Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
HD 200.124.290-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenwettelijke onderhoudsbijdrage. Na de echtscheiding tussen de moeder en de stiefvader van de inmiddels meerderjarige, heeft de stiefvader een onderhoudsbijdrage betaald ten behoeve van de meerderjarige.

Het hof is van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat tussen de moeder en de stiefvader (mondeling) een overeenkomst tot levensonderhoud tot stand is gekomen en dat zij daarbij beoogd hebben op deze overeenkomst artikel 1:401 BW en de Trema-normen van toepassing te doen zijn.

Voorts is het hof van oordeel dat sprake is van relevante wijzigingen van omstandigheden die een herbeoordeling van de behoefte en draagkracht rechtvaardigen.

Het hof is door het ontbreken van relevante financiële gegevens niet in staat de (aanvullende) behoefte van de meerderjarige vast te stellen, dan wel vast te stellen in welke verhouding de moeder en de stiefvader zouden moeten bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de meerderjarige. Dit dient naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de meerderjarige te komen.

Het hof wijst alsnog af het inleidend verzoek van de meerderjarige.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: HD 200.124.290/01

arrest van 10 september 2013

in de zaak van

[de meerderjarige] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: [de meerderjarige],

advocaat: mr. F.J. Koningsveld,

tegen:

[de stiefvader] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de heer [de stiefvader] c.q. [de stiefvader],

advocaat: mr. M. Warnink,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 maart 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 18 februari 2013 tussen [de meerderjarige] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de heer [de stiefvader] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 257166 / KG ZA 12-663)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven, ingekomen ter griffier van het hof op 3 mei 2013, heeft [de meerderjarige] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en gevorderd opnieuw rechtdoende, bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen alsnog geheel toe te wijzen.

2.2.

Bij memorie van antwoord, ingekomen ter griffie van het hof op 3 juni 2013, heeft de heer [de stiefvader] de grieven bestreden. Tevens heeft de heer [de stiefvader] (in incidenteel appel) acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gevorderd alsnog, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    primair [de meerderjarige] in zijn vorderingen niet ontvankelijk verklaren, althans de vorderingen van [de meerderjarige] aan hem te ontzeggen en [de meerderjarige] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep te veroordelen.

  • -

    Subsidiair – indien geoordeeld zou worden dat sprake is van een overeenkomst tussen mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder van [de meerderjarige] c.q. [de moeder]) en de heer [de stiefvader], gesloten in de zomer van 2010, inhoudende dat laatstgenoemde tot en met 1 augustus 2014 aan [de meerderjarige] een maandelijkse bijdrage van € 450,- zal dienen te betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie – bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

o primair de verplichting van de heer [de stiefvader] tot het betalen aan [de meerderjarige] van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 450,- per maand met ingang van 1 november 2012, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, te schorsen;

o subsidiair de door de heer [de stiefvader] met ingang van 1 november 2012 tot en met 31 juli 2014 aan [de meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie te bepalen op een bedrag van € 75,04 per maand, althans op een door het hof te bepalen bedrag;

o [de meerderjarige] te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2013, heeft [de meerderjarige] geconcludeerd dat de heer [de stiefvader] in zijn incidenteel appel niet kan worden ontvangen.

2.4.

Nadien is de zaak naar de rol verwezen voor beraad aan de zijde van partijen.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven in principaal appel en de memorie van grieven in incidenteel appel.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder van [de meerderjarige] en de heer [de vader] is [de meerderjarige] geboren, te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

4.1.2.

De moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader] hebben nadien een relatie gekregen. Uit die relatie is op [geboortedatum] 2000 een dochter ([de dochter]) geboren.

Op 6 oktober 2000 zijn de moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader] gehuwd.

Bij beschikking van de rechtbank Breda van 21 september 2005 is de echtscheiding uitgesproken tussen de moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader], welke beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.1.3.

Bij overeenkomst van 14 januari 2005 hebben de moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader], voor zover thans van belang, het volgende afgesproken:

“2.4. De financiële lasten van de opvoeding en verzorging van de kinderen komen met ingang van 1 maart 2005 voor rekening van [de moeder]. Onder financiële lasten wordt o.a. verstaan: (…)

2.5.

Dagelijkse kosten van levensonderhoud (…) zijn hier niet onder begrepen. Deze kosten worden door [de stiefvader] en [de moeder] ieder afzonderlijk gedragen. [de stiefvader] en [de moeder] zullen over en weer geen beroep doen op een financiële vergoeding ter zake van de dagelijkse kosten van levensonderhoud.

Wanneer de opvang van [de meerderjarige] en/of [de dochter] voor een periode langer dan één maand een andere verhouding kent dan 50%-50% (…), dan vindt er overleg plaats over de verdeling van de dagelijkse kosten.

Een wijziging van de financiële positie van [de stiefvader] en/of [de moeder] is reden voor overleg.”

4.1.4.

