Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4255

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
20-002796-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bloed op niet-verplaatsbare objecten. DNA-match. Mogelijkheid dat verdachte niet de donor is van het bloedspoor. Diefstal uit woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002796-12

Uitspraak : 17 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 juli 2012, parketnummer 01-825021-12 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-002342-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

GBA-adres: [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI [naam PI].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde (opzetheling) en ter zake van – kort gezegd – 1. diefstal, 2. diefstal met braak en 4. diefstal met valse sleutels veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding een en ander zoals in het vonnis vermeld en heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde gevangenisstraf van één jaar.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Door en namens verdachte is bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van de hem ten laste gelegde feiten en voorts dat het hof - indien het hof niet tot een integrale vrijspraak komt - slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte heeft onbeperkt appel ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, hetgeen betekent dat het appel zich ook richt tegen de vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde. Uit artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat voor de verdachte geen beroep open staat tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3. ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet verenigen met het beroepen vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 april 2011 te Egchel, gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning aan de [adres woning] een spelcomputer en/of meerdere portemonnees en/of een geldbedrag en/of bankpassen en/of een rijbewijs en/of ID-kaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader;

2.
hij op of omstreeks 12 mei 2011 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres woning] heeft weggenomen twee horloges en/of een hoeveelheid sieraden en/of een filmcamera en/of een fotocamera en/of twee laptops en/of twee gsm’s en/of een hoeveelheid gereedschap en/of twee zonnebrillen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair:

hij op of omstreeks 12 mei 2011 te Veldhoven, in elk geval in Nederland, een laptop heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die laptop wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.
hij op of omstreeks 12 april 2011 te Sint-Oedenrode met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 1250 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde feit

Het hof is weliswaar van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat verdachte zich aan het onder 2. primair, dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt, in het bijzonder de verklaring van de getuige [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat volgens het register van een pandjeshuis in Eindhoven een soortgelijke laptop als de weggenomen laptop daags na de diefstal door [voorletter en achternaam verdachte] aan dat pandjeshuis is verkocht, maar komt na ampel beraad tot het oordeel dat deze aanwijzingen ontoereikend wettig en overtuigend bewijs opleveren ten aanzien van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 28 april 2011 te Egchel, gemeente Peel en Maas, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning aan de [adres woning] een spelcomputer en meerdere portemonnees en een geldbedrag en bankpassen en een rijbewijs en ID-kaarten toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.
hij op 12 april 2011 te Sint-Oedenrode met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 1200 euro, toebehorende aan [benadeelde], waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van feit 1.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet buiten redelijke twijfel stellen dat verdachte de enige donor is van de in de woning aangetroffen sporen, nu niet is uitgesloten dat de bloedsporen afkomstig zijn van een familielid van verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Op de plaats delict zijn op niet-verplaatsbare objecten bloedsporen aangetroffen. Deze bloedsporen zijn door een deskundige van het NFI aan een DNA-onderzoek onderworpen. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het NFI-rapport d.d. 10 juni 2011. Voorts is door dezelfde deskundige van het NFI bij brief d.d. 13 februari 2012 antwoord gegeven op vragen van de raadsman naar aanleiding van het aangehaalde rapport. De bevindingen van de deskundige van het NFI houden, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, het volgende in. De drie monsters van de drie op de plaats delict aangetroffen bloedsporen zijn identiek aan elkaar. Om die reden is één van de drie monsters vergeleken met de in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken opgenomen DNA-profielen. Deze vergelijking heeft matches opgeleverd met twee van verdachte afgenomen en in de databank opgenomen referentiemonsters. De deskundige van het NFI komt op grond van die match tot de conclusie dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel van het onderzochte bloedmonster afkomstig van de plaats delict kleiner is dan één op één miljard. Het rapport en de brief van de deskundige van het NFI houden niet in dat acht is geslagen op hetgeen thans door de verdediging naar voren is gebracht met betrekking tot de mogelijkheid dat een familielid van verdachte, in het bijzonder één van zijn zonen, donor is geweest van de op de plaats delict aangetroffen bloedsporen.

