Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4785

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
HD 200.124.433_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:604
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

terugsponsorregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.124.433/01

arrest van 15 oktober 2013

gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. A.H. Chr. Heere,

tegen

Stichting Schouwen-Duivelandpas,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. R.P.G. Schelvis,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2013 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg gewezen vonnissen van 18 juni 2012 en 19 november 2012 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – de stichting – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 225252 / 11-3536)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het exploot van anticipatie van 12 maart 2013;

- de memorie van grieven, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv;

- de antwoordmemorie in het incident ex artikel 843a Rv.

Partijen hebben arrest gevraagd in het incident.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

De stichting heeft als statutaire doel vergroting van de toeristische beleving en bevordering van het toeristenbezoek, onder andere door het ontwikkelen en exploiteren van een Schouwen-DuivelandPas. [appellant] zette zich in de periode van 2006 tot januari 2010 voor de stichting in als vrijwilliger.

Volgens de subsidieregeling ‘Pieken in de Delta’van het Ministerie van Economische Zaken kon de stichting aanspraak maken op een bijdrage van het ministerie in subsidiabele kosten van de ontwikkeling van de Schouwen-DuivelandPas. Subsidiabel waren onder meer de kosten verbonden aan de inzet van de bij het subsidiabele project betrokken personen met een maximum van € 35,- per uur. De subsidieaanvraag van de stichting in dat kader is gehonoreerd.

[appellant] zond de stichting een nota, gedateerd op 26 maart 2010, op naam van de eenmanszaak van zijn echtgenote voor het gebruik van computerapparatuur, software en opslagruimte in de periode juli 2008 tot februari 2010 gedurende 143 uur à € 35,-, hetgeen neerkomt op een totaal bedrag van € 5.950,95. De stichting betaalde dit bedrag en stuurde vervolgens aan [appellant] op 5 april 2010 een nota voor sponsoring ter hoogte van € 5.950,- inclusief btw. Nadat betaling van laatstgenoemde nota door [appellant] ondanks aanmaning en sommatie uitbleef, heeft de stichting hem in rechte betrokken. Partijen verschillen van mening omtrent het antwoord op de vraag of partijen met elkaar een afspraak hebben gemaakt die erop neerkomt dat [appellant] maximaal € 35,- per uur kon declareren voor aan het subsidieproject bestede uren onder voorwaarde dat hij bereid was de stichting voor een gelijk bedrag te sponsoren.

3.2.

Bij eindvonnis van 19 november 2012 heeft de kantonrechter [appellant] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling aan de stichting van een bedrag van € 6.208,93, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.950,- vanaf 18 augustus 2011 tot de dag der voldoening en in de proceskosten. [appellant] kan zich niet verenigen met dit vonnis en komt hiervan in hoger beroep.

3.3.

In het onderhavige incident ex artikel 843a Rv vordert [appellant] afgifte van de navolgende bescheiden:

A. de e-mail waarmee de beweerdelijk gemaakte sponsorafspraak zou zijn bevestigd aan de betrokken personen, onder wie [appellant], vermoedelijk stammend uit 2006;

de vastgestelde notulen met actie- en besluitenlijsten en/of gespreksverslagen en/of andere bijeenkomsten, waaruit zou blijken dat [appellant] wist van de terugsponsorafspraak en daarmee heeft ingestemd, vermoedelijk stammend uit 2006, en de vastgestelde notulen met actielijsten van bestuursvergaderingen uit de maanden december 2009 en januari tot en met april 2010, in welke vergaderingen hoogstwaarschijnlijk bestuursbesluiten zijn genomen in het kader van de verantwoording van de Digiproject, waaronder de vergoeding aan [appellant] en de beweerdelijke terugsponsorregeling;

de vastgestelde notulen van bestuursvergaderingen van SDP met daarin op de presentielijst vermeld de aanwezigheid van [appellant];

de logfiles van de door SDP gebruikte webportalen, waaronder [webportal 1] en [webportal 2], over de jaren 2007 tot en met maart 2010;

