Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4307

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2013
Datum publicatie
30-09-2013
Zaaknummer
12-00837
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1619, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de schietmasten met daarop gevestigde kogelvangers van schietvereniging [belanghebbende] niet zijn vrijgesteld voor de WOZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2191
Belastingblad 2013/512 met annotatie van F.J.H.L. Makkinga
FutD 2013-2468
NTFR 2014/2027 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00837

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Roermond (hierna: de Rechtbank) van 20 november 2012, nummer AWB 12/128, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [vestigingsplaats], thans Belastingsamenwerking gemeenten en waterschappen te [vestigingsplaats],

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de beschikking gezonden, waarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] 201 te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) per de waardepeildatum 1 januari 2010 (hierna: de peildatum) is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 op € 255.000. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 466.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 2 juli 2013 te
‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de heer [A], alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heren [B] en [C].

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een afschrift van de e-mailwisseling gevoerd tussen hem en de Waarderingskamer tussen november 2011 en januari 2012, alsmede kopieën van de taxatiekaarten betreffende de waarde van de onroerende zaak per de peildata 1 januari 2011, respectievelijk 1 januari 2012.

1.8.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

De onroerende zaak bestaat uit een oefenterrein met daarop een clubhuis en acht op het terrein geplaatste schietbomen/masten. Deze zijn voorzien van zogenaamde kogelvangers, dat zijn bakken met kappen onder meer bedoeld om de kogels - die afgeschoten worden op de schietbomen/masten met daarop “telramen” met schietbolletjes - op te vangen en het geluid bij het schieten te dempen. Het plaatsen van de kogelvangers op de schietbomen/masten is wettelijk verplicht.

De schietbomen/masten zijn verankerd in de grond door middel van een betonnen fundering en worden tevens overeind gehouden met tuien. De fundering is zo geconstrueerd dat deze geheel uit de grond kan worden verwijderd, teneinde bij het einde van de huurovereenkomst het terrein in de oorspronkelijke staat op te kunnen leveren.

2.2.

De kogelvangers zitten tijdens het schieten boven in de mast. Zij zijn geplaatst op rails, zodat zij na het schieten omlaag kunnen worden getransporteerd teneinde de opgevangen kogels uit de opvangbakken te verwijderen.

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft de gehele installatie, bestaande uit acht schietbomen/masten met de kogelvangers per de peildatum gewaardeerd op € 170.118.

2.4.

Partijen gebruiken in de stukken herhaaldelijk de term “kogelvangers” voor de gehele installatie van schietbomen/masten met de kogelvangers er op. Gelet op de feiten en hetgeen ter zitting door partijen is verklaard, wordt in dit verband onder “de kogelvangers” mede verstaan de gehele installatie bestaande uit schietbomen/masten met daarop gevestigde opvangbakken en kappen (“de kogelvangers sec”).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Zijn de schietbomen/masten met de kogelvangers terecht betrokken bij de waardering van de onroerende zaak?

De waarde van de schietbomen/masten met de kogelvangers is niet meer in geschil.

Belanghebbende is van mening dat de in geschil zijnde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Heffingsambtenaar, en tot de verlaging van de waarde van de onroerende zaak met € 170.118, zijnde de waarde van de gehele installatie.
De Heffingsambtenaar concludeert tot de ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 17, lid 1, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 2010.

4.2.

In artikel 18, lid 4, van de Wet WOZ is bepaald, dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan, indien die waarde geen onderdeel uitmaakt van de grondslag van de belastingen.

4.3.

In de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) is uitvoering gegeven aan artikel 18, lid 4, van de Wet WOZ. Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bepaalt, voor zover hier van belang:



“1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van:
(...)
e. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
(...)."

4.4.

Uit de wettekst blijkt dat de waarde van (delen van) een object bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten als het object voldoet aan de vier vereisten:
- het is onroerend;
- het is een werktuig;
- het is afscheidbaar zonder dat schade van betekenis wordt
toegebracht aan het werktuig;
- het is op zichzelf geen gebouwd eigendom.

4.5.

