Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4445

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
20-002486-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:132, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag op 2 politieagenten. Verdachte heeft tijdens een politieachtervolging op de snelweg met een hoge snelheid (140 km/h) gereden en de door hem bestuurde personenauto meermalen naar links gestuurd, waar de politieagenten zich in hun voertuig bevonden.

Het hof heeft in verband met de bijzondere ernst van het feit een (1 jaar) hogere gevangenisstraf opgelegd dan door de AG gevorderd. Voor dit feit in combinatie met tweemaal diefstal met braak heeft het hof 5 jaar gevangenisstraf opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 107
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002486-12

Uitspraak : 4 september 2013

TEGENSPRAAK/Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 3 juli 2012, parketnummer 04-860149-12 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling met de parketnummers 04-801276-11 en 04-856475-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  • -

    diefstal in vereniging door middel van braak (feit 1);

  • -

    poging tot doodslag, meermalen gepleegd (feit 2 primair);

  • -

    opzetheling (feit 3 subsidiair);

  • -

    diefstal door middel van braak en inklimming (feit 4), en

  • -

    poging tot diefstal door middel van braak en inklimming (feit 5),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tevens is de verdachte ter zake van het rijden zonder rijbewijs veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren (feit 6).

Voorts heeft de eerste rechter beslist ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, de vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen alsmede de vorderingen tot tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en met aanvulling van de beslissing dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van de feiten onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegd, voor zover die hebben plaatsgevonden in Duitsland.

Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, en ten aanzien van feit 6 tot een onvoorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de beslissingen van de rechtbank terzake worden bevestigd met dien verstande dat verdachte ook ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] wordt veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente over de geleden schade.

Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten aanzien van het beslag en de vorderingen tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling zal beslissen op gelijke wijze als de rechtbank.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde. De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 6 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing bepleit.

De verdediging heeft zich met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen en de vorderingen tot tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 13 maart 2012 te [plaatsnaam], in elk geval in de gemeente [gemeentenaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, waaronder een aantal ringen, kettingen en kettinghangers, en een kassa met daarin onder meer een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.

primair

hij op of omstreeks 13 maart 2012 in de gemeente(n) Roermond en/of Elmpt (Bondsrepubliek Duitsland) en/of Beesel en/of Venlo, in elk geval in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], agent van politie, en/of [slachtoffer 2], brigadier van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid op de N280 en/of de BAB52 en/of de A73 heeft gereden en vervolgens meermalen. althans eenmaal - terwijl links naast dan wel links kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidsignalen) waarin genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar links heeft gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, althans heeft getracht voornoemde politieauto van de weg te rijden, althans te drukken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



subsidiair

hij op of omstreeks 13 maart 2012 in de gemeente(n) Roermond en/of Elmpt (Bondsrepubliek Duitsland) en/of Beesel en/of Venlo, in elk geval in Nederland en/of de Bondsrepubliek Duitsland, [slachtoffer 1], agent van politie, en/of [slachtoffer 2], brigadier van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid op de N280 en/of de BAB52 en/of de A73 heeft gereden en vervolgens meermalen. althans eenmaal - terwijl links naast dan wel links kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidsignalen) waarin genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar links heeft gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, althans heeft getracht voornoemde politieauto van de weg te rijden, althans te drukken;

3.

primair
hij in of omstreeks de nacht van 7 op 8 maart 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Nissan Micra, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar voertuig], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 13 maart 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto, merk Nissan Micra, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.
hij op of omstreeks 17 november 2011 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit café [naam café], gelegen aan [adres], heeft weggenomen een aantal pakjes sigaretten en een fooienpot, inhoudende een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [huurder café], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.
hij in of omstreeks de nacht van 8 op 9 maart 2012 te Maasbree, in elk geval in de gemeente Peel en Maas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het clubgebouw van [benadeelde 3], gelegen aan de [adres] weg te nemen wat van zijn/hun gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat clubgebouw te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met dat oogmerk een ruit van de toegangsdeur hebben/heeft vernield en via de aldus ontstane opening in dat clubgebouw naar binnen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.
hij op of omstreeks 13 maart 2012 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, gekentekend [kenteken]) heeft gereden op de weg de A73, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde (de in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, voor zover betrekking hebbende op gedragingen in Duitsland. Bij het ontbreken van rechtsmacht (omdat verdachte slechts de Marokkaanse nationaliteit bezit en niet blijkt van overname van strafvervolging in de zin van artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht) had de officier van justitie immers niet tot vervolging over mogen gaan. Het hof verenigt zich met dit oordeel en de redenen waarop dit berust en maakt die tot de zijne. Anders dan de rechtbank zal het hof -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- dienovereenkomstig beslissen.

Vrijspraak

Feit 3 (primair en subsidiair)

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan enige wegnemingshandeling met betrekking tot de personenauto, merk Nissan Micra. Anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging, is het hof van oordeel dat het bewijs er voorts voor tekort schiet dat verdachte ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van die personenauto wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 5

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Er zijn twee aanwijzingen van betrokkenheid van verdachte bij -kort gezegd- de poging tot diefstal. Ten eerste de omstandigheid dat bij die poging tot diefstal gebruik is gemaakt van een personenauto, waarvan verdachte enige dagen later de bestuurder was. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof evenwel niet dat verdachte zich ten tijde van de onder 5 ten laste gelegde poging tot diefstal in die personenauto bevond. Voorts zou de betrokkenheid van verdachte bij de onder 5 ten laste gelegde poging tot diefstal kunnen worden afgeleid uit een ter plaatse aangetroffen schoenspoor, dat volgens de deskundige1 waarschijnlijk overeenkomt met de rechterschoen van verdachte. Die mate van overeenkomst in samenhang met de aard van het spoor, waarvan immers niet vast te stellen is dat dat aldaar is achtergelaten ten tijde van het delict, acht het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.

