Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4439

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
20-001270-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3624, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, waarbij verdachte tot 18 jaar gevangenisstraf is veroordeeld ter zake van de moord op de moeder van zijn kinderen. Het hof geeft nadere overwegingen (onder meer) ten aanzien van de voorbedachte raad en de betrouwbaarheid van de minderjarige getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001270-13

Uitspraak : 3 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-845171-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag]1981,

thans verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 Huis van Bewaring te Vught.

Hoger beroep

De verdachte is bij vonnis waarvan beroep ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar. De rechtbank heeft ook beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen en over de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het hoger beroep nadien ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben hun oorspronkelijke vorderingen tot schadevergoeding in hoger beroep verlaagd tot de bedragen die door de rechtbank zijn toegewezen. In zoverre zijn hun vorderingen aan het oordeel van het hof onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve wat betreft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de in de diepvriezer aangetroffen joggingbroek (vanaf de tweede alinea op pagina 9 van het vonnis tot en met de eerste alinea op pagina 12 van het vonnis) en de voorbedachte raad (halverwege pagina 12 van het vonnis tot en met de eerste alinea van pagina 13 van het vonnis) en wat betreft de beslissing over de in beslag genomen voorwerpen.

Het hof zal aanvullend enkele bewijsverweren bespreken die in hoger beroep zijn gevoerd door de verdediging. Tevens zal het hof de strafmotivering met een enkele overweging aanvullen.

Nieuwe verbeterde overweging over de in de diepvriezer aangetroffen joggingbroek

De rechtbank heeft overwogen dat de rechtbank de onderzoeksresultaten die zien op de joggingbroek met SIN-nummer AADH3271NL tot het bewijs “kan” bezigen “indien nodig”.

Het is het hof niet duidelijk wat de rechtbank hiermee bedoelt. Het hof overweegt dat naar zijn oordeel de bevindingen omtrent de in de diepvriezer aangetroffen joggingbroek met SIN-nummer AADH3271NL - naast de verklaringen van [naam dochter] - nadrukkelijk een bewijsmiddel vormen voor verdachtes betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer].

De bewijsoverweging wordt daarom opnieuw en als volgt opgezet.

Joggingbroek in beslag genomen onder nummer Sin-nummer AADH3271NL

In twee processen-verbaal wordt over de inbeslagname van een joggingbroek het volgende gerelateerd.

In een proces-verbaal van bevindingen wordt gerelateerd dat op 2 mei 2011 een onderzoek is ingesteld in de woning [adres]. In de wasruimte stond een diepvriezer. In die diepvriezer lag, onder bevroren diepvriesartikelen, een plastic tas. In die plastic tas zat een grijze joggingbroek met op verschillende plaatsen donkerrode spatten. De tas met daarin de joggingbroek is door een medewerker van de afdeling Forensische Opsporing van de regio Brabant-Noord veiliggesteld.1

In het proces-verbaal betreffende de aanvraag van een vordering tot benoeming van een deskundige, in de wettelijke vorm opgemaakt door[verbalisant] op
12 mei 2011, wordt gerelateerd dat verdachte op 2 mei 2011 in het perceel aan de [adres] is aangehouden. Na de aanhouding werd een onderzoek ingesteld in de verblijfplaats van verdachte. Daarbij werd onder meer een joggingbroek gevonden en veiliggesteld onder Sin-nummer AADH3271NL. Op deze joggingbroek werden meerdere bloedsporen waargenomen. Voor nader onderzoek is de joggingbroek overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut.2

Dat in de woning aan de [adres] nog een andere grijze joggingbroek met bloedspatten in beslag is genomen, is niet gebleken. Het verweer van de verdediging, inhoudende dat nergens uit blijkt dat de bebloede grijze joggingbroek aan het SIN-nummer AADH3271NL is gekoppeld, is met het voorgaande weerlegd. De joggingbroek die op
2 mei 2011 aan de [adres] in een diepvriezer is aangetroffen, is de joggingbroek die onder nummer AADH3271NL is veiliggesteld.

