Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4256

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
20-003766-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BT2064, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3147, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad heeft gedood

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003766-11

Uitspraak : 17 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 september 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-849601-10 tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte 2] ([geboorteland verdachte]) op [geboortedatum verdachte],

thans verblijvende in PI Zuid Oost, locatie Ter Peel, te Evertsoord.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Tevens is de terbeschikkingstelling van verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege gelast.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen met uitzondering van de straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest, en voorts de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met toepassing van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de in beslag genomen messen verbeurd zal verklaren en de overige in beslag genomen voorwerpen zal retourneren aan de rechthebbenden.

De verdediging heeft:

  • -

    primair integrale vrijspraak bepleit aangezien wettig en overtuigend bewijs voor het opzet op de levensberoving ontbreekt;

  • -

    subsidiair vrijspraak bepleit van het bestanddeel voorbedachte raad;

  • -

    indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, betoogd dat de TBS-maatregel niet wordt opgelegd;

  • -

    een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard;

  • -

    teruggave van de in beslag genomen voorwerpen verzocht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 02 oktober 2010 te [pleegplaats], gemeente [pleegplaats], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.1

A.

De verklaring van [getuige 1]: 2

Ik woon in het appartementencomplex aan de [adres delict] in [pleegplaats]. Naast mij woonde mevrouw [slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]). Zij woonde op nummer 4k.

Op 2 oktober 2010, omstreeks 21.14 uur, hoorde ik geschreeuw aan de galerijzijde van ons appartementencomplex. Ik ben gaan kijken. Ik hoorde vrouwen schreeuwen. Ik zag dat de voordeur van mevrouw [slachtoffer] openstond. Ik hoorde dat daar het geluid vandaan kwam. Toen zag ik dat er twee vrouwen de woning van mevrouw [slachtoffer] uit kwamen rollen. Eén van deze vrouwen betrof mijn buurvrouw. De twee vrouwen lagen voor de voordeur op de grond te vechten. Ze lagen op elkaar en ze waren aan het duwen en trekken. Het was op dit moment donker. Ik wist dat het mijn buurvrouw betrof omdat ze naar mij keek, ik haar stem herkende en ze riep naar mij. Ik hoorde dat mijn buurvrouw riep: Ja help me nou. Ik ben direct terug naar binnen gegaan en heb naar mijn vriendin geroepen dat ze 112 moest bellen. Zij is mij de telefoon komen brengen. Ik ben de galerij weer op gegaan en ik zag dat de twee vrouwen niet meer op de galerij aan het vechten waren. Ik ben naar de woning van mevrouw [slachtoffer] gelopen en zag dat de voordeur dicht was. Wel zag ik door het raam naast de voordeur dat de twee vrouwen binnen aan het worstelen waren in de gang van de woning. Ik hoorde dat mijn buurvrouw wederom riep: help me nou. Ik heb nog geprobeerd de deur te openen maar dit lukte niet. Ik was op dat moment nog steeds telefonisch in gesprek met de politie. Na het gesprek met de politie was het ook stil in de woning.

Ik heb de politieagenten meegenomen naar de woning van mevrouw [slachtoffer]. Later zag ik dat de politie naar buiten kwam met de voor mij onbekende vrouw waarmee mijn buurvrouw had gevochten. Ik herkende haar aan haar blonde haar en haar postuur. Ik weet heel zeker dat de vrouw die afgevoerd werd door de politie ook de vrouw was die met mijn buurvrouw aan het worstelen was.

B.

Het proces-verbaal van bevindingen van D.P. [verbalisant 1], P.M.E. [verbalisant 2], L.J.F. [verbalisant 3] en J. [verbalisant 4]: 3

Op 2 oktober 2010 omstreeks 21.20 uur, kregen wij, verbalisanten, de opdracht te gaan naar [pleegplaats]. Aldaar zou op de [adres delict] 4k een gevecht gaande zijn tussen twee vrouwen.

Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2], kwamen omstreeks 21.30 uur ter plaatse en zeer kort hierop kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3], eveneens ter plaatse.

Wij, verbalisanten, zagen dat de woning een dichte voordeur had. Wij zagen rechts van de voordeur een lang smal raam. Wij zagen dat in de woning alles donker was en schenen met onze lampen via voormeld raam de woning in. Wij zagen dat we in de hal konden kijken van de woning. Wij zagen dat er op de grond en op de muren een roodkleurige vloeistof aanwezig was, gelijkend op bloed. Wij zagen bij de voordeur, aan de binnenzijde, veel roodkleurige spetters en verderop bij een half openstaande deur aan de rechterzijde, een soort handdoek liggen. We zagen dat daarbij ook een flinke plas roodkleurige vloeistof lag. Wij zijn aan gaan bellen en op de deur en ramen gaan bonzen, onderwijl luid roepend: “Politie, openmaken”. Er werd nergens op gereageerd. Wij besloten om de woning binnen te gaan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb met behulp van een koevoet een ruit linksonder naast de voordeur vernield. Vervolgens betraden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], via de ontstane opening in de ruit, de woning. Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], zagen in de woonkamer, vanuit de hal gezien, rechts van de deur, een vrouwelijk slachtoffer bewegingsloos op de grond liggen. Wij, verbalisanten, zagen dat er veel rode, op bloed gelijkende, vloeistof op de grond om het slachtoffer heen lag. Wij, verbalisanten, zagen dat het slachtoffer op haar buik lag met haar hoofd richting de deur naar de hal.

Wij, verbalisanten, zagen dat het lichaam van het slachtoffer geheel onder een rode, op bloed gelijkende, vloeistof zat. Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb het slachtoffer op haar rug gedraaid.