Gelet op vorenstaande zal het hof verdachte, in afwijking van de vordering van de advocaat-generaal, vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 13 maart 2012 te [plaatsnaam], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, waaronder een aantal ringen, kettingen en kettinghangers, en een kassa met daarin onder meer een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

2.

primair:
hij op 13 maart 2012 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], agent van politie, en [slachtoffer 2], brigadier van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid op de A73 heeft gereden en vervolgens meermalen - terwijl links naast dan wel links kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidsignalen) waarin genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar links heeft gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.
hij op 17 november 2011 te Tegelen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit café [naam café], gelegen aan [adres], heeft weggenomen een aantal pakjes sigaretten en een fooienpot, toebehorende aan [huurder café], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

6.
hij op 13 maart 2012 in de gemeente Venlo, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, gekentekend [kenteken]) heeft gereden op de weg de A73, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De hierna in de voetnoten genoemde processen-verbaal en schriftelijke bescheiden maken onderdeel uit van het dossier van de politie Limburg-Noord, Recherche Venlo, genummerd 23201207 sluitingsdatum 3 mei 2012 (doorgenummerde pagina’s 1-912. Alle processen-verbaal zijn opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde verbalisanten.

Uit de bewijsmiddelen is het hof het volgende gebleken.

Ten aanzien van feit 1:

1.

Op 13 maart 2012 te 03.20 uur heeft [getuige 1/benadeelde 1] - zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang - het volgende verklaard2:

Ik doe aangifte van diefstal door middel van braak.

Op 13 maart 2012, omstreeks 03.18 uur, lag ik in mijn bed. Ik woon boven de winkel, genaamd [naam winkel] aan [adres]. Op dat moment werd ik gewekt door een flinke harde knal in de straat. Ik hoorde meteen hierna nog twee harde knallen. Ik realiseerde mij op dat moment dat de knallen afkomstig waren uit mijn winkel. Ik heb mijn raam geopend en zag buiten twee personen met beiden een capuchon over hun hoofd staan.

Ik zag verder dat er een kleine roodkleurige auto op de straat stond. Ik ben vervolgens meteen naar beneden gerend. Beneden aangekomen zag ik dat de personen weg waren. Ik zag op de grond van de winkel een hoop glasscherven liggen. Ik zag, gezien vanuit de achterzijde van mijn winkel, dat de ruit van de vitrine, rechts naast de deur, stuk was. Ik zag dat er verder nog vier ruiten van vitrines, gezien vanuit de achterzijde van de winkel, rechtsachter, vernield waren. Ik zag dat de complete ruit, van de deur van de winkel, uit de deur lag.

Tot nog toe weet ik zeker dat er twee grijskleurige bakken met zilveren en gouden ringen weggenomen zijn. Verder zijn er diverse gouden kettingen met hangers weggenomen. Ik vermoed dat dit een stuk of tien kettingen betroffen. Ook mis ik tot nu toe diverse gouden kettinghangers. Dit waren tussen de tien en de twintig kettinghangers. Verder is de kassa ook weggenomen. In deze kassa lag een geldbedrag van ongeveer 200 euro en een tweetal sleutels.

2.

Op 13 maart 2012 te 03.20 uur heeft [getuige 2], wonende aan [adres] - zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang - het volgende verklaard3:

Op 13 maart 2012 hoorde ik omstreeks 03.15 een aantal harde slagen en vervolgens een luid alarm afgaan. Ik heb toen direct via mijn slaapkamerraam naar buiten gekeken. Ik zag toen een kleine rode auto in de [straatnaam] staan. Ik zag vervolgens, ik meen drie mannen, de juwelier tegenover mijn woning, binnen gaan. Ik zag deze mannen twee maal naar binnen gaan en weer naar buiten komen. Vervolgens zag ik deze drie mannen de rode auto instappen en wegrijden in de richting van de [naam straat]. Ik had echter nog tijd om het kenteken van deze auto te noteren. Ik zag het volgende kenteken: [kenteken].

3.

Op 20 maart 2012 te 11.00 uur heeft [getuige 3], wonende aan [adres] - zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang – het volgende verklaard4:

Ik ben getuige geweest van de inbraak op 13 maart 2012, tussen 03.00 uur en 03.10 uur. Ik werd wakker van een harde klap. Ik ben opgestaan en heb naar buiten gekeken. Ik zag dat er drie personen bij [benadeelde 1] probeerden in te breken. Ik zag dat er één persoon met een voorwerp tegen de ruit van de toegangsdeur van de juwelier ramde. Ik zag dat de twee andere personen er bij stonden te kijken. Verder zag ik dat er een kleine rode auto schuin op de [straatnaam] en voor de juwelier stond. Ik zag dat de gehele ruit uit de toegangsdeur naar binnen viel. Ik zag dat de drie personen vervolgens door de opening in de toegangsdeur naar binnen gingen. Ik zag dat de eerste persoon weer naar buiten kwam. Ik zag dat deze persoon een op een kassalade gelijkend voorwerp mee naar buiten nam. Ik zag dat deze persoon dit voorwerp op de achterbank in de rode personenauto legde. Vervolgens zag ik dat deze persoon de juwelier weer binnenging.

4.