Joggingbroek 2 mei 2011 gedragen door verdachte

Verdachte heeft op 2 mei 2011 verklaard dat hij een paar maanden daarvoor gescheiden van [slachtoffer] is gaan wonen en dat hij sindsdien bij zijn broer aan de [adres] woont.3 Op 21 juli 2011 heeft verdachte verklaard dat hij zich herinnert dat hij - het hof leidt uit het verhoor af: op 2 mei 2011, ‘thuis’ aan de [adres] - een grijze broek waar bloed op zat, heeft uitgedaan. Dit was nadat verdachte klaar was met werken en kaas had gesneden in de keuken, even voordat verdachte naar bed wilde gaan.4 Gelet op de omstandigheid dat verdachte op 2 mei 2011 voor het laatst om 02.24 uur vertrok vanaf zijn zaak ([naam])5 concludeert het hof dat verdachte de bebloede grijze broek in de nachtelijke uren van
2 mei 2011 heeft uitgedaan.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring die verdachte op
21 juli 2011 heeft afgelegd over de grijze broek onbetrouwbaar is, omdat deze verklaring onder druk en door het voorhouden van onjuiste en onbevestigde informatie tot stand is gekomen. De verdediging heeft daarnaast gewezen op het feit dat verdachte in eerdere verhoren consistent heeft verklaard over één broek die hij die avond na zijn werk heeft gedragen.

Het hof stelt vast dat de informatie die de politie aan verdachte heeft voorgehouden niet altijd op alle punten juist of bevestigd was, maar is van oordeel dat dit de wijze waarop het verhoor is afgenomen niet onacceptabel maakt, nu uit niets blijkt dat de politie doelbewust informatie waarvan zij wist dat deze onjuist was, aan verdachte heeft voorgehouden.

Het hof constateert wel dat de politie de druk tijdens het verhoor enkele keren heeft opgevoerd, maar acht die druk in het licht van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt niet buitenproportioneel.

Voorts acht het hof de verklaring van verdachte dat hij de bebloede grijze broek heeft uitgedaan voordat hij die nacht van 2 mei 2011 naar bed ging, betrouwbaar. Daaraan doet niet af dat verdachte tijdens eerdere verhoren uitsluitend heeft verklaard over één broek die hij in die nacht heeft gedragen, namelijk de broek die hij droeg toen hij werd aangehouden.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de grijze joggingbroek die in de woning aan [adres] is aangetroffen in de diepvriezer, op 2 mei 2011 in de nachtelijke uren door verdachte is gedragen.

Op de joggingbroek aangetroffen bloedsporen

De grijze joggingbroek is door het NFI onderzocht. Verschillende bloedsporen op die broek zijn bemonsterd. De verkregen DNA-profielen van de bemonsteringen [SIN AADH3271NL#12] bloedspoor op de linkerbroekspijp midden/achter en [SIN AADH3271NL#10] bloedspoor op de rechterbroekspijp midden/voor, komen overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonsteringen afkomstig kan zijn van het [slachtoffer]. De berekende frequentie van de DNA-profielen van het bloed in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.6

De bloedsporen [AADH3271NL#10] en [AADH3271NL#12] zijn contact- en/of veegsporen.7

Het verkregen DNA-profiel van de bemonstering [SIN AADH3271NL#14] bloedspoor aan de voorzijde van de rechterpijp, komt overeen met het DNA-profiel van het [slachtoffer]. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering afkomstig kan zijn van het [slachtoffer]. De berekende frequentie van de DNA-profielen van het bloed in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.8

Het DNA-hoofdprofiel dat uit een analyse van een DNA-extract van een bemonstering van een bloedspoor aan de onderzijde van de rechter broekspijp [AADH3271NL#02C] is verkregen, is gelijk aan het DNA-profiel van het [slachtoffer]. De berekende frequentie van het vrouwelijk DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen vrouw hetzelfde DNA-profiel heeft als het DNA-hoofdprofiel verkregen van het celmateriaal in de bemonstering is kleiner dan één op één miljard.9

De bloedsporen [AADH3271NL#02] en [AADH3271NL#14] zijn zeer kleine min of meer ronde bloedspatjes.10

In opdracht van de rechter-commissaris in de rechtbank ’s-Hertogenbosch, heeft ingenieur [deskundige 1], forensisch wetenschappelijk onderzoeker bij Independent Forensic Services een bloedspooranalyse gemaakt aan de hand van foto’s van de plaats delict.

