Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4168

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
20-001452-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hondenfokker, een dier de nodige verzorging onthouden.

Tenlastelegging toegesneden op het onthouden van zorg op een concrete dag. Hof verwerpt het verweer dat het geconstateerde een momentopname is en niet oplevert het onthouden van zorg idzv art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Gelet op de slechte omstandigheden waaronder de honden in de stallen cq hokken zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat de verdachte aan zijn honden de nodige verzorging heeft onthouden. Het hof legt een hogere taakstraf op dan door de politierechter is opgelegd, gelet op de ernst van het feit, het leed dat de honden is aangedaan en het grote aantal honden dat verzorging is onthouden.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37, 121, 122
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001452-12

Uitspraak : 3 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 2 april 2012, parketnummer 82-264503-10 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-994894-08, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - als houder van een dier, dat dier de nodige zorg onthouden, veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis waarvan 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van deze taakstraf heeft de politierechter de bijzondere voorwaarde verbonden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het houden van dieren.

Voorts heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis waarvan 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarde;

- de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

De raadsvrouwe van verdachte heeft:

- primair vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde bepleit;

- subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

- meer subsidiair bepleit geen straf of maatregel op te leggen;

- bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 september 2009 te Moergestel, gemeente Oisterwijk als houder van één of meer dieren, te weten één of meer honden, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers was/waren in één of meer stallen en een schuur waarin zich honden bevonden:

- de bodem nat door urine en ontlasting en/of

- geen droge en zindelijke ligplek aanwezig en/of

- een sterke ammoniaklucht aanwezig en/of

- het aanwezige voer vervuild en/of

- geen voer aanwezig en/of

- het aanwezige water vervuild en/of

- geen water aanwezig en/of

- klitten en/of urine en feces resten in de vacht van één of meer honden aanwezig en/of

- geen werkende warmtelampen en/of werpkist voor één of meer pups aanwezig en/of

- één of meer dode pups bij een teef aanwezig.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Het hof spreekt de verdachte vrij van de navolgende onderdelen van de tenlastelegging “geen voer aanwezig was” (a.), “geen werpkist voor één of meer pups aanwezig was” (b.) en “één of meer dode pups bij een teef aanwezig waren” (c.) .

Ad a.

Naar het oordeel van het hof heeft de steller van de tenlastelegging met dit onderdeel kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat op grond van het aantreffen van lege voerbakken de conclusie kan worden getrokken dat aan de honden de nodige verzorging, in de vorm van voldoende voeding, is onthouden. Naar het oordeel van het hof kan deze conclusie echter niet worden getrokken uit het enkele feit van het aantreffen van lege voerbakken op één moment, zodat verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken.

Ad b.

Het hof overweegt dat dit onderdeel verband houdt met de constatering van [dierenarts 1] dat in één van de hondenhokken bij pups van één tot drie dagen oud geen dichte werpkist aanwezig was (doorgenummerde pagina 57). Het hof heeft voor de vraag of verdachte aan zijn honden de nodige verzorging heeft onthouden aansluiting gezocht bij hetgeen hierover is vermeld in het honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold ten tijde van de in tenlastelegging genoemde datum. Uit artikel 15, eerste en tweede lid van voornoemd besluit blijkt dat iedere drachtige of zogende hond in een binnenverblijf de beschikking over een nestruimte, met tenminste een lengte van twee keer de schofthoogte van deze hond, dient te hebben. Nu uit voornoemd besluit niet blijkt dat in het kader van de verzorging van de zogende hond en haar pups deze ook de beschikking dienen te hebben over een (dichte) werpkist, spreekt het hof verdachte vrij van dit onderdeel.

Ad c.

Het hof overweegt dat dit onderdeel verband houdt met de constatering van [dierenarts 1] dat in één hondenhok bij een teef de kadavers van enkele pups zijn aangetroffen (doorgenummerde pagina 57). Het hof is van oordeel dat nu de doodsoorzaak van deze pups niet uit het dossier blijkt, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte aan deze pups de nodige verzorging heeft onthouden. Daarnaast blijkt niet dan wel onvoldoende uit het dossier dat de kadavers dermate lang in het hondenhok hebben gelegen, dat op grond daarvan kan worden gesteld dat verdachte aan de teef de nodige verzorging heeft onthouden door het laten liggen van de kadavers.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 september 2009 te Moergestel, gemeente Oisterwijk als houder van dieren, te weten honden, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers was/waren in stallen waarin zich honden bevonden:

- de bodem nat door urine en ontlasting en

- geen droge en zindelijke ligplek aanwezig en

- een sterke ammoniaklucht aanwezig en

- het aanwezige voer vervuild en

- het aanwezige water vervuild en/of

- geen water aanwezig en

- klitten en urine en feces resten in de vacht van honden aanwezig en

- geen werkende warmtelampen voor pups aanwezig.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouwe - kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

A.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat de situatie in de stallen van verdachte, zoals die door de inspecteurs van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: LID) is aangetroffen tijdens het onderzoek op 17 september 2009, een momentopname was. Op grond van alleen deze momentopname kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zijn honden structureel de nodige verzorging heeft onthouden, aldus de raadsvrouwe.

