeder wat zij wil door bijvoorbeeld de kinderen, hangende het hoger beroep, reeds naar een school in [plaats Flevoland] te laten gaan en, na het vonnis in kort geding, [kind 3] op zijn eerste schooldag in Zeeland ziek te melden terwijl hij helemaal niet ziek was. De vader verwacht dat de moeder, ook indien zij daartoe geen toestemming krijgt, toch zal verhuizen naar [plaats Flevoland]. De vader wenst dan ook dat, indien de moeder toch naar [plaats Flevoland] verhuist (zonder de kinderen), het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald.

Voorts heeft de vader verzocht een contactregeling vast te stellen, voor het geval het verzoek van de moeder om vervangende toestemming toch toegewezen wordt.

3.9.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat, wanneer aan haar niet alsnog vervangende toestemming wordt verleend, zij niet (alleen) naar [plaats Flevoland] zal verhuizen. Zij stelt dat zij de kinderen niet zal ‘achterlaten’ in Zeeland, maar dat zij dan op zoek zal gaan naar een andere oplossing. De moeder heeft verzocht het voorwaardelijk verzoek van de vader tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem, af te wijzen.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) verzoek van de vader tot vaststelling van een contactregeling voor het geval haar verzoek om vervangende toestemming toch wordt toegewezen, heeft de moeder geen verweer gevoerd.

In het principaal en incidenteel appel

3.10.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor een verhuizing van de kinderen naar [plaats Flevoland] overweegt het hof als volgt.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

3.10.2.

Het hof stelt voorop dat de moeder er recht op heeft naar [plaats Flevoland] te verhuizen en daar haar leven opnieuw in te richten, en dat zij daar ook belang bij heeft. De moeder stelt dat zij niet graag in een dorp, maar liever in een (grote) stad woont. Het hof ziet in dat voor de moeder de samenwoning met haar nieuwe partner ook in financiële en praktische zin aantrekkelijk is. Zo zouden zij voortaan de woonlasten kunnen delen.

Het hof is echter van oordeel dat de moeder de noodzaak om met de kinderen naar [plaats Flevoland] te verhuizen, onvoldoende heeft aangetoond. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van een economisch nijpende situatie. De moeder heeft erkend dat zij zich, nadat zij haar pijlen op [plaats Flevoland] had gericht, niet meer heeft ingespannen om een baan te vinden in Zeeland. Voorts heeft de moeder het hof er niet van kunnen overtuigen dat zij niet in staat is in Zeeland een geschikte woning te vinden voor haar en de kinderen. Tot slot gaat het hof voorbij aan de stelling van de moeder dat haar nieuwe partner vanwege zijn koopwoning gebonden is aan [plaats Flevoland]. De moeder en haar nieuwe partner - een relatie die overigens nog betrekkelijk pril is - menen immers wel in staat te zijn om over een half jaar te verhuizen naar een ruimere woning in [plaats Flevoland] omdat de huidige woning van de partner van de moeder te klein is om twee volwassenen en drie opgroeiende kinderen te huisvesten.

3.10.3.

Het hof stelt vast dat de kinderen (bijna) hun hele leven in [woonplaats] wonen. Zij hebben in (de omgeving van) [woonplaats] hun sociale contacten, sport, school en vrijetijdsbesteding. De kinderen zijn reeds, conform het vonnis in kort geding d.d. 14 augustus 2013, dit schooljaar gestart op de scholen in Zeeland.

Het hof overweegt dat in deze fase van het leven van de kinderen, waarin veel veranderingen hebben plaatsgevonden en nog zullen plaatsvinden (onder meer als gevolg van de echtscheiding van de ouders) het belang van een goed contact met beide ouders extra zwaar weegt. De kinderen verblijven thans een weekend per veertien dagen bij de vader. Indien de kinderen naar [plaats Flevoland] zouden verhuizen, zal dat betekenen dat het omgangsweekend met de vader in plaats van maandagochtend reeds op zondagavond zal eindigen. Spontane doordeweekse contacten bij de vader zullen ook niet meer tot de mogelijkheden behoren. Voorts zal het moeilijker worden om de vakanties bij de vader te plannen, nu de kinderen naar een andere regio verhuizen. Het contact tussen de vader en de kinderen (met name [kind 1]) verloopt op dit moment erg stroef. Het hof is op grond van al het voorgaande, evenals de rechtbank, van oordeel dat door een verhuizing van de kinderen naar [plaats Flevoland] de relatie tussen de kinderen en de vader (nog verder) onder druk zal komen te staan.

Het hof stelt vast dat sprake is van een ex-partnerstrijd tussen de ouders. Onderlinge communicatie tussen de ouders ontbreekt geheel. De raad heeft in het kader van de echtscheidingsprocedure kenbaar gemaakt zich ernstig zorgen te maken over de situatie en ambtshalve een beschermingsonderzoek te zullen starten.

3.10.4. [kind 1] en [kind 2] hebben te kennen gegeven dat zij graag met de moeder in [plaats Flevoland] willen gaan wonen. Zij hebben – zeer kort samengevat – aangegeven daar meer toekomstmogelijkheden te zien en het leven in een grote stad aantrekkelijker te vinden dan het leven in een dorp. Het hof is op grond van al het voorgaande evenwel van oordeel dat het belang van de kinderen bij het zoveel mogelijk in stand laten van de huidige situatie, zwaarder weegt dan het belang van de moeder en/of de kinderen bij een verhuizing naar [plaats Flevoland]. De door de moeder aangeboden maatregelen ter compensatie van de gevolgen van de beoogde verhuizing wegen daar niet tegenop.

3.10.5.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats Flevoland] te verhuizen, terecht heeft afgewezen.

Ook het hof komt derhalve niet toe aan een bespreking van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot inschrijving van de kinderen op een basisschool en een middelbare school in [plaats Flevoland].

3.11.

Ten aanzien van de (voorwaardelijke) verzoeken van de vader in incidenteel appel overweegt het hof als volgt.

3.11.1.

Het hof overweegt dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat zij niet naar [plaats Flevoland] zal verhuizen zonder de kinderen. Hoewel daarmee niet uitgesloten is dat de moeder toch (op termijn) naar [plaats Flevoland] zal verhuizen, acht het hof het niet noodzakelijk om thans, vooruitlopend op deze enkele, louter toekomstige omstandigheid, het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen. Het hof zal het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen dan ook afwijzen.

Het hof komt, gelet op het oordeel van het hof als na te melden, niet meer toe aan het verzoek van de vader om een contactregeling vast te stellen voor het geval het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing zou worden toegewezen.

3.12.

Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 juli 2013;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, C.D.M. Lamers en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2013.