Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4348

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
HD 200.116.324_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot staking/schorsing executie dwangsommen. Verhouding tot eerdere uitspraak in kort geding in hoger beroep (waarin dwangsommen zijn opgelegd op overtreding van een relatiebeding in een managementovereenkomst c.a.) en tot bodemzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.324/01

arrest van 24 september 2013

in de zaak van

1 Vishay - Waste Collection Systems B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. SA Vishay-WCS Belgium N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

appellanten,

advocaat: mr. E.J. Bink te Amsterdam,

tegen

1 Diefhoek Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. Ace B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. Total Waste Systems Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. Total Waste Systems Belgium B.v.b.a.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België)

5. [geintimeerde sub 5.],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2012 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in rechtbank Breda, afdeling civiel gewezen vonnis in kort geding van 26 oktober 2012 tussen appellanten – Vishay-WCS c.s. – als gedaagden en geïntimeerden – Diefhoek c.s. – als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 253564/KG ZA 12-473)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij brief van 4 juli 2013 door Vishay-WCS c.s. toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt in dit kort geding uitgegaan van de navolgende feiten:

- [geintimeerde sub 5.] is sinds 1981 werkzaam in de afvalbranche. In 1992 heeft hij de vennootschap Diefhoek Holding B.V. (hierna: Diefhoek) opgericht. [geintimeerde sub 5.] en zijn echtgenote zijn de bestuurders/aandeelhouders van Diefhoek.

- Diefhoek heeft in 1992 WCS B.V. (hierna: WCS Nederland) opgericht en in 1994 WCS Belgium N.V. (hierna: WCS België). Deze ondernemingen houden zich bezig met de handel in afvalinzamelmiddelen. Zij betrekken hun producten van de leveranciers Europlast, Meva en Reflex.

- In 2003 heeft [geintimeerde sub 5.] het merendeel van de aandelen in WSC Nederland en WCS België verkocht aan de Engelse onderneming PM Group Plc., die in 2005 deel is gaan uitmaken van de Amerikaanse multinational Vishay Precision Group Inc. (hierna: VPG). Diefhoek houdt sindsdien nog 10% van de aandelen van WCS Nederland (waarvan de officiële naam is gewijzigd in Vishay-WCS Nederland B.V., de gedaagde sub 1) en 3% van de aandelen van WCS België (waarvan de officiële naam is gewijzigd in Vishay-WCS Belgium N.V., de gedaagde sub 2).

- Op 7 maart 2003 hebben WCS Nederland en Diefhoek een managementovereenkomst gesloten, op grond waarvan Diefhoek als statutair bestuurder werkzaamheden voor WCS Nederland is gaan verrichten. Daarbij is [geintimeerde sub 5.] door Diefhoek aangewezen als degene die deze taken feitelijk zal gaan vervullen, met het recht van vervanging. De overeenkomst bevat een relatiebeding. Het betreffende artikel 7 van die managementovereenkomst luidt:

‘Both during the term of this Agreement and for a period of 12 months after its termination, irrespective of the way in which and the reason for which is was terminated, without the Principal’s prior written approval the Company shall not;

1. In any way, whether directly or indirectly, maintain business relations with any person, institution, company or business with whom the Principal has maintained business relations during the last two years preceding the end of this Agreement;

2. employ, solicit or endeavour to entice away from the Principal or companies affiliated with the Principal any person who during two years preceding the date of the termination or ending of this Agreement is or was an employee of otherwise rendered services to the Principal or to any company to the Principal.’

Artikel 9.3 van de managementovereenkomst luidt:

‘The Company commits to impose on the manager its obligations under this Agreement set out in Article 6 en 7, and if so required to enforce the fulfilment thereof in a court of law.’

- In maart 2005 is Diefhoek ook bestuurder geworden van WCS België.

- Medio 2011 is tussen VPG en [geintimeerde sub 5.] verschil van inzicht ontstaan over deelname van WCS Nederland en WCS België aan aanbestedingsprocedures.

