Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4381

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
30-09-2013
Zaaknummer
12-00613
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3, lid 1, onderdeel g van de Wet OB 1968. Belanghebbende drijft een onderneming voor de omzetbelasting. Op zijn bedrijfsperceel laat hij vanaf eind 2004 een woning bouwen, die 10% zakelijk wordt gebruikt. Op 27 september 2005 gaat hij een maatschap aan met zijn echtgenote. De woning wordt op 24 oktober 2005 in gebruik genomen. Hof: de maatschap is een stille maatschap. Het ondernemerschap van belanghebbende is bij oprichting van de maatschap niet geëindigd. Geen onttrekking voor andere dan bedrijfsdoeleinden. De naheffingsaanslag wordt vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2168
V-N 2014/19.15 met annotatie van Redactie
FutD 2013-2448
NTFR 2014/473 met annotatie van Mr. E.H.A.M. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00613

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (thans: Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda; hierna: de Rechtbank) van 23 augustus 2012, nummer AWB 11/5836, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag omzetbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 5 april 2011 is aan belanghebbende over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag omzetbelasting met nummer [aanslagnummer] opgelegd naar een bedrag van € 36.604. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2011 het bezwaar afgewezen, de naheffingsaanslag gehandhaafd en heeft hij verzuimd te beslissen op het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 152. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 232. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 april 2013 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] verbonden aan [B], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en de heer [D].

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende drijft sinds 1 januari 2003 op het adres [E-straat] 5 te [woonplaats] (hierna: het bedrijfsadres) een vleesvarkenbedrijf (hierna: de onderneming). Belanghebbende is uit dien hoofde ondernemer voor de omzetbelasting (artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968; hierna: Wet OB 1968). Per 15 januari 2004 heeft de Inspecteur op verzoek van belanghebbende het omzetbelastingnummer [0000.00.000.X.00] toegekend. Belanghebbende heeft verzocht de zogenoemde landbouwregeling niet op hem toe te passen, welk verzoek door de Inspecteur is gehonoreerd (artikel 27, lid 6 van de Wet OB 1968).

2.2.

Belanghebbende is, buiten gemeenschap van goederen, gehuwd met mevrouw [F].

2.3.

Belanghebbende woonde tot 24 oktober 2005 op het bedrijfsadres in een tot woning omgebouwde (gedeelte van een) stal.

2.4.

In het vierde kwartaal van 2004 is belanghebbende op het bedrijfsadres begonnen met de bouw van een woning, die bestemd was om zowel privé als voor de onderneming te worden gebruikt (hierna ook wel: de nieuwe woning).

2.5.

Ter zake van de bouw van de nieuwe woning heeft belanghebbende de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in zijn aangiften omzetbelasting in mindering gebracht tot de volgende bedragen over de volgende tijdvakken:

Vierde kwartaal 2004

€ 4.560

Eerste kwartaal 2005

€ 6.840

Tweede kwartaal 2005

€ 15.162

Derde kwartaal 2005

€ 1.899

Vierde kwartaal 2005

€ 3.560

Totaal in aftrek gebracht:

€ 32.021

De Inspecteur heeft deze bedragen aan omzetbelasting nageheven. Na tegen die naheffingsaanslagen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 13 april 2006 de naheffingsaanslagen vernietigd onder de mededeling dat hij zich het recht voorbehoudt alsnog naheffingsaanslagen op te leggen als jurisprudentie van de Hoge Raad of gewijzigde wet- of regelgeving daartoe aanleiding geeft.

2.6.

Belanghebbende heeft met de Inspecteur afgesproken dat hij afziet van een beroep op de naheffingtermijn van 5 jaren en dat een eventuele naheffingsaanslag uiterlijk vóór 1 mei 2011 wordt opgelegd.

2.7.

De nieuwe woning is na gereedkomen op 24 oktober 2005 in gebruik genomen. De nieuwe woning wordt voor 10% voor de onderneming gebruikt.

2.8.

