Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4424

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
HD 200.125.133-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Functiewijziging. Vordering tot wedertewerkstelling. Goed werkgeverschap. Redelijk voorstel werkgever?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0771
XpertHR.nl 2013-399256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.125.133/01

arrest van 1 oktober 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. W.H.A. Bos,

tegen

Océ-Technologies B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, afdeling burgerlijk recht, zittingsplaats Venlo in kort geding gewezen vonnis van 6 maart 2013 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – Océ – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 361794 \ CV EXPL 13-2)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- de akte zijdens [appellant] van 9 juli 2013 met producties, en

- de antwoordakte zijdens Océ van 6 augustus 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In r.o. 2.1-2.6 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt de vaststelling in rov. 2.2 bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

4.1.1.

[appellant] is sinds 1 augustus 1986 in dienst bij Océ. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 5.984,51 bruto per maand, inclusief persoonlijke toeslag en exclusief emolumenten. In de loop der jaren heeft [appellant] in de functie van medewerker R&D de rol van Kritisch Functieverantwoordelijke op functieniveau 24 bereikt.

4.1.2.

Van R&D-medewerkers op functieniveau 23 wordt verwacht dat zij een zelfstandige bijdrage leveren aan lopende onderzoeken en daarbinnen tevens vernieuwend zijn. Een werknemer op functieniveau 24 heeft extra verantwoordelijkheden in het proces, te weten het coördineren van de werkzaamheden van zijn of haar team en het onderhouden van contacten met derden.

4.1.3.

Tussen partijen hebben beoordelingsgesprekken plaatsgevonden.

- De beoordeling van 13 september 2007 bevat als eindoordeel “zeer goed”. Hierin staat als karakteristiek van het functioneren in de afgelopen periode onder meer vermeld: “De beïnvloedingsvaardigheid buiten zijn directe werkomgeving, met name op het niet technische vlak, is punt van aandacht. [appellant] moet blijven letten op onzekerheden bij key-figuren en daar tijdig aandacht aan schenken. Moet daarnaast anderen duidelijker aanspreken op hun verantwoordelijkheden.

- De beoordeling van 31 oktober 2008 bevat als eindoordeel “zeer goed”. Hierin staat als karakteristiek van het functioneren in de afgelopen periode onder meer vermeld: “Je moet duidelijker de leiding nemen en op tijd hulp organiseren. De beïnvloedingsvaardigheid buiten de directe werkomgeving (), blijft een punt van aandacht. Let op onzekerheden bij key-figuren. Spreek anderen duidelijker aan op hun verantwoordelijkheden en besteed aandacht aan de organisatie zowel binnen als buiten de groep. () Zorg dat je proactief reageert en sensibiliseer de omgeving.

- De beoordeling van 19 oktober 2009 bevat als eindoordeel “goed”. Hierin staat als karakteristiek van het functioneren in de afgelopen periode onder meer vermeld: “Uitspreken wat je weet én wat je niet weet zorgt voor meer duidelijkheid, acceptatie en voortgang. Leiding van de gecombineerde DV ECP groep was onduidelijk, neem hierin het initiatief en maak afspraken. Laat je betrokkenheid en kennis zien want die zijn intrinsiek in orde.

- De beoordeling van 5 september 2010 bevat als eindoordeel “goed”. Hierin staat als karakteristiek van het functioneren in de afgelopen periode onder meer vermeld: “Met name rondom coaching en de zachtere kanten acteer je voornamelijk reactief en oogt het nog wel eens passief. Zorg dat je hier ook meer initiatief neemt.

- De beoordeling van 6 oktober 2011 bevat als eindoordeel “goed”. Hierin staat als karakteristiek van het functioneren in de afgelopen periode onder meer vermeld: “Make sure that you use your TC experience in the rather Young TC team of the MV2.0, give constructive feedback to the members. Regarding coaching your function, act flexible, do not only act reactive but also pro-active.

4.1.4.

Tussen partijen hebben in de periode 2006 t/m 2011 tevens “MM-gesprekken”

(ontwikkelgesprekken) plaatsgevonden. Deze gesprekken, die worden neergelegd in door partijen ondertekende MM-formulieren, hebben als doel het bespreken van de ontwikkeling van de medewerker binnen de huidige rol/functie. Tijdens deze gesprekken komen manager en medewerker overeen welke acties uitgevoerd worden om de ontwikkeling van de medewerker te sturen. In mei 2012 heeft ook een MM-gesprek plaatsgevonden. Hiervan is geen door beide partijen ondertekend formulier voorhanden.