- Bij brieven van 4 november 2011 aan WCS Nederland en WCS België heeft Diefhoek de managementovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

- In december 2011 heeft [geintimeerde sub 5.] een groot aantal relaties van WCS Nederland en WCS België aangeschreven met de volgende boodschap:

‘Na een mislukte MBO van m’n vorige bedrijf en mede vanwege een grondige wijze in het door de Amerikaanse hoofdaandeelhouder afgekondigde beleid, heb ik helaas moeten concluderen dat er geen verdere toekomst meer lag.

Ik voelde me daardoor, tot m’n grote spijt, gedwongen de firma’s welke ik 20 jaren geleden zelf opgericht heb, vrijwillig te verlaten per 04 november j.l.

Aangezien ondergetekende ruim 30 jaar in het vak zit en altijd een goede relatie met u allen heb mogen onderhouden, alsmede gesteund door het enthousiasme en de ondersteuning van mijn belangrijkste partners, heb ik besloten twee nieuwe handelsondernemingen op te richten: Total Waste Systems; TWS Nederland B.V. en TWS Belgium Bvba.

Onze drie belangrijkste toeleveranciers: Europlast (At), kunststof boxen en containers, Meva (Cz) gegalvaniseerd stalen containers en Reflex(Cz) glasvezelversterkte polyester boven-, en (semi) ondergrondse depotcontainers, staan volledig achter ons en sluiten hierbij hun aanbevelingsbrieven eveneens in.

Wij presenteren u hiermede onze nieuwe firma’s en spreken de wens uit dat we wederom vele jaren u van dienst mogen zijn.’

- Gedaagden hebben eisers gedagvaard in kort geding en gevorderd dat eisers stoppen met activiteiten die in strijd zijn met het relatiebeding en dat zij zich tevens onthouden van het oprichten van met de core business van gedaagden concurrerende bedrijven. Ook dienen eisers opgave te doen van alle door hen benaderde zakenrelaties van gedaagden om vervolgens aan die relaties een door gedaagden opgestelde mededeling toe te zenden.

- Bij vonnis van 31 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voornoemde vorderingen van gedaagden afgewezen.

- Tegen dit vonnis hebben gedaagden hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 7 augustus 2012 heeft dit gerechtshof het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. In dat verband heeft het gerechtshof in rechtsoverweging 4.9.3 onder meer overwogen:

‘Het hof is voorshands van oordeel dat ACE en TWS allereerst onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hebben geprofiteerd van de wanprestatie van Diefhoek en [geintimeerde sub 5.]. Voorts hebben zij, nu het immers vennootschappen zijn die geheel worden beheerst door Diefhoek/[geintimeerde sub 5.], door naar buiten te treden en daarbij contacten te leggen met relaties van WCS Nederland BV onrechtmatig jegens Vishay-WCS c.s. gehandeld. Voor zover het handelen van [X.] aan Diefhoek c.s. kan worden toegerekend is dat handelen in ieder geval in strijd met het concurrentiebeding en ook overigens onrechtmatig, nu het immers om bestaande relaties van Vishay-WCS c.s. gaat en de daarmee gesloten overeenkomsten. (…)

Waar de vordering echter ook ziet op het beletten van concurrerend handelen van Diefhoek c.s. in het algemeen, wordt dit laatstbedoelde handelen niet bestreken door het concurrentiebeding. Het beding verbiedt immers slechts relaties van WCS Nederland te benaderen, maar niet om overigens concurrerend op te treden. Voor zover die eerste situatie aan de orde is dienen ACE en/of TWS, als hiervoor reeds is overwogen, zich te onthouden van het profiteren van het inbreukmakend handelen door Diefhoek/[geintimeerde sub 5.]. Het veel ruimere verbod als door Vishay-WCS c.s. thans gevorderd kan echter niet worden toegewezen. (…)’

Rechtsoverweging 4.10 van het arrest luidt:

‘Naast de vordering om de verboden activiteiten te staken heeft Vishay-WCS c.s. tevens gevorderd Diefhoek c.s. te verplichten om opgave te doen van de door Diefhoek c.s. benaderde zakenrelaties en voorts aan die relaties een mededeling als verwoord in de akte houdende eiswijziging te doen toekomen. Die vordering kan niet slagen. De betreffende mededeling gaat immers voorbij aan hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de omvang van de verplichtingen voortvloeiend uit het concurrentiebeding en houdt bovendien in dat de betreffende relaties verzocht worden om hun relatie met Vishay-WCS c.s. te herstellen. Diefhoek en [geintimeerde sub 5.] zijn slechts gehouden geen zakelijke contacten met de relaties van WCS Nederland B.V. als omschreven in het beding aan te knopen gedurende een jaar na beëindiging van de managementovereenkomst.