Wij, verbalisanten, zagen dat het slachtoffer meerdere steekwonden aan de voorzijde van haar bovenlichaam had. Ik, verbalisant [verbalisant 2], voelde geen hartslag. Wij, verbalisanten, hoorden geen ademhaling bij het slachtoffer.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat er in de woning een draairaam aan de zijde van de [adres delict] open stond. Ik, verbalisant [verbalisant 1], keek door het geopende raam naar buiten. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag op een brede betonnen richel aan de buitenzijde links van het geopende raam een vrouw, de nader te noemen verdachte [verdachte 1], ineengedoken zitten. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat [verdachte 1] donkerkleurige, vermoedelijk lederen, handschoenen droeg. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag plots dat de pruik van [verdachte 1] op de grond viel. Vervolgens hebben wij, verbalisanten, [verdachte 1] op 2 oktober 2010 te 21.42 uur aangehouden.

Omstreeks 21.43 uur ben ik, verbalisant [verbalisant 1], samen met ambulanceverpleegkundige [ambulanceverpleegkundige] de woning in gegaan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat [ambulanceverpleegkundige] tegen mij zei dat het slachtoffer geen voelbare hartslag meer had. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat [ambulanceverpleegkundige] het slachtoffer vervolgens aansloot op de hartmonitor. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er geen hartritme te zien was op de hartmonitor. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat [ambulanceverpleegkundige] mij meedeelde dat het slachtoffer overleden was.
Op het bureau van politie gaf de verdachte desgevraagd volledig op te zijn genaamd: [verdachte 1], [verdachte 1], geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte 2] in [geboorteland verdachte].

C.

Proces-verbaal herkenning slachtoffer van R.J. [verbalisant 5]: 4

Op 4 oktober 2010 hoorde ik getuigen welke opgaven te zijn: [nabestaande 1] en [nabestaande 2].

De confrontatie betrof het slachtoffer van een misdrijf, gepleegd op 2 oktober 2010 in een woning gelegen aan de [adres delict] 4k te [pleegplaats].

Na confrontatie met het slachtoffer herkenden beide getuigen het slachtoffer als zijnde hun moeder, genaamd [slachtoffer], geboren op 27 februari 1947 en wonende aan de [adres delict] 4k te [pleegplaats].

D.

Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood: 5

De overledene, [slachtoffer] , woonde aan de [adres delict] 4k te [pleegplaats] en is aldaar dood aangetroffen op 2 oktober 2010 omstreeks 21.20 uur.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op 27 februari 1943, is het navolgende gebleken:

In totaal 18 scherprandige huidperforaties, waarvan 2 doorsteken. In totaal 14 scherprandige snijletsels.

Er was meervoudige perforatie aan de borst en buik met onder andere meervoudige perforatie van vitale organen (longen, lever) gepaard met fors bloedverlies en functieverlies van de longen door samenvallen van de longen.

Er waren macroscopisch en lichtmicroscopisch geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood verklaard door weefselschade door functieverlies van de longen in combinatie met weefselschade door algeheel doorgemaakt bloedverlies, opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld.

E.

Proces-verbaal Bemonstering en kledingonderzoek verdachte: 6

Verdachte was op 2 oktober 2010, omstreeks 21.42 uur, aangehouden ter zake van een geweldsmisdrijf op de [adres delict] 4k.

Door de plaatselijke politie was op 2 oktober 2010 kleding en een rugzak van de verdachte veiliggesteld en in beslag genomen en aan mij, verbalisant [verbalisant 7], ter beschikking gesteld voor nader onderzoek.

F.

Proces-verbaal van bevindingen van L.J.F. [verbalisant 3]: 7

Op 2 oktober 2010, omstreeks 21.50 uur, bevond ik mij op de openbare weg, [adres delict] te [pleegplaats], ter hoogte van perceel nummer 4. Aldaar werd ik aangesproken door een man die mij later opgaf te zijn [getuige 2]. [getuige 2] overhandigde mij een donkerkleurige stoffen tas en deelde mij mede dat hij die tas ter hoogte van de winkel van Blokker op het trottoir had gevonden. Ik liep met [getuige 2] naar de plaats waar hij de tas had gevonden. Ik zag dat deze plaats nagenoeg recht onder appartement [adres delict] 4k was gelegen. Aan het bureau van politie heb ik de inbeslaggenomen tas overgedragen.

G.

Proces-verbaal Sporenonderzoek.8

Tijdens het onderzoek naar de op 2 oktober 2010 in perceel [adres delict] 4K te [pleegplaats], gemeente [pleegplaats] aangetroffen overledene [slachtoffer] werd er op de stoep van de [adres delict] een zwarte rugzak aangetroffen, die voor sporenonderzoek werd veiliggesteld. Op 4 oktober 2010 werd door de technisch rechercheurs [verbalisant 8] en [verbalisant 9] een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de rugzak.

H.

Proces-verbaal Onderzoek rugzak: 9

Op 4 oktober 2010 werd door ons, verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9], als forensische onderzoekers een forensisch onderzoek naar sporen verricht aan een veiliggestelde rugzak met inhoud, in verband met een doodslag/moord, gepleegd op 2 oktober 2010.

Op de rugzak waren enkele ogenschijnlijke bloedsporen zichtbaar. Na opening van het grote vak zagen wij een roodkleurige schrijfplank met diverse formulieren. Op meerdere formulieren bevond zich bloed. Na verwijdering van de schrijfplank met formulieren uit de rugzak werd het lemmet van een mes zichtbaar. Het betrof een uitbeenmes van het merk Victorinox, type Fibrox. Het mes had een totale lengte van ongeveer 26 centimeter. Het lemmet had een lengte van ongeveer 13 centimeter en het heft had een lengte van eveneens ongeveer 13 centimeter. Op het mes, zowel het lemmet als het heft, bevond zich bloed.

Het mes werd veiliggesteld voor eventueel nader onderzoek (AACN5321NL).