4.1.5.

In 2012 hebben zich bij de uitvoering van de projecten “Montevideo 2.0” en “TonerPearl” problemen voorgedaan waarbij [appellant] betrokken was. Naar aanleiding van deze problemen hebben partijen in augustus 2012 gesproken over het functioneren van [appellant] en over het inzetten van [appellant] in een operationele functie. De heer [afdelingsmanager], afdelingsmanager, heeft tijdens deze gesprekken aangegeven dat hij vindt dat [appellant] in zijn rol als medewerker R&D op functieniveau 24 tekortschiet op punten als groepsgericht leidinggeven en coachen, organisatie van de functie en het nemen van regie. In september en oktober 2012 hebben partijen gesproken over de invulling van de werkzaamheden door [appellant].

4.1.6.

Bij brief van 25 oktober 2012 heeft Océ aan [appellant] alternatieve activiteiten aangeboden en hem bericht dat hij met ingang van 1 januari 2013 wordt ingeschaald in salarisgroep 23. Als reden wordt – kort samengevat – vermeld dat de in de beoordelings- en MM-gesprekken besproken verbeterpunten cruciale faalfactoren zijn gebleken. Ter compensatie van de hieruit voortvloeiende inkomensachteruitgang wordt, met verwijzing naar de cao van Océ, een financiële regeling voorgesteld die erop neerkomt dat het verschil in huidig en toekomstig salaris in de vorm van een Persoonlijke Toeslag SchaalSalaris (PTSS) wordt opgevangen. De PTSS wordt in 5 jaar in gelijke delen afgebouwd. Dit houdt in dat [appellant] per 1 januari 2018 het salaris overeenkomstig salarisgroep 23 zal ontvangen.

4.1.7.

Vanaf eind oktober 2012 verricht [appellant] de in genoemde brief van 25 oktober 2012 door Océ aangeboden activiteiten, te weten proces engineer in de inktfunctie van de Tanto met een aantal aandachtsgebieden en deelnemer aan de omgevingsanalyse UV vanuit het materialen en proces engineerings oogpunt.

4.1.8.

Eind november 2012 heeft [appellant] van Océ zijn beoordeling over het jaar 2012 ontvangen, met als resultaat “onvoldoende”.

4.1.9.

[appellant] heeft tegen zijn beoordeling over 2012 en terugplaatsing van functiegroep 24 naar 23 beroep ingesteld bij de interne Commissie van Beroep van Océ. Deze commissie heeft op 20 juni 2013 geconstateerd dat:

“(..)

k. De maatregel om Dhr. [appellant] in functiegroep terug te zetten in een zeer korte periode genomen is, zonder dat er een verbeterplan ontwikkeld of in werking was;

l. Deze beslissing niet is te herleiden uit eerdere eindbeoordelingen of beoordelingen op deelaspecten;

m. De ‘Gedragsregels in het kader van de kwaliteit van de bezetting (BM207021)’ – waarin geadviseerd wordt een verbeter- en actieplan op te stellen indien een medewerker moeite heeft met het uitoefenen van zijn functie – niet gevolgd zijn;

(..)”,

en vervolgens geconcludeerd dat:

“a. De wijze van communicatie tussen medewerker en manager tijdens en na de dienstreis van Dhr. [appellant] onzorgvuldig heeft plaatsgevonden;

b. De salarisprocedure in ogenschouw nemend, er geen volledig en ondertekend MM-formulier aanwezig is en het salarisvoorstel bij de beoordeling 2012 ontbrak;

c. Management de radicale en drastische beslissing genomen heeft de medewerker een functie- en salarisschaal terug te zetten, zonder dat een verbetertraject in werking was.”

4.2.

[appellant] vordert in dit kort geding veroordeling van Océ tot het met onmiddellijke ingang toelaten van [appellant] in de functie van Kritisch Functieverantwoordelijke in schaal 24 met bijpassende werkzaamheden, te hervatten naar de gebruikelijke arbeidsomvang per week, zulks onder betaling van het gebruikelijke loon c.a., zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat Océ in gebreke blijft aan deze veroordeling geheel of gedeeltelijk te voldoen, en tot betaling van de proceskosten. Gelezen in samenhang met de dagvaarding in hoger beroep begrijpt het hof het petitum in de memorie van grieven aldus dat [appellant] ook in hoger beroep veroordeling van Océ tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten vordert. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] bij vonnis van 6 maart 2013 afgewezen. [appellant] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

4.3.