Uit de bevindingen van de deskundige van het NFI maakt het hof op dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verdachte niet de donor van de op de plaats delict aangetroffen bloedsporen is geweest.

Het hof kan niet uitsluiten dat de door de deskundige van het NFI verrichte kansberekening iets anders zou komen te liggen als rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat een familielid van verdachte, in het bijzonder één van zijn zonen, donor is geweest van de op de plaats delict aangetroffen bloedsporen.
Dit dwingt naar het oordeel van het hof evenwel niet tot het oordeel dat die kansberekening zodanig anders zou worden dat het daardoor niet meer hoogst waarschijnlijk is – laat staan hoogst onwaarschijnlijk zou worden - dat verdachte de donor is van de op de plaats delict aangetroffen bloedsporen.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat door de verdachte niet is betoogd dát een zoon van hem op de plaats delict is geweest maar dat niet meer is aangevoerd dan dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat een familielid, misschien een zoon, van hem daar is geweest.

Ook de enkele bewering van verdachte dat hij in een eerdere strafzaak ondanks een beweerdelijke DNA-match, van het destijds ten laste gelegde is vrijgesproken, kan aan dat oordeel niet af doen.

Gelet op het vorenstaande, houdt het hof het ervoor dat het op de plaats delict aangetroffen bloedspoor dat door de deskundige van het NFI is onderzocht, en derhalve ook de twee andere op de plaats delict aangetroffen bloedsporen, afkomstig zijn van verdachte. Verdachte heeft voor de aanwezigheid van zijn bloed op de plaats delict geen enkele verklaring gegeven. Het hof is derhalve van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek naar de op de plaats delict aangetroffen bloedsporen – in aanmerking genomen het type object waarop ze zijn aangetroffen – tezamen met de aangifte van [benadeelde], voldoende wettig en overtuigend bewijs vormen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de bruikbaarheid van CIE-informatie ter adstructie van het door de verdediging gevoerde verweer dat een familielid van verdachte de donor van het bloed is geweest en daarmee de dader is geweest, geen nadere bespreking.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van feit 4.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat niet is vast te stellen dat de verdachte de persoon is die op 12 april 2011 door de camera van de pinautomaat van de Rabobank in Sint-Oedenrode is opgenomen terwijl hij een bedrag van € 1.200,- pinde met één van de volgens de aangifte van [benadeelde] op diezelfde dag uit diens woning gestolen bankpassen.

Het hof overweegt als volgt.

Op 12 april 2011 is met een op die dag uit de woning van aangever gestolen bankpas een bedrag van € 1.200,- gepind bij de Rabobank in Sint-Oedenrode. Van deze pintransactie zijn camerabeelden beschikbaar. Later die dag is met dezelfde bankpas € 50,- gepind bij de ABN AMRO Bank in Best.

In aanmerking genomen dat aan verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij €1250,- heeft gestolen, begrijpt het hof de tenlastelegging aldus dat deze tevens is toegesneden op de voornoemde opname van €50,-.

Nu bij het onder 4. ten laste gelegde louter Sint-Oedenrode is opgenomen als plaats waar het ten laste gelegde is gepleegd, zal verdachte van de diefstal van € 50,- worden vrijgesproken.
Ten overvloede overweegt het hof dat ten aanzien van deze pinttransactie van € 50,- geen camerabeelden beschikbaar waren.

Aangaande de pintransactie van € 1.200,- op 12 april 2011 bij de Rabobank in Sint-Oedenrode overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof is het de verdachte geweest die de € 1200,- heeft gepind.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op het volgende.

- Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat door medewerkers van de Rabobank te Sint Oedenrode de camerabeelden van 12 april 2011 op een cd-rom zijn gezet en ter beschikking zijn gesteld van de politie, dat hij die beelden heeft bekeken, dat de beelden ook op RI Online stonden (een intranetversie van het blad recherche informatie) en dat hij bij vergelijking van het beeldmateriaal met een politiefoto van verdachte zag dat de personen op die beide foto’s grote gelijkenissen vertonen (proces-verbaal met nummer [nummer] d.d. 29 juni 2012);

- De persoon afgebeeld op de afdrukken van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, vertoont naar het oordeel van het hof grote gelijkenis met de persoon van de verdachte zoals afgebeeld op zogeheten HKS foto’s die zich in het dossier bevinden;

- Verbalisant [verbalisant 2], die de camerabeelden heeft bekeken, heeft gerelateerd dat de persoon op de beelden vermoedelijk zijn linkerarm niet in de mouw van de jas heeft gestoken en dat die mouw er ‘losjes’ bijhangt. Voorts is een verdikking te zien onder de linkerzijde van de jas (proces-verbaal p. 272-273);

- Verdachte zelf heeft tegenover de politie verklaard dat hij in februari of maart 2011 geopereerd is aan zijn linkerarm en dat zijn arm om die reden ongeveer drie maanden in het gips heeft gezeten (proces-verbaal p. 85).

Het hof is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de persoon is die op de camerabeelden is te zien terwijl hij met een uit de woning van aangever [benadeelde] gestolen bankpas een bedrag van € 1.200,- pint.

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof overweegt ten slotte dat het pinnen van geld met een gestolen bankpas volgens vaste jurisprudentie diefstal oplevert waarbij de schuldige het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 4. bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    de omstandigheid dat uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 19 juli 2013 dat zich bij de stukken bevindt, blijkt dat verdachte eerder ter zake van – onder meer – vermogensdelicten is veroordeeld;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht.

Nu het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde, zal het hof een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.250,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.200,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het voegingsformulier van de benadeelde partij is in het ongerede geraakt en staat niet ter beschikking van het hof. Volgens de advocaat-generaal is dit ook niet meer traceerbaar. De advocaat-generaal heeft bij de benadeelde partij navraag gedaan of hij over een kopie van het voegingsformulier beschikt, maar dat bleek niet het geval.

Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal een tweetal screenprints uit het systeem COMPAS overgelegd waarop is te zien dat een “voeg. form dd 18-4-2012” van [benadeelde] is ontvangen en dat, zo begrijpt het hof, schadevergoeding is gevorderd tot een bedrag van € 1.250,- ter zake van diefstal op 12 april 2011 in Sint-Oedenrode. Tevens is op deze screenprints te zien het parketnummer 825021-12, zijnde het parketnummer waaronder deze zaak in eerste aanleg is geregistreerd. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof medegedeeld dat hij geen twijfel heeft over (de inhoud van) de vordering van de benadeelde partij en dat de verdediging er geen bezwaar tegen heeft dat het hof die vordering behandelt ondanks de omstandigheid dat het voegingsformulier in het ongerede is geraakt. Gelet hierop voelt het hof zich vrij een beslissing te nemen over de vordering van de benadeelde partij en gaat daarbij uit van de gegevens die daarover in het vonnis van de rechtbank staan vermeld. Nu het hof daaruit niet kan afleiden dat door de benadeelde partij in eerste aanleg wettelijke rente is gevorderd, houdt het hof het er, ten voordele van verdachte, voor dat die niet is gevorderd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 4. bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het restant van de vordering, groot: € 50,-, ziet volgens het overzicht op pagina 262 van het politiedossier op een geldopname bij de ABN-AMRO bank te Best. Nu verdachte voor die geldopname niet wordt veroordeeld, dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie te 's-Hertogenbosch van 10 april 2012, tot tenuitvoerlegging van het bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 september 2010 onder parketnummer 20-002342-09 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van oordeel, dat – nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt – de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest, dient te worden gelast.

Het hof ziet geen reden de tenuitvoerlegging te gelasten op de wijze door de raadsman bepleit, te weten naar rato van de ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten reeds verstreken proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, nu dit in strijd is met de ratio van een voorwaardelijke veroordeling gekoppeld aan een proeftijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3. ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 4. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 4. bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 4. bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.200,00 (éénduizend tweehonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd[benadeelde], een bedrag te betalen van € 1.200,00 (éénduizend tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 september 2010, parketnummer 20-002342-09, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. A.J.T.M. Franken-van Zinnicq Bergmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 17 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.