Na verwijdering van schrijfplank met formulieren uit de rugzak, werd een blauwkleurige spijkerbroek zichtbaar. De broek was opgefrommeld en binnenstebuiten gekeerd. Op de pijpen aan de voorzijde van de broek werd bloed aangetroffen. (…) Op de broekspijpen aan de achterzijde van de broek werd eveneens bloed aangetroffen. (…)

De spijkerbroek werd veiliggesteld voor eventueel nader onderzoek (AACN5322NL). (…) De (naar het hof begrijpt: eveneens in de rugzak aangetroffen) krant betrof een uitgave van het Eindhovens Dagblad, gedateerd 29 september 2010. De krant was opgevouwen.

De krant werd voor eventueel nader onderzoek veilig gesteld.

Na openvouwen van de krant werd een uitbeenmes zichtbaar. De totale lengte van het mes bedroeg ongeveer 27,5 centimeter.

Het lemmet had een lengte van ongeveer 13 centimeter en het heft had een lengte van ongeveer 14,5 centimeter. Op het mes was ogenschijnlijk geen bloed aanwezig.

Na verwijdering van de krant met daarin het mes (…) uit de rugzak werden de navolgende goederen in de rugzak aangetroffen: (…) een opgevouwen zwartkleurig T-shirt (…) en een opgevouwen fleecevest.

I.

Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek: 10

Van het DNA in de bemonsteringen AACN5321NL van het uitbeenmes en AACN5322 van de spijkerbroek zijn DNA-profielen verkregen van een vrouw. Deze DNA-profielen matchen met elkaar en met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer].

De berekende frequentie van de verkregen DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.

J.

Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 september 2011: 11

Ik had al vier jaar een relatie met [vriend verdachte] (het hof begrijpt: [vriend verdachte]). Op een gegeven moment ontdekte ik dat hij overspelig was, in ieder geval met mevrouw [slachtoffer].

K.

Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013: 12

Ik kan me 2 oktober 2010 nog herinneren. ’s Ochtends was ik in [woonplaats vriend verdachte] bij [vriend verdachte]. Hij zou die dag naar Canada vertrekken en we hadden afgesproken dat ik hem in Siebengewalt zou afzetten. Van daaruit zou hij naar Schiphol rijden en ik zou naar mijn huis in [woonplaats verdachte] gaan. ’s Middags was ik alleen thuis. Mijn zoon is in de namiddag met zijn toenmalige vriendin bij mij op bezoek gekomen. Zij zijn aan het begin van de avond weer vertrokken.

L.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie: 13

Ik schat dat ik rond 20:00 uur (het hof begrijpt: op 2 oktober 2010) vertrokken ben (het hof begrijpt: naar [pleegplaats]). Het is een klein uur rijden.

M.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie: 14

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisanten

V: Wanneer heb je die messen uit de gereedschapskist gehaald?

A: Zaterdag 2 oktober 1010.

V: Thuis zag je dat je 2 messen had in plaats van 1. Wat heb je ermee gedaan?

A: Ik zag dat ze erg vies waren en toen heb ik ze schoon gemaakt. Ik heb die messen schoon gemaakt in de gootsteen bij me thuis.

V: Je hebt ze schoongespoeld en toen?

A: Toen heb ik de rugtas gepakt en toen had ik er wat kleren ingegooid. (…) Ik heb die messen gepakt en in een krant gewikkeld en in die tas gedaan. (…) Volgens mij lagen ze gewoon boven op.

V: Begrijp ik het goed dat ze verpakt in een krant zaten, waarom was dat?

A: Zodat ze de tas en de rest wat in de tas zat niet zouden beschadigen.

V: Op welk moment heb je die messen afgespoeld en ingepakt?

A: Vlak voordat ik wegging richting Brabant.

V: Je had al eerder gezegd dat je een rode schrijfplank bij je had. Wat heb je daarmee gedaan toen je in [pleegplaats] was?

A: Ik had hem in mijn hand toen ik aanbelde. (…)

V: Wat zat er op die schrijfplank?

A: Papieren. Ik weet niet eens wat. Ik had die plank vanuit het kantoortje van [vriend verdachte] (het hof begrijpt: [vriend verdachte]) meegenomen. Het waren papieren van het bedrijf.

V: Wanneer heb je die schrijfplank meegenomen?

A: Zaterdag.

V: Wat was je gedachte op het moment dat je de messen en het schrijfplankje mee wilde nemen?

A: Ik weet alleen dat ik (…) een reden wilde verzinnen zodat zij open zou doen.

(…)

V: Welke dinsdag bedoel je dan?

A: De dinsdag voor 2 oktober in diezelfde week.

V: Dus als ik het goed begrijp ben je na die dinsdag gaan denken hoe je het aan zou pakken?

A: Ja, dat klopt.

(…)

A: Ik ben naar haar (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]) toe gegaan en ik heb haar naar de huiskamer gesleept omdat daar meer licht was.

(…)

V: Je sleept haar naar de huiskamer en dan?

A: Ik weet dat ik toen terug keek naar de gang en dat ik zag dat er heel veel bloed lag. Ik schrok nog meer en heb ergens een deken vandaan gepakt en die heb ik erover heen gelegd.

V: Begrijp ik het goed dat je een deken over [slachtoffer] (het hof begrijpt:het slachtoffer [slachtoffer]) legde?

A: Nee, over het bloed in de gang.

(…)

V: Je wil niet dat [slachtoffer] je herkent, waarvan kent [slachtoffer] je dan?

A: Ik wist niet of zij mij zou herkennen of niet.

Het navolgende deel van het verhoor is niet mee getypt maar wordt volstaan met een korte samenvatting van dit gedeelte van het verhoor.

Verdachte vertelt dat zij aangebeld heeft en dat [slachtoffer] de deur opende, waarop een worsteling ontstond.

Zij verklaarde dat:

(…)

[slachtoffer]probeerde haar naar buiten te werken en de deur dicht te doen.

Dat zij zich vervolgens heeft verweerd

(…)

Dat er vervolgens een worsteling ontstond tussen hen beiden en dat zij al worstelend op de galerij terecht kwamen.

Dat zij [slachtoffer] naar binnen wist te werken

(…)

Dat zij de voordeur dicht heeft gedaan, terwijl zij [slachtoffer] vasthield.

