Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4336

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
HD 200.130.757-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

KB-Lux zaak, kort geding tot naleving verplichtingen ex art. 47 AWR

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.757/01

arrest van 24 september 2013 (bij vervroeging)

gewezen in de incidenten ex artikel 351 en 843a Rv in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten,

advocaat: mr. L.J. de Rijke te Bergen op Zoom,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën,

Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in de incidenten,

advocaat: mr. drs. W.I. Wisman te 's-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis van 15 juli 2013 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en eiseres in het incident in conventie, en geïntimeerde - de Staat - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en verweerder in het incident in conventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/181434/ KG ZA 13-247)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[appellante] heeft bij voormelde appeldagvaarding, houdende grieven, de Staat in hoger beroep gedagvaard tegen de rolzitting van 30 juli 2013. Het verzoek om spoedappel (toepassing van artikel 9.1.1 e.v. van het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch) is door de rolraadsheer geweigerd. Bij de appeldagvaarding heeft [appellante] tevens incidentele vorderingen ex artikel 843a en 351 Rv ingesteld. [appellante] heeft pleidooi gevraagd in deze incidenten.

2.2.

Ter rolzitting van 13 augustus 2013 heeft de Staat geantwoord in de incidenten.

2.3.

Partijen hebben hun zaak voor wat betreft deze incidenten doen bepleiten, [appellante] door mr. De Rijke en de Staat door mr. Wisman. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

2.4.

Hierna is uitspraak bepaald in de incidenten ex artikel 351 en 843a Rv.

3 De motivering

In de incidenten ex artikel 351 en 843a Rv

3.1.

Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om het volgende.

3.1.1.

De Staat heeft in een kort geding tegen [appellante] gevorderd – kort samengevat – dat [appellante] wordt veroordeeld tot naleving van haar informatieplicht op grond van artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), op straffe van een dwangsom.

3.1.2.

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis in kort geding [appellante] (in conventie) veroordeeld om:

a. a) op het formulier "Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) [appellante] na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

b) opgave te doen van de onder a) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [appellante] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier "Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

c) een mondelinge toelichting te geven op de onder a) en b) omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn;

d) binnen één maand na de datum van dit vonnis aan de onder a) en b) omschreven bevelen te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [appellante] in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-.

Daarbij heeft de voorzieningenrechter bepaald dat, voor zover de bevelen onder a) en b) en de veroordeling onder c) betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [appellante] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt te behoeve van de belastingheffing.

Voorts is [appellante] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten en heeft de voorzieningenrechter het vonnis (in conventie) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In het incident ex artikel 351 Rv

3.2.

[appellante] vordert in het incident ex artikel 351 Rv schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Het hof leidt uit de appeldagvaarding af dat de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging uitsluitend betrekking heeft op het vonnis voor zover dat is gewezen in de hoofdzaak in conventie en niet mede op het vonnis voor zover dat is gewezen in reconventie en in het incident in conventie. In de appeldagvaarding stelt [appellante] - zo begrijpt het hof - dat de belangenafweging tussen enerzijds het belang van de Staat bij de spoedige tenuitvoerlegging van het vonnis en anderzijds het gestelde belang van [appellante] bij handhaving van de status quo, in het voordeel van [appellante] dient uit te vallen. [appellante] verzoekt het hof de gehele inhoud van de memorie van grieven (inclusief de volgens haar van toepassing zijnde nationale jurisprudentie en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europese Hof van Justitie) bij de afweging van de belangen te betrekken.

3.3.

Voor toewijzing van een vordering ingevolge artikel 351 Rv is plaats indien, mede gelet op de belangen van [appellante] die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, tenuitvoerlegging door de Staat misbruik van haar executiebevoegdheid oplevert. Hiervan kan met name sprake zijn als het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand voor [appellante] doet ontstaan. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.4.

