Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4278

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
HD 200.123.149-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatige mededelingen via website. Het met de publicaties nagestreefde belang kan ook op een andere wijze worden gediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.123.149/01

arrest van 17 september 2013

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.C. Gillesse,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] (Turkije),

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 29 januari 2013 tussen appellant (hierna: [appellant 1.]),[appellant 2.] (hierna: [appellant 2.]) en [appellant 3.] (hierna: [appellant 3.]) als gedaagden en geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde]) als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/256016/KG ZA 12-835)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven.

[appellant 1.] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In overweging 2 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de grieven 1 en 2 wordt deze vaststelling (deels) bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

( a) [appellant 1.] en [appellant 2.] zijn broers en [appellant 3.] is hun vader.

( b) [geïntimeerde] en [appellant 1.] hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2005 een dochter geboren, genaamd [dochter] (hierna: [dochter]). [geïntimeerde] heeft als enige het ouderlijke gezag over het kind. [appellant 1.] heeft het kind erkend.

( c) [geïntimeerde] en [appellant 1.] zijn in 2009 met hun dochter naar Turkije geëmigreerd. [geïntimeerde] en [appellant 1.] zijn beiden arts. [geïntimeerde] is in Turkije werkzaam (geweest) als chirurg.

( d) Op 17 juni 2011 is een einde gekomen aan de relatie tussen [geïntimeerde] en [appellant 1.]. [geïntimeerde] en [appellant 1.] zijn momenteel in Turkije in (een) juridische procedure(s) verwikkeld over een omgangsregeling tussen [appellant 1.] en [dochter].

( e) [appellant 1.] heeft in Nederland tevergeefs geprocedeerd om het ouderlijk gezag over [dochter] te verkrijgen. [appellant 1.] is van mening dat uit de uitspraak van een Turkse rechtbank (familiekamer) van 28 september 2012 (prod. 3 [appellant 1.] eerste aanleg) blijkt dat er een vorm van omgang tussen vader en dochter moet zijn, waaraan [geïntimeerde] zal moeten meewerken.

( f) [appellant 1.] verblijft sedert de verbreking van de relatie vaak in Turkije, zodat hij in de buurt is van [dochter].

( g) [appellant 1.] heeft in 2004 voor [geïntimeerde] een tweetal websites gemaakt: www.dryilmaz.nl en www.dryilmaz.info. Op deze sites stond persoonlijke en professionele informatie over [geïntimeerde], zoals haar curriculum vitae, diploma’s, proefschrift en overige informatie bestemd voor patiënten.

( h) Op 6 november 2012 heeft [geïntimeerde] ontdekt dat op voormelde websites (sub g) een fotocollage van haarzelf, haar ouders en haar broer is geplaatst met daarboven de tekst ‘CHILD ABUSERS’. Via de website kon de bezoeker van de website er voor kiezen een e-mail te sturen, waarna [geïntimeerde] een e-mail ontving met de tekst ‘I vote against child abusers’.

( i) Voorts heeft [appellant 1.] op zijn website www.ton.hofstede.nl informatie over [geïntimeerde] (waaronder haar proefschrift) geplaatst. Op deze website heeft [appellant 1.] ook een foto van en informatie over [dochter] geplaatst.

( j) Verder zijn op de websites www.rojin.nl en www.rojin.hofstede.nl een foto van [dochter] en [geïntimeerde] geplaatst.

( k) De advocaat van [geïntimeerde] heeft [appellant 1.] bij brief van 20 november 2012 onder meer gesommeerd om de websites van [geïntimeerde] (sub g) en [dochter] (sub j) te verwijderen, en van de website www.ton.hofstede.nl alle foto’s van en informatie over [geïntimeerde] en [dochter] te verwijderen.

( l) [appellant 1.] heeft de gewraakte website www.dryilmaz.nl van het internet verwijderd. Wanneer men deze website ten tijde van de behandeling van het onderhavige geschil in eerste aanleg via Google opende verscheen de vermelding:

‘Network Error (dns_unresolved_hostname)

Your requested host "www.dryilmaz.nl" could not be resolved by DNS.’

( m) De website www.dryilmaz.info was ten tijde van de behandeling van het onderhavige geschil in eerste aanleg wél via Google te openen.