Dat zowel [slachtoffer] als zij in de gang bleven worstelen en beiden op de grond terecht kwamen

(…)

Dat zij [slachtoffer] met het mes meerdere malen, op verschillende plaatsen, heeft gestoken.

Dat zij op een bepaald moment merkte dat [slachtoffer] zich niet meer verweerde.

N.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie: 15

Verbalisanten: Wat voor spullen heb je gepakt?

Verdachte: (…) Er moet in ieder geval een broek, een T-shirt en een fleeceshirt in de rugzak hebben gezeten.

Ik had verder een rood plastic klembord waar je papieren in kan klemmen.

Ik weet dat ik een pruik had, die had ik thuis al opgedaan.

Verbalisanten: Wat heb je nog meer meegenomen?

Verdachte: Ik weet dat ik een mes in die tas heb gedaan.

Verbalisanten: Wat voor mes was dat?

Verdachte: Volgens mij was het een vleesmes. Ik heb het uit een gereedschapskist.

Verbalisanten: Hoe ging het verder?

Verdachte: Ik ben naar binnen gegaan naar het appartement van [slachtoffer]. Ik had het klembord toen vast. Waarom dat was weet ik niet, maar het was meer het beeld wat ik wilde scheppen. Dat als ze door het kijkgaatje keek, zij misschien dacht dat er iemand stond om een enquête af te nemen.

(…)

Verbalisanten: Waar heeft de worsteling plaatsgevonden?

Verdachte: Voornamelijk in de hal en ook even in de galerij en daarna weer in de hal.

Verbalisanten: Hoeveel tijd heeft er gezeten tussen het openen van de deur en de worsteling in de hal?

Verdachte: Hooguit enkele minuten?

Verdachte: Ik voelde dat [slachtoffer] mij vastgreep bij mijn armen en bij mijn jas en ik hoorde dat ze ‘eruit’ zei. En ze wilde mij uit haar huis hebben.

Verbalisanten: Als je voor de tweede keer in de hal bent, wat gebeurt er dan?

Verdachte: Ja, die worsteling gaat verder. Nog steeds aan het duwen en trekken. (…)

Verbalisanten: Op welk moment heb jij het mes gepakt?

Verdachte: Op het moment dat wij op de grond lagen in die worsteling. Dat was toen we voor de tweede keer in de hal waren; toen had ik op een gegeven moment het mes vast. Het mes zat in mijn rugzak.

O.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie: 16

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisanten.

V: Je hebt verklaard dat je de messen in een krant verpakte omdat je bang was dat de rest van de inhoud beschadigd zou worden, hoe beschadigen?

A: Kapot gaan, door die messen. Die messen zijn scherp. Ik wist voordat ik die messen meegenomen heb dat die messen heel scherp waren.

V: Daarover heb je dus bewust nagedacht?

A: Ja.

(…)

V: Waarom neem je die messen van [vriend verdachte] mee en geen mes van jezelf?

A: Ik heb niet dat soort messen. Ik heb thuis alleen maar een groot broodmes.

P.

De verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris: 17

Op een gegeven moment had ik een mes in mijn handen en heb ik haar gestoken.

Q.

Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 september 2011: 18

Toen mevrouw [slachtoffer] de deur opende, vroeg ik of zij [slachtoffer] was. Zij beaamde dat en toen ben ik binnengestapt. (…) Zij wilde mij de deur uitwerken.

R.

Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013: 19

(pagina 10 en 11)

Ik wilde niet door haar herkend worden wanneer ik zou aanbellen. (…)

Die avond had ik ter vermomming een pruik opgezet. Het klopt dat ik op internet heb gezocht naar vermommingen.

(pagina 11)

Ik had inderdaad zo’n plankje met papieren bij me. (…)

Nadat ik had aangebeld, heeft zij (het hof begrijpt: het latere slachtoffer [slachtoffer]) voor mij de voordeur van het appartement geopend. Ik had op dat moment mijn pruik nog steeds op. (…)

Op enig moment lagen wij allebei op de grond; ik herinner mij niet wie boven of onder lag. Op een bepaald ogenblik had zij even haar handen om mijn keel en had ik een mes in mijn hand. Ik heb haar toen gestoken. (…)

Het mes kwam uit mijn rugzak. (…) Waarschijnlijk heb ik die (het hof begrijpt: rugzak) meegenomen om mevrouw [slachtoffer] in verwarring te brengen of zo. Het maakte ook deel uit van mijn vermomming. Het klopt dat de inhoud van de rugzak later is onderzocht en dat daarin onder andere (…) twee messen (…) zijn aangetroffen.

(pagina 12)

Het klopt dat ik tijdens de worsteling het mes heb gepakt. Ik wist dat het bovenin de rugzak zat. Omdat de rugzak open was en het mes losjes in een opgerolde krant verpakt zat, kon ik dat gedurende de worsteling te pakken krijgen. Ik hoefde de krant daarvoor niet uit te rollen omdat die krant er los om heen zat.

(…)

Het is juist dat ik op enig moment het lichaam van [slachtoffer] heb versleept naar de woonkamer. In de huiskamer was meer licht. Ik dacht dat zij op dat moment nog leefde.

(…)

Het klopt dat in mijn rugzak door de politie een broek is aangetroffen met daarop bloed van het slachtoffer. Ik heb me in het appartement van mevrouw [slachtoffer] omgekleed.

(…)

Ik wist dat ik een reservebroek bij me had.

(pagina 13)

In de gang dacht ik dat zij misschien nog leefde maar in de woonkamer blies zij volgens mij haar laatste adem uit.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Door de raadsvrouwe is primair betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken, aangezien het wettig en overtuigend bewijs voor opzet op het doden van mevrouw [slachtoffer] ontbreekt. Daartoe is overeenkomstig haar (aan het hof overgelegde) pleitnota – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte het opzet niet kan worden afgeleid. Op het moment dat de reden van haar bezoek door de verdachte aan mevrouw [slachtoffer] kenbaar werd gemaakt, is een schermutseling ontstaan waarbij [slachtoffer] de verdachte als eerste vastpakte en uit haar huis probeerde te duwen. Verdachte had nog niet gezegd wat ze wilde zeggen en om die reden hield zij [slachtoffer] vast. Vervolgens ontstond een worsteling die zich van de hal naar de galerij verplaatste en weer terug naar de hal.