[deskundige 1] legt uit dat bij steekincidenten niet altijd bloedspatten vrijkomen, maar dat dit in de onderhavige zaak wel het geval is geweest, gezien het aantal bloedspatten en de verschillende locaties die op en rondom het slachtoffer zijn aangetroffen. Dit vergroot de kans dat de dader daadwerkelijk bloedspatten op zich heeft gekregen.

Volgens [deskundige 1] kunnen de bloedsporen op de joggingbroek die afkomstig kunnen zijn van het slachtoffer, zijn veroorzaakt doordat de drager ervan betrokken is geweest bij het delict. Er is veel steun voor de hypothese dat de drager van de broek betrokken is geweest bij een delict waarbij het slachtoffer gewond is geraakt en waarbij kracht is uitgeoefend op haar bloed.11

Het hof ziet niet voorbij aan de kanttekeningen en opmerkingen die [deskundige 1] bij zijn bevindingen heeft gemaakt. Zo oppert [deskundige 1] dat het mogelijk is dat het bloed van het slachtoffer op een ander moment op de joggingbroek terecht is gekomen dan tijdens het doodsteken van het slachtoffer. De kans dat het bloed wel tijdens het doodsteken van het slachtoffer op de broek is gekomen, is volgens de deskundige echter groter, indien er geen andere incidenten zijn geweest waarbij haar bloed is gedeponeerd. Het hof stelt vast dat uit

de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen andere incidenten naar voren zijn gekomen waarbij het slachtoffer bloed heeft verloren. De omstandigheid dat in het verkregen DNA-profiel van de bemonstering van de tailleband, DNA-nevenkenmerken zichtbaar zijn die overeenkomen met DNA-kenmerken van het [slachtoffer], waardoor het slachtoffer niet uitgesloten kan worden als donor van het celmateriaal in de bemonstering, is weliswaar een aanwijzing dat [slachtoffer] de broek te eniger tijd ook heeft gedragen, maar impliceert allerminst dat zij bij die eerdere gelegenheid bloed heeft verloren en al helemaal niet in de bloedspoorpatronen als geconstateerd door [deskundige 1].

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de broek met bloedvlekken, die de verdachte in de nachtelijke uren van 2 mei 2011 voor het slapen gaan heeft uitgetrokken, later die dag is aangetroffen in een diepvriezer. Mede gelet op de plaats waar de broek in die vriezer is aangetroffen (onder een aantal diepvriesproducten) staat voor het hof vast dat die joggingbroek daar is verstopt om te voorkomen dat de daarop voorkomende bloedsporen door de politie zouden worden ontdekt. Een andere aannemelijk te achten verklaring is uitgebleven.

Resumerend stelt het hof vast:

  • -

    dat verdachte in de nachtelijke uren van 2 mei 2011 een grijze joggingbroek heeft uitgedaan, waarop bloed van [slachtoffer] zat;

  • -

    dat de bloedsporen op die joggingbroek kunnen zijn ontstaan bij het doodsteken van [slachtoffer];

  • -

    dat niet aannemelijk is geworden dat het bloed van [slachtoffer] op een ander moment op de joggingbroek is gekomen;

  • -

    dat de joggingbroek op dezelfde dag dat verdachte die broek uitdeed, is verstopt in een diepvriezer onder verschillende diepvriesproducten, met het kennelijke doel te voorkomen dat de daarop voorkomende bloedsporen van [slachtoffer] door de politie zouden worden ontdekt.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte in de nacht van 2 mei 2011 op de plaats delict is geweest.

Aanvullende overwegingen met betrekking tot de bewijsverweren

[naam dochter]

Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, maar voegt daar in reactie op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd nog het volgende aan toe.

De verdediging heeft de rechtbank ‘cherry picking’ verweten bij de interpretatie van het rapport van getuige-deskundige [deskundige 2] aangaande de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam dochter] over wat zij in de nacht van 2 mei 2011 heeft gezien.

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank enkel losse opmerkingen van [deskundige 2] in haar overwegingen heeft betrokken, en geen acht heeft geslagen op de eindconclusie van [deskundige 2] dat de hypothese dat [naam dochter] de waarheid heeft verteld niet kan worden onderbouwd door hetgeen zij tijdens de beide studioverhoren heeft verklaard.

