Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4303

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
20-000887-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:900, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgaansgeweld. Feit 1. Poging tot doodslag: aanrijding en overrijding van een voetganger met een auto. Feit 2. Zware mishandeling: aanrijding van een (andere) voetganger met dezelfde auto. In beide gevallen minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard op het overlijden van resp. het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het betreffende slachtoffer. Naar gewoon spraakgebruik sprake van zwaar lichamelijk letsel (feit 2). Beroep op noodweer(-exces) faalt. Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 3 jaren rijontzegging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000887-13

Uitspraak : 12 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-845199-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de PI Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot doodslag (ten laste gelegd onder 1) en zware mishandeling (ten laste gelegd onder 2 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, en is de verdachte ter zake van voornoemde feiten de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 3 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 3 jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze volledig dient toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat, in het geval het hof tot een bewezenverklaring van één of meer feiten komt, voor wat betreft feit 2 sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces en voor wat betreft feit 1 van noodweerexces, bijgevolg waarvan verdachte ten aanzien van beide feiten ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Uiterst subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en betoogd dat het hof de door de rechtbank opgelegde straf en maatregel dient te matigen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat het hof de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk dient te verklaren dan wel de vordering dient af te wijzen en subsidiair dat het hof de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding dient te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof (op ondergeschikte onderdelen) tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Grave ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, auto met hoge/verhoogde snelheid naar die [aangever 1] is toe gereden en/of (vervolgens) tegen die [aangever 1] is aangereden en/of (vervolgens) (terwijl die [aangever 1] op de motorkap van de auto lag) is doorgereden en/of die [aangever 1] heeft meegesleurd en/of (vervolgens) met zijn, verdachtes, auto heeft geremd (waardoor die [aangever 1] op de grond gleed/viel) en/of (vervolgens) achteruit is gereden en/of (vervolgens) met zijn, verdachtes, auto vooruit over (het lichaam van) die [aangever 1] is heengereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Grave aan een persoon genaamd [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken onderbeen/enkel) heeft toegebracht, door opzettelijk met zijn, verdachtes, auto tegen de/het enkel/been, althans het lichaam, van die [aangever 2] aan te rijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Grave ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn, verdachtes, auto tegen de/het enkel/been, althans het lichaam, van die [aangever 2] aan heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 17 juni 2012 te Grave ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn, verdachtes, auto met verhoogde snelheid naar die [aangever 1] is toe gereden en vervolgens tegen die [aangever 1] is aangereden en vervolgens (terwijl die [aangever 1] op de motorkap van de auto lag) is doorgereden en vervolgens met zijn, verdachtes, auto heeft geremd (waardoor die [aangever 1] op de grond viel) en vervolgens met zijn, verdachtes, auto vooruit over (het lichaam van) die [aangever 1] is heengereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 17 juni 2012 te Grave aan een persoon genaamd [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken onderbeen/enkel) heeft toegebracht, door opzettelijk met zijn, verdachtes, auto tegen het lichaam van die [aangever 2] aan te rijden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.1

1

Op 17 juni 2012 is[getuige 1] door de politie als getuige gehoord. Daarbij heeft [getuige 1] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:2

Ik was gisteren, 16 juni 2012, als barman werkzaam in [café] gelegen aan de[straat 1] te Grave. Ik zag die avond een persoon, die zei dat hij uit Nijmegen was. Ik zag dat hij een roze shirt aan had. Ik bemerkte dat deze persoon ruzie had met een groep jongens. Mijn bazin, [getuige 2] [het hof begrijpt: de [getuige 2]] en ik zijn naar die ruzie toegelopen. We hebben toen die ruzie gesust. Ik zag toen dat even later die ruzie weer opnieuw begon. Ik zag dat die man in het roze shirt opnieuw naar die groep jongens liep en met hen begon te bekvechten. Ook zag en hoorde ik dat hij tegen een zekere [aangever 1][het hof begrijpt: aangever [aangever 1]] en een bekende van ons begon te bekvechten. Ik hoorde dat [aangever 1]zei: “ga naar buiten en naar huis”. Ik zag toen dat hij die persoon beetpakte bij zijn arm en hem naar buiten begeleidde. [getuige 2] en ik liepen met hen beiden mee en wij bleven in de deuropening staan van de achteringang. Ik zag toen dat de mij bekende [manspersoon 1] ook buiten erbij aanwezig was. Ik zag wel dat de man in het roze shirt een vriend van hem was. Ik zag dat er een klein groepje buiten bleef staan, waaronder [getuige 3], de vriendin van [aangever 1][het hof begrijpt: de [getuige 3]], [aangever 1]zelf, [aangever 2] en [getuige 7].

Ik zag toen vanuit het café dat er op straat werd gevochten. We deden de achterdeur open en zagen dat [manspersoon 1] en de persoon in het roze shirt aan het vechten waren met een groepje Gravenaren. Ik zag duidelijk dat [getuige 7] en [aangever 2] met [manspersoon 1] en de man in het roze shirt aan het vechten waren.

Vervolgens zag ik dat [manspersoon 1], zijn vriend in het roze shirt en een vrouw naar hun auto liepen. Deze auto was een zilverkleurige VW Polo welke links stond aan de[straat 1]. Ik zag dat [aangever 2]erg kwaad was. Ik zag toen dat hij een stoel van het terras van [restaurant] [het hof begrijpt: [restaurant]] oppakte en ik zag dat hij richting die Polo liep en die stoel tegen de voorruit van die polo gooide. Op het moment dat hij gooide zag en hoorde ik dat die man in het roze shirt in de Polo gas gaf en [aangever 2]aanreed. Ik zag dat [manspersoon 1] naast de bestuurder, de man in het roze shirt, voorin de Polo zat. Ik zag toen dat [aangever 2]aangereden werd en op de motorkap van de Polo terecht kwam. Ik zag dat de Polo richting een terras reed en ik zag dat hij remde of ergens tegenaan reed. Ik zag toen [aangever 2]op het terras liggen.

Ik zag dat die Polo een stukje achteruit reed en vervolgens zag en hoorde ik dat die Polo vol gas gaf en vooruit reed en daarbij [aangever 1]aanreed die op het kruispunt met de [straat 2] liep. Ik zag toen dat [aangever 1]op de motorkap van de Polo terecht kwam en ongeveer tien tot twaalf meter werd meegesleurd [het hof begrijpt: op de motorkap van de auto werd meegenomen]. Ik zag toen dat hij van de motorkap afviel en op de [straat 2] terecht kwam. Ik zag duidelijk dat die auto over hem heen reed. Ik zag duidelijk dat de auto omhoog kwam en toen hoorde en zag ik dat de bestuurder vol gas gaf en tegen het verkeer de [straat 2] uitreed waarbij de VW Polo ook nog met de achterkant over het lichaam van [aangever 1]reed.

2

Op 19 juni 2012 is[getuige 3] door de politie als getuige gehoord. Daarbij heeft [getuige 3] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:3

Op zaterdag 16 juni 2012 om 19.00 uur zijn [aangever 1][het hof begrijpt: aangever [aangever 1]] en ik naar een verjaardag gegaan. Omstreeks 20.30 uur ben ik naar huis gegaan. [aangever 1]heeft zich toen laten afzetten bij het [café] te Grave. Zelf ben ik die avond om 21.10 uur naar het [café] gefietst. Vanaf 02.00 uur die nacht ging langzaam iedereen naar huis. [aangever 1]en ik besloten toen eigenlijk ook om naar huis te gaan. [aangever 1]kwam toen aan de bar in gesprek met die jongen die hem later aan zou rijden. Inmiddels weet ik dat hij [verdachte] heet. Ik zag die [verdachte] richting de toiletten lopen. Daar in de nabijheid stond een grote groep jongens rond een bartafel. Bij die bartafel stond ook [manspersoon 1]. Ik zag en hoorde dat daar bij die tafel een woordenwisseling ontstond tussen die [verdachte] en die jongens die daar al stonden. Het kan ook zijn dat het in eerste instantie [manspersoon 1] was die daar een woordenwisseling kreeg. Ik zag dat [getuige 2], de café-eigenaresse [het hof begrijpt: de [getuige 2]], en de barman [getuige 1] daar naar toe gingen om de zaak te sussen. Op enig moment zag ik dat [aangever 1]daar ook bij stond. [getuige 2] heeft toen de achterdeur geopend waarna eenieder naar buiten is gelopen. Ik ben samen met [aangever 1]naar buiten gelopen.