Verdachte heeft (onder meer) verklaard dat ze zich op een gegeven moment realiseerde dat zij had gestoken. Ze wist niet wat haar overkwam, zo heeft zij verklaard (dossierpagina 144). Op geen enkel moment heeft verdachte verklaard dat zij [slachtoffer] tijdens de worsteling/op dat moment van het leven wilde beroven. De bedoeling vooraf was in ieder geval met [slachtoffer] te gaan praten. Op een gegeven moment heeft verdachte zich verzet tegen een uitzetting – door mevrouw [slachtoffer] – uit het appartement.

Van willens en wetens handelen gericht op de dood van mevrouw [slachtoffer] lijkt niet zonder meer sprake te zijn geweest.

Subsidiair heeft de raadsvrouwe vrijspraak bepleit van de impliciet primair ten laste gelegde moord nu het wettig en overtuigend bewijs voor voorbedachte raad ontbreekt. Daartoe is overeenkomstig haar (aan het hof overgelegde) pleitnota – zakelijk weergegeven – gesteld dat op basis van het dossier niet aannemelijk is geworden, laat staan bewezen, dat er daadwerkelijk een plan/voornemen was en zo ja, wat dat plan/voornemen dan zou zijn geweest.

De inhoud van de tas van verdachte was dermate willekeurig dat die niet aan het bewijs van enig planmatig handelen kan bijdragen. Van de aangetroffen voorwerpen kan evengoed worden gezegd dat deze bruikbaar zijn voor het verzorgen van paarden of het verzamelen en vervoeren van brandhout. Op de foto’s van de woning van verdachte en de nabije omgeving, welke foto’s ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013 zijn getoond, is te zien dat verdachte inderdaad een plek heeft waar zij brandhout bewaart en dat dit hout bijna op is. Het (uitgevoerde) plan van de verdachte om zich voor te doen als enquêtrice kan evenmin een bewezenverklaring van voorbedachte raad (mede) dragen. Dit was er namelijk op gericht dat mevrouw [slachtoffer] verdachte niet zou herkennen en de deur zou openen. Nogmaals: niet van belang is of verdachte een plan, een voornemen, had maar dat dit plan/voornemen zag op een levensberoving.

Alles wijst erop dat verdachte in ieder geval niet met het mes in de aanslag heeft aangebeld. Geen van de getuigen verklaart op enig moment een mes te hebben gezien.

Het hof overweegt ten aanzien van het primair gevoerde verweer het volgende.

De verdachte heeft bij de politie 20, als ook ter terechtzitting in hoger beroep 21, erkend het slachtoffer met een mes te hebben gestoken. Zij heeft voorts verklaard dat zij wist dat de messen die zij had meegenomen naar de woning van het latere slachtoffer, heel scherp waren en van behoorlijke omvang.22

Het DNA-profiel verkregen uit de bemonstering van het onder de verdachte in beslag genomen mes, komt overeen met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het bedoelde mes (AACN5321NL) betrof een uitbeenmes. Het lemmet en het heft hadden beide een lengte van ongeveer 13 centimeter, totaal 26 centimeter. De arts/patholoog heeft op 19 januari 2011 gerapporteerd dat het slachtoffer 32 verwondingen had, te weten 18 scherprandige huidperforaties en 14 scherprandige snijletsels. Daarbij ging het om meervoudige perforatie aan de borst en buik met onder andere meervoudige perforatie van vitale organen (longen, lever).23

Het met een dergelijk mes in vitale lichaamsdelen (in het bovenlichaam) steken en snijden, mede in aanmerking genomen de frequentie waarmee is gestoken en gesneden, bergt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in zich, dat daardoor dodelijk letsel ontstaat.

Uit de omvang van het letsel van het slachtoffer, zoals dat uit het sectierapport van

19 januari 2011 naar voren komt, blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte ten minste het voorwaardelijk opzet had om het slachtoffer te doden nu de door verdachte verrichte steek- en snijhandelingen kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het mogelijke gevolg – de dood van het slachtoffer – dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Dat verdachte niet wist wat haar overkwam, zoals de raadsvrouwe heeft betoogd, acht het hof niet geloofwaardig, nu zij heeft verklaard dat zij tijdens de worsteling het, in een krant gewikkelde, mes heeft gepakt. 24

Het hof acht gelet op het voorgaande het (voorwaardelijk) opzet op het doden van mevrouw [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte is nadat haar zoon en diens vriendin omstreeks 17:30/18:00 uur uit haar woning te [woonplaats verdachte] waren vertrokken op enig moment, zij zelf schat rond 20:00 uur25, naar de woning van het slachtoffer gereden. Verdachte heeft getracht zich onherkenbaar te maken door zich te vermommen met een pruik en een rugzak en is vervolgens met een klembord/schrijfplank in de hand naar het appartement van [slachtoffer] aan de [adres delict] 4k te [pleegplaats], gegaan.2627 Aldaar heeft verdachte aangebeld en heeft zij toen mevrouw [slachtoffer] de deur opende, gevraagd of zij [slachtoffer] was. Toen dat werd beaamd, is verdachte de woning binnengestapt.

