Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4611

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
HV200.126.320_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie; man dient op zijn vermogen in te teren teneinde kinderalimentatie te voldoen; afweging van omstandigheden aan de zijde van de man en de vrouw om ieders aandeel te bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/7.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 oktober 2013

Zaaknummer: HV 200.126.320/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/253424 / FA RK 12-5241

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.A.M. van Weely,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Warnink.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 april 2013, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige met ingang van 1 juli 2012 op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof redelijk acht, onder compensatie van de proceskosten.

2.2.

De vrouw heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Weely;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Warnink.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [dochter] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 4 september 2013. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 maart 2013;

- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 10 juni 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 26 augustus 2013;

- de ter zitting door de advocaten van partijen overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. De samenwoning van partijen is geëindigd in het voorjaar van 1997.

Uit de relatie van partijen is geboren:

-[dochter] (hierna ook: [dochter]), op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats].

De man heeft [dochter] erkend. [dochter] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

Met zijn huidige partner mevrouw [huidige partner van de man] heeft de man twee minderjarige kinderen, [minderjarige zoon] en [minderjarige dochter].

3.2.

Bij beschikking van 5 december 2006 heeft de rechtbank Breda bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] moet voldoen een bedrag van € 694,40 per maand met ingang van 1 juni 2006.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank met wijziging van de onder 3.2. vermelde beschikking bepaald dat de man met ingang van

1 november 2012 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] moet voldoen een bedrag van € 592,-- per maand.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet geheel verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5

De grieven van de man betreffen - zakelijk weergegeven - :

- zijn draagkracht. De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende verifieerbare stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft (grief 1) en voorts ten onrechte heeft overwogen dat de man niet heeft ontkend dat hij over een substantieel spaarvermogen beschikt (grief 2);

- het aandeel van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter]

- de verdeling van de draagkracht van de man over zijn drie kinderen (grief 3);

- de ingangsdatum (grief 4).

Behoefte kind

3.6.

De behoefte van [dochter] ad € 887,28 per maand voor het jaar 2012 is in hoger beroep niet in geschil. Per 1 januari 2013 bedraagt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geïndexeerde behoefte € 902,36 per maand.

Draagkracht man

3.7.

Het hof is van oordeel dat de man in eerste aanleg heeft nagelaten volledig inzicht in zijn vermogenspositie te geven. Grief 1 faalt.

In hoger beroep heeft de man zijn stellingen met betrekking tot zijn vermogen echter alsnog naar behoren onderbouwd.

3.8.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] van € 592,-- per maand te voldoen.

De man voert daartoe aan dat zijn arbeidsovereenkomst bij de firma ABB BV met wederzijds goedvinden is beëindigd met ingang van 1 maart 2011. De man heeft een beëindigingsvergoeding ontvangen van € 110.000,--. De man heeft in verband met de beëindigingsvergoeding een stamrecht-BV opgericht. Volgens de man is de vergoeding per 1 juli 2012 verbruikt. De man heeft sinds zijn ontslag een WW-uitkering van € 2.819,72 bruto per maand. Deze uitkering stopt met ingang van 1 november 2013. De man is dan 53 jaar oud. Hij zoekt werk in de industriële automatisering. De man solliciteert veel, maar het is hem vanwege zijn leeftijd en de economische crisis tot nu toe niet gelukt om in zijn branche een nieuwe baan te vinden. De man wil niet dat de vrouw inzage krijgt in zijn sollicitatiebrieven, omdat de vrouw in het verleden heeft laten zien dat zij die informatie gebruikt om de man te schaden in zijn pogingen om werk te vinden.

De man heeft de volledige zeggenschap over de vennootschappen SiJoRa BV en Aepri Systems BV. Uit de jaarstukken blijkt dat het totale vermogen van deze vennootschappen per 31 december 2011 € 372.377,-- bedroeg. Rekeninghoudende met een belastingdruk van 38,6 % komt dit neer op een inkomen van € 2.000,-- per maand gedurende 9,5 jaar. De man komt in aanmerking voor een AOW-uitkering wanneer hij 67 jaar oud is. De man moet derhalve een periode overbruggen van 4,5 jaar. Voorts dient volgens de man een rol te spelen dat een pensioenbreuk voor de hand ligt. Gelet hierop kan van de man ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter], zulks temeer nu de vrouw voldoende draagkracht heeft om deze kosten voor haar rekening te nemen. De man stelt voorts dat rekening dient te worden gehouden met het gegeven dat hij onderhoudsplichtig is jegens drie minderjarige kinderen.

3.9.