de urenregistraties van [appellant];

de sponsornota’s zoals verzonden aan alle bij de beweerdelijke afspraak tot terugsponsoring betrokken partijen, waaronder in ieder geval de bestuurders en vrijwilligers van SDP en de deelnemers aan de Pilot, alsmede de ontvangstbewijzen van de betalingen;

alle tussen SDP en SenterNovem (thans Agentschap NL) gewisselde correspondentie en stukken, waaronder tenminste de aanvraag van subsidie met bijlagen, de subsidietoezeggingsbeschikking, de aanvraag met bijlagen van het subsidievoorschot en de beschikking daarop, de subsidievaststellingsbeschikking en de in april 2010 verzonden eindrapportage ter verkrijging van het restant aan subsidie.

3.4.

Het hof zal beoordelen of de vordering op grond van artikel 843a Rv kan worden toegewezen. Het hof stelt hierbij voorop dat artikel 843a Rv niet ziet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien voldaan is aan de in het eerste lid van dat artikel genoemde cumulatieve voorwaarden, te weten:

  1. de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben;

  2. de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden;

  3. de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.

3.5.

[appellant] stelt belang te hebben bij afschrift van of inzage in de onder A genoemde e-mail om te kunnen vaststellen of [appellant] daadwerkelijk bij e-mail door SDP op de hoogte is gebracht van de door SDP gestelde afspraak tot terugsponsoring. [appellant] voert in dat kader aan dat SDP zich ter onderbouwing van die afspraak in punt 14 van haar conclusie van repliek beroept op een e-mail uit, naar [appellant] vermoedt, 2006 waarmee aan alle betrokkenen, onder wie [appellant], zou zijn medegedeeld dat zij hun bestede uren dienden bij te houden en dat zij deze aan het einde van het project aan SDP in rekening konden brengen op voorwaarde dat zij dat bedrag dan direct aan SDP zouden terugbetalen.

SDP benadrukt in haar memorie van antwoord in het incident dat er buiten de in de procedure in eerste aanleg overgelegde c.q. geciteerde e-mails uit 2010 geen e-mails bestaan die een terugsponsoringsafspraak bevestigen. Gelet hierop heeft [appellant] naar het oordeel van het hof geen rechtmatig belang bij overlegging van de door hem gevraagde e-mail en is dus niet voldaan aan het eerste vereiste van artikel 843a Rv (zie r.o. 3.4). Voor zover [appellant] een andere e-mail bedoelt dan de voornoemde uit 2010, heeft hij bovendien niet aan zijn stelplicht voldaan.

3.6.

Het belang van [appellant] bij het verkrijgen van afschrift van of inzage in de onder B en C genoemde notulen is volgens hem gelegen in het kunnen leveren van tegenbewijs tegen de stelling van SDP dat [appellant] heeft ingestemd met de gestelde terugsponsoringsafspraak dan wel via het bijwonen van vergaderingen op de hoogte was van de terugsponsoringsregeling.

Nu SDP in haar memorie van antwoord in het incident aanvoert dat over de door haar gestelde terugsponsoringsregeling niets is opgenomen in de notulen van de vergaderingen van SDP, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat [appellant] in ieder geval niet via die weg op de hoogte is geraakt van de terugsponsoringsregeling Reeds hierom heeft [appellant] naar het oordeel van het hof geen rechtmatig belang bij afschrift van of inzage in de door hem genoemde notulen.

3.7.

[appellant] vraagt onder D inzage in de logfiles van de door SDP gebruikte webportalen [webportal 1] en [webportal 2] over de jaren 2007 tot en met maart 2010. Ook hier geeft hij als belang aan het kunnen leveren van tegenbewijs, te weten tegen de stelling van SDP dat [appellant] (ook) via [webportal 2] kennis had van al hetgeen zich binnen de SDP afspeelde, waaronder de terugsponsorregeling. Uit de logfiles zal volgens [appellant] blijken dat hij nimmer heeft ingelogd en dus geen kennis nam van de op [webportal 2] uitgewisselde informatie.