Op 13 maart 2012 te 15.15 uur heeft [getuige 4], wonende aan [adres] – zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang – het volgende verklaard5:

Ik lag op dinsdag 13 maart 2012, omstreeks 03.00 uur te slapen. Ik werd wakker van een hard geluid. Ik zag een persoon staan voor de juwelier. Ik zag dat deze persoon met iets aan het slaan was tegen de deur van de juwelier. Ik zag dat er scherven van de ruit afvlogen. Vervolgens zag ik een kleine rode auto op straat staan. Ik zag dat er een persoon achter het stuur zat.

5.

Verbalisant M.E.W. Knippenberg6 relateert in de kennisgeving van inbeslagneming met het registratienummer 2012024292-43 onder meer:

Goederen uit auto gekentekend [kenteken]:

  • -

    6 schakelarmbanden (1 bronskleurige en 5 zilverkleurige) en 1 armband met steentjes blauw en roze;

  • -

    1 paar oorbellen zilverkleurig met aan iedere oorbel 2 blauwe en 2 roze kleurige bolletjes en 2 zilverkleurige blaadjes;

  • -

    4 hangers met zwart koord (l keer hanger goud, zilver met wit pareltje, 1 x goudkleurig met witkleurige steen, l x vierkant goudkleurige hanger en 1 keer goudkleurige hanger met 2 rondjes);

  • -

    7 kettingen (1 met zilverkleurige steentjes, 3 schakelkettingen, 1 goudkleurige

met hanger, 1 zilverkleurige met gouden hanger en 1 zilver gevlochten ketting);

10 objecten waaraan kettingen kunnen worden getoond.

6.

Verbalisanten [slachtoffer 2] en P.P.G. Gubbels hebben op 13 maart 2013 onder meer gerelateerd7:

Op 13 maart 2012, omstreeks 04.55 uur, bevonden wij [slachtoffer 2] en Gubbels, ons in het cellencomplex van het regiobureau van politie aan de Rijnbeekstraat 1 te Venlo.

Aldaar waren wij doende met een insluitingsfouillering van de aangehouden verdachte [medeverdachte].

Tijdens deze fouillering troffen wij de navolgende goederen aan:

- 36 ringen in diverse diameters in de kleuren goud en zilver;

- 5 kettingen (sieraad).

Deze sieraden troffen wij aan in de linker binnenzak van de jas die verdachte (hof: medeverdachte) droeg.

Tevens troffen wij aan:

- geld in diverse biljetten en munten:

Dit geld troffen wij aan in de linker binnenzak van de jas die verdachte (hof: medeverdachte) droeg.

Ten aanzien van feiten 1, 2 primair en 6:

7.

Verbalisanten [slachtoffer 1] (agent) en [slachtoffer 2] (brigadier) hebben op 13 maart 2012 onder meer gerelateerd8:

Op 13 maart 2012, omstreeks 03.15 uur, bevonden wij ons in het politiebureau te Roermond en hoorden wij via de portofoon een bericht van de regionale meldkamer:

“Zojuist heeft een inbraak plaatsgevonden in de zaak van juwelier genaamd [benadeelde 3] te [plaats]. Hierbij was er door een getuige gezien dat er minimaal twee personen in de zaak waren geweest en dat er een ruit en voordeur geforceerd was en alarm af ging. De personen zijn weggereden in een rode Nissan Micra met het Nederlandse kenteken: [kenteken]. Deze auto stond als gestolen gesignaleerd.”

INNEMEN POSTPUNT:

Wij begaven ons terstond naar de rijksweg N280 met de kruising van de toe- en

afritten van de A73 te Roermond. Aldaar hebben wij statische post gevat op het

kruispunt van de autosnelweg A73, en de N280 te Roermond.

Omstreeks 03.25 uur, zagen wij dat een kleine personenauto over de A73, komende

uit de richting van Venlo, in onze richting reed. Wij zagen dat deze auto vervolgens over de afrit Roermond-Noord reed en ons tegemoet reed in de richting van voornoemde kruising. Toen deze auto de kruising naderde zagen wij dat het een rode personenauto van het merk Nissan en type Micra betrof met het Nederlandse kenteken: [kenteken]. Het betrof de auto die zojuist in Tegelen gezien was bij de inbraak bij de juwelier.

Wij zagen dat er 4 personen in de Nissan zaten; 2 personen voorin en 2 personen op

de achterbank. Wij zagen dat de Nissan vanaf de afrit A73 linksaf de N280 opreed en zijn weg daarover vervolgde in de richting van de Duitse grens. Wij reden deze Nissan achterna. Er ontstond een achtervolging waarbij ik, [slachtoffer 1], bij voortduring middels de portofoon contact had met de meldkamer. Vervolgens heb ik, [slachtoffer 1], de transparant op het dak van de politieauto geactiveerd en werd een stopteken aan de bestuurder van die Nissan gegeven. Wij zagen dat de bestuurder van de Nissan geen gevolg gaf aan het stopteken. Wij

zagen dat hij de snelheid van de Nissan begon te verhogen tot circa l20 km/u terwijl

de maximum toegestane snelheid aldaar 80 kilometer per uur bedraagt.

Vervolgens heb ik, [slachtoffer 1], de optische en geluidssignalen van ons

politievoertuig geactiveerd. Wij zagen dat de personenauto zijn snelheid begon te

verhogen tot circa 150 km/u. De onderlinge afstand tussen ons en de Nissan bedroeg

ongeveer 20 meter.

Omdat de bestuurder geen gevolg bleef geven aan het stopteken probeerde ik, [slachtoffer 2], links naast die Nissan te komen. Ik begon de Nissan daarom in te halen. Wij zagen dat de bestuurder van die Nissan naar het midden van beide rijstroken ging rijden en de inhaalpoging probeerde te voorkomen.