In de rugzak van verdachte bevonden zich onder meer twee (volgens verdachte heel scherpe) messen, een reservebroek (…) en een opgevouwen T-shirt en vest.28

De verdachte heeft met betrekking tot de twee meegenomen messen verklaard dat zij de messen, na die te hebben schoongemaakt, in een krant heeft verpakt zodat deze de tas en de rest wat in de tas zat niet zouden beschadigen. Voorts heeft zij verklaard dat zij die messen bovenop heeft gelegd.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat zij zich heeft vermomd om toegang tot de woning van [slachtoffer] te krijgen, uitsluitend om met haar te gaan praten 29 niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat verdachte niet op een andere wijze dan als vermomde enquêtrice met mevrouw [slachtoffer] in contact zou kunnen komen. Uit de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat zij, na het feit, haar vuile spijkerbroek heeft uitgetrokken en een schone heeft aangetrokken30, leidt het hof af dat verdachte het plan had zich om te kleden indien dat nodig zou blijken te zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bovendien expliciet verklaard dat zij wist dat zij een reservebroek bij zich had.31 Ook het feit dat verdachte twee scherpe uitbeenmessen in haar rugzak (als onderdeel van de vermomming) heeft meegenomen, past geenszins bij het zich voordoen als enquêtrice om toegang tot de woning te krijgen. Sterker nog, dat past veeleer bij het plan om desnoods met (bedreiging met) geweld toegang tot de woning te krijgen. Te meer nu verdachte, nadat zij de identiteit van het slachtoffer had vastgesteld, meteen de woning is binnengestapt.

Nadat verdachte het appartement is binnengestapt, wilde het slachtoffer, naar zeggen van verdachte32, verdachte de deur uitwerken. Op de galerij van het appartement heeft vervolgens een worsteling plaatsgevonden. Na die worsteling zijn verdachte en het slachtoffer het appartement in gegaan, waarna verdachte de voordeur heeft gesloten.33 In de gang van het appartement is tussen verdachte en het slachtoffer gevochten. Het slachtoffer heeft enkele malen om hulp geroepen, zo blijkt uit de getuigenverklaring van de buurman van het slachtoffer 34. De buurman heeft verklaard omstreeks 21:14 uur geschreeuw te hebben gehoord. Vervolgens is de politie gebeld, die omstreeks 21:20 een melding kreeg. Verdachte is aangehouden om 21:42 uur. Voorafgaande aan die aanhouding heeft verdachte nimmer alarm geslagen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 11 juni 2013 verklaard dat zij dacht dat het slachtoffer nog leefde op het moment dat zij haar van de hal naar de woonkamer sleepte.35 Ook die omstandigheid was voor verdachte kennelijk geen aanleiding om alarm te slaan dan wel hulp te zoeken.

Uit het vermomd met een pruik en in het bezit van een rugzak met daarin twee scherpe messen en reservekleding vertrekken uit [woonplaats verdachte] tot aan het moment van het steken en snijden met het mes in [pleegplaats] leidt het hof af dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op haar handelen. De omstandigheid dat verdachte gedurende enkele minuten heeft geworsteld met het slachtoffer en dat verdachte bij die worsteling uit de rugzak een in een krant gewikkeld mes heeft gepakt36, wijst naar het oordeel van het hof ook niet op impulsief handelen door verdachte. Voorts neemt het hof in ogenschouw dat verdachte ondanks herhaald hulpgeroep van het slachtoffer geen alarm heeft geslagen ofwel hulp heeft geboden of gezocht. Verdachte heeft zich in het geheel niet meer om het slachtoffer bekommerd en heeft zich in plaats daarvan omgekleed en haar met bloed besmeurde broek en het door haar gebruikte mes in haar rugzak gedaan. Over het bloed in de hal van het appartement heeft verdachte een deken gelegd.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte op 2 oktober 2010 met voorbedachte raad het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 02 oktober 2010 te [pleegplaats], gemeente [pleegplaats], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapporten van [psychiater], psychiater, d.d. 29 april 2011, en [psycholoog], GZ-psycholoog, d.d. 9 mei 2011 en het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 22 januari 2013.

Psychiater [psychiater] heeft over de persoon van verdachte gerapporteerd en komt onder meer tot de volgende bevindingen en conclusies:

Er is bij betrokkene sprake van complexe psychopathologie. Betrokkene is een zeer intelligente vrouw die gedurende haar leven in grote mate haar kwetsbaarheden heeft kunnen compenseren en camoufleren. Betrokkene heeft daarnaast een perfectionistische, sterk op autonomie en controle gerichte actieve copingstijl die haar eveneens in staat stelden zich op diverse levensdomeinen te kunnen handhaven. Onderliggend is echter sprake van een zeer kwetsbare en egozwakke persoonlijksheidsstructuur. Betrokkene voldoet aan de algemene criteria voor het stellen van een persoonlijkheidsstoornis. In termen van DSM-IV is de meest passende diagnose een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) met vooral cluster B (narcistische, borderline, psychopatisch) en in mindere mate cluster C (afhankelijk) kenmerken. Onderzoeker adviseert de tenlastelegging, indien bewezen geacht, verminderd toe te rekenen.

Psycholoog [psycholoog] heeft over de persoon van verdachte gerapporteerd en komt onder meer tot de volgende bevindingen en conclusies:

Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een aanpassingsstoornis met gemengde depressieve en angstige kenmerken. De gebrekkige ontwikkeling bestaat uit een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en psychopathische kenmerken. Rapporteur komt tot het advies om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum heeft over de persoon van verdachte gerapporteerd, welk rapport – onder meer – als conclusie van de gedragsdeskundigen het volgende inhoudt.

Betrokkene heeft volledig meegewerkt aan het psychologisch onderzoek, het psychiatrisch onderzoek en heeft deelgenomen aan de activiteiten op de afdeling. Zij is onderzocht door de huisarts en neuroloog.

Noch de observaties en klinische indrukken op basis van de gesprekken, noch de psychologische testresultaten, geven aanleiding om te concluderen dat er bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In het bijzonder kan er niet worden gesproken van een depressieve stoornis, de kernsymptomen zoals een langer durende buitensporige sombere stemming, lusteloosheid en interesseverlies ontbreken. Ook voor psychotische problematiek of voor een dissociatieve stoornis zijn geen aanwijzingen gevonden.

