Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
20-000461-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:BV1477, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2769, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte en haar medeverdachte stichten brand bij de woning van de ex-vriendin van de medeverdachte. Het hof concludeert dat hun opzet in voorwaardelijke zin gericht is op de dood van de ex-vriendin en dat zij met voorbedachte raad hebben gehandeld. Het hof is daarom - anders dan de rechtbank, advocaat-generaal en de verdediging - van oordeel dat er sprake is van het medeplegen van poging tot moord. Het hof komt ook tot een zwaardere strafoplegging: een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. Die straf doorkruist de detentiefasering van de verdachte. De (voorlopig gehechte) verdachte neemt thans al deel aan een penitentiair programma en verblijft daarom in een zeer beperkt beveiligde inrichting met een grote mate van bewegingsvrijheid. Het hof is zich daarvan bewust en acht het ook passend en gewenst dat de detentiesituatie van de verdachte door de hiervoor genoemde straf wordt gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000461-12

Uitspraak : 2 oktober 2013

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 20 januari 2012 (ECLI:NL:RBROE:2012:BV1477) in de strafzaak met parketnummer

04-860344-11 tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te Maastricht op [geboortedatum] 1962,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost,

locatie Zeer Beperkte Beveiligde Inrichting ‘Ter Peel’, te Evertsoord.

A.Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord. De rechtbank verklaarde wel het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen, te weten (kort gezegd) het medeplegen van het opzettelijk brandstichten met gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander. De verdachte werd daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. De vordering van de benadeelde partij werd volledig toegewezen en ten behoeve daarvan werd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

B.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouwe naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouwe heeft bepleit dat de verdachte van het primair en partieel van het subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Voorts heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. De vordering van de benadeelde partij wordt door de verdediging niet weersproken.

C.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, aangezien het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

D.Tenlastelegging

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 10 juni 2011 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de voordeur van de woning van genoemde [slachtoffer], gelegen aan [adres van slachtoffer], met benzine heeft ingespoten en/of een emmer met benzine bij deze voordeur heeft geplaatst en/of (vervolgens) een prop papier, althans een servet, heeft aangestoken en deze prop papier, althans servet, (vervolgens) in genoemde emmer heeft gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), waardoor voornoemde voordeur vlam vatte, ten gevolge waarvan die voordeur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl bovengenoemde [slachtoffer] zich in voornoemde woning bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling zou volgen, dat:


zij op of omstreeks 10 juni 2011 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan [adres van slachtoffer], immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk de voordeur van de woning van genoemde [slachtoffer], gelegen aan [adres van slachtoffer], met benzine ingespoten en/of een emmer met benzine bij deze voordeur geplaatst en (vervolgens) een prop papier, althans een servet, aangestoken en deze prop papier, althans servet, (vervolgens) in genoemde emmer gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), waardoor voornoemde voordeur vlam vatte, ten gevolge waarvan de voordeur van genoemde woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor genoemde woning en/of de zich daarin bevindende goederen en/of voor belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer], in elk geval levensgevaar, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

E. Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.1

E.1 - Brandstichting bij de woning van [slachtoffer]

E.1.1

Op vrijdag 10 juni 2011 werden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door de meldkamer gestuurd naar [adres van slachtoffer] in Venlo. Dat was de woning van [slachtoffer]. Haar buurvrouw had 112 gebeld, omdat zij gebonk tegen de muur hoorde en vervolgens bij de voordeur van [slachtoffer] vuur zag. De verbalisanten zagen bij aankomst dat de voordeur in lichterlaaie stond en dat het glas van de voordeur gebarsten was.

Dit en meer blijkt uit het hierna weergegeven relaas van de verbalisanten.

“Op vrijdag 10 juni 2011 […], om 02:11 uur, werden wij, verbalisanten, door de regionale meldkamer [van de] politie, gestuurd naar [adres van slachtoffer] in Venlo. […] Omstreeks 02:16 uur waren wij ter plaatse. […] Wij zijn direct naar deze woning gerend samen met de brandweer. Wij zagen dat bij perceel 12 de voordeur in lichterlaaie stond. Wij zagen dat het glas van de voordeur gebarsten was. Wij roken direct een geur gelijkend op die van benzine […]. Wij zagen dat het vuur daarop direct geblust werd door de brandweer door middel van water. […] Wij zagen dat - buiten de voordeur - het deurkozijn, de vloermat en de buitenmuur verkoold waren.

Wij zagen dat de voordeur vervolgens geopend werd door de brandweer. Wij zagen dat zich in de woning een vrouw bevond. […] Wij hoorden van de vrouw dat zij de bewoonster was van de woning en genaamd was [slachtoffer]. Wij zagen dat de vrouw stond te trillen op de benen. Wij hoorden van [slachtoffer] dat ze het vermoeden had dat de brandstichting te maken had met haar ex-vriend [medeverdachte] (het hof: medeverdachte [medeverdachte]). [slachtoffer] verklaarde dat ze lastig gevallen wordt door […] genoemde ex-vriend en de inmiddels ex-vriendin van hem, genaamd [verdachte] (hof: de verdachte [verdachte]). […] [slachtoffer] verklaarde […] dat ze een camera had hangen aan de woning […] ter hoogte van [de] voordeur. […] Wij zagen op de beelden [van deze camera] […] op het tijdstip 02:10:48 uur een steekvlam bij de voorzijde van de woning en […] een persoon wegrennen. […] Wij hoorden van [slachtoffer] dat ze deze persoon herkende als de eerder genoemde [verdachte].

Ik, [verbalisant 1], […] werd […] aangesproken door een buurvrouw, genaamd [getuige 1], wonende in perceel 14. […] Omstreeks 02:10 uur zou ze aan de voorzijde van de woning een klap hebben gehoord en glasgerinkel. Vervolgens hoorde ze bonken tegen de muur. Wijnans verklaarde dat ze met buurvrouw [slachtoffer] afgesproken had dat als ze problemen zou hebben, dat ze dan tegen de muur bonkt om haar te waarschuwen. Vervolgens was [getuige 1] opgestaan en heeft de voordeur van de woning geopend waarop ze bij de voordeur van de buren vuur zag. Daarop heeft ze direct de hulpdiensten gewaarschuwd via 112.” 2

E.1.2

[slachtoffer] deed aangifte. Zij verklaarde wakker te zijn geworden van een krakend geluid en toen naar de trap te zijn gelopen. Vanaf de trap op de eerste verdieping, op welke verdieping zij sliep, zag zij een vlam bij haar voordeur. Zij zag dat de voordeur in brand stond. Zij heeft toen op de muur van de buren geklopt. Een kennis ging op haar verzoek kijken bij de woning van de verdachte, de ex-vriendin van haar ex-vriend die haar al eens had lastiggevallen (vgl. E.1.1). Deze kennis, [getuige 2], stuurde [slachtoffer] vervolgens per sms het bericht dat de personenauto van de verdachte daar om 02:20 uur kwam aangereden en dat er een vrouw in zat. [slachtoffer] heeft daarna de beelden bekeken van de camera die boven haar voordeur hing. Zij zag op het tijdstip 02:10:48 uur opeens veel licht en zag daarna de verdachte weglopen.

Dit en meer blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal van aangifte.

“Ik doe aangifte. […] Op donderdag 9 juni 2011, omstreeks 23:30 uur, ben ik gaan slapen in mijn woning. Ik ben woonachtig [aan [adres van slachtoffer] te Venlo]. […] Ik was […] alleen in mijn woning. Mijn twee kinderen sliepen dit weekend niet bij mij.

Op vrijdag 10 juni 2011, omstreeks 02:00 uur, werd ik wakker van een krakend geluid. […] Ik moest nog even wakker worden. Ik ben vervolgens naar de trap gelopen. Ik slaap op de eerste verdieping. […] Bij de trap keek ik naar beneden. Ik zag een vlam bij mijn voordeur. Ik zag dat mijn voordeur in brand stond. Ik heb toen meteen op de muur van de buren geklopt, welke ook de brandweer hebben gebeld. […]

Omstreeks 02:13 heb ik een kennis,[getuige 2], een sms gestuurd met de letter J. […] [getuige 2] gaat dan kijken bij [verdachte] thuis op[adres 1] te [woonplaats 2]. Dit hebben wij samen afgesproken. Hij stuurde mij een sms terug dat hij om 02:20 uur haar personenauto zag aan komen rijden en dat er een vrouw in de personenauto zat.