Toen wij nagenoeg links op dezelfde hoogte kwamen van de Nissan kon ik, [slachtoffer 1], de bestuurder goed zien. Ik keek hem aan en zag dat de bestuurder ook in mijn richting keek. Ik keek hem in zijn gelaat. Hierdoor herkende ik later de

verdachte onmiskenbaar terug als de bestuurder van de Nissan.

2e pagina, alinea 4-7 en 8 en 3e pagina, alinea 1

Wij zagen dat de bestuurder verder naar links stuurde. Om een aanrijding met die Nissan te voorkomen remde ik, [slachtoffer 2], af en stuurde ik de politieauto recht achter de Nissan. Wij bleven verder rijden over de N280 in de richting van de grensovergang met Duitsland, Maalbroek/Elmpt. Ik, [slachtoffer 1], stelde de meldkamer in kennis van de naderende grensoverschrijding. Hierop verkregen wij van de meldkamer toestemming de grens net Duitsland te passeren. Kort hierna ontstond een grensoverschrijdende achtervolging op deze Nissan.

Wij reden over de Bundesautobahn BAB52 vanuit Roermond richting Elmpt/

Monchengladbach. Wij zagen dat de snelheid van de Nissan opliep. De onderlinge

afstand bleef ongeveer 50 meter. De snelheid liep op naar 160 kilometer per uur. Op enig moment zagen wij een voorwerp op de rijbaan vallen. Dit voorwerp viel links achter van de Nissan op de rijbaan. De Nissan reed toen op de linker rijstrook en bevond zich op ongeveer anderhalve meter van de middenberm. Vermoedelijk werd door een van de inzittenden in die Nissan iets uit de auto gegooid.

Dit vond plaats op de BAB52 enkele honderden meters voorbij de Nederlandse grens en voor de afslag van deze autobahn naar de plaats Elmpt.

Inmiddels vernamen wij via de portofoon dat verschillende Nederlandse politieauto’s door de meldkamer aangestuurd werden en dat enkele politieauto’s achter ons aankwamen. Tevens deelde de meldkamer mee dat enkele Duitse politieauto’s aangestuurd werden in onze richting door de Duitse meldkamer.

Wij zagen dat de bestuurder van die Nissan ter hoogte van die afslag naar Elmpt

naar rechts ging en aanstalte maakte om daar de autobahn te verlaten. Hierop

stuurde ik, [slachtoffer 2], de politieauto eveneens naar rechts. De bestuurder van de Nissan reed vervolgens een stuk over de afslag doch bedacht zich plotseling en stuurde met een ruk naar links. Hij vervolgde hierop zijn weg over de BAB52. Ik, [slachtoffer 2], stuurde eveneens naar links en bleef hierna de Nissan volgen. Enkele honderden meters later, de Nissan reed op dat moment op de rechter rijstrook, verhoogde ik de snelheid van de politieauto en wilde ik links naast die Nissan gaan rijden. Op dat moment reden wij met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur. Op het moment dat onze politieauto de Nissan dicht was genaderd en de voorzijde van onze politieauto nagenoeg bij de achterzijde van de Nissan was, zagen wij dat de Nissan naar links kwam en de onderlinge afstand zeer snel kleiner werd. Kennelijk wilde de bestuurder van de Nissan niet ingehaald worden. Om een zeker lijkende aanrijding te voorkomen moest ik, [slachtoffer 2], snel uitwijken naar links en snelheid minderen.

Door deze manoeuvre van de bestuurder van de Nissan bracht hij ons, zichzelf en de

andere inzittenden in de Nissan in ernstig gevaar. Door deze manoeuvre voelden wij

ons ernstig bedreigd en waren de gevolgen niet te overzien geweest indien beide

auto’s met elkaar in aanraking zouden zijn gekomen, gelet op de gebezigde snelheid

van ongeveer 140 kilometer per uur.

4e pagina, tweede alinea

Hierop bleven wij de Nissan achtervolgen over de A73 te Roermond in de richting van Venlo. Ik, [slachtoffer 2], probeerde op de A73, op het rijbaanvak tussen Swalmen en Belfeld, diverse keren de Nissan links voorbij te rijden. Steeds weer probeerde de bestuurder van de Nissan dit te voorkomen door eveneens naar links te sturen en de doorgang te belemmeren. Steeds weer moest ik uitwijken en snelheid minderen.

Aangekomen bij de afslag Belfeld reed de Nissan de afslag op. Wij reden toen

richting de bebouwde kom van Tegelen. Hierna reden wij de Galgevenstraat in, een doodlopende weg. Wij zagen twee politieauto’s voor ons op de weg stil staan. Voor deze politieauto’s stond de Nissan stil. Wij zagen alle inzittenden uit de auto komen en wegrennen, ieder in een andere richting.

8.

Verbalisant [slachtoffer 2] heeft in een aanvullend proces-verbaal op 22 mei 20129 onder meer als volgt gerelateerd:

Mij werd verzocht bij aanvullend proces-verbaal te relateren over hetgeen voorgevallen was tijdens de achtervolging op 13 maart 2012 op het gedeelte van de A73, tussen Swalmen en Belfeld, zoals verwoord in het eerder opgemaakte proces-verbaal van bevindingen 2012024292-10, pagina 4, 2e alinea.

In de eerste plaats verwijs ik naar het gerelateerde in genoemd proces-verbaal van bevindingen op pagina 2, 4e-7e en 8e alinea alsmede pagina 3, 1e alinea.