Het hof stelt voorop dat voornoemd toetsingskader van het onderhavige incident geen ruimte laat voor een integrale (her)beoordeling van de standpunten van partijen. Op de door [appellante] aangevoerde bezwaren heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis reeds beslist. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in het onderhavige incident geen inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak aangevoerd kunnen worden, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van voornoemd misbruik van (executie)bevoegdheid. Alleen deze laatste bezwaren zal het hof hierna in de beoordeling betrekken. De overige opgeworpen (inhoudelijke) bezwaren zal het hof thans niet behandelen.

3.5.

Dat de Staat het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden vonnis heeft verkregen, maakt hem in beginsel bevoegd om dat vonnis te executeren, ook nu daartegen hoger beroep is ingesteld en als bij tenuitvoerlegging daarvan een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan.

Voor zover [appellante] aan haar incidentele vordering ten grondslag heeft gelegd dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, kan het daartoe gestelde niet tot toewijzing van de incidentele vordering leiden. Volgens [appellante] is het onderhavige geschil fiscaalrechtelijk van aard met een strafrechtelijke connotatie en is het in strijd met het doel en de strekking van de AWR om dit geschil in een civielrechtelijk geding te beslechten. [appellante] doet daarbij een beroep op onder meer artikel 6 EVRM, fiscale grond- en legaliteitsbeginselen, de beginselen van equality of arms en fair trial en Europese fiscale regelgeving. Naar het voorlopige oordeel van het hof is - mede gezien het arrest van de Hoge Raad 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) - de civiele rechter wél bevoegd om van de onderhavige vordering ex artikel 47 AWR kennis te nemen en is er in dat kader geen sprake van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag.

Voor zover [appellante] ter zitting heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om aan de veroordeling te voldoen - volgens [appellante] heeft zij geen beschikking (gehad) over een buitenlandse bankrekening en is door de rechter ten onrechte niet vastgesteld of zij de beschikking heeft over de gevraagde informatie en of de identificatie(procedure) betrouwbaar is - wijst het hof in dat verband op artikel 611d Rv, waarin is bepaald dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd deze kan opheffen, schorsen of verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Tot schorsing van de tenuitvoerlegging leidt die omstandigheid evenwel in beginsel niet.

Gesteld noch gebleken is van feiten en omstandigheden die zich eerst ná het vonnis van de voorzieningenrechter hebben voorgedaan of die eerst na dat vonnis aan het licht zijn gekomen en met zich brengen dat sprake is van een noodtoestand. De omstandigheid dat [appellante] mogelijk haar woning zou moeten verlaten als gevolg van het verbeuren van dwangsommen als zij het vonnis niet naleeft, is geen feit of omstandigheid die tot een noodtoestand leidt als hiervoor bedoeld. Gesteld noch gebleken is evenmin dat als [appellante] voldoet aan het vonnis c.q. aan haar inlichtingenplicht – waaraan zij naar het voorlopig oordeel van het hof kan voldoen – dit voor haar klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan. Voorts acht het hof het van belang dat met de uitkomst van deze civiele procedure niet tevens de fiscale uitkomst vast ligt. Met de enkele informatieverstrekking door [appellante] treden voor haar nog geen fiscale gevolgen in. Of de te verstekken informatie bruikbaar is en leidt tot oplegging van (navorderings)aanslagen staat op dit moment geenszins vast. Voor zover [appellante] de noodtoestand heeft gestoeld op haar psychische gesteldheid en/of hoge leeftijd, is dit onvoldoende onderbouwd. Ook overigens heeft [appellante] geen feiten aangevoerd die leiden tot de conclusie dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust dan wel de ten uitvoerlegging daarvan op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan aan de zijde van [appellante], waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis niet kan worden aanvaard.

Voor zover [appellante] zich beroept op haar op 1 juli 2013 gedane aanbod om de navorderingstermijn over aanslagjaar 2001 met één jaar te verlengen, vormt dat in ieder geval geen na het bestreden vonnis voorgevallen of gebleken feit welke relevant kan zijn in het kader van artikel 351 Rv.

In het incident ex artikel 843a Rv

3.6.