4.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd (onder meer) [appellant 1.] te veroordelen om:

( a) zich op geen enkele wijze op internet uit te laten over [geïntimeerde] en [dochter];

( b) de websites www.dryilmaz.nl en www.dryilmaz.info te verwijderen en alle bijbehorende e-mailadressen en zowel de urls alsmede de inhoud van alle aan deze kwestie gelieerde berichten op andere websites dan voornoemd te verwijderen en verwijderd te houden, en de onrechtmatige publicatie uit de cache van alle zoekmachines van waaruit de publicatie te vinden is, te (doen) verwijderen;

( c) alle informatie over en foto’s van [geïntimeerde] en [dochter] te verwijderen van de websites www.ton.hofstede.nl, www.rojin.nl, en www.rojin.hofstede.nl, en alle bijbehorende e-mailadressen en zowel de urls alsmede de inhoud van alle aan deze kwestie gelieerde berichten op andere websites dan voornoemd te verwijderen en verwijderd te houden en alle foto’s van en informatie over [geïntimeerde] en [dochter] uit de cache van alle zoekmachines van waaruit deze foto’s en informatie te vinden zijn, te (doen) verwijderen;

( d) (subsidiair) de gewraakte inhouden van de sub b en c genoemde websites te verwijderen;

( e) het vorenstaande op straffe van een dwangsom en/of gijzeling/lijfsdwang

( f) de proceskosten te voldoen.

[geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellant 1.] onrechtmatig jegens haar handelt, door de (permanente) openbaarmaking van mededelingen en foto’s die haar reputatie en persoonlijke levenssfeer schenden.

4.3.

[appellant 1.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4.

De rechtbank heeft [appellant 1.]:

( a) veroordeeld om de website www.dryilmaz.nl van het internet verwijderd te houden;

( b) veroordeeld om al het mogelijke in het werk te stellen om de website met url www.dryilmaz.info en daar bijbehorende e-mailadressen van het internet te verwijderen en verwijderd te houden;

( c) geboden de zoekmachine Google aan te schrijven met het verzoek de in de websites met urls www.dryilmaz.nl en www.dryilmaz.info vermelde opmerkingen/uitlatingen over [geïntimeerde] uit de cache te verwijderen.

De rechtbank heeft de overige vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen en de proceskosten tussen [geïntimeerde] en [appellant 1.] gecompenseerd.

4.5.

De grieven 3 tot en met 9 zijn gericht tegen de overwegingen die hebben geleid tot de hierboven in 4.4 sub b weergegeven toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] betreffende de website www.dryilmaz.info.

Het hof zal de grieven 3 tot en met 9 hierna gezamenlijk behandelen.

[appellant 1.] heeft geen grief gericht tegen de hierboven in 4.4 sub a weergegeven toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] betreffende de website www.dryilmaz.nl , zodat deze toewijzing vaststaat.

[appellant 1.] heeft niet expliciet een grief gericht tegen de hierboven in 4.4 sub c weergegeven toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] betreffende de websites www.dryilmaz.nl en www.dryilmaz.nl. Nu de grieven 3 tot en met 9 zich wél richten tegen de in 4.4 sub b weergegeven toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] betreffende de website www.dryilmaz.info, terwijl de in 4.4 sub c weergegeven toewijzing - voor zover deze ziet op de website www.dryilmaz.info - hierop voortbouwt, neemt het hof aan dat voormelde grieven ook tegen deze toewijzing zijn gericht. Deze redenering gaat echter niet op voor de in 4.4 sub c weergegeven toewijzing voor zover deze ziet op de website www.dryilmaz.nl. Deze toewijzing staat derhalve vast.

4.6.

Nu de vorderingen naar hun aard spoedeisend zijn, kan [geïntimeerde] in haar vorderingen worden ontvangen en is het hof als voorzieningenrechter bevoegd.

4.7.

[geïntimeerde] woont in Turkije. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de EEX-Verordening. Nu [appellant 1.] (gedaagde) woont in[woonplaats], heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht (artikel 2 EEX-Verordening).

4.8.