Soortgelijke manoeuvres maakte de bestuurder van de Nissan op de A73 op het wegvlak tussen Swalmen en Belfeld. Op dit gedeelte van de A73 probeerde ik tot twee keer toe de Nissan aan de linkerzijde voorbij te rijden. Beide keren reed ik met een snelheid van ongeveer 140 km per uur achter deze Nissan. Beide keren verijdelde de bestuurder van die Nissan mijn inhaalpogingen door opzettelijk naar links te sturen in mijn richting op de momenten dat ik deze Nissan tot op korte afstand was genaderd. De onderlinge afstand tussen het door mij bestuurde dienstvoertuig en die Nissan bedroeg op die momenten slechts enkele meters. Door het naar links sturen van de bestuurder van die Nissan werd de vrije doorgang op de linker weghelft te smal en moest ik de inhaalmanoeuvre staken. De bestuurder van die Nissan verliet bij deze manoeuvres opzettelijk de door hem gevolgde rechter rijstrook. Er waren geen obstakels op zijn rijstrook en/of andere omstandigheden die het voor deze bestuurder noodzakelijk maakten om naar links te sturen. Door afremmen kon ik beide keren voorkomen dat er een aanrijding ontstond tussen het dienstvoertuig en die Nissan. Indien ik dat niet gedaan zou hebben was een aanrijding tussen beide voertuigen het gevolg geweest.

Gelet op de snelheden waarmee op die momenten gereden werd, ongeveer 140 kilometer per uur, bracht die bestuurder mij en mijn collega [slachtoffer 1], die naast mij zat, in ernstig gevaar.

9.

Verbalisanten T.J.P. Demandt en P.P.G. Gubbels hebben op 13 maart 2012 onder meer als volgt gerelateerd10:

Op 13 maart 2012 waren wij, verbalisanten Demandt en Gubbels, belast met de noodhulp binnen het district Venlo.

Hierop hebben wij de achtervolging ingezet in de richting van de A73.

Tijdens de achtervolging probeerde collega’s van Roermond de rode auto links in te

halen. Op dat moment zagen wij dat de collega’s met hun voertuig links naast de rode auto reden om de auto in te halen.

Vervolgens zagen wij dat de bestuurder van de rode auto zijn voertuig naar links

stuurde en kennelijk de auto van Roermond van de weg af probeerde te drukken. Doordat de collega’s telkens naar links uitweken is er geen aanrijding ontstaan. Wij zagen dat de auto de Galgenvenstraat in Tegelen insloeg. Wij zagen dat de auto vaart minderde en tegen een hekwerk tot stilstand kwam.

Vervolgens zagen we dat de vier inzittenden van de auto uit probeerden te stappen, vermoedelijk om zich aan hun aanhoudingen te onttrekken.

Ik, verbalisant Gubbels, ben achter de bestuurder en de inzittende aangerend. Ik zag dat de bestuurder ontkwam door de trap omhoog te rennen.

Hierop ben ik naar de inzittende, de later genoemde [medeverdachte], gerend.

Vervolgens heb ik [medeverdachte] teruggebracht naar het plaats delict, waar hij later werd overgebracht naar het politiebureau te Venlo en aldaar werd ingesloten.

In het cellencomplex te Venlo werd de later te noemen [verdachte] ingesloten. Ik, verbalisant Gubbels, herkende [verdachte] met 100% zekerheid terug als zijnde de bestuurder van de rode auto.

10.

Verbalisant P.G.H. van Wegberg11 relateert op 20 maart 2012 onder meer:

[benadeelde 1] verscheen aan het bureau van Politie te Venlo om enkele in beslag genomen goederen te bekijken. De goederen welke door mij aan [benadeelde 1] werden getoond betroffen:

6 schakelarmbanden (1 bronskleurige en 5 zilverkleurige en 1 armband met

steentjes blauw en roze);

1 paar oorbellen zilverkleurig met aan iedere oorbel 2 blauwe en 2 roze kleurige

bolletjes en 2 zilverkleurige blaadjes;

  • -

    4 hangers met zwart koord (l keer hanger goud, zilver met wit pareltje, l keer goudkleurig met witkleurige steen, l keer goudkleurige hanger);

  • -

    7 kettingen (1 met zilverkleurige steentjes, 3 schakelkettingen, 1 goudkleurige

met hanger, 1 zilverkleurige met gouden hanger en 1 zilver gevlochten);

10 objecten waaraan kettingen kunnen worden getoond;

[benadeelde 1] verklaarde ten overstaan van mij dat de getoonde goederen afkomstig waren uit zijn juwelierswinkel en dat deze goederen waren weggenomen tijdens de inbraak in zijn juwelierswinkel op 13 maart 2012.

Alle getoonde goederen waren in beslag genomen in de kennisgeving van inbeslagname onder registratienummer 2012024292-43.

11.

Op 2 april 2012 wordt door verbalisant H.L.T. van den Broek onder meer gerelateerd12:

Op 13 maart 2012 werd er ingebroken bij juwelier [naam] te [plaats]. Naar aanleiding van genoemde inbraak werd door opsporingsambtenaren de achtervolging ingezet op de vluchtende verdachte, welke daarbij gebruik maakte van een gestolen Nissan Micra voorzien van het kenteken [kenteken]. Tijdens het onderzoek bleek dat de bestuurder van de Nissan Micra [verdachte] betrof. Bij het raadplegen in het systeem van de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat [verdachte] op 13 maart 2012 niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.

Feit 4

1.

Op 17 november 2011 te 03.15 uur heeft [huurder café] – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende verklaard13:

Ik doe aangifte van inbraak in mijn café, genaamd [naam café], gelegen aan [adres] in Tegelen. Het café is eigendom van [benadeelde 2]. Ik huur het café van de brouwerij. Ik ben bevoegd om aangifte te doen.