Diefhoek c.s. heeft naar voldoende vaststaat zich na het einde van de managementovereenkomst niets gelegen laten liggen aan het concurrentiebeding.

Vishay-WCS Nederland heeft er daarom wel belang bij te kunnen controleren welke relaties van WCS Nederland BV - voor zover deze vallen onder het beding - inmiddels een relatie zijn van ACE en/of TWS.

Diefhoek c.s. dient daarom aan Vishay-WCS c.s. binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest opgave te doen van die relaties uit het huidige relatiebestand van ACE en/of TWS. Met “besmette” relaties dient Diefhoek c.s. verder de banden met onmiddellijke ingang te verbreken en daarvan schriftelijk mededeling te doen aan Vishay-WCS c.s.’

Het dictum van het arrest luidt, voor zover hier van belang:

‘1. gebiedt Diefhoek Holding BV, ACE BV, TWS Nederland BV, TWS Belgium BV en [geintimeerde sub 5.] binnen een week na het wijzen van dit arrest de door het relatiebeding uit de managementovereenkomst met Vishay-WCS BV bestreken activiteiten te staken en tot 4 november 2012 gestaakt te houden, een en ander op straffe van een aan Vishay-WCS BV te verbeuren dwangsom van € 10.000 per overtreding dan wel dagdeel, tot een maximum van € 1.000.000;

2. gebiedt voornoemde vennootschappen én [geintimeerde sub 5.] om aan Vishay-WCS c.s. binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest gezamenlijk opgave te doen van die relaties uit het huidige klantenbestand van ACE BV én TWS Nederland BV én TWS Belgium BV, die zijn aan merken als relaties van Vishay-WCS B.V., een en ander op straffe van een aan Vishay-WCS c.s. te verbeuren dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat voornoemde (rechts)personen daarmee nalatig blijven tot een maximum van € 1.000.000;

3. gebiedt voornoemde vennootschappen en [geintimeerde sub 5.] aan de onder het relatiebeding vallende relaties van Vishay-WCS BV waarmee zij na 4 november 2011 zakelijke relaties zijn aangegaan te berichten dat zij hiermee in strijd handelen met het bedoeld relatiebeding en afschrift van deze mededeling(en) te verstrekken aan Vishay-WCS BV binnen veertien dagen na wijzen van dit arrest, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat voornoemde vennootschappen en [geintimeerde sub 5.] daarmee nalatig blijven tot een maximum van € 1.000.000;’.

Het arrest is op 13 augustus 2012 aan eisers betekend.

- Op 20 augustus 2012 heeft TWS Nederland aan de advocaat van gedaagden per e-mail een lijst gestuurd met namen van relaties van eisers die ook relaties van WCS Nederland zijn. Op 17 augustus 2012 heeft TWS Nederland namens eisers aan alle relaties op voornoemde lijst een brief gestuurd, inhoudende dat eisers in strijd met het relatiebeding tussen Diefhoek en WCS Nederland hebben gehandeld door met hen een zakelijke relatie aan te gaan.

- Bij brief van 21 augustus 2012 heeft de advocaat van Vishay c.s. aan de advocaat van Diefhoek c.s. geschreven dat op de website www.totalwastesystems.nl nog altijd de namen van de leveranciers van WCS Nederland staan vermeld, hetgeen in strijd is met het relatiebeding. Verder stellen Vishay c.s. dat zij signalen ontvangen dat [geintimeerde sub 5.] nog steeds actief is op de markt, dat eisers hebben verzuimd om de relaties Intradel en BEP van WCS Nederland op de relatielijst te plaatsen en dat de relaties [relatie] [vestigingsplaats] en Flora Holland geen rectificatiebrief hebben ontvangen, zodat Diefhoek c.s. dwangsommen hebben verbeurd. Bij brief van 24 augustus 2012 heeft de advocaat van Diefhoek c.s. het standpunt van Vishay c.s. gemotiveerd bestreden.