Ik heb een camera rechts schuin boven de voordeur hangen, welke de voordeur filmt. […] Ik heb direct de camerabeelden bekeken. Ik zag om 02:10:20 uur [dat] een vrouw vanaf links richting mijn voordeur kwam gelopen. […] Ik zag dat de vrouw […] een hoofddoek droeg, welke zij aan de achterzijde had vastgebonden. Ik herkende de vrouw als zijnde [verdachte]. Ik weet dat zij […] woonachtig is op [adres 1] te [woonplaats 2]. [verdachte] is de ex-vriendin van mijn ex-vriend [medeverdachte]. […] Ik zag op de camerabeelden dat [er] om 02:10:48 uur opeens veel licht was en dat [verdachte] via de linkerzijde wegliep.” 3

E.1.3

Bevelvoerder [getuige 3] van de brandweer Venlo was met zijn eenheid naar de woning van [slachtoffer] uitgerukt. Hij is op 26 oktober 2011 door de politie als getuige gehoord. Bij die gelegenheid verklaarde hij onder meer het volgende.

“U vraagt mij een verklaring af te leggen over de brandstichting op 10 juni 2011 omstreeks 02:11 uur bij de woning aan [adres van slachtoffer] te Venlo. Op de betreffende dag was ik werkzaam als bevelvoerder van de beroepseenheid brandweer Venlo. Naar aanleiding van de melding van een brand bij de woning aan [adres van slachtoffer] te Venlo ben ik met mijn eenheid ter plaatse gegaan. […] Als wij niet ter plaatse waren gekomen, had de brand de woning in kunnen slaan.” 4

E.1.4

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof [getuige 3] als getuige-deskundige nader ondervraagd. Hij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard.

“Ik weet dat het vandaag gaat over een inzet bij een brand die een tijd geleden heeft plaatsgevonden. Ik begrijp dat het om de brandstichting op 10 juni 2011 gaat. […]

Over de brand waar het hier om gaat herinner ik me dat er een melding kwam van brand bij een woonhuis in [adres van slachtoffer] te Venlo.[…]

Ik ben ten tijde van de brand daar ter plaatste geweest. Het was een brand bij de voordeur van de woning. […]

Als je een deur inspuit met een vloeistof die goed hecht, dan verhoog je de gevaarzetting.

Hetzelfde is het geval indien je een brandbare stof voor de deur zet. […]

U toont mij de kleurenfoto’s van de voordeur op pagina 32 en verder van het dossier (het hof: de voordeur van de woning aan [adres van slachtoffer] te Venlo). Ik zie op deze foto’s een deur met twee glasruiten. Ik zie ook dat het redelijk gebrand heeft. Ik zie dat één van de ruiten al gebroken is. Als een ruit is gebroken bestaat er een groot gevaar dat de brand door de ruit heen naar binnen trekt. Een brand trekt meestal naar boven toe. Op de foto’s in het dossier zie ik wel dat het hout van de deur is ingebrand.” 5

E.1.5

In de namiddag van 10 juni 2011 liet [slachtoffer] weten dat een buurtbewoner een spuitbus had gevonden. Het vermoeden was dat deze spuitbus gebruikt was om brand te stichten.

Dit komt naar voren in het volgende relaas van de verbalisanten.

“Op vrijdag 10 juni 2011, omstreeks 16:30 uur, […] zijn wij [naar aanleiding van de brandstichting bij de woning aan [adres van slachtoffer] te Venlo] ter plaatse gegaan om […] een buurtonderzoek te verrichten.

Ter plaatse zijn wij eerst [gegaan naar] de betreffende woning. […] Vervolgens hebben we gesproken met aangeefster [slachtoffer], welke aangaf dat een buurvrouw (het hof: in een aanvullende verklaring spreekt zij van ‘een buurtbewoner’ 6 ), wonende aan [adres 2] te Venlo, een spuitbus had gevonden. Het vermoeden was dat deze spuitbus door de verdachte gebruikt was om de brandstichting te plegen.” 7

E.1.6

Buurtbewoner [getuige 4] bewoonde de hoekwoning aan [adres 2] te Venlo. In de brandgang, naast zijn woning, rook hij een benzinelucht. In de struiken vond hij vervolgens een plastic spuitbus.

Dat volgt uit zijn hierna weergegeven getuigenverklaring.

“Op vrijdag 10 juni 2011, omstreeks 14:00 uur, zag ik vanuit mijn woning twee mannen naar iets zoeken in de struiken rondom mijn woning. Ik woon aan [adres 2] te Venlo. Mijn woning betreft een hoekwoning. Naast mijn woning ligt een brandgang.

Ik had net gehoord dat er een brandstichting had plaatsgevonden bij de woning aan [adres van slachtoffer] te Venlo. Ik ben naar buiten gelopen. […] Een aantal minuten later zag ik de buurvrouw van nummer 12 ook zoeken in de struiken. Ook zag ik dat de buurvrouw zocht in de brandgang naast mijn woning.

Een tijdje later ben ik ook gaan kijken in de brandgang naast mijn woning. In de brandgang rook ik een benzinelucht. Hierop ben ik gaan kijken in de struiken en zag ik een plastic spuitbus liggen.” 8

E.1.7

De spuitbus werd door de politie in beslag genomen en door verbalisant [verbalisant 3] omschreven als een fles ‘Spoel Glans’ van de Albert Heijn, zo blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Ik, verbalisant [verbalisant 3], […] verklaar het volgende.

Inbeslagneming.

Datum: vrijdag 10 juni 2011 […]

Object: Keukenartikel […]

Aantal/eenheid: 1 Fles

Merk/type: Albert Heijn Spoel Glans […]

Inhoud: Werd aangetroffen in een brandgang naast woning [adres 2]

Bijzonderheden: Inhoud mogelijk benzine.” 9

E.1.8

De fles is onderzocht door verbalisant [verbalisant 4] van de afdeling Forensische Opsporing. De vloeistof in de fles rook naar benzine en bleek ontvlambaar te zijn.

Dit blijkt onder meer uit het hierna weergegeven proces-verbaal.

“Via de dagcoördinator kreeg ik, verbalisant [[verbalisant 4] van de Forensische Opsporing], […] een plastic 500 ml knijpfles aangeleverd voorzien van een sticker “Albert Heijn Spoel Glans”. De knijpfles was veilig gesteld door verbalisant [verbalisant 3]. […]

Deze fles heb ik op 30 juni 2011 […] onderzocht. […] Ik zag dat de fles voor een deel was gevuld met vloeistof. De dampen, afkomstig van deze vloeistof, heb ik met een gasdetectiemeter […] gemeten. […] Tijdens de meting waren [de] meetwaardes gemiddeld 500 Part Per Million, hetgeen een aanwijzing gaf dat het hier een ontbrandbare vloeistof betrof. De vloeistof, ca. 200 ml, rook naar benzine en werd vervolgens door mij uit de knijpfles verwijderd en opgeslagen in een glazen pot. Een monster van deze vloeistof heb ik op 7 juli 2011 […] getest op brandbaarheid. De vloeistof was ontvlambaar.” 10

E.2 - Verklaringen van de verdachte

E.2.1

Voorafgaande aan het eerste politieverhoor heeft de verdachte overleg gehad met een raadsman. De verdachte legt vervolgens tijdens dat eerste politieverhoor de volgende verklaring af.

“[Verbalisant]: Wat wenst u over het incident van vannacht te verklaren?[…]

[verdachte]: Ik heb die brandstichting gepleegd.

[Verbalisant]: Vertel verder.

[verdachte]: Vorig jaar heeft dat vrouwtje, de ex van mijn vriend, ons bedreigd. Tussen dat vrouwtje en mijn vriend botert het al lang niet goed. Het vrouwtje heet [slachtoffer] (het hof: [slachtoffer]) en mijn vriend heet [medeverdachte]. Mijn vriend draaide door van al die problemen. […] Mijn vriend wilde dat [slachtoffer] hiervoor ook een keer gestraft werd. […] Hij kan niet meer goed functioneren met relaties en kinderen. Ik bedoel dat hij in zijn hoofd niet goed is. Hij heeft pas rust als [slachtoffer] gestraft is.

[Verbalisant]: Wanneer ben je op het idee gekomen om brand te stichten?