Vandaag, donderdag 17 november 2011, om 02.50 uur, kreeg ik via de alarmcentrale een inbraakalarm van het café.

Ik zag dat aan de achterzijde van het café braakschade was aan een buitendeur. Ik zag ook dat een raam opengebroken was en dat het raam openstond.

Toen de politie ter plaatse was zagen we dat er achter de bar, uit een kast, 8 pakjes Camel en 8 pakjes Marlboro sigaretten weggenomen waren.

Ook is er een fooienpot weggenomen.

2.

Verbalisant G.M. van Kruisbergen relateert in het proces-verbaal van aanvraag DNA-onderzoek14 onder meer:

Door collega’s R.P.L. Jacobs en M. Roeven is het navolgende geconstateerd:

Toelichting bij incident 17-11-11

Inbraak café.

MO: Men heeft een raam aan de achterzijde opengebroken. Bij het openbreken is het houten kozijn gebarsten en stak er een scherpe punt hout uit. Hier is de dader met een wit, rubberen handschoen aan blijven hangen. Er bleef een klein gedeelte van de handschoen achter aan deze punt.

Sporen: klein stuk handschoen

Sporenbijlage:

Object: Handschoen (gedeelte)

SIN: AACR7668NL

Bijzonderheden: aangetroffen bij inklimplaats.

3.

Op 20 januari 2012 heeft NFI-deskundige J. Klaver onder meer gerapporteerd15:

Het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AACR7668NL#01 is op 16 januari 2012 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is een match gevonden met de DNA-profielen in DNA-profielcluster 10402. Het DNA-profiel van [verdachte] RGU123 maakt deel uit van dit DNA-profielcluster. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering AACR7668NL#01 afkomstig kan zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AACR7668NL#01 is kleiner dan één op één miljard. Ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Verweren bewijsuitsluiting

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verhoren van verdachte en de medeverdachten van het bewijs uitgesloten dienen te worden nu deze niet overeenkomstig de “Aanwijzing auditief registreren van aangevers, getuigen en verdachten” (2010A018) auditief geregistreerd zijn. Eenzelfde standpunt heeft zij ingenomen ten aanzien van de foto’s van verdachte en [medeverdachte], die als bijlagen zijn gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2012, opgemaakt door verbalisanten [slachtoffer 2] en P.P.G. Gubbels16.

Deze verweren behoeven geen bespreking nu bedoelde verhoren en proces-verbaal van bevindingen met foto’s niet tot het bewijs worden gebezigd. Het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouwe om verbalisant Niessen alsnog als getuige te horen behoeft tegen die achtergrond evenmin bespreking.

A. Bijzondere overwegingen feit 1

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de daders van de inbraak bij de juwelierszaak aldaar zijn vertrokken in een rode personenauto, merk Nissan Micra. Verdachte is korte tijd later als bestuurder van die personenauto gezien en na een achtervolging aangehouden.

Door de verdediging is, bij wijze van een mogelijk alternatief scenario, aangevoerd dat het gezien de afstand tussen de juwelierszaak in Tegelen en de plaats waar de achtervolging van de personenauto, merk Nissan Micra, is gestart (afrit Roermond-Noord A73) te weten circa 19 km, mogelijk is dat verdachte eerst na de inbraak, bijvoorbeeld ergens in Roermond, in die personenauto is ingestapt en vanwege die mogelijkheid zou moeten worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de eerste plaats merkt het hof op dat, anders dan de verdediging betoogt, de enkele presentatie van een beweerdelijk alternatief scenario nog niet tot vrijspraak behoeft te leiden. Het hof is voorts van oordeel dat in het onderhavige geval de gepresenteerde alternatieve toedracht in het geheel niet aannemelijk is geworden. Noch in het door de politie opgemaakte proces-verbaal, noch uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is een begin van aannemelijkheid voor die toedracht te vinden. Verdachte heeft hier ook niets over verklaard. Ook nadat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep nadrukkelijk is gevraagd waar en wanneer hij in bedoelde personenauto is ingestapt, heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Uit vorenstaande volgt, naar het oordeel van het hof, dat verdachte een van de personen is geweest die betrokken was bij de inbraak in de juwelierszaak.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien volgt, naar het oordeel van het hof ook dat verdachte die inbraak tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Het hof acht het daarbij niet van belang of verdachte zelf in de juwelierszaak is geweest dan wel als bestuurder van de (vlucht) auto in de directe nabijheid van die zaak stond te wachten. Zo volgt uit de tot bewijs gebezigde verklaringen dat drie personen de juwelierswinkel via de - door één van hen met veel kabaal - vernielde toegangsdeur betreden hebben. Gezien is dat op en neer werd gelopen naar de in de directe nabijheid van de juwelierszaak gereedstaande (rode) vluchtauto en dat buit in de auto werd gelegd. Tevens is verklaard dat in de rode auto een bestuurder zat. Na de aanhouding - van onder meer - verdachte wordt in de personenauto, merk Nissan Micra, een deel van de uit de juwelierszaak gestolen sieraden en andere goederen aangetroffen. In de jaszak van medeverdachte treft de politie een groot aantal ringen aan. Er is dan ook - anders dan door de verdediging betoogd - sprake geweest van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, ook indien verdachte de persoon is geweest die zich ten tijde van de inbraak als bestuurder in de auto bevond.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging.

B. Bijzondere overwegingen feit 2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake is van een aanmerkelijke kans dat er een ongeluk zou kunnen plaatsvinden dat de dood tot gevolg zou kunnen hebben. De raadsvrouwe heeft in dat verband verwezen naar het Porsche-arrest (LJN ZD0139).