Op 27 september 2005 is belanghebbende met zijn echtgenote een overeenkomst van maatschap aangegaan, die - voor zover te dezen van belang - luidt als volgt:

‘AANVANG EN DUUR

ARTIKEL 1

Deze overeenkomst van maatschap is ingegaan op 1 januari 2005 en is aangegaan voor onbepaalde tijd.

(…)

INBRENG

ARTIKEL 4

4.1

De vennoot sub 1 heeft op 1 januari 2005 in de maatschap ingebracht:

4.1.1

de eigendom van de roerende zaken en eventuele vermogensrechten, welke verband houden met dan wel dienstbaar zijn aan de uitoefening van het varkensbedrijf, zoals opgenomen en gewaardeerd op de openingsbalans per 1 januari 2005;

(…)

4.1.2

het gebruik en genot van de onroerende zaken, bestaande uit de percelen cultuurgrond en ondergrond gebouwen, erf en wegen, grootte circa 7.00.10 hectare gelegen te [woonplaats], [E-straat] 5, met de daarop gestichte bedrijfsgebouwen en bouwkundige voorzieningen, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie [--] nummers [0000],[0001],[0002] en [0003].

Het inpandig woonhuis aan de [E-straat] 5 te [woonplaats] met ondergrond, erf en tuin is uitdrukkelijk bij deze inbreng inbegrepen. (…).’

Deze overeenkomst van maatschap is op 29 september 2005 ter registratie aangeboden bij de rijksbelastingdienst te
’s-Hertogenbosch.

2.9.

Op 27 december 2005 is belanghebbende, zijn echtgenote en [G] B.V. (hierna:[G] B.V.) een overeenkomst van maatschap aangegaan, die - voor zover te dezen van belang - luidt als volgt:

‘AANVANG EN DUUR

ARTIKEL 1

Deze overeenkomst van maatschap is ingegaan op 1 juli 2005 en is aangegaan voor onbepaalde tijd.

(…)

INBRENG

ARTIKEL 4

4.1

De vennoten sub 1 en sub 2 hebben op 1 juli 2005 in de maatschap ingebracht:

4.1.1

de eigendom van de roerende zaken en eventuele vermogensrechten, welke verband houden met dan wel dienstbaar zijn aan de uitoefening van het varkensbedrijf, zoals opgenomen en gewaardeerd op de openingsbalans per 1 juli 2005;

(…)

4.2

De vennoot sub 1 heeft op 1 juli 2005 in de maatschap ingebracht:

4.2.1

het gebruik en genot van de onroerende zaken, bestaande uit de percelen cultuurgrond en ondergrond gebouwen, erf en wegen, grootte circa 7.00.10 hectare gelegen te [woonplaats], [E-straat] 5, met de daarop gestichte bedrijfsgebouwen en bouwkundige voorzieningen, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie [--] nummers [0000],[0001],[0002] en [0003].

Het inpandige woonhuis aan de [E-straat] 5 te [woonplaats] met ondergrond, erf en tuin is uitdrukkelijk bij deze inbreng inbegrepen. (…).’

2.10.

[G] B.V. is opgericht op 27 december 2005 en op 3 januari 2006 ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Belanghebbende is enig aandeelhouder en directeur.

2.11.

Op 7 april 2006 is aan de Inspecteur een opgaaf Startende onderneming gezonden voor de maatschap [belanghebbende] en [F] met als startdatum 1 januari 2005. In een bij deze opgaaf gevoegde bijlage is het volgende vermeld:

‘Bijlagen.

Vraag 5 a:

Het formulier overdacht van activiteiten is hier niet van toepassing. Er worden geen activiteiten overgedragen in de zijn van de op het formulier gevraagde gegevens. Het formulier betreft de overdracht aan een ander werkgever. Hier is geen sprake van werkgeverschap. De voorheen in eenmanszaak gedreven onderneming wordt voortgezet in maatschapsverband.

Tot 1 januari 2005 is de onderneming gedreven als eenmanszaak door [belanghebbende].

De man/vrouw maatschap gaat in op 1 januari 2005 en loopt tot 30 juni 2005. Vanaf 1 juli 2005 treedt [G] B.V. toe tot de maatschap.

