Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4290

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
HD 200.121.559-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wck; doorlopend krediet: voldaan aan artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck; roodstand rekening-courant: Wck niet van toepassing

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.121.559/01

arrest van 10 september 2013

in de zaak van

SNS Bank N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.E.G. Murris te Utrecht,

tegen

[de man],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 november 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton locatie Heerlen, gewezen vonnis van 8 augustus 2012 tussen appellante – SNS – als eiseres en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 477529 CV EXPL 12-5232)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld verstekvonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met twee producties;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven met zeven producties.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2.

In de inleidende dagvaarding heeft SNS de veroordeling gevorderd van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van een bedrag van € 22.516,82, te vermeerderen met de vertragingsrente ad 0,625 % per maand over een bedrag van € 21.219,88 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

4.3.

SNS heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op of omstreeks 31 december 2008 met [geïntimeerde] een doorlopend kredietovereenkomst heeft gesloten. Op grond van deze overeenkomst is aan [geïntimeerde] een doorlopend krediet van € 15.000,-- verstrekt, waarover hij een kredietvergoeding van 0,625 % per maand is verschuldigd. [geïntimeerde] dient het krediet en de kredietvergoeding in maandelijkse termijnen aan SNS terug te betalen. Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Bankvoorwaarden, de Algemene Kredietvoorwaarden-particulier en het Algemeen Reglement Privérekening van toepassing. Ondanks hiertoe meerdere malen te zijn aangemaand is [geïntimeerde] in gebreke gebleven met de betaling van meer dan twee maandelijkse termijnen en is volgens SNS het gehele krediet ineens opeisbaar geworden. Daarnaast heeft SNS met [geïntimeerde] een rekening-courant overeenkomst gesloten, waarop een debetsaldo is ontstaan. Volgens SNS is ook dit saldo direct opeisbaar, omdat [geïntimeerde] op zeer onzorgvuldige wijze en in strijd met de tussen partijen overeengekomen Algemene Bankvoorwaarden de rekening-courant heeft belast, waardoor de debetstand is ontstaan. Omdat [geïntimeerde] - hoewel daartoe aangemaand - niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen voldeed, heeft SNS de vordering ter incasso uit handen gegeven en [geïntimeerde] in rechte betrokken.

4.4.

In het bestreden verstekvonnis heeft de rechtbank de vordering van SNS afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat op de doorlopend kredietovereenkomst de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck) van toepassing is en dat SNS, door geen feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt op welke wijze en per welke datum de vordering uit hoofde van de doorlopend kredietovereenkomst opeisbaar is geworden, niet heeft voldaan aan de dwingendrechtelijke bepaling met betrekking tot vervroegde opeising in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck. Ten aanzien van de rekening-courant overeenkomst heeft de rechtbank overwogen dat SNS geen feiten en omstandigheden heeft gesteld of producties heeft overgelegd waaruit blijkt dat SNS aan de door de rechtbank opgesomde voorwaarden ter voorkoming dat de debetstand op de rekening-courant verandert in een krediettransactie waarop de Wck van toepassing is, heeft voldaan.

4.5.

Van dit verstekvonnis is SNS in hoger beroep gekomen. SNS heeft in hoger beroep haar eis verminderd in die zin dat zij niet langer buitengerechtelijke kosten en btw vordert. Voorts heeft SNS haar vordering gesplitst in twee vorderingen. SNS vordert thans - kort gezegd - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan SNS van

  1. een bedrag van € 15.848,90, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen rente van 0,625% per maand vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening (uit hoofde van de doorlopend kredietovereenkomst);

  2. een bedrag van € 4.755,10, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen debetrente van 10,57% per jaar vanaf 1 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening (uit hoofde van de rekening-courant overeenkomst).

4.6.

Het hof overweegt als volgt.

4.6.1.

Grief I is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat – samengevat – SNS voor wat betreft de doorlopend kredietovereenkomst niet heeft voldaan aan het dwingendrechtelijke bepaalde in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck, welke wet op de onderhavige doorlopend kredietovereenkomst van toepassing is.

Op grond van artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig - en wel conform een tussen partijen aldusluidend overeengekomen beding- worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.

Het hof stelt vast dat SNS aan de voorwaarden van artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck heeft voldaan. De Algemene Kredietvoorwaarden-Particulier (onderdeel productie 5 bij MvG) bevatten in artikel 10 lid 2 sub a een rechtsgeldig vervroegd opeisingsbeding, nu dat beding voldoet aan artikel 33 lid c onder 1 Wck. Uit de producties 6, 7 en 8 die thans in hoger beroep door SNS zijn overgelegd blijkt verder het volgende. [geïntimeerde] heeft vanaf december 2011 een betalingsachterstand laten ontstaan waarvoor hij bij brieven van 3 en 25 januari 2011 door SNS is aangemaand. Op 1 februari 2011 heeft [geïntimeerde] nog één deelbetaling gedaan en daarna niet meer. Bij brief van 14 februari 2011 is hij wederom door SNS aangemaand en bij brief van 28 februari 2011 door SNS voor de betalingsachterstand in gebreke gesteld (met een redelijke nakomingstermijn en een waarschuwing voor algehele opeising bij overschrijden van die termijn). SNS is - bij uitblijvende betaling - bij brief van 13 oktober 2011 tot algehele opeising overgegaan. Het saldo van het doorlopend krediet bedroeg op dat moment € 15.848,90. Nu [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verstek heeft laten gaan en geen verweer heeft gevoerd, gaat het hof er vanuit dat hij de door SNS overgelegde brieven heeft ontvangen.