B.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde onderdelen heeft de raadsvrouwe - voor zover thans nog van belang - achtereenvolgens bepleit dat:

- niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de hondenhokken nat waren door urine en ontlasting en evenmin dat de honden geen droge of zindelijke ligplek hadden;

- niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de concentratie ammoniak in de stallen te hoog was, nu dit niet middels objectieve meetgegevens is vastgesteld. Daarnaast is niet gebleken dat er een causaal verband is tussen de concentratie ammoniak en de door [dierenarts 2] geconstateerde oogproblemen bij de door haar onderzochte honden;

- verdachte de honden dagelijks van vers water en voer heeft voorzien, zo ook op de avond voor 17 september 2009. Bovendien was hij voornemens om ook op die dag de honden te voorzien van vers drinkwater en voer;

- niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat in de vacht van één of meer honden klitten en/of urine en uitwerpselen aanwezig waren. Bovendien is niet vastgesteld dat er huidaandoeningen zijn geconstateerd ten gevolge van de vervuiling van de vacht bij één of meer honden;

- er geen noodzaak was om een warmtelamp in hondenhokken waarin jonge pups aanwezig waren te plaatsen, omdat 17 september 2009 een warme dag was. Daarnaast kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat pups vanwege de afwezigheid van een warmtelamp onderkoeld zijn geraakt, nu deze pups niet zijn getemperatuurd.

Het hof overweegt ten aanzien hiervan en ten aanzien van de bewezenverklaring in algemene zin het volgende.

Het hof stelt aan de hand van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het dossier onder meer vast dat op 17 september 2009:

- in een groot aantal hondenhokken de bodems van de hokken nat waren door urine en ontlasting;

- in een groot aantal hondenhokken geen droge of zindelijk ligplek meer aanwezig was;

- in de stallen een sterke ammoniaklucht te ruiken was, kennelijk afkomstig van feces en urine van in de stallen aanwezige honden;

- in veel hondenhokken in de waterbakken geen drinkwater aanwezig was;

- in de waterbakken waarin nog drinkwater aanwezig was, het weinig en vervuild drinkwater betrof;

- op het moment dat aan honden vers drinkwater werd gegeven, deze honden direct naar de waterbakken liepen en het water volledig opdronken;

- een groot aantal van de in de hondenhokken aanwezige voerbakken was vervuild;

- er diverse honden zijn aangetroffen met klitten en/of urine en/of feces in hun vacht.

In het kader van de beoordeling of op grond van de aangetroffen situatie op

17 september 2009 kan worden geconcludeerd dat verdachte aan zijn honden de nodige verzorging heeft onthouden, heeft het hof onder meer aansluiting gezocht bij het honden- en kattenbesluit 1999 (hierna: het besluit), zoals dat gold ten tijde van het ten laste gelegde feit.

Paragraaf 4 van het besluit dat (onder meer) betrekking heeft op de verzorging van honden luidt voor zover thans van belang:

Ҥ 4. Huisvesting en verzorging

(…)

Artikel 11

(…)

4.

Iedere hond of kat heeft in het binnen- of buitenverblijf, tenzij dit om gezondheidsredenen van de hond of kat niet verantwoord is, direct en voortdurend toegang tot een zindelijke drinkgelegenheid waar vers drinkwater voorradig is

(…)

Artikel 15

(…)

3.

Iedere hond heeft in een binnen- of buitenverblijf de beschikking over een schone en droge ligplaats die vanuit de bodem van het verblijf optrekkende kou isoleert.

(…)

Artikel 18

1.

Een inrichting wordt dagelijks gereinigd en regelmatig en deugdelijk ontsmet.

(…)”

Gelet hierop en in aanmerking genomen de hiervoor weergegeven constateringen met betrekking tot de omstandigheden waaronder de honden in de stallen cq hokken van verdachte zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat de verdachte in zoverre aan zijn honden de nodige verzorging heeft onthouden. Naar het oordeel van het hof heeft levert dit op het onthouden van de nodige aan zijn dieren als bedoeld in artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Voor zover de raadsvrouwe heeft bepleit dat voor bepaalde onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is, wordt dit weerlegd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het proces-verbaal van de districtsinspecteurs van het LID d.d. 13 oktober 2009 en het proces-verbaal van verhoor van [dierenarts 1] d.d. 23 september 2009.

Voorts overweegt het hof het volgende.