De vorderingen van [geïntimeerde] zijn gebaseerd op (gestelde) schending van haar eer en goede naam en haar persoonlijke levenssfeer. Dit brengt met zich dat de Rome II-Verordening niet rechtstreeks van toepassing is (artikel 1 lid 2 sub g van de Rome II-Verordening). Het (gestelde) onrechtmatige handelen heeft echter plaatsgevonden ná inwerkingtreding van artikel 10:159 BW op 1 januari 2012. Uit deze bepaling volgt dat op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van de Rome II-Verordening vallen en die als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, de bepalingen van de Rome II-Verordening van overeenkomstige toepassing zijn. De Rome II-Verordening is derhalve via artikel 10:159 BW toch van toepassing op het (gestelde) onrechtmatig handelen.

Het hof begrijp uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan (artikel 14 Rome II-Verordening). [appellant 1.] heeft ook niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Gezien het voorgaande zal het hof Nederlands recht toepassen.

4.9.1.

[geïntimeerde] vordert een veroordeling van [appellant 1.] tot (blijvende) verwijdering van het internet van de website www.dryilmaz.info met de bijbehorende e-mailadressen (4.4 sub b).

4.9.2.

Als grondslag voor deze vordering voert [geïntimeerde] aan dat [appellant 1.] op voormelde website informatie heeft gepubliceerd/toegankelijk gemaakt (links) die haar eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer schenden, met name doordat deze informatie beweringen bevat dat [geïntimeerde] haar dochter [dochter] (emotioneel) misbruikt en paranoïde psychotisch is.

Derhalve heeft [appellant 1.] onrechtmatig jegens haar gehandeld, zo stelt [geïntimeerde].

4.10.

[appellant 1.] betwist niet verantwoordelijk te zijn voor en zeggenschap te hebben over de website www.dryilmaz.info. Evenmin betwist [appellant 1.] op deze website beweringen te hebben gepubliceerd/toegankelijk gemaakt (links) dat [geïntimeerde] haar dochter [dochter] (emotioneel) misbruikt en paranoïde psychotisch is. [appellant 1.] stelt echter dat deze beweringen op waarheid berusten en dat voor hem een belang bestond bij de publicatie van deze beweringen. Daarom heeft hij niet onrechtmatig gehandeld, zo stelt [appellant 1.].

4.11.1.

[geïntimeerde] voert ter onderbouwing van voormelde stelling (4.9.2) aan dat een bezoeker van de website www.dryilmaz.info ten tijde van de behandeling van het onderhavige geschil in eerste aanleg bij het openen van deze website onder meer (al dan niet door het aanklikken van een link) de volgende informatie aantrof (prod. 10 [geïntimeerde] eerste aanleg):

(1) een tekst over kindermishandeling met aan de rechterzijde een tweetal foto’s van klaarblijkelijk mishandelde kinderen met daaronder de teksten: ‘physical child abuse’ en ‘emotial child abuse’.

(2) in en onder deze tekst (sub 1) links naar informatie over (bestrijding van) kindermishandeling’;

(3) een uitspraak van de Turkse rechtbank van 28 september 2012 in een rechtszaak tussen [geïntimeerde] en [appellant 1.] (prod. 3 [appellant 1.] eerste aanleg), betreffende onder meer de vraag of tussen [appellant 1.] en [dochter] een omgangsregeling opportuun is (de naam van deze link: ‘Uitspraak #2012/1105 (18.09.2012)’ Blijkens p. 4 van voormelde uitspraak van 28 september 2012 is deze op 18 september 2004 aan partijen voorgelezen, vandaar dat in de link wordt verwezen naar een uitspraak van 18 september 2012). In de (vertaling van de) uitspraak van 28 september 2012 wordt onder meer vermeld:

‘in the committee report (..) it is considered that the mother [geïntimeerde] has been abusing the child [dochter]’

(..)

the mother has been abusing the child [dochter]’

(4) boven voormelde link (‘Uitspraak #2012/1105 (18.09.2012)’) de volgende tekst: ‘In deze casus is door naar liefst tien professoren van de meest gerenommeerde universiteiten geoordeeld dat de moeder waarschijnlijk paranoïd-psychotisch is en dat de moeder zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van het kind. Deze conclusie is door de rechter overgenomen in het oordeel: de moeder misbruikt het kind.’;

(5) een (vertaling van een) ‘EVALUATION REPORT’ – naar het hof begrijpt van het ‘Child Protection Centre’- waarin onder meer wordt vermeld:

‘Claimant [appellant 1.] was referred to the Child Protection Centre for the case of Ensuring Personal Contact with the Child, currently being heard by the Ankara 6th Family Court between the claimant [appellant 1.] and defendant [geïntimeerde].