[verdachte]: Afgelopen zaterdag (het hof: 4 juni 2011) had ik het met hem uitgemaakt. Hij is internationaal vrachtwagenchauffeur. […] Nadat ik het had uitgemaakt, werden er veel sms’jes over en weer gestuurd. [medeverdachte] sms’te dat hij het niet meer zag zitten. Hij had mij niet meer en de problemen met zijn ex waren nog niet opgelost. In de sms-berichten vertelde hij dat hij er helemaal kapot van was en dat hij het met mij opnieuw wilde proberen.

Afgelopen woensdagnacht (het hof: de nacht van 8 op 9 juni 2011) stuurde [medeverdachte] mij een sms’je met daarin het idee om [slachtoffer] te straffen. [medeverdachte] zei in het bericht dat ik een emmer met benzine voor haar deur moest zetten en in brand moest steken. In de emmer moest ik een doek leggen en [de] voordeur moest ik bespuiten met benzine. Hierna moest ik met een servetje de emmer in brand steken. Over deze brandstichting zijn meerdere sms-berichten naar elkaar verstuurd. In een van deze berichten vertelde hij mij dan dankbaar te zijn om dit te doen zodat hij opnieuw kon beginnen.

[Verbalisant]: Wat is er met de sms-berichten gebeurd?

[verdachte]: [medeverdachte] kwam met het voorstel om alle sms-berichten te wissen wat ik ook gedaan heb.

[Verbalisant]: Wat voor telefoon heb jij?

[verdachte]: Ik heb twee Samsung telefoons. In een zit een Duits kaartje want dit was goedkoper bellen als [medeverdachte] in het buitenland zat. […] Ik weet alleen het nummer van de Nederlandse. […] Dit is [telefoonnummer]. […]

[verdachte]: Hij sms’te […] dat hij rust wilde hebben en hij bleef maar aandringen dat ik daar brand moest gaan stichten. Dan pas had hij rust en kon hij weer verder.

[Verbalisant]: Op een gegeven moment beslis je toch om brand te gaan stichten. Waarom? [verdachte]: Na de sms’jes op woensdagavond heb ik niet meer geslapen. […] De volgende dag ben ik toch naar mijn werk gegaan. […] Tot ‘s morgens 11 uur kreeg ik sms’jes van [medeverdachte] en in die sms’jes kwamen weer die vragen om brand te gaan stichten bij [slachtoffer]. Vanaf 11:00 tot 17:00 uur heb ik geen sms-berichten van [medeverdachte] gekregen omdat hij volgens mij toen sliep. Na 17:00 uur kwamen weer die sms’jes om brand te gaan stichten. In een van die sms’jes stond dat ik het donderdagnacht kon doen, want hij was nog weg.

[Verbalisant]: Waar was [medeverdachte] dan?

[verdachte]: Hij sms’te mij dat hij richting Duisburg reed.

[Verbalisant]: Wat gebeurde er vervolgens.

[verdachte]: Ik werd door die sms’jes gek. Ik zat zelf ook niet goed in mijn vel. […] Vervolgens ben ik op vrijdagmorgen 10 juni 2011 omstreeks 00:30 uur met mijn auto […] naar de woning van [medeverdachte] gereden. [medeverdachte] woont op het adres [adres 3] in [woonplaats 1]. Ik had nog een sleutel van de woning en ben de woning binnen gegaan. [medeverdachte] had mij eerder een berichtje gestuurd dat in de schuur de emmer en benzine klaar stond en een afwasmiddelfles met benzine erin. Toen ik in de schuur kwam zag ik dat er een emmer klaar stond met benzine en een doek erin. Ik zag ook een prop wat leek op een servetje en de afwasmiddelfles met benzine. […] Ik heb deze in de auto geladen en ben naar [slachtoffer] gereden.

[Verbalisant]: Waar woont [slachtoffer]?

[verdachte]: [adres van slachtoffer] te Venlo. […]

[Verbalisant]: Wie wonen daar allemaal?

[verdachte]: [medeverdachte] zei dat de kinderen dan bij vader en dan bij moeder verblijven en dat [slachtoffer] daar woont.

[Verbalisant]: Als je met de auto een emmertje benzine vervoerd is dat niet prettig in de auto.

[verdachte]: Dat klopt. Er zat een deksel op het emmertje en de afwasmiddelfles zat in een plastic zak. De prop papier lag op de deksel van de emmer.

[Verbalisant]: Hoe heb je die spullen vastgepakt?

[verdachte]: Bij die spullen lagen twee plastic doorzichtige handschoenen. Ik heb die handschoenen aangetrokken en vervolgens de spullen in mijn auto geladen. Ik heb de spullen achter de bestuurdersstoel op de vloer gezet.

[Verbalisant]: Heb je die handschoenen tijdens het rijden aangehouden?

[verdachte]: Ja, ik heb die pas uitgedaan toen ik brand had gesticht bij [slachtoffer]. Ik heb die handschoenen toen in de zakken van mijn vest gedaan die later door de politie zijn gevonden.

[Verbalisant]: En toen.

[verdachte]: In de zijstraat van [slachtoffer] heb ik de auto geparkeerd. Van [medeverdachte] had ik via sms gehoord waar ik mijn auto moest parkeren. […] Vervolgens heb ik de spullen uit de auto gepakt, de emmer en de plastic zak met het afwasmiddelflesje had ik in de handen en de prop papier in een van mijn vestzakken gestopt.

[Verbalisant]: Je komt bij de woning van [slachtoffer] en wat zie je dan?

[verdachte]: Ik zag alleen het huisnummer 12 en een lampje boven de deur. […]

[Verbalisant]: Wat gebeurde er vervolgens?

[verdachte]: Ik heb het emmertje voor de deur neergezet. Het dekseltje had ik al eerder bij [slachtoffer] in de buurt in de struiken gegooid. Ik heb hierna de voordeur ingespoten met het afwasmiddelflesje met benzine. De plastic tas waarin dit flesje zat heb ik ook bij het dekseltje in de struiken gegooid. Ik heb de prop papier uit mijn vest gepakt en met mijn aansteker aangestoken. Hierna heb ik de brandende prop papier in de emmer met benzine gegooid en ben meteen achtergelopen (het hof begrijpt: achteruitgelopen).

[Verbalisant]: Wat zag je toen?

[verdachte]: Ik zag vuur, een grote vlam en korte tijd later een plof. […]

[Verbalisant]: Wat heb je toen gedaan?

[verdachte]: Ik heb niet omgekeken en ben meteen weggelopen. Tijdens het lopen naar de auto heb ik mijn plastic handschoenen in mijn vest gestopt. […]

[Verbalisant]: Wat voor kleding droeg je tijdens de brandstichting?

[verdachte]: Dat wat ik nu aan heb en ik had een doekje op de kop. […]

[Verbalisant]: Waarom had je het sjaaltje niet om je nek maar op je hoofd?

[verdachte]: [medeverdachte] had gezegd omdat ik blonde haren had dat je dit sneller in het donker ziet en dat ik een doekje op mijn hoofd moest doen. Misschien zou [slachtoffer] mij [herkennen] aan mijn haren.

[Verbalisant]: Waar ben je na de brandstichting heengegaan?

[verdachte]: Ik ben direct met mijn auto naar huis (het hof: [adres 1] te [woonplaats 2]) gegaan. Ik heb er erg veel spijt van. Ik weet nog dat [medeverdachte] had geschreven dat ze hem niets konden maken, omdat hij zich met de schijven van de vrachtauto in kon dekken.” 11

E.2.2

Tijdens een ander politieverhoor voegde zij daar nog het volgende aan toe.

“[Verbalisant]: [medeverdachte] verklaarde dat jij op donderdagmiddag9 juni 2011 hem een sms-bericht had gestuurd waarin stond dat jij een waterpistool [ging] halen in de winkel. Waarvoor had jij een waterpistool nodig?

[verdachte]: […] Dan kon ik daar de benzine in doen. Ik kon dan de benzine tegen de deur spuiten. […] Ik heb uiteindelijk geen waterpistool gehaald. […] Ik weet niet wanneer [medeverdachte] die week thuis is geweest. Maar hij gaf wel aan dat het klaar zou staan met een emmer benzine.” 12

E.2.3

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de verdachte verder ondervraagd. De verdachte die zij toen heeft afgelegd, luidt voor zover van belang als volgt.

“Ik heb op 10 juni 2011 bij de woning van [slachtoffer] in Venlo brand gesticht. Dat deed ik in opdracht van meneer [medeverdachte]. Meneer [medeverdachte] heeft een emmertje, een flesje en een servetje klaargezet. Hij wilde dat ik de voordeur van de woning van [slachtoffer] zou ondersproeien met benzine. […] Van het servet had hij een bolletje gemaakt. Ik zou dat aansteken en in de emmer gooien, zodat het zou ontploffen.