- Op 30 augustus 2012 is op verzoek van Vishay-WCS c.s. bij deurwaardersexploot aan Diefhoek c.s. aangezegd dat zij een bedrag van € 50.000,- aan dwangsommen hebben verbeurd wegens overtreding van de veroordeling onder 1 in het dictum van het arrest en een bedrag van € 120.000,- wegens overtreding van de veroordeling onder 3 in het dictum van het arrest.

- Bij vonnis van 13 februari 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor recht verklaard dat Diefhoek c.s. het dictum onder 5.1. van het arrest van het hof van 7 augustus 2012 hebben overtreden en daarmee dwangsommen hebben verbeurd met een minimum van in elk geval een bedrag van € 30.000,--.

4.2.

Diefhoek c.s. hebben na de aanzegging van de executie van de dwangsommen Vishay-WCS c.s. in kort geding betrokken en, kort gezegd, als voorziening een staking dan wel schorsing van die executie gevorderd dan wel staking c.q. schorsing van de executie totdat in een door Diefhoek c.s. aanhangig te maken bodemprocedure bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is bepaald dat de door Vishay-WCS c.s. bij exploot van 30 augustus 2012 aangezegde dwangsommen geheel of gedeeltelijk zijn verbeurd.

4.3.

Diefhoek c.s. hebben ter ondersteuning van hun vorderingen betoogd dat zij de verplichtingen voortvloeiend uit het arrest van dit hof van 7 augustus 2013 jegens Vishay-WCS c.s. volledig zijn nagekomen en dat zij om die reden geen dwangsommen hebben verbeurd.

4.4.

Vishay-WCS c.s. hebben dat standpunt bestreden en, kort gezegd, gesteld dat op de website van TWS Nederland en België nog steeds melding wordt gemaakt van leveranciers (van voorheen Vishay-WCS c.s.) te weten Europlast, Meva en Reflex. Verder hebben Diefhoek c.s. ingeschreven op een aanbesteding van de gemeente Terneuzen (een relatie van Vishay-WCS c.s.), terwijl Diefhoek c.s. een andere relatie van Vishay-WCS c.s., te weten D&M Holland, niet bericht hebben dat Diefhoek c.s. onrechtmatig concurrerend hadden gehandeld. Vishay –WCS c.s. vermoedden nog meer overtredingen.

4.5.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering van Diefhoek c.s. tot schorsing van de executie toegewezen in die zin dat de voorzieningenrechter de executie zelf schorste onder de bepaling dat deze schorsing gold totdat hierover in een door Diefhoek c.s. aanhangig te maken bodemprocedure in eerste aanleg een eindvonnis is gewezen. Hij overwoog daartoe, kort samengevat, dat het handhaven van de namen van vroegere leveranciers op de website van TWS redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als een vorm van contact blijven onderhouden met deze relaties. Verder is niet gebleken dat de gemeente Terneuzen reeds voor 7 augustus 2012 een relatie was van TWS, terwijl bovendien de betreffende opdracht ook niet aan TWS is gegund. Tenslotte is zonder nadere bewijslevering niet vast te stellen dat D&M Holland een relatie van Vishay-WCS c.s. was en daarvoor is in kort geding geen plaats. Vishay-WCS c.s. is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissingen komen Vishay-WCS c.s. op in hoger beroep.

4.6.

Het hof dient zich allereerst de vraag te stellen of en zo ja welk belang in de onderhavige procedure nog aan de orde is. Immers vaststaat dat inmiddels de bodemrechter in het vonnis van 13 februari 2013, waarbij de geldigheid van het relatiebeding de inzet van de procedure vormde, eveneens een oordeel heeft gegeven over de verschuldigdheid van de (tevens gevorderde) dwangsommen op grond van het arrest van 7 augustus 2012 van dit hof. Dit oordeel luidt als volgt:

‘De vordering tot verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd tot een bedrag van € 30.000,-- is wel toewijsbaar. De rechtbank stelt vast dat na het arrest van het gerechtshof, is voortgegaan met activiteiten die mede inbreuken op het gegeven verbod hebben omvat.