Classificerend is retrospectief sprake van alcoholmisbruik in de periode voorafgaand aan en ten tijde van het ten laste gelegde. Van belang is op te merken dat het alcoholgebruik geen aanleiding heeft gegeven tot een gebrekkig functioneren ten aanzien van het sociaal en werkzaam leven van betrokkene. Er zijn tevens geen aanwijzingen dat er ooit sprake is geweest van onthoudingsverschijnselen of een toegenomen tolerantie, waardoor afhankelijkheid van alcohol kan worden uitgesloten.

Betrokkene heeft tot aan het ten laste gelegde overwegend naar behoren gefunctioneerd op de verschillende levensgebieden en had – voor zover ons bekend – een blanco strafblad. Dit in ogenschouw nemend voldoet betrokkene niet aan de algemene diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis. De zwakkere kanten en kwetsbaarheden van betrokkene (zoals krenkbaarheid bij (goedbedoelde) adviezen en niet ‘warm’ in het contact) kunnen qua intensiteit en de mate van interferentie met een normaal functioneren niet als pathologisch worden gekwalificeerd. Er zijn binnen de gestructureerde setting van de observatie ook geen aanwijzingen voor een pathologisch verhoogde agressieve prikkelbaarheid, krenkbaarheid, affectiabiliteit of impulsiviteit, noch voor ziekelijke gebreken op het terrein van de regulatie en controle van agressieve impulsen. De gewetensfunctie is voldoende ontwikkeld. Betrokkene beschikt over een gemiddelde intelligentie.

Concluderend is er geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Bij afwezigheid van een psychische stoornis is er geen aanleiding om te analyseren of en zo ja, op welke manier en in welke mate, een eventuele psychische stoornis heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde (indien bewezen). In ieder geval kan worden gesteld dat betrokkene, gegeven de afwezigheid van een aantoonbare stoornis, ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde niet op basis van een stoornis werd belemmerd in haar keuze- en handelingsvrijheid. Wij adviseren Uw College dan ook om betrokkene te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar.

Het hof constateert dat voornoemde rapporten in diagnostische zin verschillen bevatten. Zo zijn de conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte in de rapporten van Dinjens en Van Toorn eensluidend, namelijk dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en concludeert het Pieter Baan Centrum tot een volledige toerekeningsvatbaarheid. Gezien de (relatieve) ouderdom van de rapporten van de psychiater en de psycholoog en in aanmerking genomen dat verdachte bij de totstandkoming van het meer recentere rapport van het Pieter Baan Centrum gedurende enkele weken is geobserveerd neemt het hof de conclusie van het Pieter Baan Centrum over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Het hof gaat derhalve uit van een volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en/of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de eerste rechter aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.

Met betrekking tot de door de rechtbank opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege overweegt het hof als volgt.

De advocaat-generaal heeft geen oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gevorderd nu de inhoud van het rapport van het Pieter Baan Centrum de oplegging van genoemde maatregel niet rechtvaardigt.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat, indien het hof tot enige bewezenverklaring zou komen, aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, nu door het Pieter Baan Centrum is gerapporteerd dat bij verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouwe is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege niet meer aan de orde is nu - gelet op de inhoud en de conclusie van het rapport van het Pieter Baan Centrum - niet is voldaan aan het in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste dat voor oplegging van genoemde maatregel sprake moet zijn van een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt het hof als volgt.

De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 (achttien) jaren met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft ten aanzien van de op te leggen straf het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijkheid van verdachte en met de omstandigheid dat zij niet eerder is veroordeeld.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof houdt voor wat betreft de persoon van verdachte rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts houdt het hof rekening met de conclusie van het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 22 januari 2013 dat sprake is van een volledige toerekeningsvatbaarheid.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is op 2 oktober 2010 naar de woning van het slachtoffer gereden. Verdachte had zich op dit bezoek voorbereid door zich te vermommen en door een rugzak mee te nemen met daarin onder meer twee heel scherpe messen en reservekleding. Haar opzet was om, onder het voorwendsel van een enquête, toegang te verkrijgen tot het appartement van het latere slachtoffer, mevrouw [slachtoffer]. Nadat deze voor verdachte de deur opende, is er direct een schermutseling ontstaan waarbij het slachtoffer heeft geprobeerd om verdachte haar woning uit te krijgen. Verdachte weigerde echter te vertrekken en beide vrouwen zijn op enig moment al worstelend op de galerij terechtgekomen. Het slachtoffer heeft diverse malen om hulp geroepen maar dat heeft verdachte niet bewogen het gevecht te staken. Integendeel: het is verdachte gelukt om het slachtoffer weer haar woning in te trekken, de voordeur achter hen dicht te doen en in de hal van de woning de worsteling voort te zetten. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] daarbij op gruwelijke wijze vele messteken toegebracht, waarna verdachte haar naar de woonkamer heeft gesleept. Volgens de verklaring van verdachte was het slachtoffer op dat moment nog in leven. Ook dat heeft verdachte er niet toe gebracht om alsnog hulp voor haar in te roepen. Verdachte heeft zich in het geheel niet meer om het slachtoffer bekommerd en heeft zich in plaats daarvan omgekleed en haar met bloed besmeurde kleding en het door haar gebruikte mes in haar rugzak gedaan. Over het bloed in de hal van het appartement heeft verdachte een deken gelegd.

Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning – een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen – vermoord en haar daarmee het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Daarbij is verdachte berekenend en op gruwelijke wijze te werk gegaan.

De dood van mevrouw [slachtoffer] heeft, blijkens hun ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken slachtofferverklaring, voor haar kinderen onherstelbaar leed en verdriet met zich gebracht. Haar kinderen en overige nabestaanden zullen haar niet alleen missen maar ook beseffen hoe gewelddadig zij van het leven is beroofd.

Het feit als bewezen verklaard is een oninvoelbare en gruwelijke daad. Door een misdrijf als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Bovendien getuigt het handelen van verdachte van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. Moord wordt dan ook beschouwd als het ernstigste commune misdrijf. Niet voor niets heeft de wetgever op het plegen van dit misdrijf de zwaarste sanctie gesteld.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren passend en geboden is.