In onderhavig geval heeft verdachte zo blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen geen gevolg gegeven aan de aanwijzingen van de achtervolgende verbalisanten om het voertuig tot stilstand te brengen. Verdachte wilde kennelijk ontkomen aan zijn aanhouding.

Verdachte heeft meerdere malen, rijdende met een zeer hoge snelheid van circa 140 km/u, de door hem bestuurde personenauto naar links gestuurd. Dit terwijl hij wist dat het voertuig van verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich met nagenoeg dezelfde snelheid naast hem dan wel kort achter hem bevond. Er waren geen obstakels op de weghelft waar verdachte reed die maakten dat verdachte uit moest wijken naar de linkerweghelft.

Door deze gedragingen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn gedragingen een dusdanig ongeval zou kunnen plaatsvinden dat de bestuurder van de politieauto en diens bijrijder zouden kunnen komen te overlijden. Indien twee auto’s met de gegeven snelheid met elkaar in aanraking komen is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat er een dusdanig ongeval zal plaatsvinden dat een bestuurder en bijrijder komen te overlijden. Hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd ten aanzien van onder meer de zwaarte en grootte van de beide auto’s, de geoefendheid van de bestuurder en het feit dat een botsing kon worden voorkomen door uit te wijken dan wel af te remmen, doet daar niet aan af.

Het beroep van de verdediging op het Porsche-arrest verwerpt het hof nu het in het genoemde arrest een voor alle betrokkenen levensgevaarlijke verkeersmanoeuvre betrof, terwijl het in het onderhavige geval gaat om doelbewuste, tegen verbalisanten gerichte geweldshandelingen, gericht op het voorkomen van aanhouding.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

C. Bijzondere overwegingen feit 4

Door de raadsvrouwe is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat er ten aanzien van het DNA van verdachte dat is aangetroffen geen sprake is van een gesloten keten van bewijsvoering en dat dit dient te leiden tot vrijspraak. De raadsvrouwe betwist dat het gevonden DNA een daderspoor is en dat het stukje rubber waarvan dit spoor is afgenomen afkomstig is van een handschoen.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er gebreken zijn in de keten van bewijsvoering die er toe zouden moeten leiden dat het stukje rubber (latex) met daarop het DNA van verdachte van het bewijs wordt uitgesloten. Vaststaat dat het stukje latex is aangetroffen op een door de verbreking gevormde scherpe punt hout van het raamkozijn op de inklimplaats en achtergelaten moet zijn door degene die ingebroken heeft in het café. Uit de NFI-rapportage blijkt dat ten aanzien van het DNA dat op het stukje latex is aangetroffen geldt dat de kans dat het DNA van een willekeurig gekozen man (niet zijnde verdachte) matcht met het aangetroffen DNA profiel kleiner is dan één op één miljard. Het kan derhalve naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de inbraak in het café.

Door de verdediging is betwist dat het stukje aangetroffen materiaal van een handschoen afkomstig zou zijn. Het hof gaat bij het ontbreken van nadere onderbouwing van deze betwisting hieraan voorbij. Voorts is de vraag of het stukje aangetroffen materiaal al dan niet van een handschoen afkomstig is van ondergeschikt belang. Redengevend voor de bewezenverklaring is dat het DNA van verdachte is aangetroffen op de hiervoor omschreven plaats.

Door de verdediging is voorts, bij wijze van een mogelijk alternatief scenario, aangevoerd dat - kort samengevat - ingeval het stukje aangetroffen material toch van een handschoen afkomstig is, het DNA van verdachte daarop reeds enige tijd aanwezig was en - zo begrijpt het hof - door een ander ter plaatse terecht is gekomen en dat verdachte vanwege die mogelijkheid zou moeten worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de eerste plaats merkt het hof op dat, anders dan de verdediging betoogt, de enkele presentatie van een beweerdelijk alternatief scenario nog niet tot vrijspraak behoeft te leiden. Het hof is voorts van oordeel dat in het onderhavige geval de gepresenteerde alternatieve toedracht in het geheel niet aannemelijk is geworden. Noch in het door de politie opgemaakte proces-verbaal, noch uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is een begin van aannemelijkheid voor die toedracht te vinden. Verdachte heeft hier niets over verklaard. Hij beriep zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op zijn zwijgrecht.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, en ten aanzien van feit 6 tot een onvoorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week.

De raadsvrouwe heeft gesteld dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf te hoog is.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt.

Het hof is daarbij gekomen tot een gevangenisstraf die hoger is dan de advocaat-generaal heeft gevorderd dit terwijl het hof, anders dan de advocaat-generaal, niet tot bewezenverklaring van feit 3 subsidiair en feit 5 komt.

Niet kan worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin:

  • -

    de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde feit 2 onvoldoende tot uitdrukking komt;

  • -

    onvoldoende rekening is gehouden met het gevaar dat verdachte door zijn handelen heeft veroorzaakt, niet alleen ten opzichte van de verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], maar eveneens ten aanzien van andere verkeersdeelnemers, en

  • -

    onvoldoende uiting wordt gegeven aan het maatschappelijk belang dat ordehandhavers, zoals verbalisanten, beschermd worden in de uitvoering van hun taken.

Het hof is van oordeel dat uit het handelen van verdachte blijkt dat hij zijn eigen belang om zich aan aanhouding te onttrekken en daardoor straffeloos te blijven heeft laten prevaleren boven de veiligheid van de verbalisanten in de politieauto.