Ik heb toen [manspersoon 1] bij zijn arm gepakt en heb hem gezegd dat hij nou echt weg moest gaan en naar hun auto moest gaan. Ik heb hem naar mijn weten tot bijna bij hun auto begeleid. [verdachte] was met [manspersoon 1] en mij op gelopen in de richting van hun auto. Ik ben toen met [manspersoon 1] en [verdachte] bij de auto van hen uitgekomen. Dat was een kleine zilvergrijze auto. Die auto stond geparkeerd op de hoek[straat 1]-[straat 3]. Die auto stond op een ongebruikelijke plek, geen officiële parkeerplek. Die auto stond met de voorzijde in de richting van de [straat 2]. Ik zag dat [verdachte] die auto opende en achter het stuur plaats nam. [manspersoon 1] ging op de bijrijdersstoel zitten. Ik wees hem nog de weg en zei hem daarbij: “nu hier de bocht om en wegwezen”. Daarbij wees ik hem de [straat 3] in.

Ik hoorde toen, toen die portierdeuren nog geopend waren, vanuit die groep jongeren roepen: “politie bellen!”. Pas nadien bleek mij dat er gevochten was waarbij een jongen mogelijk een gebroken neus had opgelopen. Ik hoorde dat de motor door [verdachte] gestart werd. Ik ben toen zelf opgestaan. Ik zag toen in mijn ooghoek een tuinstoel [het hof begrijpt: een terrasstoel]. Ik heb niet gezien wie die tuinstoel vast had maar zag wel dat die tuinstoel in de richting van de voorruit van [verdachtes] auto bewoog, waaruit ik begreep dat iemand middels die tuinstoel op [verdachtes] auto wilde slaan. Ik hoorde dat [verdachte] toen gelijk gas gaf en die jongen die kennelijk met de stoel heeft geslagen aanreed. Ik zag die jongen, waarvan ik nadien heb gehoord dat hij [aangever 2]heet, op de motorkap van [verdachtes] auto liggen toen [verdachte] vol gas richting een terras reed. Die jongen viel van de motorkap af, het terras op.

Daarna zag ik [verdachte] met zijn auto achteruit rijden. Dat achteruit rijden ging vol gas en met piepende banden. Toen [verdachte] vervolgens weer in zijn vooruit schakelde hoorde ik een hoog toerental en zag ik die auto vol gas richting [straat 2] rijden. Ondanks dat hij die [straat 2] niet in mocht vanwege eenrichtingsverkeer, koos hij er toch voor om die straat in te rijden. Ik stond op dat moment op het terras bij [restaurant] nabij die aangereden jongen. Ik hoorde [verdachtes] auto dus met piepende banden en vol gas de [straat 2] in rijden. Ik hoorde een klap vanuit de [straat 2]. Ik besefte dat die auto toen met iets in aanraking was gekomen doch besefte op dat moment niet dat hij daar weer iemand had aangereden. Direct daarop hoorde ik weer piepende banden en toen ik weer in die richting keek was die auto weg, de [straat 2] in.

Ik stond nog met mijn telefoon in mijn handen om melding te maken van een en ander toen ik vast gepakt werd door [getuige 1] die mij vertelde dat mijn man [aangever 1]op de [straat 2] door die auto was aangereden.

3

Op 18 juni 2012 is [getuige 4] door de politie als getuige gehoord. Daarbij heeft[getuige 4] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:4

Zondag 16 juni 2012 [het hof begrijpt: 17 juni 2012] heeft er een voorval plaatsgevonden. Ik kwam van een feestje af. Dit was in Grave. Wij liepen richting de [straat 4]. Hierop kwam er geschreeuw uit het café genaamd het [café]. Daarna liepen wij door richting de [straat 5]. Ik hoorde dat de ruzie doorging en alleen maar geschreeuw. Ik zag nog wel slaande bewegingen. Dit kwam van de twee ruziënde mensen af.

Hierop zag ik personen richting een auto lopen. Als ik me niet vergis was het een Volkswagen Polo. Ik zag twee jongens in de auto stappen. Ik zag vanaf het [café] een persoon aan komen lopen. Deze had een stoel vast bij de twee poten boven zijn hoofd. Ik zag dat hij richting de auto rende. Ik zag dat hij ongeveer een meter voor de auto stond en gooide de stoel richting de auto. Ik hoorde en ik zag dat de stoel de voorruit raakte. Op dat moment hoorde ik hem de auto starten. Ik hoorde dat de auto een hoog toerental opbouwde en ineens naar vorenschoot. Hierop zag ik dat de persoon op de motorkap viel en daarna hoorde ik een behoorlijke klap. Hierop reed de auto twee meter naar voren. Vanaf de bestuurder gezien stuurde hij hierna naar links. Na ongeveer drie meter kwam de auto tot stilstand tegen een behoorlijk verhoogde terrasrand. Hierop zag ik de persoon die op de motorkap lag het terras op vliegen waarna hij hard neerkwam.

Hierop zag ik dat de auto achteruit reed. Hierop zag ik dat de auto de [straat 4] [het hof: de [straat 4] ligt in het verlengde van de [straat 2]. Het hof begrijpt, mede gelet op de overige bewijsmiddelen, dat hier is bedoeld de [straat 2] in plaats van de [straat 4]] inreed met een hoog toerental. Ik zag iemand. De persoon liep daar op straat en ik zag dat de auto doorreed tegen het verkeer in. Ik zag en hoorde dat de auto de persoon raakte. De persoon kwam ook tegen de voorruit aan en ik zag dat deze daarna ten val kwam. De persoon kwam dus feitelijk ten val op de motorkap en bleef daar op liggen. De bestuurder reed nog door met de persoon op de motorkap, waarna de bestuurder remde en tot stilstand kwam. Daardoor viel dus de persoon van de motorkap af. Ik zag dat de persoon gedeeltelijk met zijn bovenlichaam onder de auto lag en met de benen voorbij de auto. Hierop hoorde ik de auto een hoog toerental opbouwen en met vanaf de bestuurderskant gezien met zijn rechtervoorwiel over het bovenlichaam van de persoon heen rijden. Hierop kwam die auto nagenoeg tot stilstand. Daarna hoorde ik de auto weer een hoog toerental opbouwen en ik zag dat de auto met zijn rechterachterwiel over het bovenlichaam van de persoon heen reed. Ik zag dat hierop de auto wegreed door de [straat 4] [zoals hiervoor overwogen begrijpt het hof: de [straat 2]] tegen het verkeer in.

4

Op 18 juni 2012 is [getuige 5] door de politie als getuige gehoord. Daarbij heeft[getuige 5] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:5

Afgelopen zaterdag 16 juni 2012 was ik in [café] te Grave. Omstreeks 20.30 kwam [manspersoon 1] ook in het [café]. [manspersoon 1] zei dat hij [verdachte] op ging halen. Ik ben de hele avond en nacht bij het [café] gebleven. Later op de avond, ik schat rond één uur à half twee zag ik dat [manspersoon 1] samen met een andere jongen naar het [café] kwam. Ik nam aan dat die andere jongen dus [verdachte] zou zijn, omdat [manspersoon 1] had gezegd dat hij die op zou gaan halen. Om 02.30 uur ging de bar dicht en werd iedereen naar buiten gewerkt.

Wij zaten nog buiten voor het [café] aan een tafel en toen kwam die [verdachte] samen met [manspersoon 1] bij ons staan. Ik zag dat [aangever 2][het hof begrijpt: aangever [aangever 2]] opstond en dat [verdachte] en [aangever 2]elkaar vastpakten en een paar keer op het gezicht sloegen bij elkaar. Ik zag dat [getuige 7] voor [aangever 2]opkwam en [manspersoon 1] voor [verdachte]. Er werd nog wat over en weer geschreeuwd, maar het vechten was voorbij.