Het hof stelt voorop dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft, gezien de aard van zijn vordering (wedertewerkstelling in de functie van Kritisch Functieverantwoordelijke in schaal 24).

Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat in dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [appellant] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. De door Océ genoemde omstandigheden om het spoedeisend karakter te betwisten (punt 3 mvg) - het geringe financiële belang en de niet genomen mogelijkheid om de kantonrechter op de voet van artikel 96 Rv te adiëren - kunnen niet afdoen aan het belang van [appellant] bij wedertewerkstelling in de overeengekomen functie.

Daarbij zal het hof partijen niet toelaten tot bewijslevering. Voor nader onderzoek naar de feiten is in deze kort gedingprocedure geen plaats. Dit dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.

4.4.

Bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede - naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming - de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Nu de werknemer op deze wijze beschermd wordt tegen onredelijke voorstellen van de werkgever, en nu vervolgens nog dient te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden, is het belang van de werknemer bij een ondanks de veranderde omstandigheden ongewijzigd voortduren van de arbeidsvoorwaarden voldoende gewaarborgd. (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847).

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de beoordeling van het voorstel tot wijziging van de functie van [appellant] door Océ aan de hand van de toets aan artikel 7:611 BW bestaat uit drie stappen. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of er sprake is van gewijzigde omstandigheden waarin Océ als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden.

4.6.1.

Océ heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden aangevoerd dat er enerzijds al jarenlang kritiek bestaat op de wijze van leidinggeven van [appellant] en dat hij nooit de vereiste verbetering heeft bewerkstelligd, en dat anderzijds vanaf medio 2011 naar aanleiding van incidenten in het kader van de projecten Montevideo 2.0 en TonerPearl duidelijk is geworden dat die wijze van leidinggeven tot problemen en risico’s voor Océ kan leiden. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van gewijzigde omstandigheden in de hiervoor in 4.4 bedoelde zin, ligt de vraag voor of Océ in de door haar gestelde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Het hof is voorshands van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.

4.6.2.

In de beoordelingen en de MM-formulieren over 2007 t/m 2011 blijkt weliswaar van specifieke aandachtspunten met betrekking tot het functioneren van [appellant], maar niet blijkt hieruit dat tijdens de beoordelings- of ontwikkelgesprekken duidelijke afspraken zijn gemaakt over het verbeteren van deze punten. De stellingen van Océ dat in 2008 is geopperd dat [appellant] een specifiek op de beïnvloeding van de organisatie gerichte opleiding (“NLP-opleiding”) zou volgen maar dat [appellant] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, en dat [appellant] ook geen andere door Océ aangeboden “middelen” heeft benut om te werken aan zijn verbeterpunten, doen hieraan niet af. Inderdaad blijkt uit de MM-formulieren dat aan [appellant] mogelijkheden zijn geboden om te werken aan zijn “leer- en ontwikkelpunten”, maar niet blijkt hieruit dat de urgentie van verbetering is benadrukt, dat in dat verband afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop aan verbetering gewerkt diende te worden (zoals het - verplicht - volgen van een bepaalde opleiding of het krijgen van begeleiding) en binnen welk tijdstraject verbetering gerealiseerd diende te worden. Dit klemt te meer nu het functioneren van [appellant] over de periode 2007 t/m 2011 is beoordeeld met “zeer goed” tot “goed”.

4.6.3.

Voorts is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in het kader van de projecten Montevideo 2.0 en TonerPearl sprake is geweest van een zodanig ernstig disfunctioneren door [appellant] dat onverwijld ingrijpen door middel van een (voorstel tot) functie- en daaraan gekoppelde salariswijziging gerechtvaardigd is. De door Océ gestelde ernstige incidenten zijn door [appellant] in hoger beroep gemotiveerd weersproken.