Voor deze maatschap is een nieuw formulier Opgaaf startende onderneming ingezonden.’

2.12.

Op 7 april 2006 is aan de Inspecteur een opgaaf Startende onderneming gezonden voor de maatschap [belanghebbende], [F] en[G] B.V. met als startdatum 1 juli 2005. In een bij deze opgaaf gevoegde bijlage is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:

‘Bijlagen.

Vraag 1 a:

[belanghebbende], [F] en [G] B.V.

(…)

Vraag 5 a:

Het formulier overdacht van activiteiten is hier niet van toepassing. Er worden geen activiteiten overgedragen in de zijn van de op het formulier gevraagde gegevens. Het formulier betreft de overdracht aan een ander werkgever. Hier is geen sprake van werkgeverschap. De voorheen in eenmanszaak gedreven onderneming wordt voortgezet in maatschapsverband.’

2.13.

Op 7 augustus 2006 heeft de Inspecteur aan de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. een gebruikersnaam en wachtwoord verstrekt voor het elektronisch indienen van aangiften en opgaven.

2.14.

Op 23 augustus 2006 heeft de Inspecteur aan de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. een brief gezonden, die - voor zover te dezen van belang - luidt als volgt:

‘Hierbij deel ik u mede dat ik aan de hand van de beschikbare gegevens heb beoordeeld voor welke belastingen u in mijn administratie wordt opgenomen. Dit is een voorlopig oordeel. Bij later onderzoek kan blijken of er wel of geen sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting / inkomstenbelasting of inhoudingsplicht voor de loonheffingen.’

2.15.

De voor de onderneming gebruikte bankrekening staat tot
1 april 2007 op naam van belanghebbende. Nadien is de bankrekening tenaamgesteld op: belanghebbende, F en G.

2.16.

Facturen van derden, zijnde leveranciers, energiemaatschappijen enz., zijn op naam van de vader van belanghebbende, op naam van belanghebbende zelf of op naam van de tot 1 januari 2003 door belanghebbende met zijn vader bestaande maatschap gesteld.

2.17.

De maatschap [belanghebbende] en [F] en de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. zijn niet ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

2.18.

De mestproductie- en varkensrechten zijn bij het Bureau heffingen respectievelijk de Dienst regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geregistreerd op naam van belanghebbende.

2.19.

Over de periode 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 is voor de maatschap [belanghebbende] en [F] een financieel verslag uitgebracht door [H] B.V.. Over de periode 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 is voor de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. een financieel verslag uitgebracht door [H] B.V.. Voor beide perioden zijn voor belanghebbende zelf door [H] B.V. ook financiële verslagen opgesteld.

2.20.

Belanghebbende heeft de nieuwe woning voor de inkomstenbelasting voor de jaren 2004 en 2005 gerekend tot zijn privévermogen.

2.21.

De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de naheffingsaanslag op het standpunt gesteld dat belanghebbende heeft beschikt over de nieuwe woning voor andere dan bedrijfsdoeleinden, ten gevolge waarvan deze het bedrijfsvermogen heeft verlaten (artikel 3, lid 1, aanhef, onderdeel g van de Wet OB 1968). Omdat de nieuwe woning minder dan 2 jaren daarvoor in gebruik is genomen, is deze levering belast voor de omzetbelasting (artikel 11, lid 1, aanhef, onderdeel a, ten eerste van de Wet OB 1968). De vergoeding heeft de Inspecteur op de voet van artikel 8, lid 3 van de Wet OB 1968 berekend op € 192.653. De naheffingsaanslag is aldus berekend op € 192.653 x 19% = € 36.604.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, zoals partijen tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk hebben bevestigd, uitsluitend het antwoord op de vraag of aan belanghebbende een aftrek toekomt van de hem ter zake van de nieuwe woning in rekening gebrachte omzetbelasting. Aldus betreft het geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de maatschap [belanghebbende] en [F] dan wel de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. aan te merken als een zogenoemde stille maatschap?