(..)

however the mother [geïntimeerde] abuses the child emotionally´

(6) een (vertaling van) een verklaring van het Hacettepe Universitair Ziekenhuis, Directoraat Kinderpsychiatrie en gezondheid van 11 april 2012, waarin onder meer wordt vermeld:

´Moeder, [geïntimeerde], tijdens de beoordelingstermijn paranoïde gedrag vertoonde (..)´

(7) logo’s van Jeugdzorg Nederland, de Raad voor de Kinderbescherming, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en van de Rechtspraak.

4.11.2.

Voor zover [appellant 1.] heeft bedoeld te betwisten dat voormelde informatie zich op de website www.dryilmaz.info bevond (4.11.1), heeft hij dit onvoldoende gemotiveerd gedaan. Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van de stelling.

4.11.3.

Nu [appellant 1.] voorts niet heeft betwist verantwoordelijk te zijn voor en zeggenschap te hebben over de website www.dryilmaz.info, gaat het hof ook hiervan uit.

4.11.4.

Voorzover [appellant 1.] heeft bedoeld te betwisten dat [appellant 1.] door openbaarmaking van voormelde stukken (prod. 10 [geïntimeerde] in eerste aanleg; deels weergegeven in 4.11.1), de eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] heeft geschonden, heeft [appellant 1.] dit onvoldoende gemotiveerd gedaan (ter motivering van dit oordeel wordt verwezen naar 4.13). Het hof gaat derhalve ervan uit dat [appellant 1.] de eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] heeft geschonden.

4.12.

Bij beantwoording van de vraag of publicatie door [appellant 1.] van de mededelingen onrechtmatig is geweest, stelt het hof voorop dat het in deze zaak gaat om de botsing van twee fundamentele rechten namelijk aan de zijde van [appellant 1.] zijn recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [geïntimeerde] haar recht op bescherming van haar eer en goede naam en op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer (HR 18 januari 2008, LJN: BB3210). Het antwoord op de vraag welk van beide rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de aard van de publicatie en de ernst van de te verwachten gevolgen hiervan voor [geïntimeerde], het belang van [appellant 1.] bij zijn mededelingen, de mate waarin de mededelingen ten tijde van de openbaarmaking steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de feiten. Voorts speelt een rol of [appellant 1.] het doel dat hij met de publicaties nastreeft ook op andere wijze had of zou kunnen bereiken.

4.13.

Wat betreft ‘de aard van de publicatie’ en ‘de inkleding van de feiten’ overweegt het hof als volgt. De website www.dryilmaz.info bevatte onder meer informatie die - onder vermelding van hun namen - het geschil tussen [geïntimeerde] en [appellant 1.] betrof, met name met betrekking tot een omgangsregeling tussen [appellant 1.] en [dochter]. In deze (proces)stukken wordt over [geïntimeerde] onder meer vermeld ‘however the mother [geïntimeerde] abuses the child emotionally’, ‘the mother [geïntimeerde] has been abusing the child, [dochter]’, en ‘Moeder, [geïntimeerde], tijdens de beoordelingstermijn paranoïde gedrag vertoonde’ (4.11.1). Verder werden in de link naar de uitspraak van de Turkse rechtbank van 28 september 2012 de namen van [geïntimeerde] en [appellant 1.] wel niet genoemd, maar wanneer men de uitspraak aanklikte zag men dat deze hen betrof, terwijl bij de link werd vermeld ‘In deze casus is door naar liefst tien professoren van de meest gerenommeerde universiteiten geoordeeld dat de moeder waarschijnlijk paranoïd-psychotisch is en dat de moeder zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van het kind. Deze conclusie is door de rechter overgenomen in het oordeel: de moeder misbruikt het kind.’ Door op de website de logo’s van Jeugdzorg Nederland, de Raad voor de Kinderbescherming, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en van de Rechtspraak, op te nemen werd bovendien extra gewicht toegekend aan voormelde beweringen in de (proces)stukken en op de site zelf.

