Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4430

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
31-03-2015
Zaaknummer
HD 200.131.903-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst woonruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.131.903/01

arrest van 1 oktober 2013

gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] (NB),

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. D.I.N. Levinson-Arps te Amsterdam,

tegen

Thuisvester, Stichting,

gevestigd te [vestigingsplaats] (NB),

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. F. Wubbena te Oosterhout (NB),

op het bij exploot van dagvaarding van 9 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, locatie Breda gewezen vonnis van 17 juli 2013 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – Thuisvester – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 746036/cv/12-8259)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met 12 grieven en een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging;

- de antwoordmemorie in het incident van Thuisvester.

Partijen hebben arrest gevraagd in het incident.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[appellante] huurde met ingang van 2 oktober 1981 van (de rechtsvoorgangsters van) Thuisvester de woning, gelegen aan de [pand] te [plaats] (NB) tegen een huurprijs van laatstelijk € 539,35 per maand. [appellante] bewoont het gehuurde samen met haar meerderjarige zoon.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, op vordering van Thuisvester de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot bovengenoemde woning met ingang van 18 juli 2013 ontbonden en [appellante] veroordeeld om de woning binnen acht weken na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3.

In het onderhavige incident vordert [appellante] schorsing van de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis. Thuisvester heeft deze vordering gemotiveerd bestreden.

3.4.

Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en bij tenuitvoerlegging een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan.

3.5.

Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145), dan wel in geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe – door incidenteel eiser te stellen – omstandigheden daartoe aanleiding geeft (HR 30 mei 2008, LJN BC5012, NJ 2008, 311). Van misbruik van recht door tenuitvoerlegging van het vonnis kan met name sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust.

Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.6.

[appellante] voert aan dat het bestreden vonnis op een kennelijke juridische of feitelijke misslag berust. Deze is volgens haar daarin gelegen dat de kantonrechter bij de beoordeling van de vorderingen van Thuisvester geen acht heeft geslagen op de aard en omvang van de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Het hof overweegt dat van een juridische of feitelijke misslag slechts sprake is, indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Het hof is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Dat tegen het oordeel van de rechtbank inhoudelijke argumenten zijn aan te voeren, waarover verschillend kan worden gedacht, betekent niet dat het oordeel van de rechtbank evident onjuist is. Wat er ook zij van de juistheid van de stellingen van [appellante], op basis van hetgeen zij heeft aangevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag. Een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van [appellante] zou naar het oordeel van het hof bovendien leiden tot een verkapt hoger beroep, waarvoor in het kader van dit incident geen plaats is.

3.7.

[appellante] stelt voorts dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis een noodtoestand bij haar zou doen ontstaan. Zij voert in dat kader aan dat tenuitvoerlegging van het vonnis tot gevolg heeft dat zij en haar zoon op straat komen te staan en dat zij van haar zoon, die lichamelijk gehandicapt en hulpbehoevend is en van wie zij de (enige) mantelverzorger is, zal worden gescheiden.

De vraag die thans beantwoord dient te worden, is of [appellante] nieuwe omstandigheden aanvoert die na afweging van de belangen kunnen meebrengen dat het belang van [appellante] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist, alsnog dient te prevaleren boven het belang van Thuisvester om niet langer te hoeven wachten op hetgeen haar, althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg, toekomt. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord. Bovengenoemde door [appellante] aangevoerde omstandigheden leveren naar het oordeel van het hof geen nieuwe omstandigheden op in de hiervoor onder r.o. 3.5 bedoelde zin. Het betreft immers – zo leidt het hof af uit het betoog van [appellante] en de overgelegde stukken in eerste aanleg – omstandigheden die reeds ten tijde van de procedure in eerste aanleg aanwezig waren en zijn aangevoerd en die door de kantonrechter bij de door hem gemaakte belangenafweging zijn meegenomen. Voor een nieuwe afweging van belangen is daarom thans geen plaats.

3.8.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van [appellante] dient te worden afgewezen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

In de hoofdzaak

3.9.

Het hof stelt vast dat de zaak naar de rol is verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van Thuisvester. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van [appellante] af;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van Thuisvester tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 15 oktober 2013 voor memorie van antwoord aan de zijde van Thuisvester;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 oktober 2013.