Met betrekking tot het project Montevideo 2.0 geldt dat de door Océ (als productie 8 in eerste aanleg) overgelegde e-mail van de heer [afdelingsmanager] van 10 april 2012 onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat het team van [appellant] onzorgvuldig met een belangrijke strategische partner van Océ, Mikuni, gecommuniceerd zou hebben door verwijten te maken over het verontreinigen van samples met zout. Ook uit andere stukken blijkt dit niet. De stelling van Océ dat [appellant] een onjuiste masterbatchprocedure naar Mikuni heeft gestuurd, is niet onderbouwd en blijkt ook niet, anders dan Océ stelt, uit de beoordeling van [appellant] over 2011. De omstandigheid dat [appellant] de heer [vice-president Consumables&Processes], vice-president Consumables&Processes, R&D, heeft uitgenodigd voor een werkbezoek aan Mikuni zonder daarbij de afdeling Purchasing van Océ te betrekken en dat dit binnen Océ tot op hoog niveau tot veel irritatie heeft geleid, acht het hof niet van zodanig gewicht dat het aanbieden van een verbetertraject redelijkerwijs niet meer van Océ als goed werkgever gevergd kon worden.

Met betrekking tot het project TonerPearl geldt dat Océ heeft volstaan met te stellen dat [appellant] passiviteit uitstraalde en geen regie nam. Een onderbouwing van deze stellingen ontbreekt, noch daargelaten dat deze aspecten zich lenen voor ontwikkeling tijdens een verbetertraject. De stelling dat [appellant] niet heeft gezorgd voor een gedegen overdracht voor zijn dienstreis en aansluitende vakantie in juni 2012 is door [appellant] gemotiveerd weersproken met de stelling dat hij zijn werkzaamheden had toevertrouwd aan de heer [medewerker Océ] en dat er overigens geen spoedeisende acties uitstonden die reden waren voor annulering van zijn vakantie. Océ heeft niet gesteld in welk opzicht een goede voortgang van het project in gevaar is gebracht door de afwezigheid van [appellant] en welk concreet ingrijpen, anders dan de e-mail (overgelegd in eerste aanleg door Océ als productie 11) van de heer [afdelingsmanager] aan [appellant] van 13 juni 2012 waarin op overdracht van zaken wordt aangedrongen, nodig was om de goede voortgang van het project te waarborgen.

Van ernstige situaties waardoor Océ, zoals gesteld in de hiervoor in rov. 4.1.6 vermelde brief van 25 oktober 2012, onaanvaardbare risico’s heeft gelopen en schade heeft geleden, is naar het oordeel van het hof voorshands onvoldoende gebleken. In de gedingstukken van Océ wordt ook niet toegelicht waarin de gestelde schade voor Océ heeft bestaan.

Het voorgaande brengt mee dat Océ niet tot functiewijziging heeft kunnen overgaan zonder eerst aan [appellant] een verbetertraject aan te bieden. Dit volgt ook uit de gedragsregels van Océ, waarnaar wordt verwezen in de hiervoor onder 4.1.9 vermelde bevindingen van de interne Commissie van Beroep van Océ.

De grieven 5 en 6, die op het voorgaande gerichte stellingen inhouden, zijn terecht voorgesteld.

4.7.

In verband met het slagen van de grieven 5 en 6 zal het hof zich begeven in een beoordeling van de in hoger beroep gehandhaafde verweren van Océ dat (i) [appellant] de voorgestelde functiewijziging heeft geaccepteerd en (ii) de functiewijziging onder het instructierecht van artikel 7:660 BW valt.