Ik zag dat [getuige 3] [het hof begrijpt: de [getuige 3]], de vrouw van [aangever 1] [het hof begrijpt: aangever [aangever 1]] naar die [verdachte] toe liep en [verdachte] naar zijn eigen auto toe stuurde. Dit deed ze ook met [manspersoon 1]. Ik zag dat [manspersoon 1] en [verdachte] vervolgens naar hun auto toe liepen. Ik zag dat deze stond geparkeerd op de hoek [straat 3]-[straat 1]. Ik zag dat dit een zilverkleurige Volkswagen Polo was. [aangever 2]had een bloedneus en stond voor het terras van de [café] op straat. Ik zag dat [aangever 2]op een gegeven moment kwaad werd en richting de Polo liep. Ik hoorde [aangever 2]nog iets roepen van dat hij dit niet zomaar over zijn kant zou laten gaan. Vervolgens hoorde ik ineens piepende banden en toen ik weer keek zag ik [aangever 2]over de motorkap van die Polo liggen. Ik zag dat die Volkswagen Polo vervolgens tegen een boom tot stilstand kwam en ik zag dat [aangever 2]doorschoof tussen de terrasstoelen. Ik ben gelijk die kant op gelopen en toen ik keek zag ik dat die [aangever 1] vlak naast mij stond, ik denk dat er een metertje of twee à drie tussen ons in was.

Ik zag toen dat die Volkswagen Polo achteruit reed en vervolgens mijn kant op kwam gereden. Ik ben, toen de Polo mij op een meter of vier/vijf genaderd was, achter de lantaarnpaal gesprongen en ik zag dat die Polo toen naar rechts stuurde, in de richting van [aangever 1]. Ik zag dat [aangever 1] door die Volkswagen werd aangereden en op de voorruit en motorkap terecht kwam. Ik schat dat die Polo een snelheid had van 30 à 40 à 50 km/u. Het was zeker geen zacht tikje. Ik zag dat die [verdachte] achter het stuur van deze Volkswagen Polo zat en dat [manspersoon 1] op de passagiersstoel naast [verdachte] zat. Ik zag dat die Volkswagen Polo vervolgens remde en dat [aangever 1] aan de voorkant van die Polo afgleed en dat hij voor de auto terechtkwam. Ik zag dat de Polo stilstond. Ik zag dat de Volkswagen Polo ineens weer aanreed, over [aangever 1] heen. Ik zag dat de Volkswagen Polo vervolgens de [straat 2] inreed, tegen het verkeer in, richting de [straat 4]. Dit bovenstaande gebeurde allemaal op een behoorlijke snelheid. Ik hoorde en zag dat die Volkswagen Polo steeds behoorlijk accelereerde.

5

Op 19 juni 2012 is[getuige 2] door de politie als getuige gehoord. Daarbij heeft [getuige 2] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:6

Ik ben eigenaar van het [café]. Ik was afgelopen zaterdag [het hof begrijpt: 16 juni 2012] in de zaak. Verder was [getuige 1] in de zaak als barkeeper. In mijn beleving is die [verdachte]ongeveer 45/60 minuten voor sluitingstijd binnen gekomen. Vervolgens heeft [verdachte] met [aangever 1][het hof begrijpt: aangever [aangever 1]] staan praten. Toen was het sluiting van het café om half drie. Ik merkte dat [verdachte] een beetje moeilijk begon te kijken. Ik gaf op enig moment aan dat [verdachte] ook beter kon gaan. Ik gaf aan dat we gingen sluiten en dat iedereen moest gaan. [aangever 1]heeft [verdachte] ook nog vastgepakt om hem te bewegen naar buiten te gaan. Uiteindelijk is iedereen gegaan.

Ik zag [getuige 3] [het hof begrijpt: de [getuige 3]] met [verdachte] en [manspersoon 1] [het hof begrijpt: [manspersoon 1]/[manspersoon 1]] lopen in de richting van de [straat 6]. Het ging in de trant van: meelopen jullie. Hierna zag ik iemand met een stoel richting een auto rennen en op de auto komen. Ik zag dat [aangever 2][het hof begrijpt: aangever [aangever 2]] geschept werd op de motorkap en dat de auto met hem op die kap vol tegen een boom reed. Die auto moest een bocht maken om tegen de boom te rijden.

Hierna zag ik dat de auto achteruit reed en weer vooruit reed en afboog en daarbij [aangever 1]schepte. Ik zag dat de auto al bobbelend over hem heenreed. Ik zag dat dit alles met een rotsnelheid ging.

Ik zag dat de auto grijs was. Ik zag dat [verdachte] de bestuurder was en [manspersoon 1] bijrijder was. Ik heb ze zien instappen. Van [verdachte] wist ik pas later dat hij[verdachte] heet.

6

Op 18 juni 2012 heeft [aangever 2] in het Canisius Wilhelmina ziekenhuis te Nijmegen aangifte gedaan. Daarbij heeft [aangever 2] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:7

Op zaterdag 16 juni 2012 ben ik voetbal gaan kijken bij de [café] [het hof begrijpt: [café]] in Grave. Aan het einde van de avond, dit was zondag 17 juni 2012, omstreeks 02.15 uur, ging de kroeg sluiten. Iedereen werd naar buiten gestuurd.

[verdachte], de jongen die mij later heeft aangereden, ken ik. Ik weet dat hij [verdachte] heet en de naam[verdachte] heb ik later gehoord. [verdachte] en [manspersoon 1] kwamen rond 24.00 uur de kroeg binnen.

Vrijdag word ik geopereerd.

7

Op 15 januari 2013 is aangever [aangever 2] bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Daarbij heeft [aangever 2] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:8

U vraagt mij hoe het met mijn been gaat. Op 17 juni jl. is door het voorval [het hof begrijpt: de aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en aangever te Grave op 17 juni 2012] mijn linkerbeen gewond geraakt. Ik ben daaraan geopereerd, er is een plaat en een aantal schroeven in gezet. Vervolgens zijn op enig moment twee schroeven weer operatief verwijderd. Het is genezen, ik heb nog steeds wel een beetje last van mijn linkerbeen na lange dagen werken. Mijn linkerbeen is ook niet zo flexibel meer, het strekken en flexen van de voet gaat met mijn linkerbeen minder goed dan met mijn rechterbeen.

Ik was op 16 juni 2012 met een aantal vrienden in het [café]. Ik stond buiten op het terras. Die jongen die mij later heeft aangereden is op enig moment naar buiten gekomen, nadat hij binnen ruzie had gehad. Die jongen kwam scheldend naar buiten. Hij was iedereen aan het uitschelden. Op enig moment stond hij achter mij en ik draaide mij om. Hij sloeg mij toen tegen mijn neus aan. Mijn neus bloedde en daar was ik een tijdje mee bezig. Toen het bloeden was opgehouden ben ik achter die jongen, ik weet dat hij [verdachte] heet, aan gegaan. Ik ben achter hem aan gelopen. [verdachte] was samen met [manspersoon 1]. Toen ik er aan kwam stapte [verdachte] in een auto aan de bestuurderskant. Ik hoorde dat [verdachte] de auto startte en dat hij heel veel gas gaf. De auto kwam echter niet vooruit. Hij gaf opnieuw gas en toen reed de auto wel. De auto kwam op mij af. De auto van [verdachte] stond aan de zijkant op de weg genaamd[straat 1] geparkeerd. Je mag daar niet parkeren, maar de auto van [verdachte] stond daar toch. De neus van de auto stond in de richting van het [café]. Ik kwam gelopen vanaf het terras van het [café]. Er stonden geen auto’s voor zijn auto geparkeerd. Er stonden mensen op de[straat 1] ter hoogte van het terras van het [café]. Op enig moment dat ik richting de auto liep heb ik [verdachte] gas horen geven. [verdachte] is recht op mij af gereden.

8

Op 17 juni 2012 is [aangever 2] medisch onderzocht. In een ‘aanvraagformulier medische informatie’ van 3 juli 2012 is door een arts met betrekking tot het letsel van [aangever 2] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende gerelateerd:9

Datum onderzoek: 17-6-12

Uitwendig waargenomen letsel: enkelfractuur waarvoor operatie

9

Uit de inhoud van de bij het ‘schade-onderbouwingsformulier’ van de benadeelde partij [aangever 2] gevoegde ‘registratielijsten ziekenhuisopname’ (bijlage 11) leidt het hof af dat [aangever 2] gedurende een periode van vijf nachten in het ziekenhuis opgenomen is geweest, te weten van 17 juni 2012 tot en met 22 juni 2012. De bijlage houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:10

Patiënt: [aangever 2]

Behandeling Heelkunde Klinisch Trauma

Eerste contact 17-6-2012

22-6-2012 ontslag

10

Op 15 januari 2013 is aangever [aangever 1] bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Daarbij heeft [aangever 1] – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:11

Mij wordt gevraagd waar ik naar toe ging toen ik op 17 juni 2012 het [café] verliet. Mijn vrouw en ik gingen naar huis toe. Toen ik buiten was hoorde ik dat een auto met volle vaart tegen een boom aan reed. Ik heb dat ook gezien. [manspersoon 1] en die [verdachte] zaten in die auto. We zijn blijven kijken wat er gaande was. Ik zag toen dat de auto achteruit wegdraaide. De auto reed met volle vaart de weg in waar ik stond. Ik heb de auto helemaal niet zien aankomen. Er stonden daar meer mensen bij mij. Later heb ik gehoord dat [getuige 5] naast mij heeft gestaan en dat [getuige 5] opzij is gesprongen, waardoor hij niet is aangereden. Ik heb de auto niet gevoeld toen hij mij aanreed.

