Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4438

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
HD 200.105.124_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering ingesteld door verkeerde partij; geen wisseling van partij in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.105.124/01

arrest van 1 oktober 2013

in de zaak van

[Afvalverwerkingsbedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: dr.mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

Turbin B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.O.A.M. van Berkel te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 april 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 22 februari 2012 en 7 maart 2012 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – Turbin – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 229442/HA ZA 11-715)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, alsmede naar het vonnis in incident van 16 november 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding in hoger beroep van 2 april 2012;

-de memorie van grieven met vier grieven en dertien producties;

-de memorie van antwoord met vijf producties;

-het pleidooi van 18 april 2013, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

-de bij brief van 3 april 2013 door [appellante] ten behoeve van het pleidooi toegezonden productie;

-de bij brief van 4 april 2013 door Turbin ten behoeve van het pleidooi toegezonden producties (26 bijlagen).

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[appellante] exploiteert een afvalverwerkingsbedrijf in [vestigingsplaats].

4.1.2.

Turbin is een op 7 december 2010 opgerichte vennootschap, die zich bezighoudt met de productie van en groothandel in waterfiltratie, pompinstallaties, waterbehandeling etc.

Zij is gevestigd aan de [vestigingsadres], [postcode] [vestigingsplaats]. Haar domeinnaam is www.turbin.nl en haar e-mailadres is info@turbin.nl. In het handelsregister staat zij geregistreerd onder nr. [handelsregisternummer 1.].

4.1.3.

Op 4 mei 2007 is opgericht een besloten vennootschap, die tot 7 december 2010 opereerde onder de naam Turbin B.V. en sinds een statutenwijziging op 7 december 2010 onder de naam Turbin Water Group B.V. (verder: Turbin Water). Sinds deze statutenwijziging luidt haar bedrijfsomschrijving “Beheeractiviteiten” en sindsdien is zij enig aandeelhouder en bestuurder van Turbin.

De bestuurders van Turbin Water zijn [bestuurder A.] en[bestuurder B.]. Turbin Water is gevestigd aan hetzelfde adres als Turbin en heeft dezelfde domeinnaam en het zelfde e-mailadres als Turbin. In het handelsregister staat zij geregistreerd onder nr. [handelsregisternummer 2.].

4.1.4.

Turbin Water (vóór 7 december 2010 geheten Turbin B.V.) heeft aan [appellante] de volgende facturen gezonden:

- 13 augustus 2010

€ 19.668,32

- 26 augustus 2010

€ 15.596,74

- 10 september 2010

€ 33.947,13

- 28 september 2010

€ 26.432,04.

De facturen, in totaal

€ 95.644,23, zijn niet betaald.

Onderaan de facturen staat als inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel vermeld: [handelsregisternummer 2.].

De facturen vloeien voort uit een door [appellante] aanvaarde offerte van deze Turbin Water met betrekking tot een waterbehandelingsinstallatie. De oorspronkelijke offerte dateert van 30 december 2009 en is aan [appellante] gestuurd op briefpapier waar onderaan als nummer bij de Kamer van Koophandel staat vermeld: [handelsregisternummer 2.]. De uiteindelijke offerte van 11 januari 2010 en aanvaarding van dezelfde datum zijn via e-mail tot stand gekomen.

4.2.1.

Turbin heeft [appellante] bij exploot van 1 april 2011 gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 95.644,23 met buitengerechtelijke incassokosten, contractuele handelsrente dan wel wettelijke rente, en proceskosten, inclusief beslagkosten.

4.2.2.

[appellante] heeft een incident tot overlegging van stukken op grond van art. 843a Rv geopend. Turbin Water heeft incidenteel gevorderd te mogen tussenkomen. Beide vorderingen zijn bij vonnis in incident van 16 november 2011 afgewezen.

4.2.3.

Vervolgens heeft Turbin een akte tot rectificatie van de dagvaarding genomen in die zin, dat in plaats van Turbin, Turbin Water als eisende procespartij heeft te gelden.

[appellante] heeft daarmee ingestemd.

De rechtbank heeft in het eindvonnis van 22 februari 2012, waarvan beroep, geoordeeld dat Turbin Water als de eisende partij wordt beschouwd en dat in de dagvaarding, waar vermeld staat Turbin, wordt gelezen Turbin Water. De rechtbank heeft in dit vonnis, waarin Turbin in de kop als eiseres staat vermeld, de vordering grotendeels toegewezen en [appellante] veroordeeld om aan Turbin Water de hoofdsom met rente, buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten te betalen.