Beslag

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven messen met bijbehorende krant, met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer]

Het hof is van oordeel dat van het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (een agenda) de teruggave dient te worden gelast aan de nabestaanden van het slachtoffer, omdat zij als redelijkerwijs rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

Teruggave aan verdachte

Het hof is van oordeel dat van de hierna in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave dient te worden gelast aan de verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [benadeelde partij], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.495,34, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende (onderbouwd) gebleken dat de benadeelde partij, als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

Dat volgens de raadsvrouwe de nabestaanden niet optimaal gebruik hebben gemaakt van de door mevrouw [slachtoffer] afgesloten uitvaartverzekering en om die reden de kosten van de uitvaart hoger zijn uitgevallen, doet hier niet aan af. Voor een niet-ontvankelijk-verklaring van de benadeelde partij in haar vordering als door de raadsvrouwe voorgesteld is dan ook geen plaats.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1

mes, kleur zwart, VICTOSIGN fibox, goednr.: 234143;

1

mes, kleur zwart, goednr.: 234144;

1

mes, kleur zwart, VICTOSIGN fibox, goednr.: 234148;

1

mes, uitbeenmes, goednr.:234149;

1

krant, goednr.: 233490.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1

agenda, kleur zwart, goednr.: 233493;

1

agenda, kleur zwart, goednr.: 233495;

1

computer, HP PAVILION, goednr.: 232608;

1

video camera, Sony Dcr-Pcle, goednr.: 232612;

1

fototoestel, goednr.: 232600;

1

gegevensdrager, Sony Ericsson, usb-stick, goednr.: 232604;

1

gegevensdrager, Philips, usb-stick, goednr.: 232727

1

papier, diversen, goednr.: 232567.

Gelast de teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer].[slachtoffer].[slachtoffer]. [slachtoffer] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1

agenda, kleur zwart, goednr.: 233505.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.495,34 (vijfduizend vierhonderd vijfennegentig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, een bedrag te betalen van € 5.495,34 (vijfduizend vierhonderd vijfennegentig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. J.G.M. van Zandbeek, griffier,

en op 17 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s houdende ambtsedige – en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte – processen-verbaal van de Regiopolitie Brabant Noord, opgenomen in het doorgenummerde dossier van de Regiopolitie Brabant Noord, Districtsrecherche Maasland, dossiernummer 2010105971, pagina’s 1 tot en met 698.

2 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 3 oktober 2010, dossierpagina’s 583-586.

3 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 220-224.

4 Proces-verbaal herkenning slachtoffer, dossierpagina’s 266-267.

5 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4°, Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport, d.d. 19 januari 2011 opgemaakt door dr. [patholoog], werkzaam als arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag (los document).

6 Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, divisie informatie en opsporing, proces-verbaalnummer PL21R3 2010105971-72, d.d. 15 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door R.A.J.W. [verbalisant 7], brigadier van politie en J.J.M. [verdachte 2], hoofdagent van politie, opgenomen in het proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, Forensisch Technische Opsporing, TGO Buizerd, BVH nr. 2010105971, volgens Index: bijlage 2 (ongenummerd).

7 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 226.

8 Proces-verbaal van sporenonderzoek, dossierpagina 227.

9 Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, divisie informatie en opsporing, proces-verbaalnummer PL21R3 2010105971-67, d.d. 4 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door R.H.E. [verbalisant 8], brigadier van politie en A.G. [verbalisant 9], hoofdagent van politie, opgenomen in het proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, Forensisch Technische Opsporing, TGO Buizerd, BVH nr. 2010105971, volgens Index: bijlage 3 (ongenummerd).

10 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4°, Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport d.d. 24 november 2010, te weten Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in [pleegplaats] op 2 oktober 2010, opgemaakt door dr. [forensisch onderzoeker], werkzaam als forensisch onderzoeker bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, opgenomen in het proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, Forensisch Technische Opsporing, TGO Buizerd, BVH nr. 2010105971, volgens Index: bijlage 9 (ongenummerd).

11 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 7 september 2011, pagina 3.

12 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013, pagina 10.

13 Proces-verbaalverhoor verdachte d.d. 14 december 2010, dossierpagina 210.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 11 oktober 2010, dossierpagina’s 148-171.

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 oktober 2010, dossierpagina’s 126-147.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 12 oktober 2012, dossierpagina’s 173-185.

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte in het kader van de inverzekeringstelling en inbewaringstelling, d.d. 5 oktober 2010.

18 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 7 september 2011, pagina 4.

19 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013, pagina’s 10-13.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2010, dossierpagina 144.

21 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep, d.d. 11 juni 2013, pagina 11.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 oktober 2010, dossierpagina 175.

23 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4°, Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport, d.d. 19 januari 2011 opgemaakt door dr. [patholoog], werkzaam als arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag (los document).

24 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep, d.d. 11 juni 2013, pagina 12.

25 Proces-verbaalverhoor verdachte d.d. 14 december 2010, dossierpagina 210.

26 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013, pagina 10 en 11.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2010, dossierpagina 141.

28 Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, divisie informatie en opsporing, proces-verbaalnummer PL21R3 2010105971-67, d.d. 4 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door R.H.E. [verbalisant 8], brigadier van politie en A.G. [verbalisant 9], hoofdagent van politie, opgenomen in het proces-verbaal van Regiopolitie Brabant-Noord, Forensisch Technische Opsporing, TGO Buizerd, BVH nr. 2010105971 volgens Index: bijlage 3 (ongenummerd).

29 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013, pagina 10.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2010, dossierpagina 144.

31 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013, pagina 12.

32 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 11 oktober 2010, dossierpagina 170.

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 11 oktober 2010, dossierpagina 170.

34 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], d.d. 3 oktober 2010, dossierpagina 585.

35 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013, pagina 12.

36 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 12 oktober 2010, dossierpagina 176.