Het hof overweegt dat - voor zover de rechtbank in haar vonnis overwegingen van [deskundige 2] op onderdelen heeft gebruikt - deze blijkens datzelfde vonnis worden gesteund door de verklaringen van [deskundige 3]. Beiden hebben verklaard dat autosuggestie vrijwel niet voorkomt bij kinderen van de leeftijd van [naam dochter], dat dramatische gebeurtenissen goed beklijven in het geheugen van kinderen, dat kinderen (uitgaande van voldoende verlichting, hetgeen in casu het geval was) hun ouders goed kunnen herkennen en dat de verhoren van [naam dochter] volgens de regelen der kunst zijn afgenomen.

Voorts overweegt het hof met de rechtbank dat er voldoende verlichting in de woning was ten tijde van het incident, en dat de verklaring van [naam dochter] wordt ondersteund door de bloedspooranalyse van forensisch wetenschapper [deskundige 1], alsmede de aangetroffen kapotte GSM.

Daaraan doet niet af dat zij, naar moet worden aangenomen, ten onrechte heeft verklaard dat verdachte een mes uit de keuken heeft gepakt.

Dit alles in aanmerking nemend overweegt het hof - met de rechtbank en
[deskundige 3] - dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam dochter]; de conclusie van [deskundige 2] dat de hypothese dat [naam dochter] de waarheid heeft verteld niet kan worden onderbouwd door hetgeen zij tijdens de beide studioverhoren heeft verklaard, doet aan het vorenstaande niet af.

De verdediging heeft in hoger beroep bovendien nog naar voren gebracht dat [deskundige 2] in zijn rapport uitvoerig heeft ingezoomd op inconsistenties in de verklaringen van [naam dochter]. Naar het oordeel van het hof betreft het inconsistenties van een ondergeschikt niveau die niet afdoen aan de betrouwbaarheid van hetgeen door [naam dochter] is verklaard. Die verklaring is in de kern duidelijk en eenduidig - en is ondersteund door gebaren - over steken die door haar vader aan haar moeder zijn toegebracht.

Dat [naam dochter] onlangs mogelijk tegen haar pleegouders zou hebben gezegd dat zij haar vader niet heeft gezien ten tijde van het delict, doet het hof evenmin twijfelen aan het waarheidsgehalte van de essentie van de verklaringen die [naam dochter] kort na de dramatische gebeurtenis heeft afgelegd. Die mogelijke mededeling aan de pleegouders kan heel wel worden geplaatst in het licht van de vermoedelijk op [naam dochter] drukkende wetenschap dat haar vader mede op basis van haar eerdere verklaringen een lange gevangenisstraf boven het hoofd hangt.

De slotsom is dat het hof de verweren van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam dochter] verwerpt.

Overige verweren

De verdediging heeft bij pleidooi enkele bijzonderheden opgesomd, waaraan zij ontlastende bewijswaarde toekent.

De verdediging stelt vast dat er geen bloed of haar van verdachte is aangetroffen op de plaats delict. Het hof ziet dit niet als een ontlastende omstandigheid, aangezien het niet zo hoeft te zijn dat verdachte bloed of haren is verloren. Het kan bovendien zo zijn dat verdachte wel bloed of haren is verloren in de woning van [slachtoffer], maar dat die eenvoudigweg niet zijn veiliggesteld en bemonsterd.

De verdediging heeft ook opgemerkt dat de gsm van verdachte online is gegaan om 02.29 uur en vervolgens 81 minuten online is gebleven. De verdediging concludeert vervolgens dat verdachte al die tijd actief op internet was en dus niet de dader kan zijn geweest. Naar het oordeel van het hof is die conclusie niet juist. De bevinding dat de gsm van verdachte online was ten tijde van het delict, betekent geenszins dat verdachte gedurende die tijd gebruik maakte van zijn gsm en het internet. Verdachte kan het internet zijn opgegaan en enige tijd later de gsm hebben achtergelaten in de woning waarin hij verbleef of op een andere plaats toen hij zich naar de woning van [slachtoffer] begaf. De gsm kan ook online zijn gebleven terwijl hij zich bij [slachtoffer] bevond.