Bij overeenkomst van 31 augustus 2005 hebben de moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader], voor zover thans van belang, het volgende afgesproken:

“In afwijking van het gestelde in artikel 2.4 van de overeenkomst van 14 januari 2005 heeft het volgende tussen partijen te gelden. De financiële lasten van de opvoeding en verzorging van de kinderen komen m.i.v. 1 september 2005 voor 75% voor rekening van [de moeder] en 25% voor rekening van [de stiefvader]; indien [de stiefvader] gaat samenwonen dan wordt de verdeling 50%-50%.”

4.1.5.

Medio 2010 is [de meerderjarige] gaan studeren. De moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader] hebben toen overleg gehad over de financiële verantwoordelijkheid. Sinds 1 augustus 2010 betaalt de heer [de stiefvader] maandelijks € 450,- aan [de meerderjarige].

4.1.6.

Op 11 december 2011 heeft de moeder van [de meerderjarige] een e-mailbericht aan de heer [de stiefvader] gestuurd waarin zij – kort en zakelijk weergegeven – de heer [de stiefvader] heeft herinnerd aan de tussen hen in de zomer van 2010 tot stand gekomen overeenkomst met betrekking tot de onderhouds- c.q. studiekosten van [de meerderjarige].

4.1.7.

Uit de relatie van de heer [de stiefvader] en zijn huidige partner, mevrouw [huidige partner] is op [geboortedatum] 2012 een zoon ([de zoon]) geboren.

4.1.8.

Per 1 november 2012 is de heer [de stiefvader] gestopt met betalen. De moeder en haar nieuwe echtgenoot, de heer [nieuwe echtgenoot], dragen thans met een bedrag van € 530,- per maand bij aan de kosten van levensonderhoud en studie van [de meerderjarige].

4.2.

Op 11 december 2012 is de heer [de stiefvader] door [de meerderjarige] gedagvaard voor de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch op 10 januari 2013 te 15.00 uur.

[de meerderjarige] heeft hierbij gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren de heer [de stiefvader] te veroordelen tot betaling aan hem, tegen bewijs van kwijting, van een geldbedrag van € 450,- per maand, te rekenen vanaf 1 november 2012 tot en met 1 augustus 2014, met veroordeling van de heer [de stiefvader] in de kosten van de kort geding procedure.

4.3.

In reconventie heeft de heer [de stiefvader], zakelijk weergegeven, voorwaardelijk (indien geoordeeld zou worden dat sprake is van een overeenkomst tussen de moeder van [de meerderjarige] en de heer [de stiefvader], gesloten in de zomer van 2010, inhoudende dat laatstgenoemde tot en met 1 augustus 2014 aan [de meerderjarige] een maandelijkse bijdrage van € 450,- zal dienen te betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie) gevorderd, zoveel mogelijk uitvoerbaar en op de minuut en op alle dagen en uren:

  • -

    primair de verplichting van de heer [de stiefvader] tot het betalen aan [de meerderjarige] van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 450,- per maand met ingang van 1 november 2012, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, te schorsen;

  • -

    subsidiair de door de heer [de stiefvader] met ingang van 1 november 2012 tot en met 31 juli 2014 aan [de meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie te bepalen op een bedrag van € 75,04 per maand, althans op een door het hof te bepalen bedrag;

  • -

    [de meerderjarige] te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.4.

Bij vonnis van 18 februari 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, uitvoerbaar bij voorraad, de door de heer [de stiefvader] met ingang van 1 november 2012 tot en met 31 juli 2014 aan [de meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op een bedrag van € 187,- per maand bepaald en de heer [de stiefvader] veroordeeld tot betaling aan [de meerderjarige] van voormeld bedrag. De voorzieningenrechter heeft voorts de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het in conventie en in reconventie meer of ander gevorderde afgewezen.

4.5.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen.

4.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.6.1.

Het hof wenst – alvorens te beslissen – nader door partijen te worden voorgelicht en daarnaast te bezien of en in hoeverre partijen bereid en in staat zijn in onderling overleg tot overeenstemming te komen omtrent één of enkele geschilpunten welke hen thans in onderhavige procedure verdeeld houden.

4.7.

Gelet op het voorgaande gelast het hof een meervoudige comparitie van partijen voor het geven van nadere inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling.

5 De uitspraak

Het hof:

gelast partijen in persoon en vergezeld van hun raadslieden tot voormelde doelen te verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 oktober 2013 voor opgave van de verhinderdata op de dins-, woens- en donderdagen in de maanden september, oktober, november en december 2013 en januari 2014;

zal na genoemde rolzitting dag en uur van de comparitie van partijen vaststellen;

verstaat dat het hof reeds beschikt over een volledig procesdossier zodat overlegging daarvan voor de comparitie van partijen niet nodig is;

verzoekt partijen bescheiden waarop zij ter comparitie een beroep wensen te doen uiterlijk tien dagen voor de zittingsdatum toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij en aan de griffie van het hof;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.C. Koens, M.C. van Dijkhuizen en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2013.