U vraagt mij naar mijn letsel en mijn huidige toestand. In het ziekenhuis zeiden ze tegen mij dat ik acht ribben had gebroken, maar dat bleken er naderhand nog meer te zijn, ook aan de rugzijde had ik gebroken ribben. Verder was mijn sleutelbeen links op twee plekken gebroken en had ik een halve klaplong. Zeven of acht weken na de aanrijding is er in het ziekenhuis ter hoogte van mijn sleutelbeen/schouder een stalen plaat gezet met schroeven. Die stalen plaat en schroeven zitten er nu nog in. Ze willen de plaat en schroeven laten zitten als ik geen last van die plaat en schroeven heb. Ik moet u zeggen dat ik nog steeds last heb van mijn linkerschouder. Ik ben nu wel weer 100% aan het werk, maar ondervind last aan mijn schouder.

Mij wordt gevraagd of het druk was op straat die avond. Op het terras van het [café] stond zo’n dertig man. Toen [verdachte] met zijn auto op een boom knalde gingen er mensen naar toe, dus vanaf dat moment stonden de mensen wel op straat. [verdachte] had niet eens de weg in mogen rijden waar ik stond. Het was namelijk een eenrichtingsweg.

11

Op 19 juni 2012 is door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden forensisch onderzoeker, een forensisch onderzoek naar sporen verricht aan de in beslag genomen personenauto Volkswagen Polo. Daarbij is door de verbalisanten – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende bevonden en waargenomen:12

Het voorspatscherm aan de bestuurderszijde was op diverse plaatsen gedeukt. De voorruit was ter hoogte van de binnenspiegel versplinterd. Aan de bestuurderszijde van het voertuig werd op de motorkap door ons vermoedelijk bloed aangetroffen. Dit bloedspoor werd door ons bemonsterd op DNA. De bemonstering werd veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer AAEQ9758NL. Tevens werd door ons vermoedelijk bloed aangetroffen op de buitenzijde van de voorruit, aan de bestuurderszijde. Dit bloedspoor werd door ons bemonsterd op DNA. De bemonstering werd veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer AAEQ9759NL.

12

De foto’s van de auto zoals weergegeven in het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van 25 juni 2012 op pagina’s 117 en 118 van het politiedossier, met als onderschrift van de verbalisant [verbalisant 3]:13

(onder de foto’s op dossierpagina 117)

Bovenstaande opnamen geven, middels rode pijlen, de aangetroffen veegsporen, kennelijk bloedsporen, op de motorkap van het voertuig weer.

(onder de foto’s op dossierpagina 118)

Bovenstaande opnamen geven, middels gele pijlen, de aangetroffen veegsporen, kennelijk bloedsporen, op het linker gedeelte [het hof begrijpt: de bestuurderszijde] van de voorruit van het voertuig weer.

13

De bemonsteringen zijn door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut, L.H.J. Aarts, onderzocht en onderworpen aan een DNA-onderzoek. Daarbij is door de deskundige – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende bevonden en gerapporteerd:14

Overzicht te onderzoeken materiaal:

SIN Omschrijving

AAEQ9758NL een bemonstering

AAEQ9759NL een bemonstering

RAAN6435NL een referentiemonster wangslijmvlies van het slachtoffer [aangever 2]

Bemonsteringen AAEQ9758NL en AAEQ9759NL:

De bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. In beide bemonsteringen is bloed aangetroffen. De bemonsteringen zijn veiliggesteld als AAEQ9758NL#01 en AAEQ9759#01 voor een DNA-onderzoek.

DNA-onderzoek:

Het ontvangen referentiemateriaal en de veiliggestelde bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.

Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

Van het DNA in de bemonsteringen AAEQ9758NL#01 en AAEQ9759#01 zijn DNA-profielen verkregen van een man. Deze DNA-profielen matchen met elkaar en met het DNA-profiel van het slachtoffer [aangever 2] RAAN6435NL. Dit betekent dat het bloed in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer [aangever 2]. De berekende frequentie van het DNA-proef van het bloed in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.

14

De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2013 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:15

Ik was op 17 juni 2012 in het [café] in Grave. Tegen sluitingstijd werd ik naar buiten gestuurd. Ik ben naar buiten gegaan. Daar stond een grote groep personen. [manspersoon 1] [het hof begrijpt: [manspersoon 1]/[manspersoon 1]] en ik zijn in de auto gaan zitten. Ik ben achter het stuur gaan zitten en heb de auto gestart. Ik zag iemand op mijn auto af komen rennen van het terras waar ik vandaan kwam. De auto stond aan de overkant van dat terras in de bocht. Het klopt dat de auto aan de linkerkant van de[straat 1] stond, gezien vanuit het [café], op de plek zoals weergegeven in het dossier op pagina 123 en 124. De afstand tussen het terras en de plaats waar de auto stond was ongeveer 15 tot 20 meter. Ik zag iemand aan komen lopen met een stoel hoog voor zich. Die man sloeg de stoel door de voorruit heen. Ik stond met de neus van de auto naar [café]. Toen ben ik weggereden, inderdaad via de[straat 1] rechtdoor de [straat 2]/[straat 4] in. Ik voelde toen ik door die straat reed wel iets. Ik reed in een zilverkleurige VW Polo. In de rijrichting van de auto stonden veel mensen. Ik heb gemerkt dat ik ergens over heen ben gereden.

15

De foto’s van de situatie ter plaatse zoals weergegeven in het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van 25 juni 2012 op pagina’s 123 en 124 van het politiedossier, met als onderschrift van de verbalisant [verbalisant 3]:16

(onder de foto op dossierpagina 123)

Bovenstaande opname geeft, middels bord 1, de plaats weer waar het voertuig, merk Volkswagen, kennelijk geparkeerd heeft gestaan.

(onder de foto’s op dossierpagina 124)

Bovenstaande opnamen geven, middels blauwe pijlen, de vermoedelijke rijrichting van het voertuig, merk Volkswagen, weer.

Bord 1 geeft de plaats weer waar het voertuig kennelijk geparkeerd had gestaan.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft ten aanzien van zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van [aangever 2] (ten laste gelegd onder 2):

De verdediging heeft betoogd dat uit de getuigenverklaringen en bevindingen van de politie niet (zonder meer) kan blijken dat [aangever 2] op de motorkap van de auto is terechtgekomen. Op de motorkap en de voorruit van de auto zijn weliswaar bloedsporen aangetroffen die naar alle waarschijnlijk afkomstig zijn van [aangever 2], doch deze bloedsporen kunnen op de motorkap zijn terechtgekomen op het moment dat [aangever 2], die een bloedneus had, over de auto heeft moeten buigen om met de terrasstoel tegen de voorruit van de auto te kunnen slaan. De getuigen [getuige 1],[getuige 4] en [getuige 3] hebben aanvankelijk bij de politie verklaard dat [aangever 2] op de motorkap van de auto is terechtgekomen, doch zij hebben deze verklaring bij de rechter-commissaris niet herhaald. Aangever [aangever 2] heeft zelf verklaard dat hij niet is gevallen en dat hij is blijven staan. Ook de getuige [getuige 6] (zijnde de vriendin van [aangever 2]) en de getuige[getuige 7] (zijnde een goede vriend van [aangever 2]) hebben niet verklaard dat [aangever 2] op de motorkap van de auto is terechtgekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij een man met een stoel aan zag komen lopen en dat die man de stoel door de voorruit heen sloeg. Op dat moment wilde de verdachte zich aan de situatie onttrekken en probeerde hij de auto te keren. Volgens de verdediging is het onmogelijk om vast te stellen waar [aangever 2] precies heeft gestaan op het moment dat de verdachte trachtte te vluchten, zodat niet kan worden vastgesteld of het wegrijden de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met zich bracht. Bovendien is, aldus de verdediging, bij de verdachte van enig bewustzijn geen sprake geweest, laat staan dat de verdachte bepaalde gevolgen welbewust zou hebben aanvaard en/of op de koop zou hebben toegenomen. De verdachte heeft dienaangaande verklaard dat hij in paniek raakte, hetgeen volgens de verdediging niet onaannemelijk is op het moment dat de voorruit van de auto met een terrasstoel kapot werd geslagen. De verdachte wilde zich onttrekken aan de situatie en is zich geen moment bewust geweest van de mogelijkheid dat hij daarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel zou (kunnen) toebrengen. Daarbij dient volgens de verdediging in aanmerking genomen te worden dat het incident zich zal hebben afgespeeld in een tijdsbestek van enkele seconden. De verdediging heeft geconcludeerd dat aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 2].