SDP brengt hiertegen in dat de door SDP gebruikte webportalen geen logfiles bijhouden en dat SDP de door [appellant] gevraagde informatie dus niet tot haar beschikking heeft of kan verkrijgen.

Afgezien van de vraag of [appellant] een rechtmatig belang heeft bij inzage in de logfiles heeft [appellant] niet aannemelijk weten te maken dat de hier bedoelde logfiles ook daadwerkelijk bestaan. Daarmee is naar het oordeel van het hof duidelijk dat [appellant] “vist” naar informatie waarvan niet duidelijk is dat die bestaat of ooit heeft bestaan. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van bescheiden of informatie waarvan [appellant] slechts het bestaan vermoedt. De incidentele vordering dient daarom ook ten aanzien van de onder D genoemde logfiles te worden afgewezen.

3.8.

[appellant] stelt belang te hebben bij inzage in de stukken welke SDP als urenverantwoording van [appellant] ter controle aan de accountant van SDP heeft verstrekt om tegenbewijs te kunnen leveren tegen de stelling van SDP dat [appellant] conform de gestelde afspraak tot terugsponsoring zijn uren registreerde in [webportal 1] althans [webportal 2] en deze periodiek door de bij het project betrokken accountant liet controleren. [appellant] ontkent dat hij zijn uren registreerde.

Het hof overweegt als volgt. Ook bij inzage in deze stukken heeft [appellant] geen rechtmatig belang, aangezien SDP in haar memorie van antwoord in het incident erkent dat [appellant] nimmer een urenregistratie heeft ingeleverd. Hieruit kan worden afgeleid dat er inderdaad nimmer sprake is geweest van een urenregistratie door [appellant].

3.9.

Onder F vraagt [appellant] afschrift van alle door SDP verzonden terugsponsornota’s en bewijzen van ontvangst van de betalingen daarvan om tegenbewijs te kunnen leveren van de stelling dat met alle betrokkenen (deelnemers van de Pilot en de bestuurders en vrijwilligers van SDP) de terugsponsorafspraak is gemaakt en dat iedereen, behoudens [appellant], deze afspraak is nagekomen.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook geen rechtmatig belang bij afschrift van of inzage in voornoemde stukken. In de hoofdzaak staat de vraag centraal of SDP met [appellant] heeft afgesproken dat maximaal € 35,- per uur kon worden gedeclareerd voor aan het subsidieproject bestede uren onder voorwaarde dat hij bereid was de stichting voor een gelijk bedrag te sponsoren. Of SDP een dergelijke afspraak ook met anderen (bestuursleden of vrijwilligers) dan [appellant] heeft gemaakt, doet niet terzake.

Daar komt bij dat de stukken geen betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij [appellant] partij is. [appellant] wenst immers afgifte van stukken die betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen SDP en andere bestuurders/vrijwilligers. Hiermee is dus ook niet voldaan aan het derde vereiste voor toewijzing van een incidentele vordering ex artikel 843a Rv (zie r.o. 3.4).

3.10.

Ten slotte stelt [appellant] belang te hebben bij afschrift van of inzage in de tussen SDP en Senternovem gewisselde correspondentie met betrekking tot (kort gezegd) de aangevraagde en verstrekte subsidie ten behoeve van het bewijs van zijn stelling dat de terugsponsorregeling in strijd is met de goede zeden en openbare orde.

Ook hier geldt dat de door [appellant] gewenste stukken geen betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is - het betreft immers een rechtsbetrekking tussen SDP als subsidieaanvrager en Sentenovem als subsidieverstrekker -, zodat ook hier niet is voldaan aan het derde vereiste van artikel 843a Rv.

3.11.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van [appellant] geheel dient te worden afgewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

In de hoofdzaak

3.12.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van SDP. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van SDP tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 632,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 26 november 2013 voor memorie van antwoord aan de zijde van SDP;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 oktober 2013.