Verder bevond zich op de website algemene informatie over kindermishandeling. Deze informatie was op zichzelf beschouwd niet schadelijk voor [geïntimeerde]. Nu de naam van de website echter de naam van [geïntimeerde] bevatte en bovendien voormelde (proces)stukken (inclusief haar naam) waren te raadplegen, bestond de kans dat iemand die de algemene informatie raadpleegde een verband zou leggen tussen kindermishandeling en [geïntimeerde].

Uit het bovenstaande volgt dat een lezer die kennis nam van de op de website gepubliceerde (proces)stukken zou kunnen denken dat [geïntimeerde] haar kind (emotioneel) misbruikt(e) en paranoïde psychotisch was, althans dat een (gerede) kans bestond dat dit het geval was. Door voormelde informatie openbaar te maken, heeft [appellant 1.] derhalve de eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] vrij ernstig geschonden.

4.14.

Ter zake ‘de ernst van de te verwachten gevolgen van de publicatie voor [geïntimeerde]’ stelt [geïntimeerde] dat al haar zakelijke en privé-contacten en oud-patienten de website www.dryilmaz.info regelmatig bezoeken en weten dat hierop informatie staat over [geïntimeerde]. [appellant 1.] heeft deze stelling enkel betwist door aan te voeren dat [geïntimeerde] haar vak niet meer uitoefent, noch in Nederland noch in Turkije. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit laatste klopt, laat dit echter onverlet dat [geïntimeerde] op enig moment zou kunnen beslissen haar vak weer op te pakken. Nu [appellant 1.] voormelde stelling voor het overige niet betwist, gaat het hof uit van de juistheid ervan. Het voorgaande brengt naar het voorlopig oordeel van het hof met zich dat de gevolgen van de publicaties op de website www.dryilmaz.info, voor [geïntimeerde] vrij ernstig waren (en zijn). Dit oordeel wordt niet anders door het gegeven dat willekeurige derden (niet de hierboven bedoelde zakelijke en privé-contacten en oud-patienten van [geïntimeerde]) die bijvoorbeeld “dr. [geïntimeerde]” intoetsen bij google, niet (gemakkelijk) bij de website www.dryilmaz.info terecht komen.

4.15.

Ten aanzien van de factoren ‘het belang van [appellant 1.] bij de publicatie’ en ‘of [appellant 1.] het doel dat hij met de publicaties nastreeft ook op andere wijze had of zou kunnen bereiken’, overweegt het hof als volgt.

[appellant 1.] voert aan dat [geïntimeerde] hem in Turkije heeft beschuldigd van onder meer fysieke en geestelijke mishandeling, poging tot ontvoering, bedreigingen en incest. [appellant 1.] heeft zich tegen deze beschuldigingen via de rechter verdedigd, en steeds gelijk gekregen, zo stelt hij. Voorts rijst uit de op de website gepubliceerde stukken afkomstig van het ‘Child Protection Centre’ en het Hacettepe Universitair Ziekenhuis, Directoraat Kinderpsychiatrie en gezondheid (prod. 10 [geïntimeerde] eerste aanleg) het beeld dat volgens deze instanties er niet zozeer iets aan de hand is met [appellant 1.], maar veeleer met [geïntimeerde], met name doordat zij niet aan onderzoeken wilde meewerken, probeerde de omgang tussen [appellant 1.] en [dochter] te frustreren, paranoïde is en [dochter] (emotioneel) misbruikt, zo stelt [appellant 1.]. De publicaties op de website www.dryilmaz.info zijn bedoeld als verdediging door [appellant 1.] tegen voormelde beschuldigingen aan zijn adres door [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft deze reactie zelf uitgelokt, aldus [appellant 1.].