Voorts heeft de verdediging betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij aangever [aangever 2] sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. In hoger beroep is door [aangever 2] een verklaring van een fysiotherapeut ingebracht, waarin is opgenomen dat als gevolg van het trauma ook een standsverandering in de voet is opgetreden. Uit niets blijkt, aldus de verdediging, op grond van welk onderzoek de fysiotherapeut tot deze diagnose en conclusie is gekomen. Een dergelijke medische conclusie zouden volgens de verdediging niet door een fysiotherapeut maar door een arts moeten worden getrokken. Bovendien hebben noch de huisarts noch de specialisten in het ziekenhuis melding gemaakt van een standsverandering die het gevolg is geweest van de enkelfractuur. Volgens de verdediging kan een enkelfactuur onder omstandigheden worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, doch dan dient meer informatie beschikbaar te zijn over de aard en ernst van het letsel, de aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel. In het geval van [aangever 2] moet het er voor worden gehouden, aldus de verdediging, dat kennelijk sprake is geweest van een tamelijk eenvoudige breuk waarvoor [aangever 2] een operatie heeft moeten ondergaan. Uit de verklaring van de fysiotherapeut, wat daar ook van zij, kan niet volgen hoe lang het herstel naar aanleiding van de enkelfractuur precies heeft geduurd. Voor het geval het hof (mede) op grond van de verklaring van de fysiotherapeut toch tot een bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel zou komen, heeft de verdediging verzocht dat de fysiotherapeut ([naam fysiotherapeut]) als getuige zal worden gehoord.

Ten aanzien van [aangever 1] (ten laste gelegd onder 1):

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van het bestaan van de aanmerkelijke kans dat [aangever 1] door zijn, verdachtes, gedragingen zou komen te overlijden, laat staan dat zou kunnen worden vastgesteld dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust zou hebben aanvaard. Volgens de verdediging kan niet in rechte worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [aangever 1] heeft gezien, omdat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de verdachte in paniek, onder invloed van angst en/of door omstandigheden buiten hem gelegen, zoals het belemmerde zicht door de kapotte voorruit en de defecte achteruitkijkspiegel, [aangever 1] niet dan wel niet tijdig heeft gezien. Dat zich rond het moment van de aanrijding meerdere personen op de [straat 2] bevonden, zoals door de rechtbank is overwogen, volgt, aldus de verdediging, niet uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. De verdediging heeft geconcludeerd dat aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [aangever 1].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof neemt bij het vaststellen van de feiten tot uitgangspunt de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 3],[getuige 4],[getuige 5] en [getuige 2] die zij bij de politie hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn kort na de beide aanrijdingen afgelegd en zij komen voor wat betreft de kern van de gebeurtenissen – namelijk de aanrijding van [aangever 2] en later de aan- en overrijding van [aangever 1] – met elkaar overeen. Dat getuigen op bepaalde – ondergeschikte – detailpunten verschillend hebben verklaard, acht het hof niet verwonderlijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat getuigen in de regel niet alle details in gelijke zin (kunnen) waarnemen, zeker niet als het gaat om gebeurtenissen die zich in een kort tijdsbestek afspelen. Het hof heeft bij de waardering van het bewijs dan ook gelet op de punten waarop de getuigenverklaringen elkaar ondersteunen. Bij de waardering van de verklaring van de getuige[getuige 4] heeft het hof nog acht geslagen op de omstandigheid dat[getuige 4] reeds direct na de beide aanrijdingen ter plaatse tegen de politie overeenkomstig heeft verklaard, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 82 van politiedossier. Punten waarop de gebezigde bewijsmiddelen van elkaar afwijken, zijn a) of [aangever 2] de terrasstoel op de voorruit van de auto gegooid of geslagen heeft en b) waar getuige [aangever 1] zich exact bevond op het moment dat hij werd aangereden. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt ten aanzien van a) in ieder geval dat [aangever 2] de stoel van korte afstand op de voorruit van de auto die door verdachte werd bestuurd deed neerkomen en ten aanzien van b) dat [aangever 1] zich op enig punt op de [straat 2] bevond.

Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof in het navolgende de ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde bespreken, dat wil zeggen eerst de aanrijding met [aangever 2] en daarna de aanrijding met [aangever 1].

Algemeen:

a.

Op 17 juni 2012 was de verdachte samen met [manspersoon 1] (door sommigen in de diverse verklaringen ook wel [manspersoon 1] of [manspersoon 1] genoemd) in [café] te Grave. Verdachte was naar het café gekomen in een Volkswagen Polo, die hij die avond tot zijn beschikking had. Het hof merkt hierbij op dat voor het hof, evenals kennelijk voor de verdediging, duidelijk is dat waar in de tenlastelegging naar de auto van verdachte wordt verwezen, wordt gedoeld op Volkswagen Polo die hij tot zijn beschikking had, hoewel hij niet de eigenaar van de auto was.17 Ook de bewezenverklaring dient aldus te worden begrepen.

Op enig moment, nadat het café werd gesloten, is op het terras voor het café een ruzie ontstaan waarbij in ieder geval de verdachte en aangever [aangever 2] betrokken waren, waarbij de verdachte en [aangever 2] elkaar over en weer hebben geslagen en [aangever 2] een bloedneus heeft opgelopen.

Ten aanzien van [aangever 2] (ten laste gelegd onder 2):

b.

Na deze ruzie is de verdachte samen met [manspersoon 1] en de getuige [getuige 3] naar de Volkswagen Polo gelopen. Uit de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte en de foto’s op pagina’s 123 en 124 van het politiedossier leidt het hof af dat de auto vanuit het [café] bezien geparkeerd stond aan de linkerzijde van de weg op de[straat 1], nagenoeg op de hoek[straat 1]-[straat 3], met de neus van de auto in de richting van het [café]. De verdachte is in de auto gestapt aan de bestuurderszijde en [manspersoon 1] aan de bijrijderszijde. Bij de auto, staande bij het portier van verdachte, heeft de getuige [getuige 3] de verdachte nog gezegd en aangewezen hoe hij het beste weg kon rijden, namelijk direct rechtsaf de [straat 3] in.

c.

Toen de verdachte in de auto was gezeten, is aangever [aangever 2] vanaf het terras voor het [café] in de richting van de verdachte gerend. [aangever 2] had een terrasstoel in zijn handen. De afstand van het terras tot de plaats waar de auto van verdachte stond was zo klein (15 tot 20 meter volgens de verklaring van de verdachte zelf) dat deze rennend binnen seconden kon worden overbrugd. De verdachte heeft [aangever 2] aan zien komen rennen. [aangever 2] heeft de terrasstoel vanaf korte afstand van de auto tegen de voorruit van die auto gegooid of heeft die stoel tegen de voorruit geslagen.

d.

Vervolgens heeft de verdachte veel gas gegeven en is de auto vooruit geschoten. Daarbij is de auto tegen [aangever 2] aangereden en is [aangever 2] op de motorkap van de auto terechtgekomen. De verdachte is vervolgens met [aangever 2] op de motorkap van de auto richting een terras gereden. Bij het terras is de auto tegen een boom tot stilstand gekomen. [aangever 2] is aldaar van de motorkap gevallen en op het terras terechtgekomen.