[medeverdachte] wilde inderdaad dat ik de deur met benzine zou ondersproeien. Hij heeft dat gezegd tegen mij. […] Hij wilde [slachtoffer] straffen. […] Hij had nog steeds blokkades in zijn hoofd door haar. Hij wilde haar daarom straffen. […]

Op dat moment was de relatie tussen ons al over. Ik was nog wel verliefd op hem. Hij heeft gezegd dat ik hem heel blij zou maken, als ik dit zou doen. […]

Het was midden in de nacht, na mijn werk. Het klopt dat dan de meeste mensen liggen te slapen. […]

Voorafgaand aan de brandstichting vertelde hij mij dat ik hem daarmee blij zou maken en dat hij - als hij klaar was met [slachtoffer] - rustig kon nadenken en de blokkade uit zijn hoofd kon halen. […]

In mei 2010 is mijn relatie met [medeverdachte] via het internet begonnen. Ik heb het uiteindelijk uitgemaakt. Ik kon er niet meer tegen dat hij met een blokkade in zijn hoofd zat. Hij was nog niet over [slachtoffer] heen. Ik hoorde dat niet alleen van hem, maar ook van zijn familie. Die werden daar ook gek van. Ik was hartstikke verliefd op hem. Daarom heeft hij mij zover gekregen. […]

Mij wordt gevraagd wat de bedoeling was van het daar met een emmertje met benzine heengaan. [medeverdachte] wilde - dat heeft hij wel 1000 keer gezegd, al dan niet per sms - haar straffen voor de jaren dat hij een relatie met haar had gehad. Ik weet niet wat de straf zou moeten zijn. Ik kan het wel zeggen, maar dan… Hij wilde haar gewoon dood hebben. Dood. […]

Mij wordt gevraagd of mijn relatie met [medeverdachte] al was verbroken toen ik de brandstichting pleegde. Ja, ik had het toen inderdaad al uitgemaakt. […] Ik had het uitgemaakt, maar ik zat in mijn maag met zijn kinderen en ik was nog hartstikke verliefd. […] Mij wordt voorgehouden dat het ook zo zou kunnen zijn dat de verklaring van [medeverdachte] klopt en dat ík geen zin had in de stress en de blokkade in zijn hoofd wilde wegnemen. Als de blokkade weg was, zou het zijn opgelost. Ik had er eerst voor moeten zorgen dat die blokkade was opgelost. Maar ik deed dit in opdracht van hem. Wij konden onze relatie hervatten, als ik hem tevreden zou stellen en als hij met [slachtoffer] klaar zou zijn. Hij heeft ook tegen mij gezegd: “Ik hou van jou”. Mij wordt voorgehouden dat het lijkt alsof het dus niet helemaal bij [medeverdachte] ligt, maar ook bij mij, omdat ik dacht dat het dan weer goed zou komen. Mij wordt voorgehouden dat het misschien zo kan zijn dat ik de opdracht heb gekregen, maar dat ik dacht dat het misschien wel goed zou komen tussen ons op die manier. Dat klopt, op dat moment dacht ik dat. […]

Mij wordt voorgehouden dat ik het volgende tegenover de politie heb verklaard:

“[…] [medeverdachte] heeft ook constant gezegd: ‘Ik rust niet eerder dan dat ik haar voor mijn vier wielen heb gekregen.”

Dat klopt. Dat herken ik wel. Ik ging naar die woning terwijl hij van tevoren heeft gezegd: ‘Die moet ik voor mijn wielen krijgen’. Mij wordt gevraagd of de opdracht dat dan ook niet als doel had, dat [medeverdachte] haar dood wilde. Ja, dat is ook heel duidelijk. […]

Mij wordt gevraagd hoe ik de woning van [slachtoffer] herkende. Zij woonde aan [adres van slachtoffer]. Er was een lamp boven de deur. Die was niet aan. Het binnenlicht was volgens mij wel aan. […] Mij wordt gevraagd of ik nog iets anders heb gezien. Nee, verder heb ik niets gezien. Ik heb ook niet gecontroleerd of er iemand was. [medeverdachte] wist dat de lamp aan kon zijn […]. Dat had [medeverdachte] al verteld. […] Mij wordt gevraagd of het feit dat de lamp aan was, voor mij niet aanleiding was om een en ander te heroverwegen, omdat er wel eens iemand thuis zou kunnen zijn. Had ik dat maar gedaan! Maar dat besef is naderhand gekomen, tegelijk met mijn verstand. Ik moest dit doen voor [medeverdachte]. […]

Van mijn huis naar [slachtoffer] was het maar een kwartiertje. Het klopt dat ik eerst de benzine, de prop, de emmer en de handschoenen heb opgehaald. Toen ik vervolgens onderweg was, heb ik nog nagedacht of ik het wel of niet zou doen. Ik heb toen onder meer gedacht of ik nog mensen zou moeten bellen. Toen dacht ik: nee, dat doe ik niet. […] Mij wordt voorgehouden dat ik er dus bewust voor gekozen heb om [aan] het plan uitvoering te geven en dat ik daarover een kwartier heb nagedacht. Ik heb toch ook spijt van wat ik heb gedaan. […]

Mij wordt voorgehouden dat ik heb verklaard dat ik bewust heb gekozen om mee te doen, omdat ik hoopte dat het goed zou komen tussen [medeverdachte] en mij en dat ik ook keuzemomenten heb gehad. Dat weet ik. Mij wordt voorgehouden dat ik heb nagedacht of ik het wel of niet zou doen. Dat weet ik. Mij wordt voorgehouden dat ik heb verklaard dat ik bij de woning aankwam en dat er binnen een lamp aan was, maar dat [medeverdachte] had gezegd dat ik mij daar niet door moest laten afleiden. Mij wordt voorgehouden dat ik vervolgens toch door ben gegaan en daarmee bewust een enorm risico heb genomen. Mij wordt voorgehouden dat ik daarover niet alleen de laatste drie minuten heb nagedacht. Nee, dat klopt. […]

Mij wordt nogmaals voorgehouden dat ik heb verklaard dat ik een plof heb gezien. […] Mij wordt gevraagd of ik eraan heb gedacht om terug te gaan en te bonzen op de deur. Toen ik in de auto zat, heb ik nagedacht. Ik weet niet waarom ik niet ben teruggegaan om op de deur te bonzen. Mij wordt voorgehouden dat dat ook een moment was waarop iemand zijn daad kan overdenken. Er zijn veel momenten geweest.” 13

E.3 - De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]

E.3.1

Medeverdachte [medeverdachte] is op 11 juni 2011 aangehouden.14 Tijdens het tweede politieverhoor heeft hij onder meer het volgende verklaard.

“[Verbalisant]: [medeverdachte], zoals eerder verteld, word je verdacht van betrokkenheid bij de brandstichting gepleegd op vrijdag 10 juni 2011 te Venlo,[adres van slachtoffer]. Wie nam het initiatief tot de brandstichting? […] Brandstichting is een ingrijpend iets. Dan weet je toch wel wie het initiatief neemt?

[medeverdachte]: Volgens mij is het samen tot stand gekomen. […]

[Verbalisant]: Hoe groot was het risico dat de kinderen in de woning aanwezig waren?

[medeverdachte]: fifty fifty.

[Verbalisant]: Waarom heb je dat risico bewust genomen?

[medeverdachte]: […] [verdachte] heeft de deur in de fik gestoken. Met alle risico van dien wordt dat inderdaad zo ingecalculeerd. […]

[Verbalisant]: Heb je [verdachte] nog tegengehouden van brandstichting?

[medeverdachte]: Nee.

[Verbalisant]: Dus je hebt het […] laten gebeuren?

[medeverdachte]: Ja, dat klopt.

[Verbalisant]: Wat doet brand?

[medeverdachte]: Rook. Vuur. Vlammen. Dat vreet. Kapotmaken.

[Verbalisant]: Wat doet rook midden in de nacht?

[medeverdachte]: Paniek, verdampen en verstikking.

[Verbalisant]: En als je slaapt?

[medeverdachte]: Dan heb je de kans dat je niet meer wakker wordt als je te laat bent.

[Verbalisant]: Hoe komt het dat je dit weet?

[medeverdachte]: Dat weet een kind nog dat dit kan gebeuren.

[Verbalisant]: Kun je nog eens vertellen hoe het idee [van] de brandstichting precies is begonnen?