Belanghebbende stelt zich in hoger beroep, naar het Hof verstaat, op het standpunt:
- dat de gehele installatie niet onroerend is;
- dat het een werktuig is; en
- dat het op zichzelf geen gebouwd eigendom is.

Voorts stelt belanghebbende dat de kogelvangers sec te scheiden zijn van de masten zonder dat daarbij schade van betekenis zal optreden. Ten slotte doet belanghebbende een beroep op de volgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur:
- het gelijkheidsbeginsel, stellende dat andere gemeenten in Limburg vergelijkbare installaties niet belasten; en
- het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, wijzende op het taxatieverslag voor het jaar 2012.

4.6.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de gehele installatie niet onroerend is en daarom ten onrechte bij de waardering is betrokken, overweegt het Hof als volgt.

Het Hof is van oordeel dat de gehele installatie, dus de masten inclusief de kogelvangers, onroerend is, nu de masten verankerd zijn in de grond door middel van een betonnen fundering. Daaraan doet niet af dat de fundering desnoods geheel uit de grond kan worden verwijderd, teneinde bij het einde van de huurovereenkomst het terrein in de oorspronkelijke staat op te kunnen leveren. Het geheel is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven en is als zodanig een op zichzelf gebouwd eigendom.

4.7.

Voor zover belanghebbende stelt dat de gehele installatie een werktuig is, waarop de werktuigenvrijstelling van toepassing is, kan het Hof haar evenmin volgen.

Nu het begrip werktuigen in de Uitvoeringsregeling niet gedefinieerd is, dient het naar het spraakgebruik te worden opgevat. Het spraakgebruik verstaat onder een werktuig een voorwerp (of een geheel van voorwerpen) dat gebruikt wordt om zekere krachten te overwinnen met behulp van andere krachten; een hulpmiddel bij het bewerken, vervaardigen of verplaatsen van iets. Het heeft een functie in een (productie)proces.
Naar het oordeel van het Hof is de gehele installatie geen werktuig in de zin van de Uitvoeringsregeling en de Verordening. Het proces van schieten is uitsluitend gericht op het met precisie raken van schietbolletjes teneinde te winnen. Het is niet gericht op het opvangen van kogels en van geluiden. De installatie vormt daarom geen hulpmiddel bij het bewerken en vervaardigen van iets. Het geheel is er naar het oordeel van het Hof ook niet op gericht kogels te verplaatsen: dat doet alleen het geweer waarmee geschoten wordt. De kogelvangers sec vangen de kogels slechts op. Zij hebben daarmee geen zelfstandige functie binnen het proces van schieten en winnen. Het resultaat wordt er niet anders door en het is er ook niet op enigerlei wijze afhankelijk van. Anders gezegd, “het proces” kan ook plaatsvinden zonder opvangbak en kap, zij het dat daarbij de wet zou worden overtreden.

4.8.

Belanghebbende betoogt voor dat geval dat de kogelvangers sec van de schietbomen te verwijderen zijn en afzonderlijk beschouwd werktuigen zijn. Voor zover zij daarmee bedoelt te stellen, dat de vrijstelling daarop van toepassing is, kan haar die stelling niet baten. Naar het oordeel van het Hof geldt hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de gehele installatie evenzeer van toepassing voor de kogelvangers sec. Ook die zijn daarom naar het oordeel van het Hof geen werktuig(en) in de zin van de aan de orde zijnde vrijstelling.

4.9.

Aan het hiervoor overwogene doet niet af dat het plaatsen van de opvangbakken met kappen (de kogelvangers sec) op de masten wettelijk verplicht is. Die verplichting maakt van de kogelvangers geen werktuig.

Anders gezegd: Het verbod om zonder de kogelvangers te schieten kan niet bewerkstelligen dat de kogelvangers werktuigen worden.

4.10.

Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat andere gemeenten in Limburg de kogelvangers wel buiten de onroerendezaakbelasting (hierna: de OZB) laten. Het Hof overweegt in dat verband, dat voor de beoordeling van de vraag of de Heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden alleen de vergelijkbare gevallen dienen te worden beoordeeld, die onder de heffingsbevoegdheid van de Heffingsambtenaar vallen. Overigens heeft de Heffingsambtenaar in zijn verweerschrift gemotiveerd bestreden dat andere gemeenten in Limburg in vergelijkbare gevallen de heffing achterwege laten.
Voor wat betreft de vergelijkbare gevallen in dezelfde gemeente heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Heffingsambtenaar, slechts in het algemeen gesteld, dat zij en een vergelijkbare vereniging in [D] aangeslagen zijn en dat drie andere vergelijkbare verenigingen, waarvan belanghebbende uit privacyoverwegingen geen gegevens wil kenbaar maken, geen aanslag OZB krijgen. Nu belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, geen verifieerbaar vergelijkbare gevallen heeft genoemd en de Heffingsambtenaar haar stelling heeft weersproken, heeft zij naar het oordeel van het Hof haar beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd, zodat ook in zoverre haar beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

4.11.

Ten slotte doet belanghebbende een beroep op de volgende beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheids-, motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel. Zij stelt dat de Heffingsambtenaar voor het aanslagjaar 2012 geen kogelvangers meer heeft opgenomen in de waardering voor de WOZ, doch lichtmasten, en dan voor een veel lagere waarde dan de kogelvangers in 2011. Het taxatieverslag voor het aanslagjaar 2012 vermeldt overigens voor de onroerende zaak als geheel nagenoeg het zelfde bedrag (€ 253.000) als de waarde vastgesteld voor het onderhavige jaar (€ 255.000).
De Heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift en ter zitting van het Hof geloofwaardig uiteengezet, dat het oorspronkelijk aan belanghebbende verzonden taxatieverslag 2012 foutieve gegevens bevatte en niet verzonden had mogen worden, omdat het nog niet gefiatteerd was. Hij heeft de correcte taxatiekaart 2012, die inmiddels ook aan belanghebbende was uitgereikt, aan het Hof overgelegd. Daaruit blijkt dat de kogelvangers voor een bedrag van € 165.087 zijn gewaardeerd: nagenoeg hetzelfde bedrag – rekening houdend met afschrijving – als in 2011. Het beroep van belanghebbende op de bovengenoemde beginselen kan niet slagen, nu het bij de WOZ-waardering om de waarde van de onroerende zaak als geheel gaat en niet om de onderdelen, en het totale bedrag waarvoor de onroerende zaak in 2012 is gewaardeerd, nagenoeg gelijk is aan de waarde toegekend voor het jaar 2011. Dat de onderdelen van de onroerende zaak oorspronkelijk een andere code/naam kregen (lichtmasten in plaats van schietbomen/kogelvangers) maakt het oordeel van het Hof niet anders. Voor belanghebbende was het naar het oordeel van het Hof kenbaar, wat daarmee bedoeld was: zij heeft immers zelf ter zitting van het Hof verklaard dat in de WOZ beschikking van de vereniging in [D] ook de codering “lichtmast” is opgenomen, maar dat het hetzelfde geval betreft.

4.12.

Voor zover belanghebbende een beroep doet op de uitlatingen van de Waarderingskamer, die gesteld zou hebben dat de kogelvangers wel vrijgesteld zijn, overweegt het Hof, dat uit de tot de stukken van het geding horende correspondentiewisseling met de Waarderingskamer blijkt, dat de Waarderingskamer oorspronkelijk een ander soort kogelvanger bedoelde: de roerende kogelvanger die niet als een op zichzelf gebouwd eigendom kan worden aangemerkt. De door belanghebbende gebezigde schietbomen/masten met daarop bevestigde kogelvangers zijn, zoals overwogen hierboven onder 4.7, wel onroerend en vormen op zichzelf een gebouwd eigendom.

4.13.

Voor zover belanghebbende zich beroept op artikel 4, lid 1, letter i, van de Verordening op de heffing en invordering van de onroerende-zaakbelastingen 2012 van de Gemeente [vestigingsplaats], kan dit beroep haar niet baten, nu het in de onderhavige zaak gaat om een eerder tijdvak (2011) dan waar deze verordening op ziet.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd, daargelaten de door de Rechtbank gebezigde gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoed wordt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 20 september 2013 door J. Swinkels, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van T.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.