Met de verdediging constateert het hof dat aangever [aangever 2] zelf niet heeft verklaard dat hij op de motorkap van de auto is terechtgekomen. Naar eigen zeggen is hij blijven staan en is de auto over zijn voet of enkel gereden. Het hof ziet evenwel geen aanleiding om aan de verklaringen van de getuigen op dit punt te twijfelen. Bestudering van de verklaringen die kort na het incident zijn afgelegd, wijst uit dat alleen [aangever 2] in deze zin heeft verklaard. De getuigen [getuige 1], [getuige 3],[getuige 4] en[getuige 5] hebben allen verklaard dat [aangever 2] op de motorkap van de auto is terechtgekomen. Deze verklaringen vinden bovendien steun in de resultaten van het forensisch onderzoek aan de auto. Bij dit onderzoek zijn aan de bestuurderszijde van de auto op de motorkap en de voorruit meerdere bloedsporen aangetroffen, welke het uiterlijk van veegsporen hadden. Uit een vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het DNA-profiel van de onderzochte bloedsporen overeenkomt met het DNA-profiel van aangever [aangever 2].

e.

Door veel gas te geven, hard op te trekken en te gaan rijden, zeer kort nadat de verdachte had gezien dat [aangever 2] de auto van korte afstand aan de voorzijde rennend naderde, heeft de verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [aangever 2] zou aanrijden en [aangever 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het hof merkt daarbij op dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer een auto een voetganger met enige snelheid aanrijdt – zeker als deze kort daarvoor uit stilstand met veel gas is opgetrokken – de kans aanmerkelijk is dat de voetganger daardoor zwaar lichamelijk letsel op zal lopen.

f.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt voorts dat [aangever 2] ten gevolge van de aanrijding aan zijn linkerbeen een gebroken enkel heeft opgelopen waarvoor een operatie nodig was. Daarbij zijn een plaat en een aantal schroeven geplaatst. [aangever 2] heeft na de aanrijding gedurende een periode van vijf nachten in het ziekenhuis verbleven. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 15 januari 2013 – bijna 7 maanden na het incident – heeft [aangever 2] verklaard dat hij nog steeds enige last heeft van zijn linkerbeen en dat zijn linkerbeen niet meer zo flexibel is als zijn rechterbeen. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het letsel bij [aangever 2] van zodanige aard en ernst is, mede gezien de noodzaak en de aard van het betreffende medische ingrijpen, dat naar gewoon spraakgebruik moet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof heeft de verklaring van de fysiotherapeut, die als bijlage bij het voegingsformulier van [aangever 2] als benadeelde partij is gevoegd, niet gebezigd voor het bewijs, zodat het verweer van de verdediging op dit punt geen bespreking behoeft. Aan de voorwaarde voor het verzoek zijdens de verdediging om de fysiotherapeut als getuige te horen is niet voldaan.

g.

Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor bewezen verklaard.

Ten aanzien van [aangever 1] (ten laste gelegd onder 1):

h.

Na tegen een boom tot stilstand te zijn gekomen, is de verdachte achteruit gereden en vervolgens vooruit gereden in de richting van de [straat 2], vanuit zijn rijrichting gezien aan de rechterzijde van het terras voor het [café]. Op en bij het terras bevonden zich op dat meerdere personen. In de [straat 2] bevonden zich personen op straat en uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij dat heeft gezien. De [straat 2] betreft een eenrichtingsweg. Verdachte is de [straat 2] tegen het verkeer in ingereden.

i.

In de [straat 2] bevond zich op dat moment onder meer aangever [aangever 1]. De verdachte is aldaar met verhoogde snelheid met zijn auto tegen [aangever 1] aangereden, waardoor [aangever 1] op de motorkap van de auto is terechtgekomen. Verdachte is, terwijl [aangever 1] op de motorkap lag, doorgereden. Vervolgens heeft de verdachte geremd, waardoor [aangever 1] van de motorkap op de grond is gevallen. [aangever 1] is daarbij gedeeltelijk voor de auto terechtgekomen. Vervolgens is de verdachte eerst met zijn rechtervoorwiel en vervolgens, nadat hij flink gas heeft moeten bijgeven, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, met zijn rechterachterwiel over het lichaam van [aangever 1] heengereden. Uiteindelijk is de verdachte via de [straat 2] en de [straat 4] weggereden. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gemerkt dat hij ergens over heen is gereden.

j.

Niet kan worden vastgesteld of de verdachte [aangever 1] direct voorafgaand aan de aanrijding heeft gezien, mede in aanmerking genomen dat de voorruit van de auto – vooral aan de bijrijderszijde – was beschadigd waardoor in ieder geval het zicht van de bestuurder aan die kant was beperkt. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen volgt evenwel dat de verdachte kort na sluitingstijd van [café] met zijn auto met verhoogde snelheid in het uitgaansgebied tegen de richting in de eenrichtingsweg gelegen naast het terras van het café is ingereden, terwijl de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van meerdere personen aldaar. Ook nadat de verdachte had bemerkt/gevoeld dat hij ergens overheen is gereden, is hij doorgereden. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden ter plaatse was er een aanmerkelijke kans dat het daarbij een persoon zou betreffen. De kans dat een persoon komt te overlijden door een aanrijding waarbij die persoon als voetganger door een auto wordt aangereden en vervolgens zowel met een voor- als een achterwiel wordt overreden, is eveneens aanmerkelijk. Door aldus te handelen heeft verdachte dan ook minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de voetganger – aangever [aangever 1] – daardoor zou komen te overlijden.

k.

Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor bewezen verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De verdediging heeft betoogd dat ten aanzien van [aangever 2] sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces en dat ten aanzien van [aangever 1] sprake is geweest van noodweerexces. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte bijgevolg voor zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van [aangever 2] (bewezen verklaard onder 2):

De verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte, zijn bijrijder en zijn auto door aangever [aangever 2]. De verdediging heeft hiertoe verwezen naar de verklaringen van de getuigen[getuige 5],[getuige 7], [getuige 1],[getuige 4], [getuige 3] en [getuige 2], waaruit volgt dat [aangever 2] een stoel tegen de voorruit van de auto heeft gegooid of geslagen. Volgens de verdediging resteerde de verdachte niets anders dan wegrijden. Naar het oordeel van de verdediging was de door de verdachte toegepaste verdediging passend en geboden. In redelijkheid kan en kon van de verdachte niet worden verwacht dat hij de enige bescherming die hij op dat moment had, te weten zijn auto, zou verlaten met het risico dat hij door [aangever 2] met de terrasstoel zou worden aangevallen. Het inroepen van de hulp van de bijrijder zou ook niet veel soelaas hebben geboden, nu uit verklaringen van getuigen blijkt dat [aangever 2] ter plaatse was vergezeld van een groot aantal vrienden, die [aangever 2] te hulp zouden zijn geschoten. De verdachte heeft, aldus de verdediging, evenmin zijn weg in een andere richting kunnen vervolgen. De verdachte heeft verklaard dat hij aanvankelijk van de situatie weg wilde rijden en dat hij om die reden heeft geprobeerd om de auto op de weg te keren in de richting tegengesteld aan die waar vandaan [aangever 2] kwam en waar de vrienden van [aangever 2] zich nog bevonden. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte aldus een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging welke werd veroorzaakt door de daaraan voorafgaande ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever 2]. De verdachte heeft verklaard dat hij schrik kreeg, in paniek raakte en bang was dat men hem iets wilde aandoen. Dit is, aldus de verdediging, gelet op het handelen van [aangever 2] waarbij hij een stoel met kracht tegen de voorruit van de auto heeft gegooid of geslagen, niet ongeloofwaardig en alleszins voorstelbaar. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte aldus een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

Ten aanzien van [aangever 1] (bewezen verklaard onder 1):

De verdediging heeft ook wat betreft de aanrijding met [aangever 1] betoogd dat verdachte daarbij heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging welke werd veroorzaakt door de daaraan voorafgaande ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever 2], zoals hiervoor is weergegeven. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte aldus een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het beroep op noodweer ten aanzien van [aangever 2] (bewezen verklaard onder 2):

Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat aangever [aangever 2] naar de auto van de verdachte is gelopen/gerend en vervolgens – toen de verdachte en zijn bijrijder in de auto zaten – een terrasstoel tegen de voorruit van de auto heeft gegooid of geslagen. Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever 2]. Het hof acht het voorstelbaar dat de verdachte op grond van het handelen van [aangever 2] vreesde voor een verdere aanranding van zijn of andermans lijf en/of goed door [aangever 2].