II. Zo vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Is van de nieuwe woning het gebruik en het genot ingebracht in de maatschap [belanghebbende] en [F] respectievelijk de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V.?

Belanghebbende is van mening dat de vragen I en II bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Belanghebbende verdedigt primair dat, in ieder geval in het jaar 2005, de maatschap [belanghebbende] en [F] en de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. stille maatschappen zijn, zodat het ontstaan van deze maatschappen geen invloed heeft gehad op het ondernemerschap van belanghebbende in het jaar 2005. Subsidiair betoogt belanghebbende dat het gebruik en het genot van de nieuwe woning in de maatschap [belanghebbende] en [F] zijn ingebracht en dat deze inbreng deel uitmaakt van een overgang van een algemeenheid van goederen, zodat heffing van omzetbelasting achterwege moet blijven op grond van artikel 31 van de Wet OB 1968.

3.3.

De Inspecteur betoogt primair dat de maatschap [belanghebbende] en [F] en de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. openbare maatschappen zijn, dat het gebruik en het genot van de nieuwe woning niet in de maatschap [belanghebbende] en [F] (of de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V.) zijn ingebracht, dat dientengevolge het ondernemerschap van belanghebbende is beëindigd bij het ontstaan van (één van) de maatschap(pen) en dat belanghebbende heeft beschikt over de nieuwe woning voor andere dan bedrijfsdoeleinden, ten gevolge waarvan deze het bedrijfsvermogen heeft verlaten (artikel 3, lid 1, aanhef, onderdeel g van de Wet OB 1968). Subsidiair stelt de Inspecteur, als belanghebbende na het ontstaan van de maatschap(pen) als ondernemer zou zijn aan te merken, dat het ter beschikking stellen van de nieuwe woning aan de maatschap(pen) een activiteit is die is vrijgesteld (artikel 11, lid 1, aanhef, onderdeel b van de Wet OB 1968), zodat ter zake van de nieuwe woning geen recht op aftrek bestaat en het beschikken voor bedrijfsdoeleinden van de nieuwe woning in het jaar van ingebruikneming leidt tot de zogenoemde integratieheffing (artikel 3, lid 1, aanhef, onderdeel h van de Wet OB 1968).

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil, dat wanneer belanghebbende recht heeft op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de nieuwe woning, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat, als sprake is van een levering als bedoeld in artikel 3, lid 1, aanhef, onderdeel g van de Wet OB 1968 of artikel 3, lid 1, aanhef, onderdeel h van de Wet OB 1968, de naheffingsaanslag juist is.

3.5.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt en op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.6.

Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en – naar het Hof begrijpt - tot vergoeding van de kosten van het bezwaar, tot vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof. Belanghebbende concludeert subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag naar een bedrag van (€ 32.021 -/- € 4.560 (vierde kwartaal 2004) -/- € 3.560 (vierde kwartaal 2005) =) € 23.901 en – naar het Hof begrijpt - tot vergoeding van de kosten van het bezwaar, tot vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van de kosten van het bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, lid 3 van de Awb. De Inspecteur had op dit verzoek moeten beslissen bij (de voor beroep vatbare) uitspraak op bezwaar, hetgeen hij heeft verzuimd (zie onder meer de uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2012, 11/00582, LJN: BX0728; van 24 juni 2011, 10/00803, LJN: BS1093; van 16 september 2010, 08/00045, LJN: BP4013; van 31 augustus 2006, 05/00342, LJN: BH4780 en van 8 juli 2005, 03/02930, LJN: AU0605). Reeds daarom is het door belanghebbende bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond en dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. Het Hof zal alsnog beslissen op het verzoek.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.2.

Het Hof is van oordeel dat in het jaar 2005 de maatschap [belanghebbende] en [F] en de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. niet op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder de naam van desbetreffende maatschap aan het maatschappelijke verkeer hebben deelgenomen.

4.3.

De onder 2.15 tot en met 2.18 vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat met de maatschappen niet op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder de naam van desbetreffende maatschap aan het maatschappelijke verkeer is deelgenomen (vergelijk Hoge Raad 4 december 2009, 43 742, ECLI:NL:HR:2009:BB8345), zodat de maatschappen moeten worden aangemerkt als zogenoemde stille maatschappen.