[appellante] vordert in het incident ex artikel 843a Rv inzage in of afschrift van

(verkort weergegeven):

  • -

    “alle op de zaak betrekking hebbende stukken” zoals omschreven in de Awb;

  • -

    het volledige fiscale dossier;

  • -

    de originele microfiches;

  • -

    alle bescheiden die voorvloeien uit de werkwijze/handleidingen van de identificatieprocedure;

  • -

    alle fiscale heffingsdossiers, aangiften, aanslagen;

  • -

    het integrale Ontvangersdossier,

onder de voorwaarde de beslissing (in conventie) aan te houden totdat alle stukken in het geding zijn gebracht, met daarbij een redelijke termijn om hierop te reageren, dit alles op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag.

3.7.

Het hof stelt voorop dat artikel 843a Rv niet in een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel voorziet. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen, indien is voldaan aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde (cumulatieve) voorwaarden: (I) degene die de vordering instelt dient een rechtmatig belang te hebben bij inzage of afgifte van een uittreksel of afschrift, (II) de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en (III) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarbij degene die de vordering instelt of zijn rechtsvoorganger partij is.

3.8.

De incidentele vordering voldoet niet aan het hierboven onder (I) genoemde vereiste. [appellante] heeft onvoldoende onderbouwd welk rechtmatig belang zij heeft bij inzage in bovengenoemde bescheiden. Uit haar stellingname kan wellicht worden afgeleid dat zij er belang bij heeft te onderzoeken of in de bescheiden aanknopingspunten voor haar verweer kunnen worden gevonden. Dat is echter geen rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv. Dit artikel strekt er uitdrukkelijk niet toe om aan degene die de vordering instelt de mogelijkheid te bieden documenten op te vragen waarvan deze vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen of verweer.

De vordering ex artikel 843a Rv is voorts prematuur. De omstandigheid dat in de hoofdzaak mogelijkerwijs op [appellante] de bewijslast rust, en zulks haar noodzaakt overlegging van stukken door de Staat te vorderen of dat de Staat ter onderbouwing van zijn verweer mogelijk de gevorderde bescheiden zal overleggen, staan op dit moment geenszins vast Bovendien loopt [appellante] vooruit op een mogelijke - met voldoende waarborgen omklede - fiscale procedure. Het hof acht het voorts niet wenselijk indien de Staat de door [appellante] gevraagde informatie in dit stadium van de procedure zou overleggen, gelet op het – door de Staat aangevoerde – risico van calculerend gedrag. Indien [appellante] precies weet hoe de Staat aan zijn informatie is gekomen en/of welke informatie het betreft, is op voorhand niet uit te sluiten dat [appellante] de door haar op grond van artikel 47 AWR te verstrekken gegevens en bescheiden daarop afstemt.

Het hof is derhalve van oordeel dat [appellante] op dit moment geen rechtmatig belang heeft bij inzage in bovengenoemde bescheiden, althans daartoe onvoldoende heeft gesteld. Ook is niet genoegzaam aannemelijk dat [appellante] de bedoelde stukken nodig heeft in het kader van de onderhavige kort gedingprocedure. De overige vereisten van artikel 843a Rv behoeven geen bespreking.

3.9.

Voor zover [appellante] haar vordering in het incident tevens heeft gebaseerd op artikel 85 Rv (verplichting tot overlegging/deponering van producties), geldt dat de hierin opgenomen verplichting niet rechtens afdwingbaar is (behoudens het bepaalde in (artikel 89 Rv juncto) artikel 22 Rv, artikel 843a Rv en artikel 843b Rv); wel kan de rechter aan het niet overleggen van een stuk de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

3.10.

Gelet op het voorgaande moeten de vorderingen in de incidenten worden afgewezen. Het hof zal de beslissing omtrent de proceskosten aanhouden.

In de hoofdzaak

3.11.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in de incidenten ex artikel 351 en 843a Rv:

wijst de vorderingen af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 22 oktober 2013 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, M.G.W.M. Stienissen en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 september 2013.