De vrouw brengt daar tegenin dat de man zijn stelling dat hij met ingang van 1 juli 2012 geen draagkracht meer heeft om de vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [dochter] te voldoen, onvoldoende heeft onderbouwd. Er bestaat nog steeds onduidelijkheid over de achtergrond van het ontslag van de man bij ABB BV en over zijn in redelijkheid te verwerven inkomen in de afgelopen jaren en in de toekomst. De vrouw betwist dat er in de branche van de man geen werk te vinden is. De man heeft nagelaten een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten over te leggen. De vrouw voert verder aan dat de man de beschikking heeft over een aanzienlijk vermogen waarmee hij de alimentatie voor [dochter] kan blijven betalen.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat het dienstverband van de man bij ABB BV met ingang van 1 maart 2011 is beëindigd en dat hij met ingang van die datum een WW-uitkering ontvangt die aanzienlijk lager is dan zijn inkomen uit die dienstbetrekking. Het hof is van oordeel dat uit de door de man overgelegde vaststellingsovereenkomst met ABB B.V. van 21 oktober 2010 genoegzaam volgt dat geen sprake is van een situatie van vrijwillige werkloosheid van de man. De vrouw heeft gesteld, dat het inkomensverlies voor herstel vatbaar is, nu de man onvoldoende heeft aangetoond, dat hij zich inspant om weer werk op zijn oude inkomensniveau te vinden. Het hof laat zijn oordeel hierover in het midden, nu het hof van oordeel is, dat de man in staat is om uit zijn vermogen een bijdrage voor [dochter] te betalen.

3.11.

Tussen partijen staat vast dat aan de man een beëindigingsvergoeding is toegekend van € 110.000,-- bruto en dat de man de aan hem toegekende vergoeding heeft aangewend voor de aankoop van een stamrecht. De man heeft ter zitting verklaard dat hij er alsnog voor kan kiezen de beëindigingsvergoeding in maandelijkse netto termijnen aan hem te laten uitkeren.

Het hof is van oordeel dat de man deze vergoeding dient aan te wenden om zijn werkloosheidsuitkering aan te vullen tot zijn oude salarisniveau teneinde op die wijze in staat te blijven aan de op hem rustende verplichting tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] te voldoen.

Uit de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010 blijkt dat de man in dat jaar een fiscaal arbeidsinkomen uit zijn dienstbetrekking bij ABB BV heeft genoten van € 116.217,-- per jaar. Dat leidt tot een fiscaal inkomen van circa € 9.685,-- per maand. Niet gebleken is dat het inkomen van de man in 2011 ten opzichte van dat in 2010 substantieel is gewijzigd, zodat het hof wat betreft het inkomen van de man tot 1 maart 2011 van laatstgenoemd bedrag uitgaat.

Blijkens de jaaropgave van het UWV over 2012 ontving de man in dat jaar een WW-uitkering van € 37.693,-- per jaar. Dat leidt tot een bruto WW-uitkering van circa € 3.141,-- per maand. Het verschil tussen beide inkomens bedraagt € 6.544,-- bruto per maand.

Dat betekent dat de man met de beëindigingsvergoeding van € 110.000,-- bruto met ingang van 1 maart 2011 gedurende ruim zestien maanden het door hem ontvangen lagere WW-inkomen kan suppleren, derhalve tot 1 juli 2012.

Uit het vorenstaande volgt dat het er voor moet worden gehouden dat de man gedurende de periode van 1 maart 2011 tot 1 juli 2012 heeft kunnen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] met het door de rechtbank op 5 december 2006 vastgestelde (en nadien geïndexeerde) alimentatiebedrag.

3.12.

Gedurende de periode van 1 juli 2012 tot 1 november 2013 gaat het hof uit van een bruto inkomen van de man uit hoofde van de WW-uitkering van € 2.819,72 per maand, nog te vermeerderen met vakantiegeld. In deze periode heeft de man in beginsel een draagkracht uit zijn inkomen om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van zijn drie kinderen van € 610,-- per maand. Het hof is daarbij uitgegaan van de draagkrachtberekening over de periode 2013-1 die als bijlage is gevoegd bij de brief van de advocaat van de man d.d. 5 maart 2013 aan de rechtbank, zij het dat het hof daarop een correctie heeft toegepast in die zin dat het de post ‘algemene heffingskorting partner’ heeft geëlimineerd.

3.13.

Met ingang van 1 november 2013 zal de man geen WW uitkering meer ontvangen.

3.14.

Het hof is evenwel met de vrouw van oordeel dat van de man, gezien zijn dringende onderhoudsverplichting jegens [dochter], zowel in de periode dat hij alleen een WW-uitkering heeft als in de periode dat hij mogelijk in het geheel geen inkomen zal hebben, gevergd kan worden dat hij inteert op zijn vermogen om een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter]. Wel slaagt de grief van de man dat bij het bepalen van zijn aandeel in de behoefte van [dochter] ook rekening dient te worden gehouden met de draagkracht van de vrouw en met de omstandigheid dat hij onderhoudsplichtig is voor drie kinderen.

Bij de bepaling van het aandeel van de man en de vrouw in de behoefte van [dochter] heeft het hof de volgende factoren in overweging genomen.