4.4.

De onder 2.19 vermelde omstandigheid dat ten behoeve van de (vennoten in de) maatschappen financiële verslagen zijn opgemaakt leidt niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is immers dat deze verslagen zijn gepubliceerd dan wel anderszins aan derden kenbaar zijn gemaakt.

4.5.

De onder 2.20 vermelde omstandigheid dat belanghebbende de nieuwe woning in zijn aangiften inkomstenbelasting als privévermogen heeft aangemerkt, leidt evenmin tot een ander oordeel. Daargelaten of deze aangiften op het punt van de nieuwe woning beoordeeld naar de Wet inkomstenbelasting 2001 juist zijn, is het in ieder geval zo dat de beoordeling of belanghebbende ondernemer voor de omzetbelasting is en de beoordeling wat behoort tot zijn ondernemingsvermogen voor de omzetbelasting dient plaats te vinden aan de hand van voor de omzetbelasting geldende criteria. Met andere woorden, de omstandigheid dat de nieuwe woning voor de inkomstenbelasting is geëtiketteerd als privévermogen brengt niet dwingend met zich dat ook voor de omzetbelasting de nieuwe woning niet als ondernemingsvermogen moet worden aangemerkt.

4.6.

De onder 2.11 tot en met 2.13 vermelde omstandigheden dat voor de maatschap [belanghebbende] en [F] en de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. bij de Inspecteur opgaaf Startende onderneming is gedaan rechtvaardigen niet de conclusie dat de maatschappen zich naar een derde toe, in dit geval de Inspecteur, zou hebben gepresenteerd als ondernemer. Deze opgaven dienen door de Inspecteur te worden beoordeeld en kunnen nu juist tot het oordeel leiden dat de maatschappen niet als ondernemer zijn aan te merken. De door de Inspecteur aan de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. verstrekte gebruikersnaam en wachtwoord voor het elektronisch indienen van aangiften en opgaven berusten, zoals de Inspecteur meldt in zijn onder 2.14 vermelde brief, op een voorlopig oordeel, dat kan worden herzien. Het is met andere woorden niet zo dat ieder die zich bij de rijksbelastingdienst meldt met een opgaaf Startende onderneming reeds op grond van alleen die opgaaf als ondernemer voor de omzetbelasting is aan te merken.

4.7.

De omstandigheid dat de maatschap [belanghebbende], [F] en [G] B.V. na het jaar 2005 op een voor derden duidelijker kenbare wijze onder haar naam aan het maatschappelijke verkeer is gaan deelnemen rechtvaardigt niet de conclusie dat reeds in het jaar 2005 sprake was van een dergelijke voor derden duidelijk kenbare deelname.

4.8.

Vraag I moet bevestigend worden beantwoord. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Vraag II

4.9.

Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I behoeft vraag II geen beantwoording meer.

Slotsom

4.10.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd alsmede de naheffingsaanslag.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 respectievelijk € 232 te worden vergoed.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.12.

Belanghebbende heeft, voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

4.13.

In artikel 7:15, lid 2 en lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed uitsluitend als (1) daar door belanghebbende om wordt verzocht en (2) het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In artikel 7:15, lid 3 van de Awb is bepaald dat (1) het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar beslist en (2) de Inspecteur op het verzoek beslist bij de uitspraak op het bezwaar.

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, zodat de kosten van het bezwaar niet behoeven te worden vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd en gelet op het overwogene onder 4.1, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank op 2,5 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.180.

4.17.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij het Hof op 2,5 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.180.

4.18.

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die aanleiding zouden moeten geven tot vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten voor de behandeling van het beroep bij het Hof, acht het Hof niet aanwezig.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 384 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in een tegemoetkoming van de kosten van de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van € 2.360, in totaal.

Aldus gedaan op: 26 september 2013 door P. Fortuin, voorzitter, J. Swinkels en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door
voornoemde J. Swinkels, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.