Ten slotte is er het feit dat alleen de joggingbroek met bloedsporen overeenkomend met het DNA-profiel van het [slachtoffer] is teruggevonden en niet tevens andere kledingstukken van verdachte met daarop - waarschijnlijk - delictsporen. Wat daar ook van zij, dit enkele gegeven rechtvaardigt niet de conclusie dat iemand anders dan verdachte de dader moet zijn geweest.

De overige verweren van de verdediging vinden weerlegging in de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen die de rechtbank aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd.

Nieuwe verbeterde overweging over voorbedachte raad

Het hof kan zich op onderdelen niet verenigen met de betreffende overweging van de rechtbank, zodat deze overweging opnieuw en als volgt wordt opgezet.

Het hof overweegt over de vraag of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof moet daarbij contra-indicaties goed in ogenschouw nemen. De vaststelling dat de gelegenheid daadwerkelijk heeft bestaan, moet wel voldoende met redenen omkleed zijn.

In de onderhavige zaak ziet het hof geen indicaties voor een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De gang van zaken duidt juist op een van tevoren beraamde doelgerichte actie.

Verdachte heeft zich op 2 mei 2011 op enig moment tussen 02.24 uur (het tijdstip waarop hij zijn zaak verliet), en 02.51 uur (het tijdstip van een door het [slachtoffer] met [getuige] gevoerd telefoongesprek) begeven naar de woning van [slachtoffer].

In de woning heeft verdachte direct toen [slachtoffer] de trap afkwam, gericht met een steekvoorwerp toegeslagen, zonder dat daar enige vorm van confrontatie (in de zin van ruzie of woordenwisseling) tussen hem en [slachtoffer] aan is voorafgegaan.

Dit volgt uit de verklaring van [getuige], die om 02.51 uur [slachtoffer] nog aan de telefoon had. [getuige]hoorde dat [slachtoffer] haar vertelde dat ze luidruchtige geluiden hoorde van beneden en dat ze vroeg om aan de lijn te blijven, omdat ze al pratend naar beneden wilde gaan. [getuige] zei tegen [slachtoffer] dat ze niet bang hoefde te zijn en hoorde meteen dat [slachtoffer] heel hard ‘ai’ zei en dat toen het gesprek werd afgebroken. [getuige] hoorde nog wel geluiden die leken op het indrukken van toetsen op de gsm. Daarna werd de lijn verbroken.12 De telefoon van [slachtoffer] bleek later kapot te zijn gegooid.13 Die directe en doelgerichte handelwijze van verdachte wordt bevestigd door de verklaringen van [naam dochter] over de aanval van haar vader op haar moeder.

Van een confrontatie (ruzie, woordenwisseling) kort voor de steekpartij, waaruit een plotselinge gemoedsopwelling zou kunnen zijn voortgekomen, is dan ook op geen enkele wijze gebleken.

Uit het voorgaande leidt het hof daarentegen af dat verdachte op weg is gegaan naar [slachtoffer] met het voornemen om haar te doden, waarin besloten ligt dat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte heeft derhalve met voorbedachte raad gehandeld.

Aanvullende overweging over de op te leggen straf

Het hof verenigt zich met de strafmotivering van de rechtbank. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij, door te blijven ontkennen en te zwijgen, zich op geen enkele wijze bekommert om het welbevinden van zijn [naam dochter] maar daarentegen de enorme last die zij haar leven lang mee zal dragen, voor haar verzwaart.

[naam dochter] is aanwezig geweest bij de dodelijke aanval van haar vader op haar moeder.

Ze heeft gezien hoe haar vader haar moeder met een mes bewerkte en ze heeft de geluiden van haar moeder gehoord toen die de doodstrijd aan het verliezen was of al had verloren.

Door zijn ontkenning neemt verdachte tegenover [naam dochter] en haar zusje geen enkele verantwoordelijkheid voor het toebrengen van de zwaarst denkbare slag, te weten de gruwelijke moord op hun geliefde moeder.

Maar ook ontslaat verdachte [naam dochter] niet van haar rol als belangrijke getuige in het strafproces.

[naam dochter] heeft op 2 mei 2011 tegenover de politie onbevangen en oprecht verklaard wat zij heeft gezien en ervaren, op een moment dat zij nog niet besefte dat zij haar moeder voorgoed kwijt was (getuige het feit dat zij aan het eind van het studioverhoor d.d. 2 mei 2011 zich afvraagt of haar moeder met Moederdag wel beter zal zijn).