Aan de zijde van de man:

Uit de door de man overgelegde belastingaangifte over 2010 blijkt dat zijn vermogen in box III per 1 januari 2011 € 216.869,-- bedroeg. Tegen die achtergrond kan grief 2 geen doel treffen. Verder blijkt uit de jaarstukken over 2010 dat er in SiJoRa BV en Aepri Systems BV, vennootschappen waarover de man de volledige zeggenschap heeft, in dat jaar – derhalve voordat de man zijn ontslagvergoeding liet overboeken naar SiJoRa B.V. - aanzienlijke financiële middelen aanwezig waren. Zo had SiJoRa BV € 122.791,-- aan liquide middelen en € 49.678,-- aan effecten en Aepri Systems BV € 88.176,-- aan liquide middelen. De man beschikt derhalve – ook na aanwending van de stamrechtuitkering voor de aanvulling van zijn WW-uitkering - nog steeds over een aanzienlijk vermogen. Dat de man over nog meer vermogen beschikt, heeft de vrouw tegenover de betwisting door de man niet aannemelijk gemaakt. Het hof is wel van oordeel dat de man in redelijkheid heeft kunnen besluiten om zijn hypotheek ad € 65.798,13 in juni 2011 af te lossen, zodat er geen grond bestaat om met een fictief vermogen rekening te houden.

Het hof neemt daarnaast in overweging dat het niet uitgesloten is dat de man in de nabije toekomst weer werk vindt en een verdere opbouw van zijn pensioenrechten kan realiseren. Het hof acht het, gelet op zijn dringende onderhoudsverplichting jegens [dochter], dan ook niet redelijk dat de man zijn vermogen in zijn geheel wenst te reserveren voor zijn oudedagsvoorziening.

3.15.

Bij het vaststellen van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [dochter] dient echter ook rekening te worden gehouden met het gegeven dat de man met zijn huidige partner nog twee minderjarige kinderen heeft, voor wie hij ook onderhoudsplichtig is. Grief 3 slaagt.

3.16.

De totale behoefte van de minderjarige kinderen van de man en zijn huidige partner in het jaar 2012 kan gesteld worden op € 1.175,-- per maand, uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen van tenminste € 5.000,- per maand. De partner van de man heeft - na enige maanden werkloos te zijn geweest - per 1 januari 2013 weer een baan.

Aan de zijde van de vrouw:

3.17.

De vrouw heeft een draagkracht van € 834,--, zoals blijkt uit de door de man niet betwiste draagkrachtberekening die de vrouw in eerste aanleg heeft overgelegd. Ook de vrouw heeft liquide vermogen dat per 1 januari 2011 € 142.046,--. bedroeg en waar rekening mee dient te worden gehouden. Voorts is van belang dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen om parttime te werken.

3.18.

Vorenstaande gegevens aan de zijde van de man en de vrouw in ogenschouw nemend en mede gelet op het feit dat de man nog maar voor een beperkte periode alimentatie ten behoeve van [dochter] hoeft te betalen, acht het hof het redelijk dat de man in de periode vanaf 1 juli 2012 tot 1 november 2013 50% van de behoefte van [dochter] voor zijn rekening neemt en met ingang van 1 november 2013 33,33% van die behoefte.

Het hof is van oordeel dat van de man zolang hij geen baan heeft, gezien zijn dringende onderhoudsverplichting jegens [dochter], verwacht kan worden dat hij zijn privé vermogen aanwendt dan wel gelden aan zijn ondernemingen onttrekt, zodanig dat hij voormeld deel van de kosten van [dochter] voor zijn rekening kan nemen.

Ingangsdatum wijziging

3.19.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan.

Zoals hiervoor is gebleken heeft de man tot 1 juli 2012 met de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding zijn WW-uitkering kunnen suppleren. Het hof zal derhalve uitgaan van 1 juli 2012 als ingangsdatum. Grief 4 treft doel.

3.20.

Gelet op het vorenstaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd, met uitzondering van hetgeen daarin ten aanzien van de proceskosten is overwogen, en stelt het hof de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] vast op:

- € 444,-- per maand met ingang van 1 juli 2012 tot 1 januari 2013;

- € 451,-- per maand met ingang van 1 januari 2013 tot 1 november 2013;

- € 301,-- per maand met ingang van 1 november 2013.

Proceskosten

3.21.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen een affectieve relatie hebben gehad, vergelijkbaar met die van (gewezen) echtgenoten.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2013, met uitzondering van hetgeen daarin ten aanzien van de proceskosten is overwogen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Breda van 5 december 2006 aldus:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van[dochter], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], zal voldoen een bedrag van:

- € 444,-- per maand met ingang van 1 juli 2012 tot 1 januari 2013;

- € 451,-- per maand met ingang van 1 januari 2013 tot 1 november 2013;

- € 301,-- per maand met ingang van 1 november 2013,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, C.E.M. Renckens en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.