Het hof is van oordeel dat de verdachte met het door hem gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend, de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De aanranding bestond uit het met kracht gooien of slaan met een terrasstoel tegen de voorruit van de door verdachte bestuurde auto, waarbij de ruit fors is beschadigd, maar nog steeds dicht was, zoals is te zien op de foto van de voorruit van de auto op pagina 127 van het politiedossier. Niet aannemelijk is geworden dat [aangever 2] daarna nog een verdere of verdergaande aanranding heeft ingezet of dat, zoals de verdachte heeft verklaard, de verdachte daarnaast door andere personen komend vanaf het terras bij [café] zou zijn belaagd. Verdachte heeft op de aanranding gereageerd door opzettelijk hard optrekkend met de auto tegen [aangever 2] aan te rijden, waardoor deze eerst op de motorkap is gekomen en daarna op de grond viel, dit alles op een wijze waardoor [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het door de verdachte aangewende verdedigingsmiddel staat geenszins in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Er stonden bovendien ook minder vergaande middelen tot de beschikking van de verdachte, die zich tezamen met zijn bijrijder in de relatief beschermde omgeving van zijn auto bevond. Er waren andere personen in de nabijheid aanwezig, die eerder op de avond al een de-escalerende rol hadden gespeeld. Verdachte had de hulp van omstanders kunnen inroepen, hij had zich fysiek kunnen verweren, al dan niet met de hulp van zijn bijrijder, die hem ook tijdens de voorafgaande vechtpartij had bijgestaan, of hij had weg kunnen gaan door met gesloten portieren langzaam weg te rijden, waarbij hij ook eerst had kunnen claxonneren om [aangever 2] te waarschuwen. De verdachte had gebruik kunnen en moeten maken van één van deze reële alternatieven. In plaats daarvan heeft hij gekozen voor de mogelijkheid die het grootste gevaar voor [aangever 2] opleverde. Het hard optrekkend aanrijden van de voetganger [aangever 2] was naar het oordeel van het hof, gezien de omstandigheden, dan ook niet geboden ter noodzakelijke verdediging tegen de wederrechtelijke aanranding.

Het hof verwerpt mitsdien het beroep op noodweer.

Het beroep op noodweerexces ten aanzien van [aangever 2] (bewezen verklaard onder 2) en [aangever 1] (bewezen verklaard onder 1):

Het hof stelt voorop dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien

( a) de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

( b) op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestond, doch niettemin deze gedraging het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat ten aanzien van de situatie met betrekking tot [aangever 2] sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever 2] waartegen de verdachte zich heeft mogen verdedigen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in blinde paniek was en zo snel mogelijk weg wilde. Deze verklaring wordt niet ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen of getuigenverklaringen. Het hof acht een zekere angst bij de verdachte op het moment van wegrijden als gevolg van de aanranding door [aangever 2] echter wel invoelbaar en aannemelijk. Het hof weegt op dit punt tevens mee de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Naar het oordeel van het hof zijn uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting evenwel onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen om te kunnen concluderen dat de aard en de intensiteit van de gemoedsbeweging bij de verdachte op het moment van wegrijden als gevolg van die aanranding zodanig hevig (in de zin van onstuitbaar en dwingend) was dat deze het beoordelingsvermogen en de beoordelingsvrijheid van de verdachte zodanig heeft beïnvloed dat deze het daarop volgende handelen (het opzettelijk aanrijden van [aangever 2] en vervolgens het opzettelijk aan- en overrijden van [aangever 1]) verontschuldigt. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Het hof verwerpt mitsdien het beroep op noodweerexces, zowel ten aanzien van [aangever 2] als ten aanzien van [aangever 1].

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof komt tot een veroordeling ter zake van zware mishandeling en poging tot doodslag. Verdachte is op twee verschillende momenten met zijn auto opzettelijk ingereden op een persoon.

Het (in chronologische volgorde) eerste slachtoffer, [aangever 2], is daarbij op de motorkap van de auto terechtgekomen. [aangever 2] heeft door de aanrijding een gebroken onderbeen/enkel opgelopen. [aangever 2] heeft een operatie moeten ondergaan waarbij zijn been met stalen platen en een stalen pin is vastgezet. [aangever 2] heeft in de periode daarna veel pijn gehad. Hij heeft enige tijd niet kunnen lopen en geen werkzaamheden kunnen uitvoeren. Naast de lichamelijke gevolgen heeft [aangever 2] naar aanleiding van de bewezen verklaarde gebeurtenissen ook te kampen gehad met psychische klachten zoals gevoelens van angst.18

Na het slachtoffer [aangever 2] te hebben aangereden en met zijn auto tegen een boom tot stilstand te zijn gekomen, is de verdachte in tegengestelde richting een eenrichtingsweg ingereden. Aldaar heeft de verdachte het (in chronologische volgorde) tweede slachtoffer, [aangever 1], aangereden. [aangever 1] is daarbij eerst op de motorkap van de auto terechtgekomen en vervolgens, nadat de verdachte had geremd, op straat gevallen. Vervolgens is verdachte met het rechtervoorwiel en het rechterachterwiel van zijn auto over het lichaam van [aangever 1] heengereden. Dat [aangever 1] dit desondanks heeft overleefd, mag een wonder genoemd worden en dit is geenszins aan verdachte te danken; die heeft zich uit de voeten gemaakt zodra hij met beide rechterwielen over het lichaam van [aangever 1] was heen gereden. [aangever 1] heeft onder meer diverse ribfracturen, een gebroken sleutelbeen en een klaplong opgelopen. Gedurende twee maanden daarna heeft [aangever 1] veel pijn gehad. [aangever 1] heeft een operatie moeten ondergaan waarbij een metalen plaatje met zeven schroeven aan zijn bot is bevestigd. [aangever 1] heeft een week in het ziekenhuis verbleven en daarna acht weken thuis in een ziekenhuisbed. Het heeft in totaal bijna vier maanden geduurd voordat [aangever 1] weer volledig kon werken. Naast de lichamelijke gevolgen heeft [aangever 1] naar aanleiding van het gebeuren ook te kampen gehad met psychische klachten. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 1] heeft hij gevreesd voor zijn leven toen hij na te zijn aangereden op straat lag. De gebeurtenissen, zoals bewezen verklaard, hebben een diepe indruk gemaakt op [aangever 1] en zijn naaste omgeving.19

De incidenten hebben plaatsgevonden in een uitgaansgebied te Grave. Op dat moment waren meerdere personen op straat aanwezig. Velen van hen zijn getuige geweest van één of beide aanrijdingen. Dit moet ongetwijfeld een schokkende ervaring voor deze omstanders zijn geweest. Bovendien leidt dergelijk geweld dat in het uitgaansleven plaatsvindt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De gebeurtenissen zijn in het bijzonder ook een traumatische ervaring geweest voor de partner van [aangever 1], [getuige 3], die ter plaatse aanwezig was.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 juli 2013 is de verdachte meermalen eerder veroordeeld ter zake van geweldsfeiten. Daarbij zijn aan de verdachte ook (al dan niet voorwaardelijke) gevangenisstraffen opgelegd. Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 7 december 2009 is de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en een werkstraf. Bij arrest van het hof Arnhem van 5 augustus 2010 is de verdachte ter zake van onder meer mishandeling en bedreiging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2011 is de verdachte ter zake van onder meer zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Verdachte heeft de onderhavige feiten gepleegd gedurende de proeftijd van die laatste veroordeling. Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan geweldsfeiten.

Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Anders dan door de verdediging is betoogd ziet het hof in de rol van het slachtoffer [aangever 2] bij het ontstaan van het incident geen aanleiding om tot een lagere strafoplegging te komen. Weliswaar volgt uit het verhandelde ter terechtzitting dat [aangever 2] voorafgaand aan de aanrijding een terrasstoel op de voorruit van de auto van de verdachte heeft gegooid of geslagen, doch deze actie was een reactie op een daaraan voorafgaande ruzie tussen [aangever 2] en de verdachte, waarbij de verdachte hem een bloedneus heeft geslagen.