In het strafproces is vervolgens uitgebreid aan de orde geweest in hoeverre haar verklaring betrouwbaar is, nu het bewijs in belangrijke mate (naast de joggingbroek) steunt op haar verklaring.

Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van haar verklaring, zoals eerder ook al door de rechtbank overwogen.

Maar de rol van getuige in een strafproces is bijzonder zwaar voor een kind dat - naast het verlies van haar moeder - nu ook nog de last draagt van de wetenschap dat (mede) op basis van haar verklaring haar vader langdurig gedetineerd zal zijn. Mogelijk dat zij daarom onlangs heeft aangegeven te twijfelen aan haar waarnemingen, en mogelijk dat die twijfel in de toekomst nog vaker op zal komen.

Nogmaals overweegt het hof dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de door [naam dochter] direct na de moord afgelegde verklaringen. Maar het is enkel haar vader die haar definitief uit de rol van getuige in het strafproces kan ontslaan door te bevestigen dat wat zij gezien heeft juist is, en zelf te verklaren over de gebeurtenissen. Dat doet hij niet, en dat is hem zeer aan te rekenen.

Beslag

De beslissing van het hof ten aanzien van het beslag wijkt af van de beslissing van de rechtbank.

De bruine schoenen van het merk Athlete (H02.302667 en H02.301613-14; beslaglijst nummers 39 en 40) en de twee witte sokken (H02.301974 en H02.301975; beslaglijst nummers 45 en 46) van verdachte, kunnen niet in verband worden gebracht met het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit. Het hof zal daarom de teruggave aan verdachte gelasten.

De in beslag genomen grijze joggingbroek (H02.30 1771; beslaglijst nummer 33) en de blauwe plastic tas waar die broek in zat (H02.30 2762; beslaglijst nummer 34), toebehorend aan verdachte, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit voorwerpen zijn die naar het oordeel van het hof in rechtstreeks verband staan met het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit.

Andere in beslag genomen voorwerpen die aan verdachte toebehoren (beslaglijst nummers 48-51), worden aan verdachte teruggegeven.

Ten aanzien van de goederen die niet verbeurd worden verklaard of worden teruggegeven aan verdachte beslist het hof dat die goederen moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De beslissing over de in beslag genomen voorwerpen zijn gegrond op de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- nummers 33 en 34 van de aan dit arrest gehechte beslaglijst

Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- nummers 39, 40, 45, 46 en 48 tot en met 51 van de aan dit arrest gehechte beslaglijst

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de overige in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- nummers 3 tot en met 32, 35 tot en met 38, 41 tot en met 44, 47, en 52 tot en met 74 van de aan dit arrest gehechte beslaglijst

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. J.H.M. Westenbroek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 3 oktober 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.H.W. Westenbroek en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen p. 73 van het eindproces-verbaal.

2 Proces-verbaal aanvraag vordering tot benoeming van een deskundige, in de wettelijke vorm opgemaakt door brigadier[verbalisant] op 12 mei 2011.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 130 van het eindproces-verbaal.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 212 van het eindproces-verbaal.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1023 en verder van het eindproces-verbaal.

6 Rapport van het NFI betreffende het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Uden op 2 mei 2011, gedateerd 4 juli 2011, p. 2003- 2011 van het eindproces-verbaal.

7 Rapport van het NFI betreffende het bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen va het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Uden op 2 mei 2011, gedateerd 15 augustus 2011, pagina 10 van 13.

8 Rapport van het NFI betreffende het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Uden op 2 mei 2011, gedateerd 15 juli 2011, p. 2012- 2030 van het eindproces-verbaal.

9 Deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute, gedateerd 10 september 2012.

10 Rapport van het NFI betreffende het bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen va het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Uden op 2 mei 2011, gedateerd 15 augustus 2011, pagina 9 en 10 van 13.

11 Rapport van Independent Forensic Services betreffende een bloedspooranalyse naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Uden op 2 mei 2011, gedateerd 13 februari 2013.

12 Verklaring van [getuige], pagina 843-844 van het eindproces-verbaal van politie.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek plaats delict [adres] Uden, p. 1718 en 1726 van het eindprocesverbaal.