Aan dit oordeel lag de volgende stelling van Vishay-WCS c.s. ten grondslag (punt 53 in de conclusie van antwoord in reconventie):

“WCS c.s. is dan ook van oordeel dat TWS c.s. dwangsommen heeft verbeurd door “door het relatiebeding betreken activiteiten” voort te zetten, terwijl hen dat nu juist was verboden. TWS c.s. heeft contact onderhouden met zakelijke relaties van WCS c.s. door hun producten aan te bieden op de website van TWS c.s., zij heeft ingeschreven op een aanbesteding van de Gemeente Terneuzen – relatie van WCS c.s. – en daarbij Europlast – relatie van WCS c.s. – producten aangeboden. Dat resulteert in minstens 3 maal € 10.000 aan dwangsommen. WCS c.s. vermeerdert haar eis dat zij een verklaring voor recht vordert dat Diefhoek c.s. het dictum onder 5.1. van het Arrest hebben overtreden en daarmee dwangsommen hebben verbeurd met een minimum van in elk geval € 30.000 (…).”

4.7.

Met dit oordeel van de bodemrechter is een beslissing gegeven over de verschuldigdheid van dwangsommen, zoals door de voorzieningenrechter als voorwaarde en uitgangspunt gesteld bij het bepalen van de periode tot wanneer de executie van dwangsommen werd opgeschort. De voorzieningenrechter heeft die schorsing immers slechts willen laten voortduren totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg een eindvonnis was gewezen. Dat het vonnis van 13 februari 2013 een eindvonnis inhoudt is door geen van partijen bestreden. Door Diefhoek c.s. is bij pleidooi nog wel opgeworpen dat deze beslissing van de voorzieningenrechter aldus dient te worden gelezen dat de schorsing geldt totdat er een vonnis (uitspraak) is dat voor ten uitvoerlegging vatbaar is, maar die opvatting vermag het hof niet te lezen in het hier bedoeld dictum. Dat klemt te meer nu Diefhoek c.s. in haar vordering tot schorsing van de executie van de dwangsommen in eerste aanleg uitdrukkelijk hebben verzocht om een schorsing voor de gehele periode dat er in deze nog geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak was gedaan. De voorzieningenrechter heeft kennelijk reden gezien de integrale toewijzing van die gevorderde voorziening enigszins te beperken.

4.8.1.

Dit leidt allereerst tot de conclusie dat, nu de getroffen voorziening in de vorm van een schorsing van de executie van dwangsommen is uitgewerkt, het in beginsel Vishay-WCS c.s. weer vrij staat om de eventueel verbeurde dwangsommen te executeren, waarmee zij het directe belang bij een hoger beroep in deze zaak anders dan een oordeel over de vraag of de voorzieningenrechter terecht de schorsing van de executie heeft uitgesproken, hebben verloren. Het hof zal hier nog op terugkomen in r.o. 4.8.3.

4.8.2.

Daarnaast kan het volgende worden opgemerkt. In de relatie tussen voorzieningenrechter en bodemrechter dient de voorzieningenrechter zich terughoudend op te stellen en zich in beginsel te richten naar de bodemrechter. De bodemrechter heeft in dit geval (in r.o. 3.4. van het vonnis van 13 februari 2013) niet alleen geoordeeld dat er sprake is geweest van een inbreukmakend optreden door Diefhoek c.s. in de periode voorafgaand aan het arrest van het hof van 7 augustus 2012 (zoals door het hof voorshands aangenomen in zijn arrest), maar bovendien dat Diefhoek c.s. het op grond daarvan door het hof met een dwangsom versterkte verbod om hiermee verder te gaan deels hebben genegeerd en daarom na het arrest dwangsommen hebben verbeurd tot tenminste € 30.000.

Dat oordeel maakt dat de grieven, die er in hun gezamenlijkheid op gericht zijn aan te nemen dat er dwangsommen verbeurd zijn, doel treffen, nu het oordeel van de bodemrechter inhoudend dat er dwangsommen zijn verbeurd immers die stelling bevestigt en daarmee afwijkt van hetgeen waarvan de voorzieningenrechter (voorshands oordelend) is uitgegaan.