Eén en ander in aanmerking genomen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, zoals door de rechtbank is opgelegd, passend en geboden. Daarnaast ziet het hof in de omstandigheid dat verdachte zijn auto als wapen heeft gebruikt aanleiding om, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen. Het hof acht een ontzegging voor de duur van 3 jaren, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.

De jurisprudentie waarnaar door de raadsman in het kader van de strafmaat is verwezen, brengt het hof niet tot andere conclusies, gelet op de ernst van de jegens de slachtoffers [aangever 1] en [aangever 2] gepleegde feiten en de justitiële documentatie van verdachte.

Anderzijds is het hof van oordeel dat met deze strafoplegging de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht, zodat de advocaat-generaal voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf niet in zijn vordering zal worden gevolgd.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.581,56. De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van € 931,56 aan materiële schade, bestaande uit beschadigde kleding, medicatie, dagvergoeding voor vijf dagen ziekenhuisopname, fysiotherapie en vervoerkosten. Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van € 1.650,- aan immateriële schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.931,56. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. In hoger beroep heeft de benadeelde partij nog aanvullende stukken ingebracht ter nadere onderbouwing van de vordering.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de door haar bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd vanwege de eigen schuld van de benadeelde partij bij het ontstaan van het incident.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar tot een bedrag van

€ 2181,56. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade tot een bedrag van € 931,56 en immateriële schade tot een bedrag van € 1250,- heeft geleden. Het hof acht de materiële schade voldoende onderbouwd. Voorts is het hof van oordeel dat het bedrag aan immateriële schadevergoeding, gelet op het strafbare handelen van verdachte en de lichamelijke en geestelijke gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals dit uit de schriftelijke toelichting op de vordering blijkt, zonder meer als redelijk en billijk is te beschouwen. De hoogte van de gestelde schade is door de verdediging als zodanig ook niet betwist.

Het hof zal de benadeelde partij voor wat betreft het resterende bedrag aan gevorderde immateriële schadevergoeding (€ 400,-) in de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Uit de toelichting van de benadeelde partij blijkt immers uitdrukkelijk dat dit bedrag is gevorderd in verband met een gebroken neus welke door de verdachte zou zijn toebracht. Dit feit is in de onderhavige strafzaak evenwel niet aan de verdachte ten laste gelegd. Mitsdien kan de benadeelde partij in zoverre niet in de vordering worden ontvangen.

Anders dan door de verdediging is betoogd ziet het hof in de rol van de benadeelde partij bij het ontstaan van het incident geen aanleiding om het bedrag aan materiële en/of immateriële schadevergoeding (verder) te matigen. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt weliswaar dat de benadeelde partij een terrasstoel op de voorruit van de auto van de verdachte heeft gegooid of geslagen, doch naar het oordeel van het hof is de ernst van de gemaakte fouten van de verdachte enerzijds en de benadeelde partij anderzijds, dermate uiteenlopend dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van de verdachte jegens de benadeelde partij volledig in stand blijft. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de actie van de benadeelde partij een reactie was op een daaraan voorafgaande ruzie tussen hem en de verdachte, waarbij de verdachte hem een bloedneus heeft geslagen.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2012, zijnde de dag van het strafbare feit, tot aan de dag der voldoening.

Het hof zal de verdachte voorts verwijzen in de kosten als hierna te melden.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte – ter meerdere zekerheid van de betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partij – de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.181,56 (tweeduizend honderdeenentachtig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 931,56 (negenhonderdeenendertig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2012 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2], een bedrag te betalen van € 2.181,56 (tweeduizend honderdeenentachtig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 931,56 (negenhonderdeenendertig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2012 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M. van Zinnen, voorzitter,

mr. J.F.M. Pols en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 12 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 De hierna in de voetnoten genoemde dossierpagina’s zijn afkomstig uit het dossier van Politie Regio Brabant-Noord, District Maas en Leijgraaf, D3 – Team Cuijk, registratienummer PL21ZO 2012063361, sluitingsdatum 8 augustus 2012, aantal doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 159 (exclusief de eerste ongenummerde pagina).

2 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 17 juni 2012, proces-verbaalnummer PL21Z3 2012063361-9, opgemaakt door [verbalisant 4] (brigadier van politie), dossierpagina’s 45 en 46, inhoudende verklaring van de getuige P. [getuige 1].

3 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 19 juni 2012, proces-verbaalnummer PL21ZO 2012063361-26, opgemaakt door [verbalisant 5] (brigadier van politie), dossierpagina’s 64 tot en met 68, inhoudende de verklaring van de [getuige 3].

4 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 18 juni 2012, proces-verbaalnummer PL21Z3 2012063361-25, opgemaakt door[verbalisant 6] (aspirant van politie), dossierpagina’s 57 tot en met 59, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 4].

5 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 18 juni 2012, proces-verbaalnummer PL21Z3 2012063361-19, opgemaakt door[verbalisant 7] (hoofdagent van politie), dossierpagina’s 60 tot en met 63, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 5].

6 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 19 juni 2012, proces-verbaalnummer OK21ZO 2012063361-33, opgemaakt door [verbalisant 8] (hoofdagent van politie), dossierpagina’s 69 tot en met 72, inhoudende de verklaring van de [getuige 2].

7 Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 19 juni 2012, proces-verbaalnummer PL21ZO 2012063361-29, opgemaakt door [verbalisant 9] (hoofdagent van politie), dossierpagina’s 36 tot en met 38, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2].

8 Proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2013, los gevoegd in het dossier, inhoudende de verklaring als getuige van [aangever 2].

9 Aanvraagformulier medische informatie van 3 juli 2012, dossierpagina 138, inhoudende de bevindingen van een arts met betrekking tot het letsel van [aangever 2].

10 Registratielijsten ziekenhuisopname ten aanzien van [aangever 2], welke als bijlage 11 zijn gevoegd bij het ‘schade-onderbouwingsformulier van de benadeelde partij [aangever 2]’ van 31 juli 2013 (zijnde het schade-onderbouwingsformulier met nadere onderbouwing).

11 Proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2013, los gevoegd in het dossier, inhoudende de verklaring als getuige van [aangever 1].

12 Ambtsedig proces-verbaal van sporenonderzoek van 20 juni 2012, proces-verbaalnummer PL21R3 2012063361-34, opgemaakt door [verbalisant 1] (buitengewoon opsporingsambtenaar) en [verbalisant 2] (agent van politie), dossierpagina’s 91 tot en met 93, inhoudende het relaas van de verbalisanten.

13 Fotografische opnamen van de motorkap en de voorruit van de personenauto Volkswagen Polo, weergegeven op dossierpagina’s 117 en 118, voorzien van een onderschrift door de verbalisant [verbalisant 3]. De betreffende fotografische opnamen maken deel uit van het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van 25 juni 2012, BVH-nummer 2012063361, opgemaakt door [verbalisant 3] (brigadier van politie en technisch rechercheur, werkzaam bij de Forensische Technische Opsporing, afdeling Verkeers Ongevallen Analyse), dossierpagina’s 99 tot en met 128.

14 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 19 juli 2012 (‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een delict gepleegd in Grave op 17 juni 2012’), zaaknummer 2012.07.05.164, opgemaakt door L.H.J. Aarts (NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA), dossierpagina’s 133 tot en met 137, inhoudende de bevindingen en conclusies van de deskundige.

15 Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant van 21 februari 2013, inhoudende de verklaring van de verdachte, weergegeven op pagina’s 2 tot en met 4 van het proces-verbaal.

16 Fotografische opnamen van de motorkap en de voorruit van de personenauto Volkswagen Polo, weergegeven op dossierpagina’s 123 en 124, voor zien van een onderschrift door de verbalisant [verbalisant 3]. De betreffende fotografische opnamen maken deel uit van het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van 25 juni 2012, BVH-nummer 2012063361, opgemaakt door [verbalisant 3] (brigadier van politie en technisch rechercheur, werkzaam bij de Forensische Technische Opsporing, afdeling Verkeers Ongevallen Analyse), dossierpagina’s 99 tot en met 128.

17 Dat de verdachte deze auto die avond tot zijn beschikking had volgt onder meer uit de verklaringen van de verdachte zelf, weergegeven op pagina’s 145 en 149 van het politiedossier.

18 Schade-onderbouwingsforumulier van [aangever 2], gevoegd bij diens voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces; schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 2] d.d. 21 augustus 2013.

19 Schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 1] d.d. 30 januari 2013.