4.7.1

Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat deze verweren dienen te worden verworpen. Dat [appellant] met de voorgestelde functiewijziging zou hebben ingestemd, acht het hof voorshands niet aannemelijk. De brief van Océ van 25 oktober 2012, vermeld hiervoor in rov. 4.1.6, behelst een voorstel tot functiewijziging. Niet blijkt hieruit dat dit voorstel is gebaseerd op een eerdere afspraak tussen partijen tot terugplaatsing van [appellant] naar functieniveau 23. Het hof acht in dit verband verder van belang de door Océ (in eerste aanleg als productie 17) overgelegde e-mail van [appellant] aan de heer [afdelingsmanager] van 20 augustus 2012 waarin [appellant] stelt dat van een vrijwillige overgang van functieniveau 24 naar 23 wat hem betreft op dat moment geen sprake kan zijn en dat hij het voorstel om terug te gaan naar functieniveau 23 niet verwacht had. De stelling van Océ dat uit de (door haar als productie 18 in eerste aanleg overgelegde) e-mail van [appellant] aan de heer [afdelingsmanager] van 27 augustus 2012 zou blijken dat [appellant] heeft geaccepteerd dat hij niet meer als medewerker R&D op functieniveau 24 zal acteren, onderschrijft het hof niet. Uit deze e-mail blijkt hooguit van instemming met een andere tijdelijke plek terwijl partijen bezig zijn een nieuwe invulling aan de functie van [appellant] te geven. Bovendien stelt [appellant] daarin dat hij niet het beeld van de heer [afdelingsmanager] deelt dat de stijl en effectiviteit van leidinggeven van [appellant] niet op niveau zijn. [appellant] geeft vervolgens aan dat een nader gesprek nodig is om verder te komen in het proces en de standpunten helder te krijgen. Verder blijkt uit de door Océ (als productie 19 in eerste aanleg) overgelegde e-mail van de heer [HR Manager Océ], HR Manager van Océ, van 28 september 2012 dat [appellant] in het gesprek tussen partijen op 27 september 2012 heeft aangegeven dat hij vindt dat hij een kans verdient om te laten zien dat hij het huidige niveau 24 waar kan maken. De stelling van [appellant] dat hij reeds in een vroeg stadium te kennen heeft gegeven niet akkoord te zijn met een eenzijdige functiewijziging, acht het hof voldoende aannemelijk. Voorts staat tussen partijen vast dat [appellant] zijn nieuwe werkzaamheden, vermeld hiervoor in rov. 4.1.7, onder protest is gaan uitoefenen. Dat [appellant] anderszins zou hebben ingestemd met functiewijziging als door Océ voorgestaan, is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

4.7.2.

Met de voorzieningenrechter verwerpt het hof voorts het verweer van Océ dat zij op grond van haar instructierecht als bedoeld in artikel 7:660 BW gerechtigd was om [appellant] binnen de functie van medewerker R&D een andere rol aan te bieden. Océ miskent hiermee dat het voorstel niet ziet op een nieuwe/andere invulling van werkzaamheden binnen een bestaande functie maar op wijziging in functie, namelijk van functieniveau 24 naar functieniveau 23, welk laatste niveau, gelijk hiervoor in rov. 4.1.2 is vermeld, een andere inhoud heeft. Een dergelijke wijziging dient getoetst te worden aan de maatstaf als vermeld hiervoor in rov. 4.4.

4.7.3.

Aan de door Océ in eerste aanleg nog zijdelings geponeerde stelling dat de cao van Océ een eenzijdig wijzigingsbeding bevat, gaat het hof, mede gelet op de stelling van [appellant] dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding geldt, als onvoldoende gemotiveerd voorbij. Overigens geldt dat uit hetgeen hiervoor in rov. 4.6.1-4.6.3 is overwogen, volgt dat niet is gebleken van een zwaarwichtig belang van Océ als bedoeld in art. 7:613 BW.

4.8.

Nu Océ geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld of andere verweren heeft aangevoerd die meebrengen dat het voorstel van Océ tot functiewijziging zonder het aanbieden en doorlopen van een concreet verbetertraject gelet op het bedrijfsbelang van Océ in de omstandigheden gerechtvaardigd was of dat de vorderingen van [appellant] anderszins niet voor toewijzing in aanmerking komen, is het hof van oordeel dat de hoofdvordering van [appellant] dient te worden toegewezen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen toewijzen en de gevorderde dwangsom maximeren, een en ander op de wijze als hierna onder 5 vermeld. [appellant] heeft zijn vordering inzake de buitengerechtelijke incassokosten niet onderbouwd. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

4.9.

De overige grieven behoeven geen behandeling. Het hof zal Océ veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Océ om [appellant] met onmiddellijke ingang toe te laten in de functie van Kritisch Functieverantwoordelijke in schaal 24 met bijpassende werkzaamheden, te hervatten naar de gebruikelijke arbeidsomvang per week, zulks onder betaling van het gebruikelijke loon c.a., zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat Océ in gebreke blijft aan deze veroordeling geheel of gedeeltelijk te voldoen met een maximum van € 20.000,--,

veroordeelt Océ in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 176,29 aan verschotten en op € 200,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 397,27 aan verschotten en op € 1.341,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep,

wijst af de vorderingen voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.J.H.A. Venner-Lijten en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 oktober 2013.