[medeverdachte]: […] Het blokpunt tussen [[verdachte] en mij was] [slachtoffer]. […] Zij [moest] er tussenuit. Toen zijn we op het idee gekomen om het samen te doen. […] [verdachte] zou dat dan doen als ik niet thuis was, want [verdachte] […] zou toch niets meer te verliezen hebben. […]

Opmerking verbalisanten: om het gesprek op gang te houden werd gestopt met typen van vragen en antwoorden. Samengevat komt het [vervolg van de verklaring van [medeverdachte]] op het volgende neer.

Op zondag 5 juni 2011 werd het idee geopperd om [slachtoffer] een lesje te leren. [verdachte] en ik waren allebei van mening dat [slachtoffer] als een blok tussen ons in stond. Ik ben in eerste instantie de drijvende kracht geweest achter de brandstichting. […] Ik ben met het idee gekomen om [slachtoffer] een lesje te leren door brand te stichten. Ik wilde dit doen door met een gasbrandertje de voordeur van [slachtoffer] aan te steken. […]

Ik wist dat [verdachte] de voordeur van [slachtoffer] in brand ging steken met benzine. […] Ik heb niets gedaan om haar tegen te houden. Ik heb het allemaal laten gebeuren.” 15

E.3.2

Het hof heeft medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep nader ondervraagd. Het hof heeft het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt, gevoegd in het dossier van de verdachte. In dit proces-verbaal is vermeld dat [medeverdachte] ten overstaan van het hof het volgende heeft verklaard.

“Ik heb inderdaad een relatie gehad met [slachtoffer], het slachtoffer in deze zaak. Die relatie duurde van mei 2005 tot oktober 2009. […] Van de ene kant wilde ik haar wel terug; van de andere kant niet. […] Mij wordt voorgehouden dat ik echter een relatie was aangegaan met medeverdachte [verdachte]. Ik had inderdaad een relatie met [verdachte]. Die relatie begon in april 2010 en was over in juni 2011. Onze relatie heeft dus een jaar of zo geduurd. [verdachte] heeft het toen uitgemaakt. […]

Mij wordt voorgehouden dat er op 10 juni 2011 brand is gesticht bij de woning van [slachtoffer] aan [adres van slachtoffer] te Venlo. Dat weet ik. Ik had dat plannetje in mijn hoofd, maar dat was […] een gedachtegang. Het idee was dat ik de deur zou verschroeien. […]

Mij wordt voorgehouden dat zowel mijn telefoon als die van [slachtoffer] is uitgelezen en dat daaruit blijkt dat ik onder meer het volgende naar haar heb ge-sms’t: “Hoop dat je er aan kapot gaat aan je bibberziekte” (blz. 78), “Wens je het allerergste toe” (blz. 85) en “Zou maar goed om je heen kijken als je weg gaat of ik niet toevallig in de buurt ben want je gaat de pijnbank op dat beloof ik je" (blz. 102). Mij wordt gevraagd waarom ik zoiets stuur naar de vrouw van wie ik zeg te houden. Dat is een soort frustratie geweest. […]

Mij wordt voorgehouden dat ik zulke sms-berichten op diverse dagen naar haar heb verzonden, zo ook het volgende bericht: “Nou dat valt dan weer vies tegen is een vrouw van de flat af gesprongen en laat kinderen achter dacht gelijk aan jou maar was er een van 30 jaar en jammer genoeg geen van 47”. Dat klopt. […] Ik heb dat soort sms’jes geschreven. Ik heb inderdaad ook geschreven dat ik haar zoiets gunde. […] Ik zat met een grote frustratie. […]

Mij wordt gevraagd hoe ik de deur dan wilde verschroeien. Ik wilde dat met een gasbrandertje doen. […] Dat was een gedachtegang. […] Ik heb daar wel met [verdachte] over gesproken. Dat was in het weekend. […]

Ik ken de gevaren daarvan (het hof: benzine). Brand, verstikking… Je komt daar niet levend uit als je een beetje pech hebt. Aan zoiets zit een flink risico. […]

De gedachten over het gasbrandertje kwamen van mij. In zoverre ben ik er als eerste mee gekomen. [verdachte] heeft daar in meegepraat.[…]

Mij wordt voorgehouden dat [verdachte] de brand heeft gesticht nadat ik daarover diverse sms'jes met haar heb gewisseld. Dat klopt.

Mij wordt voorgehouden dat [slachtoffer] ook kinderen had en dat ik op de vraag van de politie hoe groot het risico was dat de kinderen in de woning thuis aanwezig waren, heb geantwoord dat die kans vijftig procent was. Ik wist dat ze co-ouderschap had. Er zal dus of één persoon - [slachtoffer] - of er zullen drie personen - [slachtoffer] en haar twee kinderen - thuis zijn geweest. 16

E.4 - Sms-berichten

E.4.1

De mobiele telefoons van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn door het Bureau Digitale Expertise van de Regiopolitie Limburg Noord nader onderzocht.

Bij het onderzoek aan de gsm van het merk Samsung, type SGH-C260, die toebehoort aan de verdachte, is gebleken dat op 10 juni 2011 te 07:24:59 uur is binnengekomen een sms-bericht vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer]. Dat sms-bericht heeft de volgende inhoud: “Goedemorgen schat. Heb mij ook nog verslapen ook nog een half uur te laat maar ben al onderweg naar Venlo zal straks eens kijken naar je meester werk.”

Bij het onderzoek aan de gsm van het merk Samsung, type GTC 3050, die eveneens toebehoort aan de verdachte, is gebleken dat op 10 juni 2011 te 12:02:28 uur een sms-bericht is binnengekomen van het telefoonnummer [telefoonnummer], welk telefoonnummer in de gsm is opgeslagen onder de naam ‘[medeverdachte]/1’. Dat sms-bericht houdt in: “Het zal niet waar zijn he. Dat geloof ik toch niet he 48 jarige vrouw uit [woonplaats 2] aangehouden op verdenking van brand stichting.”

Bij onderzoek aan de gsm van het merk Samsung, type D900i, die toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte], is gebleken dat in de map Concepten een niet verzonden sms-bericht is opgeslagen dat inhoudt: “Ja kijk maar. Hoop dat het je lukt. Deze nacht.”

Na deze onderzoeken werden de mobiele telefoons retour gegeven.17

E.4.2

Aangezien de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voorafgaande aan hun aanhouding veel sms-berichten van hun mobiele telefoons hebben verwijderd en bereid waren de eerder in beslag genomen telefoons opnieuw voor onderzoek beschikbaar te stellen, heeft het hof in hoger beroep bevolen dat zou worden onderzocht of verwijderde sms-berichten nog achterhaald konden worden. Dat bleek mogelijk. Het hof stelt daarbij vast dat uit het onderzoek is gebleken dat niet alle sms-berichten zijn achterhaald. Dit volgt reeds uit de terzake opgestelde rapporten, waarin niet alle door medeverdachte [medeverdachte] aan de verdachte verzonden berichten als ingekomen bericht in de telefoons van laatstgenoemde zijn aangetroffen en vice versa. Het hof merkt in dat verband voorts nog op dat allerminst vaststaat dat alle bij medeverdachte [medeverdachte] in gebruik zijnde toestellen en/of simkaarten zijn onderzocht. Uit de verklaring van verdachte blijkt immers dat hij over vier telefoonnummers beschikte.18

Vorenstaande betekent dat het onderzoek geen volledig beeld van het sms-verkeer tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft opgeleverd.

In ieder geval blijkt uit het onderzoek wel het navolgende.

In de in beslag genomen gsm van medeverdachte [medeverdachte] werden onder meer de volgende (verwijderde) sms-achterhaald. Deze berichten stonden in de map Inbox, zijn allemaal verzonden vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer] (het hof: het telefoonnummer van de verdachte) en zijn allemaal gelezen.