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat deze beschuldigingen door [geïntimeerde] aan het adres van [appellant 1.] niet kloppen, acht het hof niet onbegrijpelijk dat [appellant 1.] de behoefte had zijn eigen eer en goede naam te zuiveren. De vraag is echter hoe groot de noodzaak hiertoe was, nu [appellant 1.] heeft gesteld dat [geïntimeerde] de beschuldigingen heeft verspreid in haar eigen omgeving, maar niet dat haar omgeving (deels) tevens de zijne is. Dit is uiteraard wel het geval ten aanzien van [dochter], maar [appellant 1.] heeft niet uitgelegd waarom de door hem bewandelde weg van de publicaties op de website www.dryilmaz.info voor het zuiveren van zijn naam bij [dochter] een geschikte weg was, terwijl de vraag opkomt of dit het geval was. Het lijkt veeleer de aangewezen weg dat [appellant 1.] zijn goede naam op enig moment in een rechtstreeks contact met [dochter] zuivert.

[appellant 1.] stelt ook verder onvoldoende duidelijk en expliciet dat hij in eigen zakelijke en/of privé kring last had van de beschuldigingen van [geïntimeerde], laat staan dat zijn eer en goede naam het best via de door hem bewandelde weg van de publicaties op de website www.dryilmaz.info kon worden hersteld. Dat [appellant 1.] met deze publicaties enig publiek belang heeft gediend, is gesteld noch gebleken.

4.16.

Wat betreft de factor ‘de mate waarin de mededelingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal’, heeft [appellant 1.] gesteld dat de juistheid van de beweringen op de website en in de gepubliceerde (proces)stukken dat [geïntimeerde] haar dochter (emotioneel) mishandelt en paranoïde psychotisch is, volgt uit de (proces)stukken die via de website raadpleegbaar waren.

[geïntimeerde] betwist dat zij haar dochter (emotioneel) mishandelt en paranoïde psychotisch is.

Naar het oordeel van het hof wordt inderdaad in de (proces)stukken die via de website raadpleegbaar waren vermeld dat [geïntimeerde] haar dochter (emotioneel) mishandelt en paranoïde psychotisch is. Voor zover deze beweringen op de website door [appellant 1.] tot de zijne zijn gemaakt, bestond gezien de inhoud van de (proces)stukken - naar het voorlopige oordeel van het hof – voldoende grond voor de juistheid van de beweringen. [appellant 1.] heeft door de vermelding op de website van de logo’s van Jeugdzorg Nederland, de Raad voor de Kinderbescherming, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Rechtspraak echter wel de indruk gewekt, dat deze instanties bij de website betrokken waren. Hiermee is ten onrechte extra gewicht aan de (juistheid van de beweringen in de) stukken gegeven.

4.17.

Bovenvermelde factoren in hun onderling verband beschouwd is het hof voorlopig van oordeel dat [appellant 1.] onrechtmatig heeft gehandeld door voormelde publicaties op de website www.dryilmaz.info. Hoewel [appellant 1.] naar het oordeel van het hof de beweringen dat [geïntimeerde] [dochter] (emotioneel) mishandelt en paranoïde psychotisch is (op de logo’s na) op zichzelf beschouwd niet verkeerd heeft gepresenteerd, heeft hij onvoldoende gesteld dat en waarom hij voldoende belang had bij de publicaties op de website, en waarom hij zijn belang niet op een andere wijze had kunnen dienen. Dit geldt temeer daar de eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] door de publicaties op en via de website www.dryilmaz.nl vrij ernstig werden geschonden, terwijl de gevolgen van deze schending voor [geïntimeerde] eveneens vrij ernstig waren.

4.18.

Nu [appellant 1.] onrechtmatig heeft gehandeld heeft de rechtbank terecht [appellant 1.] (1) veroordeeld om om al het mogelijke in het werk te stellen om de website met url www.dryilmaz.info en daar bijbehorende e-mailadressen van het internet te verwijderen en verwijderd te houden (4.4 sub b), en (2) geboden de zoekmachine Google aan te schrijven met het verzoek de in de website met url www.dryilmaz.info vermelde opmerkingen/uitlatingen over [geïntimeerde] uit de cache te verwijderen (4.4 sub c).

4.19.

Aan het door [appellant 1.] in hoger beroep gedaan bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Het kort geding leent zich niet voor nadere bewijslevering.

4.20.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

[appellant 1.] zal als die in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Nu [geïntimeerde] niet is verschenen, worden haar kosten begroot op nihil.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 januari 2013;

veroordeelt [appellant 1.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, P.M. Arnoldus-Smit en E.K. Veldhuijzen van Zanten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 september 2013.