Voorts heeft het hof bij het bepalen van de straf ten nadele van verdachte rekening gehouden met:

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële documentatie d.d. 3 juli 2013 reeds eerder terzake van gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, in het bijzonder voor [benadeelde 1] die reeds vele malen slachtoffer was geworden van diefstal en zijn bedrijf dientengevolge heeft gestaakt;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde schade voor de benadeelde partijen teweeg heeft gebracht, en

  • -

    de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd terwijl de verdachte

nog in zijn proeftijd zat.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een de verdachte betreffend reclasserings-rapport d.d. 16 mei 2012.

Ten aanzien van de overtreding van artikel 107, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 zal het hof overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal een onvoorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week opleggen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs.

Beslag

Niet is kunnen worden vastgesteld aan wie de in beslag genomen voorwerpen toebehoren. Voorts is niet komen vast te staan dat het hier voorwerpen betreft als bedoeld in artikel 33a, lid 1, onder a tot en met e, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal derhalve de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.365,32 (materiële schade) en € 250,- (immateriële schade). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.290,32, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering loopt in zoverre door in hoger beroep.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het verweer van de raadsvrouwe van verdachte, dat de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat het schadeonderbouwings-formulier niet is ondertekend, wordt door het hof verworpen. De opgave van de inhoud van de vordering van de benadeelde partij is immers geschied middels een door de benadeelde partij ondertekend daartoe vastgesteld formulier. Dat in dat formulier is verwezen naar een aangehecht schadeonderbouwingsformulier (dat niet ondertekend is) maakt dat niet anders.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.290,32 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de post “beschadigde sieraden (€ 1.325,-)” thans onvoldoende is onderbouwd. Voor het vaststellen van de hoogte van deze schade is nader onderzoek nodig waarvoor de behandeling van de strafzaak zou dienen te worden aangehouden. Het hof acht de aanhouding echter onwenselijk gelet op het belang van de vordering van de benadeelde partij in verhouding tot het belang van de strafzaak in zijn geheel.

De benadeelde partij kan daarom thans in het overige gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 4)

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 921,95. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouwe van verdachte dat [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat onvoldoende vast staat dat [benadeelde 2] de eigenaar is van het café [naam café]. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:

“Door aangever [huurder café] is verklaard dat het beschadigde pand eigendom is van de [benadeelde 2]. Dat [benadeelde 2] haar panden heeft ondergebracht in een Vastgoed B.V. ligt voor de hand. Nu voorts uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de herstelkosten betrekking hebben op het horecapand dat door aangever [huurder café] wordt geëxploiteerd, blijkt genoegzaam dat waar [huurder café] spreekt over de [andere naam benadeelde 2]in casu [benadeelde 2] wordt bedoeld.”

Het hof verenigt zich met voornoemde overweging van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 921,95. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van €1.130,- . Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 3] in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 04-801276-11

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Roermond van 16 mei 2012 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 21 december 2011, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken van oordeel dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van die straf dient te worden gelast.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 04-856475-10

Bij vordering van 16 mei 2012 heeft de officier van justitie te Roermond de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 10 september 2010, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Ter terechtzitting is vast komen te staan dat voormeld vonnis bij verstek is gewezen en dat zich in het dossier geen akte van betekening van de mededeling voorwaardelijk veroordeling aan verdachte bevindt. Het hof kan dus niet vaststellen of de proeftijd reeds was ingegaan. Het hof is dan ook met de advocaat-generaal van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 14h, 33, 33a, 36f, 45, 57, 62, 63, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, voorzover deze in Duitsland hebben plaatsgevonden.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 1, 2 primair en 4 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 6 bewezen verklaarde tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2012024292, 1 schroevendraaier, AACM0636NL, voorwerpnummer: 278913;

2012024292, 1 pijp, AACM0635NL, voorwerpnummer: 278932;

2012024292, 1 hoekijzer, voorwerpnummer: 280844.

2012024292, 2 sleutels, NISSAN en DOM, voorwerpnummer: 282842;

2012024292, 1 paar handschoenen, voorwerpnummer: 283120;

2012024292, 1 aardappelschilmesje, voorwerpnummer: 283121.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde toe tot het bedrag van € 2.290,32 (tweeduizend tweehonderdnegentig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 2.040,32 (tweeduizend veertig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 2.290,32 (tweeduizend tweehonderdnegentig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 2.040,32 (tweeduizend veertig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover (een van) de mededaders van de verdachte voormeld bedrag (heeft) hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde toe tot het bedrag van € 921,95 (negenhonderdeenentwintig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 921,95 (negenhonderdeenentwintig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Roermond van 16 mei 2012, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Roermond van 21 december 2011, parketnummer 04-801276-11, voorwaardelijk opgelegde

gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Roermond van 16 mei 2012, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Roermond van 10 september 2010, parketnummer 04-856475-10, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 4 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal van vergelijkend schoensporenonderzoek, pg. 849-856

2 Proces-verbaal van aangifte, pg. 271-273.

3 Proces-verbaal verhoor getuige, pg. 274-275.

4 Proces-verbaal verhoor getuige, pg. 280-281.

5 Proces-verbaal verhoor getuige, pg. 278-279.

6 Kennisgeving van inbeslagneming, pg. 202-206.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pg. 150.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pg. 252-255.

9 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2012, genummerd PL233C 2012024292-92

10 Proces-verbaal van bevindingen, pg. 266-268.

11 Proces-verbaal van bevindingen, pg. 297-298.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pg. 902-903.

13 Proces-verbaal van aangifte, pg. 643-645.

14 Proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen, pg. 650-655

15 Deskundigenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.01.05.071 d.d. 20 januari 2012, pg. 658-660.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pg. 293.