Datum en tijd

Bericht

8 juni 2011 te 00:04:16 uur

Ik ga die hut in de fik steken ben het gewoon zat met die en als ze me krijgen heb ik pech gehad heb toch niks meer te verliezen

8 juni 2011 te 00:08:20 uur

Die kom jij niet meer tegen en die heeft alles kapot gemaakt

9 juni 2011 te 05:35:31 uur

Of de dood lukt schat dat weet ik niet

9 juni 2011 te 06:54:11 uur

Nu op dit moment is het even belangrijk om de vrede in jou terug te krijgen

9 juni 2011 te 06:59:42 uur

Ik hoop dat als dat in zuid opgelost is dat jij je rust heb en dat je me toch om me heen kan hebben en wat verdragen

9 juni 2011 te 07:30:56 uur

Het is toch onze keuze die we maken schat

9 juni 2011 te 17:02:48 uur

Hey schatje ik ga dalijk nog een water pistool halen doe daar wat benzine in spuit ik de deur in en wet dan de emmer er voor en een doek tegen de deur […] vuur er in en weg

9 juni 2011 te 21:04:56 uur

Ik ook schat ga wel straks even bij jou zwart aan trekken

10 juni 2011 te 02:13:03 uur

Gelukt

In een van de gsm’s van de verdachte, namelijk de gsm van het merk Samsung, type SGH-C260, werden onder meer de volgende (verwijderde) sms-berichten achterhaald. Deze berichten betreffen ontvangen berichten, die afkomstig zijn van het telefoonnummer [telefoonnummer] (het hof: het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte]).

9 juni 2011 te 05:31:59

Danke dat jij mij daar bij helpt het doet mij zo veel pijn dat ik mij liefde niet aan je kan geven weet je dat maar heb zo het gevoel dat ze mij nog steeds in de gaten aan het houden is en dat is gewoon een kut gevoel weet je dat of dat ze nog steeds door iemand op de hoogte gehouden word maar ik zou zo niet weten door wie

9 juni 2011 te 05:33:36

Ik hoop echt dat ik vanavond niet thuis kon weet je dat en dat er vrijdag op internet staat huis afgebrand en de bewoner overleden en dan heb ik vrede

9 juni 2011 te 05:38:26

Zal proberen deze nacht niet thuis te zijn hoe eerder hoe beter hoe eerder er rust is tussen ons hoe meer kans van slagen tussen ons

9 juni 2011 te 05:41:58

Dat is dat stille kokende bloed in mij. Was veel liever heel anders maar lukt gewoon niet dat bloed kookt en kookt. En daar door gaat het helemaal mis met ons kan niks hebben van je doet mij zelf ook pijn.

9 juni 2011 te 05:51:20

Ik ben vanaf toen gewoon helemaal dicht geklapt helemaal en nog steeds vind het heel lekker met je in bed […] niks is je te gek heb alles wat ik wil op dat gebied maar kom niet los

9 juni 2011 te 05:53:00 uur

Daarom moet die iemand ook kapot gemaakt worden of alles wat ze heeft kapot gemaakt worden dan heb ik rust

9 juni 2011 te 07:06:09 uur

Denk dat ik dan wel wat rustiger ben ja als dat achter de rug is

9 juni 2011 te 07:11:22 uur

Zuid dat is echt dat probleem zo lang die haar vet niet kwijt is komt er geen rust.

9 juni 2011 te 07:28:19 uur

[...] Maar we zullen het toch op de een of andere manier weer langzaam moeten opbouwen als zuid achter de rug is.

9 juni 2011 te 07:31:23 uur

Dus met andere woorden hoe eerder hoe beter. Hoe sneller ik rust heb.

9 juni 2011 te 16:25:31 uur

Ben ook weer wakker. […] Kom niet thuis deze nacht morgen vroeg losse duisberg dus dan weet je dat. XXX

9 juni 2011 te 16:54:03 uur

Ik ben mij rot aan het denke schat hoe ik dat weer snel op rij kan krijgen allemaal. Hoop dat het je deze nacht wel lukt weet je dat hoop het echt zal je dan ook heel heel dankbaar zijn daar voor en zal dat dan ook uiten naar je

10 juni 2011 te 00:14:12 uur

Hoop dat het je lukt deze nacht schat weet je dat zou te mooi zijn om waar te zijn en dat het goed raak is daar dan en de hele boel plat brand […]. En heb ik mijn rust weer in mijn bloed zitten.

10 juni 2011 te 00:54:54 uur

Schat ik ga even 2 uur liggen de autobaan is afgesloten 20 km verderop door een ongeluk tot min 3 uur dus ga ik tot een uur of 3.30 plat. Hoop dat het goed gaat allemaal ik hoor het wel van je. IHVJ XXX mis je

F. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Het verweer van de verdediging ten aanzien van het primair ten laste gelegde houdt kort gezegd in dat verdachtes opzet niet gericht was op de dood van [slachtoffer] en dat zij niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

F.1 - Waardering van de verklaringen van de verdachte

F.1.1

Alvorens op dit verweer in te gaan, merkt het hof op dat het van de lezing van de verdachte is uitgegaan die zij tijdens haar eerste politieverhoor naar voren heeft gebracht en door het hof voor het bewijs is gebruikt. Zij heeft direct een zeer gedetailleerde verklaring afgelegd. Dat zij op dat moment in strijd met de waarheid een voor medeverdachte [medeverdachte] belastende verklaring zou hebben afgelegd, acht het hof niet aannemelijk, omdat zij toen nog erg verliefd op medeverdachte [medeverdachte] was en door haar handelen nu juist de relatie tussen hen beiden wilde herstellen. Voorts heeft zij ook haarzelf in die verklaring belast. Het hof neemt daarom deze verklaring als betrouwbaar uitgangspunt. Haar overige tot het bewijs gebezigde verklaringen sluiten daarbij aan. Dat is ten aanzien van één kwestie anders, te weten de omstandigheid of er al dan niet een lamp in de woning brandde. In de eerstgenoemde verklaring heeft de verdachte verklaard dat het donker in de woning was. Daarop is zij echter later nadrukkelijk teruggekomen tijdens de terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 augustus 2012.

Het hof acht die ter terechtzitting afgelegde verklaring daaromtrent geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs, te meer nu zij heeft verklaard dat het al dan niet branden van een lamp in de woning een voor haar en medeverdachte [medeverdachte] relevante omstandigheid was die tussen hen beiden was besproken en ook niet valt in te zien dat zij hieromtrent in strijd met de waarheid zou verklaren nu zij zichzelf hiermee belast als ze hierover verklaart op de wijze als hiervoor in rov. E.2.3 is weergegeven.

F.1.2

De tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte vinden voorts op belangrijke onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen, zoals de tot het bewijs gebezigde sms-berichten. Hieruit volgt immers het bestaan van de uitdrukkelijke wens van medeverdachte [medeverdachte] dat het huis van [slachtoffer] zou afbranden en de inwoonster zou komen te overlijden, dat [slachtoffer] een sta in de weg was voor de relatie van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en dat het stichten van de brand bij de woning van [slachtoffer] door de verdachte diende te gebeuren als medeverdachte [medeverdachte] niet thuis was. Dat laatste vindt overigens ook steun in de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]. In diens verklaring is voorts steun te vinden voor het tussen hem en verdachte spreken over een brand aan/bij de woning van [slachtoffer] en over de wijze van uitvoering daarvan. Ook in het aantreffen van het afwasmiddelenflesje in de nabijheid van de woning van [slachtoffer] en de plastic handschoenen in het vest van de verdachte is steun te vinden voor de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte.

F.2 - Medeplegen

F.2.1

Het medeplegen van een delict veronderstelt een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Veelal zal die samenwerking tot uitdrukking komen in een gezamenlijke uitvoering, maar vereist is dat niet. Onder omstandigheden kan ook bij lijfelijke afwezigheid gedurende het begaan van het delict medeplegen worden aangenomen, zo volgt uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarbij gaat het erom dat de verdachte zo nauw en bewust met zijn mededader(s) heeft samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat hij het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met die ander(en) heeft gepleegd (vgl. HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7275).

F.2.2

Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt onder meer het volgende.

  • -

    De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zagen [slachtoffer] allebei als een obstakel in hun relatie. Aan dat obstakel moest een einde komen.

  • -

    Medeverdachte [medeverdachte] heeft meerdere malen (ook tegen de verdachte) geuit dat hij wilde dat [slachtoffer] kwam te overlijden.

  • -

    Medeverdachte [medeverdachte] heeft het plan opgevat om brand te stichten bij de woning van [slachtoffer] in Venlo. Medeverdachte [medeverdachte] stelde eerst voor om dat met een gasbrander te doen; de verdachte is daarin actief gaan meepraten.

  • -

    De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben (al dan niet per sms) over die brandstichting veelvuldig contact gehad. De bedoeling was dat de verdachte de brandstichting zou uitvoeren op een moment dat medeverdachte [medeverdachte] niet thuis was, omdat zij minder te verliezen had dan medeverdachte [medeverdachte].