Nu de grieven van Vishay-WCS c.s. slagen dient het vonnis van de voorzieningenrechter daarom te worden vernietigd. De vorderingen van Diefhoek c.s. zullen alsnog worden afgewezen en Diefhoek c.s. zullen in de kosten van de procedure in beide instanties worden veroordeeld.

4.8.3.

Het oordeel van de bodemrechter bevat een verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd tot tenminste een bedrag van € 30.000,- en de vraag is gerechtvaardigd welke betekenis dat oordeel heeft met het oog op een verdere executie van eventueel verbeurde dwangsommen als eertijds aangezegd. In dat oordeel ligt als onder 4.8.2. overwogen allereerst besloten dat executie van verbeurde dwangsommen in beginsel tot een bedrag van € 30.000,- gerechtvaardigd is. Vaststaat echter tussen partijen dat er inmiddels door Diefhoek c.s. een dergelijk bedrag aan Vishay is betaald. Met betrekking tot de vraag of deze situatie met zich brengt dat het Vishay-WCS c.s. niettemin nog vrij staat om voor het door hen thans gestelde meerdere over te gaan tot executie (volgens Diefhoek c.s. is daar geen plaats meer voor) merkt het hof omwille van een doelmatige procesvoering daarbij ten overvloede het volgende op.

Het hof beantwoordt de vraag of het Vishay-WCS c.s. thans vrij staat om over te gaan tot executie van aangezegde verbeurde dwangsommen boven de € 30.000,- afwijzend.

Het oordeel van de bodemrechter over de verschuldigdheid van dwangsommen is gegoten in een verklaring voor recht, die om die reden uitdrukkelijk niet is voorzien van een uitvoerbaarheid bij voorraad, zoals door de bodemrechter in zijn vonnis van 13 februari 2013 onder 3.12. is overwogen. Tegen dat vonnis is inmiddels hoger beroep ingesteld bij dit hof onder rolnummer HD 200.126.931/01. Zo Vishay-WCS c.s. zich op het standpunt wensen te stellen dat het hen niettemin vrij staat om verder de (volgens hen) op grond van het arrest van dit hof van 7 augustus 2012 verbeurde dwangsommen (als blijkend uit de aanzegging van 30 augustus 2012) te executeren, gaan zij er aan voorbij dat in de bij dat bodemvonnis afgegeven verklaring voor recht wordt gesproken over een bedrag “met een minimum van in elk geval € 30.000,--“. Een dergelijk oordeel maakt het Vishay-WCS c.s. uiteraard mogelijk (en laat hun in ieder geval alle ruimte) om in het inmiddels aanhangige hoger beroep een hoger bedrag dan bedoelde € 30.000 te vorderen al dan niet in de vorm van een verklaring voor recht, maar dat staat er naar het voorlopig oordeel van het hof wel aan in de weg dat Vishay-WCS c.s. op dit moment bij wege van executie van het meerdere van € 30.000,-- (en los van enige toetsing in hoger beroep door het hof in de bodemzaak) aanspraak kunnen maken. Vishay-WCS c.s. hebben om hun moverende redenen in de bodemzaak de vraag of dwangsommen verbeurd waren immers daarmee (vooralsnog) beperkt tot dat bedrag van € 30.000,-. De inzet van het kort geding in eerste aanleg was er op gericht dat een beslissing tot een schorsing werd verkregen totdat de bodemrechter uitspraak had gedaan over de verschuldigdheid van dwangsommen op basis van de aanzegging van 30 augustus 2012. Het gaat dan niet aan om voort te gaan met de executie van die (volgens Visheay-WCS c.s. verbeurde) dwangsommen indien die rechtsvraag in het juridisch debat tussen partijen in hoger beroep door eigen toedoen van Vishay-WCS c.s. vooralsnog is beperkt tot een bedrag van € 30.000,- terwijl het oordeel van de bodemrechter in eerste aanleg geen aanknopingspunt biedt tot verdere executie.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van Diefhoek c.s. af;

veroordeelt Diefhoek c.s. in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van Vishay-WCS c.s., voor de eerste aanleg vastgesteld op € 575,- aan griffierechten en € 816,- aan salaris advocaat en voor het hoger beroep op € 380,85 aan dagvaardingskosten, € 666,- aan griffierechten en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en A.E. Bos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 september 2013.