4.3.3.

[appellante] heeft rectificatie van het vonnis gevraagd omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld een conclusie van antwoord(/eis in reconventie) te nemen. Bij vonnis van 7 maart 2012, waarvan eveneens beroep, heeft de rechtbank dit afgewezen.

4.4.1.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd, die inhouden dat de rechtbank in het vonnis van 22 februari 2012 ten onrechte eindvonnis heeft gewezen en ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] de vordering van Turbin niet gemotiveerd heeft weersproken (grieven 1 en 2). In grief 3 maakt [appellante] bezwaar tegen toewijzing van de rente, buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten, en grief 4 is gericht tegen de veroordeling tot betaling en tegen de weigering in het vonnis van 7 maart 2012 om het vonnis van 22 februari 2012 te rectificeren.

[appellante] vordert vernietiging van de beide vonnissen en terugverwijzing naar de rechtbank, althans afwijzing van de vorderingen van Turbin, met veroordeling van Turbin in de kosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

4.4.2.

Turbin heeft bij memorie van antwoord gesteld dat [appellante] in haar hoger beroep niet ontvankelijk is omdat [appellante] ten onrechte Turbin en niet Turbin Water in hoger beroep heeft gedagvaard. Subsidiair is Turbin uitvoerig inhoudelijk ingegaan op de levering van een waterbehandelingsinstallatie.

4.5.1.

Het hof overweegt als volgt.

[appellante] zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van 7 maart 2012. Tegen een vonnis waarbij een verzochte verbetering wordt geweigerd staat immers geen hoger beroep open (art. 31 lid 4 Rv).

4.5.2.

Het beroep van Turbin op niet-ontvankelijkheid van [appellante] in hoger beroep wordt voor het overige verworpen. Dat de rechtbank Turbin Water als eisende partij heeft beschouwd, in de inleidende dagvaarding voor Turbin heeft ingelezen en in het dictum een veroordeling tot betaling aan Turbin Water heeft uitgesproken, laat onverlet dat Turbin Water in eerste aanleg geen partij is geworden in de procedure. In de kop van het vonnis staat ook niet Turbin Water maar Turbin als eisende partij vermeld. Art. 332 Rv brengt mee dat alleen tegen de processuele wederpartij in eerste aanleg hoger beroep kan worden ingesteld. Blijkens het vonnis, waarvan beroep, waarin Turbin als eisende partij staat vermeld, is Turbin de wederpartij van [appellante] in eerste aanleg. Dat ook Turbin dat zo heeft gezien blijkt nog eens uit het betekeningsexploot (van de grosse van dat vonnis) dat Turbin, op haar naam, op 29 maart 2012 heeft laten uitbrengen aan [appellante]. [appellante] heeft dus terecht Turbin als wederpartij in hoger beroep gedagvaard.

4.5.3.

Turbin dient echter niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tegen [appellante]. Turbin baseert haar vordering op een aan [appellante] verweten tekortkoming in de nakoming van haar verplichting tot betaling van de onder 4.1.4 genoemde facturen. Turbin is echter niet de partij met wie [appellante] op 11 januari 2010 een overeenkomst over een waterbehandelingsinstallatie heeft gesloten; Turbin, die op 7 december 2010 is opgericht, bestond toen nog niet. Dat heeft zij ook zelf erkend in haar conclusie van 27 juli 2011 (sub 2). Er is niet gesteld of gebvleken op welke grond voor [appellante] een betaalplicht aan Turbin zou zijn ontstaan.Turbin heeft mitsdien ten onrechte een vordering tot betaling van facturen in verband met deze overeenkomst tegen [appellante] ingesteld.

4.5.4.

De akte tot rectificatie van Turbin van 30 november 2011 heeft geen effect gehad nu het vonnis ten name van Turbin als eisende partij is blijven staan, waarmee Turbin de procespartij is gebleven.

4.5.5.

De grieven kunnen daarmee buiten behandeling blijven. Het vonnis, waarvan beroep, zal worden vernietigd. Turbin zal als de in eerste aanleg en in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

5 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 7 maart 2012;

vernietigt het vonnis van 22 februari 2012, en opnieuw rechtdoende:

verklaart Turbin niet ontvankelijk in haar vordering tegen [appellante];

veroordeelt Turbin in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 3.537,-- voor verschotten en € 2.842,-- voor salaris advocaat in eerste aanleg en op € 4.912,17 voor verschotten en € 2.682,--voor salaris advocaat in hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, B.A. Meulenbroek en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 oktober 2013.