  • -

    Medeverdachte [medeverdachte] heeft ten behoeve van de brandstichting een aantal voorwerpen in zijn schuur klaargezet voor de verdachte, namelijk de emmer met daarin benzine en een doek, het afwasmiddelflesje met benzine en de papieren prop die op een servetje leek. Verdachte heeft kort voor de brandstichting die voorwerpen opgehaald.

  • -

    Medeverdachte [medeverdachte] heeft tot kort voor de brandstichting per sms contact gehad met de verdachte. Op 10 juni 2011 omstreeks 00:14 uur schreef hij te hopen dat het haar zou lukken, dat het te mooi zou zijn om waar te zijn, dat het goed raak zou zijn, dat de hele boel zou platbranden en dat hij dan weer rust zou hebben.

  • -

    Medeverdachte [medeverdachte] is enkele minuten na de brandstichting al door de verdachte op de hoogte gesteld van de uitvoering. Op 10 juni 2011 omstreeks 02:13 uur schreef ze hem namelijk: “Gelukt”.

  • -

    Medeverdachte [medeverdachte] sms’te op 10 juni 2011 omstreeks 00:54 uur naar de verdachte dat hij even ging slapen en omstreeks 07:24 uur dat hij zich had verslapen, maar onderweg naar Venlo was om haar meesterwerk te bekijken.

F.2.3

Het hof concludeert uit deze gang van zaken dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het idee van de brandstichting samen hebben besproken en dat daarover tussen beiden intensief contact heeft plaatsgevonden. Voorts komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] ten behoeve van de brandstichting voor de verdachte ook voorwerpen heeft klaargezet en er bij haar meerdere malen op aangedrongen om de brand ook daadwerkelijk te stichten, hetgeen zij ook met behulp van die voorwerpen heeft gedaan. Medeverdachte [medeverdachte] heeft daarmee naar het oordeel van het hof een substantiële bijdrage gehad in de voltooiing van het delict, zodanig dat mag worden aangenomen dat hij dat samen met de verdachte heeft gepleegd (medeplegen). Dat medeverdachte [medeverdachte] lijfelijk niet aanwezig was bij de uitvoering, doet daar niet aan af. Integendeel: zijn lijfelijke afwezigheid was een onderdeel van (de uitvoering van) het plan: de brandstichting moest immers plaatsvinden op een moment dat hij niet thuis was.

F.3 - Voorwaardelijk opzet op de dood

F.3.1

Het hof komt dan tot de beantwoording van de vraag of de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in voorwaardelijke zin opzet hadden op de dood van [slachtoffer].

F.3.2

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de betreffende verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal moeten gaan om kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de betreffende verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

F.3.3

De eerste deelvraag is aldus of er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Anders dan de raadsvrouwe meent, leert de algemene ervaring wel degelijk dat het midden in de nacht bij/aan een woning stichten van brand een aanmerkelijke kans met zich brengt dat aanwezigen in die woning komen te overlijden. Vuur kan immers in het algemeen, en zeker als daarbij (zoals in casu) brandversnellende middelen worden gebruikt, als onvoorspelbaar en onbeheersbaar worden beschouwd. Dit geldt te meer bij een brand in de nachtelijke uren waar ontdekking en ingrijpen doorgaans langer op zich laten wachten. De raadsvrouwe heeft nog opgemerkt dat bij de beoordeling van voornoemde vraag van belang is dat de bevelvoerder van de brandweer tegenover de politie heeft verklaard dat het om een “kleine brand” ging. Het hof volgt de raadsvrouwe daarin niet. De brand is vrijwel onmiddellijk na het ontstaan ontdekt, waarna de brandweer snel ter plaatse was (omstreeks 02:11 uur werd de brand gesticht en omstreeks 02:16 uur was de brandweer ter plaatse), waardoor de brand kort na het ontstaan werd geblust en erger werd voorkomen.

F.3.4

Uit de bewijsmiddelen volgt dat:

  • -

    [slachtoffer] op het moment van de brandstichting thuis was.

  • -

    De verdachte de voordeur van de woning met benzine heeft ingespoten en een emmer met benzine en een doek erin voor de deur heeft gezet om vervolgens daarin een brandende prop papier te gooien. Nadat zij dat had gedaan en achteruit was gelopen, zag zij vuur, een grote vlam en hoorde korte tijd later een plof.

  • -

    De ter plaatse gekomen verbalisanten zagen dat de voordeur van de woning van [slachtoffer] in lichterlaaie stond.

  • -

    [slachtoffer] heeft verklaard dat zij de voordeur in brand zag staan.

  • -

    De bevelvoerder van de brandweer verklaarde dat de brand - als de brandweer niet ter plaatse was gekomen - de woning had kunnen inslaan. Hij verklaarde voorts dat op de hem getoonde foto’s van de voordeur te zien was dat het redelijk gebrand had. Hij constateerde bovendien dat een van de twee ruiten gebroken was. Bij een gebroken ruit bestaat volgens hem een groot gevaar dat de brand door de ruit heen naar binnen trekt. Die brand zal dan meestal naar boven trekken. De bevelvoerder verklaarde ook dat de gevaarzetting wordt verhoogd wanneer de deur met een vloeistof die goed hecht, wordt ingespoten en dat datzelfde geldt ingeval een brandbare stof voor de deur wordt gezet.

Onder die omstandigheden was er naar het oordeel van het hof in onderhavige kwestie een aanmerkelijke kans op de dood.

F.3.5

Afgezien nog van het feit dat de wetenschap van deze aanmerkelijke kans op de dood - gelet op de hiervoor genoemde algemene ervaringsregel - bij de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] mag worden verondersteld, is het hof van oordeel dat die wetenschap ook uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid. Het hof wijst er in dat verband op dat [medeverdachte] zelf heeft verklaard dat zelfs een kind de gevolgen van een brand kent. Hij verklaarde het volgende over die gevolgen: “Rook. Vuur. Vlammen. Dat vreet. Kapotmaken. Paniek. Verstikking. Je komt daar niet levend uit als je pech hebt.” Dat hij van de gevolgen incalculeerde, blijkt ook uit de door hem verstuurde sms-berichten. Hij schreef teksten als “Ik hoop dat er vrijdag op het internet staat: huis afgebrand en de bewoner overleden” en “Ik hoop dat het je lukt, dat het goed raak is en de hele boel plat brandt.” De verdachte was de ontvanger van die berichten. Het kan niet anders dan dat ook zij is uitgegaan van de aanmerkelijke kans dat er een iemand zou overlijden: dat was nu juist ook het doel van de brandstichting.

F.3.6

Dan resteert de (deel)vraag of de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ook bewust hebben aanvaard.

Ondanks mogelijke aanwijzingen voor het tegendeel - zoals het sms’je van medeverdachte [medeverdachte] waarin staat dat “ze dan net als ik ook opnieuw van onderaan kan beginnen” -, beantwoordt het hof die vraag bevestigend. Medeverdachte [medeverdachte] heeft meerdere keren geuit dat hij [slachtoffer] dood wenste en heeft tot op het laatst de verdachte aangemoedigd om de brand te stichten en heeft niets gedaan om haar te weerhouden van de uitvoering van het plan. Medeverdachte [medeverdachte] ging er van uit dat [slachtoffer] thuis zou zijn, getuige zijn verklaring dat er of één persoon - [slachtoffer] - of drie personen - [slachtoffer] en haar twee kinderen - thuis zouden zijn.

Voor de verdachte geldt dat zij van die doodswens op de hoogte was, maar toch midden in de nacht naar de woning van [slachtoffer] is gegaan om brand te stichten. Zij is ondanks het branden van de lamp in de woning doorgegaan met de uitvoering van het plan en heeft verklaard dat ze daarmee bewust een groot risico heeft genomen omdat er weleens iemand thuis kon zijn. Ook nadat de brand gesticht was en zij het vuur, de grote vlam had gezien en de plof had gehoord, heeft zij geen alarm geslagen. Integendeel, zij is zonder om te kijken weggelopen en heeft de verdachte laten weten dat het was gelukt.

F.3.7

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, bezien in verband met de gebezigde bewijsmiddelen, leidt het hof af dat verdachte en haar medeverdachte zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door hun handelen [slachtoffer] om het leven zou komen en die kans ook hebben aanvaard.

F.3.8

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven. Het verweer wordt verworpen.

F.4 - Voorbedachte raad

F.4.1

Voor een bewezenverklaring van poging tot moord, zoals primair ten laste is gelegd, is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten.