Het voorgaande betekent dat de (eerste) vordering uit hoofde van de doorlopend kredietovereenkomst het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en kan worden toegewezen. Grief I slaagt.

4.6.2.

Grief II is gericht tegen de overweging van de rechtbank betreffende - kort gezegd - de debetstand op de rekening-courant overeenkomst. Het hof is van oordeel dat op de debetstand van de rekening-courant overeenkomst de Wck niet van toepassing is. Dat (op basis van de wetsgeschiedenis) voorheen een debetstand van langer dan drie maanden onder de Wck gebracht kan worden, heeft als achtergrond de consument te beschermen, onder meer tegen hoog oplopende kosten. Uit de toelichting bij de Wck (TK, vergaderjaar 1987/1988, 19 785, nr. 7, pagina 24) volgt dat, indien de kredietgever wil voorkomen dat een ongewilde roodstand verandert in een krediettransactie in de zin van de Wck, hij bij een ongewilde roodstand van langer dan drie maanden aan de volgende drie voorwaarden diende te voldoen:

  • -

    de roodstand is niet toegestaan, c.q. toestemming ontbreekt en is door de kredietgever expliciet als wanprestatie aangemerkt;

  • -

    de roodstand heeft geleid tot ingebrekestelling en directe opeising door de kredietgever en deze gaat spoedig na het verstrijken van de drie maanden tot incasso over of er wordt een op schift vastgelegde betalingsregeling overeengekomen van al dan niet langer dan drie maanden;

  • -

    voor zover het gaat om bedragen boven de € 453,78 (f. 1.000,--) heeft de kredietgever de roodstand bij het BKR aangemeld met een speciale achterstandscodering.

De wijziging van de Wck per 25 mei 2011, waarbij de termijn van drie maanden in artikel 1 Wck is geschrapt, is niet van toepassing op kredietovereenkomsten die voor 25 mei 2011 zijn gesloten (aldus artikel VI van Stb 2011, 246). Nu uit productie 10 bij MvG blijkt dat [geïntimeerde] al op 5 mei 2011 ter zake de roodstand is gemaand gelden – zo al een kredietovereenkomst door deze roodstand zou kunnen ontstaan – derhalve de vóór 25 mei 2011 geldende regels.

Uit het door SNS in hoger beroep gestelde, gestaafd met diverse producties, concludeert het hof dat SNS aan de hiervoor opgesomde (‘oude’) voorwaarden heeft voldaan. Blijkens artikel 4 van het van toepassing zijnde Reglement Privérekening (productie 5 memorie van grieven) is [geïntimeerde] verplicht er zorg voor te dragen dat het saldo op zijn rekening steeds positief is en is hij in gebreke indien hij niet op eerste aanmaning van SNS onmiddellijk een tekort op de rekening aanzuivert. Blijkens de brief van 5 mei 2011 (productie 10 memorie van grieven) is [geïntimeerde], evenals de maand ervoor, door SNS aangemaand de debetstand aan te zuiveren. Bij brief van 18 mei 2011 (productie 10 memorie van grieven) is [geïntimeerde] door SNS in gebreke gesteld voor de debetstand (met een redelijke nakomingstermijn en een waarschuwing voor incassomaatregelen). Bij brief van 1 juni 2011 (productie 10 memorie van grieven) is [geïntimeerde] nogmaals door SNS in gebreke gesteld en gewaarschuwd voor incassomaatregelen en BKR registratie. Het debetsaldo (inclusief rente van 10,57 % op jaarbasis) bedroeg op dat moment € 4.755,10. Blijkens productie 11 (memorie van grieven) is de debetstand op 9 juni 2011 daadwerkelijk bij het BKR aangemeld. Bij brief van 13 oktober 2011 (productie 8 memorie van grieven) is het debetsaldo van de rekening-courant direct opgeëist. Na uitblijvende betaling heeft SNS de overeenkomst voorts in januari 2012 ter incasso uit handen gegeven.

Nu er voor wat betreft de debetstand op de rekening-courant overeenkomst geen sprake is van een krediettransactie in de zin van de Wck hoeft het hof niet (ambtshalve) te toetsen aan de dwingendrechtelijke bepalingen uit deze wet. De (tweede) vordering uit hoofde van de rekening-courant overeenkomst komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor, en zal dan ook worden toegewezen. Grief II slaagt eveneens.

4.7.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen. Nu de afwijzing in eerste aanleg mede aan SNS zelf is te wijten aangezien zij haar vordering onvoldoende had onderbouwd, ziet het hof aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SNS te betalen een bedrag van € 15.848,90, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen rente van 0,625% per maand vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SNS te betalen een bedrag van € 4.755,10, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen debetrente van 10,57% per jaar vanaf 1 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SNS begroot op € 1.959,49 aan verschotten en op € 1.158,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, J.C.J. van Craaikamp en R.R.M. de Moor en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2013.