F.4.2

In dit geval ligt de voorbedachte raad in de aard van de gedragingen van de verdachten besloten. Zij zijn, zo komt uit de bewijsmiddelen naar voren, planmatig en weloverwogen te werk gegaan. Medeverdachte [medeverdachte] is - na een laatste aanmoediging om het plan tot uitvoering te brengen - gewoon gaan slapen. De verdachte heeft voorafgaande aan de uitvoering nog daadwerkelijk over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad nagedacht. Onderweg naar de woning van [slachtoffer] - een rit van ongeveer een kwartier - heeft zij nagedacht of ze het wel of niet zou doen, maar daarna toch besloten om ermee door te gaan.

F.4.3

Gelet op het vorenstaande, ook hier bezien in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voldoende tijd hebben gehad zich te beraden op het besluit tot levensberoving, in die zin dat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

F.4.4

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven. Het verweer wordt verworpen.

G.Bewezenverklaring

Het hof acht - op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 10 juni 2011 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de voordeur van de woning van genoemde [slachtoffer], gelegen aan [adres van slachtoffer], met benzine heeft ingespoten en een emmer met benzine bij deze voordeur heeft geplaatst en vervolgens een prop papier heeft aangestoken en deze prop papier vervolgens in genoemde emmer heeft gegooid, waardoor voornoemde voordeur vlam vatte, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl bovengenoemde [slachtoffer] zich in voornoemde woning bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

H. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 junctis de artikelen 45, eerste lid, en 47, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

I. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

J. Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot moord. Verdachte heeft samen met haar medeverdachte geprobeerd een einde te maken aan het leven van de ex-vriendin van de medeverdachte. De wijze waarop zij dat hebben gedaan, is verachtelijk. [slachtoffer], de ex-vriendin, lag te slapen toen er aan haar woning brand werd gesticht. Het was de bedoeling dat de woning zou afbranden en zij zou komen te overlijden. Het gemak waarmee het leven van een ander, een moeder van kinderen, zou zijn opgeofferd, om uit eigen relationele verwikkelingen te komen, is schokkend. Het voorval heeft diep ingegrepen in het gevoel van vrijheid en veiligheid van [slachtoffer]. Dat heeft zij treffend duidelijk gemaakt in haar schriftelijke slachtofferverklaring. Zij leeft nog altijd met de angst dat iemand haar of haar kinderen iets aan zal doen. Zij slaapt slecht en durft ook geen vriendjes van haar kinderen meer te laten logeren. Zij is - mede op verzoek van haar buren, die zich ook niet meer veilig voelden - verhuisd naar een andere woning. De verdachte en haar medeverdachte hebben dat aangericht en het hof rekent hen dat zwaar aan.

Het bewezen verklaarde is de verdachte volledig toe te rekenen. Weliswaar komt uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren dat de medeverdachte initiator tot het plegen van het delict is geweest, maar verdachte is daar actief in gaan meepraten en heeft de uitvoering voor haar rekening genomen. Dat de verdachte volgens haar uittreksel uit het justitieel documentatieregister niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, is voor het hof geen strafmatigend gegeven. Wel weegt enigszins strafmitigerend mee dat de verdachte van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven en dat zij inzicht lijkt te hebben in het laakbare van haar handelen. De spijt die de verdachte betuigde, kwam op het hof in elk geval oprecht over. Het hof weegt in enigszins strafmatigende zin ook mee dat de medeverdachte op geraffineerde wijze gebruik heeft gemaakt van verdachtes verliefde gevoelens voor hem.

Het hof heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende Pro Justitia rapport d.d. 29 september 2011 opgesteld door Van Beek, psychiater, en de reclasseringsrapporten d.d. 20 juli 2011, d.d. 25 oktober 2011 en d.d. 28 juni 2013.

Een en ander laat onverlet dat de ernst van het bewezen verklaarde naar het oordeel van het hof onvoldoende tot uitdrukking komt in de gevangenisstraf die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Die straf werd overigens ook opgelegd en gevorderd voor medeplegen van brandstichting en niet voor het medeplegen van poging tot moord.

Door de raadsvrouwe is als strafmaatverweer gevoerd dat verdachte bij haar aanhouding (gelet op de ernst van het feit waar het in casu om ging) ten onrechte de zogenaamde consultatiebijstand slechts facultatief is voorgehouden.

Nu de verdachte voorafgaande aan het eerste politieverhoor een advocaat heeft geraadpleegd en hetgeen zij daarvoor heeft verklaard niet tot het bewijs is gebezigd, behoeft het gevoerde strafmaatverweer geen bespreking.

Overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die moeten leiden tot verdere strafvermindering.

Het hof komt tot de slotsom. Alles afwegende, is het hof in het geval van de verdachte van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren passend en geboden is.

Die straf doorkruist de detentiefasering van de verdachte. De (voorlopig gehechte) verdachte neemt thans al deel aan een penitentiair programma en verblijft daarom in een zeer beperkt beveiligde inrichting met een grote mate van bewegingsvrijheid. Het hof is zich daarvan bewust en acht het ook passend en gewenst dat de detentiesituatie van de verdachte door de hiervoor genoemde straf wordt gewijzigd.

K.Schadevergoeding

Mevrouw [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. In eerste aanleg heeft zij een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van

€ 537,99,--, bestaande uit € 37,99-- aan materiële schade en € 500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, zodat zij van rechtswege voortduurt in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het gevorderde bedrag.

De verdachte en haar mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

De verdachte en haar mededader zijn jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het hof ziet aanleiding om ten behoeve van de benadeelde partij - ter meerdere zekerheid van de voldoening van haar civiele vordering - aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

L.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 45, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 537,99 (vijfhonderd zevenendertig euro en negenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2011 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 537,99 (vijfhonderd zevenendertig euro en negenennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2011 tot en met de dag der voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of de Staat, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. H. Eijsenga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 2 oktober 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s houdende onder meer ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal van de Regiopolitie Limburg Noord, opgenomen in het doorgenummerde onderzoeksdossier van de Regiopolitie Limburg Noord, Recherchecluster Venlo, dossiernummer 2011054027, met als opschrift “Onderzoek Brandstichting [adres van slachtoffer] te Venlo”, pagina 1 tot en met 379.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2011, pagina 17 tot en met 19.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 10 juni 2011, pagina 20 en 21.

4 Een niet van voormeld politiedossier onderdeel uitmakend proces-verbaal verhoor getuige d.d. 26 oktober 2011 van de Regiopolitie Limburg Noord, District Venlo, Basiseenheid [woonplaats 2], proces-verbaalnummer PL2322/2011054027-43, houdende de verklaring van de getuige [getuige 3].

5 Verklaring van de getuige-deskundige [getuige 3] ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2012, zoals weergegeven op pagina 2 en 3 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

6 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 10 juni 2011, pagina 50.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2011, pagina 46.

8 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 10 juni 2011, pagina 44.

9 Proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 juni 2011, pagina 251.

10 Een niet van voormeld politiedossier onderdeel uitmakend proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 juli 2011, van de Regiopolitie Limburg Noord, Regionale Recherche, Forensisch Opsporing, proces-verbaalnummer PL236E/2011054027-41.

11 Proces-verbaal van verhoor d.d. 10 juni 2011, pagina 307 tot en met 312.

12 Proces-verbaal van verhoor d.d. 20 juni 2011, pagina 323 en 324.

13 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 augustus 2012, zoals weergegeven in het proces-verbaal van die gehouden terechtzitting.

14 Proces-verbaal aanhouding d.d. 11 juni 2011, pagina 329.

15 Proces-verbaal van verhoor d.d. 12 juni 2011, pagina 353, 354, 358, 360 en 361

16 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de op 29 augustus 2012 gehouden terechtzitting in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], houdende de bij die gelegenheid door medeverdachte [medeverdachte] afgelegde verklaring.

17 Proces-verbaal d.d. 14 juli 2011, pagina 8 en 9; in combinatie met proces-verbaal d.d. 10 juni 2011, pagina 121 en 122 en het daarbij gevoegde onderzoeksrapport, pagina 130, het proces-verbaal d.d. 10 juni 2011, pagina 135 en het daarbij gevoegde onderzoeksrapport, pagina 156, en het proces-verbaal d.d. 15 juni 2011, pagina 193 en het daarbij gevoegde rapport uitlezen mobiele telefoon, pagina 219.

18 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 augustus 2012, zoals weergegeven op pagina 3 van het proces-verbaal van die gehouden terechtzitting.