Naar aanleiding van het onderzoek in de stallen van verdachte hebben de medewerkers van het LID twee monsters genomen van de vloeren en één monster van een drinkbak. Uit een verricht onderzoek door het Veterinair Microbiologisch Diagnostisch Centrum van de Universiteit Utrecht blijkt dat de monsters besmet waren met drie mengculturen van bacteriën. Geconcludeerd wordt dat zeer veel besmettingen in de monsters zijn geconstateerd en dat deze besmettingen voortkwamen uit ontlasting en vooral het niet of onvoldoende reinigen van de hokken.

De omstandigheid dat de hoogte van de concentraties ammoniak in de stallen niet met behulp van meetapparatuur is vastgesteld, geeft het hof geen reden om niet uit te gaan van de verklaring van [dierenarts 1] en het proces-verbaal van bevindingen van de districtsinspecteurs van het LID, voor zover inhoudende dat in de stallen een sterke ammoniaklucht te ruiken was. Volgens de verklaringen van [dierenarts 1] was in de stallen sprake van slechte, eigenlijk geen ventilatie en was er geen twijfel dat het ammoniakgehalte in de lucht te hoog was, omdat deze op de slijmvliezen en de ogen sloeg. Het hof overweegt dat een dergelijke lucht op basis van een zintuiglijke waarneming (geur) kan worden vastgesteld bij het betreden van een stal.

Voorts overweegt het hof dat uit de verklaringen van [dierenarts 1] bij de

rechter-commissaris d.d. 27 mei 2013 blijkt dat in één stal jonge pups zijn aangetroffen zonder dat een warmtelamp aanwezig was. Deze pups voelden volgens de dierenarts koud en stijf aan vanwege onderkoeling. Deze pups zijn vervolgens door de dierenarts geëuthanaseerd. Het hof is van oordeel dat uit deze omstandigheid blijkt dat de verdachte ook deze honden de nodige verzorging heeft onthouden, door geen werkende warmtelamp in het hok te plaatsen. De omstandigheid dat de temperatuur van de pups niet is gemeten, doet hieraan niet af, nu een dierenarts in staat moet worden geacht om op basis van zintuiglijke waarnemingen (voelen) vast te stellen dat de pups onderkoeld waren.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouwe dat de aangetroffen situatie een momentopname was, die niet de conclusie kan rechtvaardigen dat verdachte structureel zijn honden de nodige verzorging heeft onthouden, overweegt het hof vooreerst dat aan de

verdachte niet is ten laste gelegd dat hij gedurende een langere periode aan de honden de nodige zorg heeft onthouden. Dit laat evenwel onverlet dat sommige van de op 17 september 2009 geconstateerde tekortkomingen niet in één dag zullen zijn ontstaan maar het gevolg zullen zijn van het gedurende langere periode onthouden van de nodige zorg. Het hof verwijst in dit verband naar de bevindingen van [dierenarts 1] (proces-verbaal inhoudende zijn verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 27 mei 2013) en [dierenarts 2] (pagina’s 64 en 65).

Bijgevolg verwerpt het hof alle verweren van de raadsvrouwe.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

C.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu verdachte het aan hem ten laste gelegde niet kan worden verweten.

De raadsvrouwe heeft in dit verband verwezen naar het naar aanleiding van een psychiatrisch onderzoek opgestelde Pro Justitia rapport opgemaakt door [deskundige 1] en [deskundige 2], beiden psychiater, d.d. 10 mei 2013. In dit rapport wordt verdachte gediagnosticeerd als lijdende aan een ziekelijke stoornis te weten PDD-NOS. Verdachte was op grond van deze stoornis voor de uitoefening van zijn bedrijf afhankelijk van onder andere zijn dierenarts, door wie hij werd begeleid. Nu deze dierenarts verdachte onvoldoende heeft begeleid en geadviseerd, kan het feit niet aan hem worden toegerekend, aldus de raadsvrouwe. De verdachte heeft duidelijke adviezen nodig, deze heeft hij niet gekregen, ondanks dat hij wel deskundigen inschakelde, aldus de raadsvrouwe.

Het hof overweegt dat de verklaring van [dierenarts 3], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 2 april 2012, te dezen niet meer inhoudt dan dat zij als dierenartenspraktijk adviseren en ook niet meer dan dat. Hij heeft tevens verklaard “wij kunnen geen maatregelen opleggen”.

Dat de dierenarts(enpraktijk) de verdachte zou begeleiden op de door de verdediging voorgestane wijze dan wel als deskundige door de verdachte is ingeschakeld - anders dan voor het verrichten van veterinaire handelingen - is niet aannemelijk geworden. Dat de dierenarts in zijn brief aan de verdachte d.d. 5 juli 2011 (gevoegd als bijlage bij schrijven van de raadsvrouw d.d. 30 maart 2012 gericht aan het functioneel parket) het woord “begeleidend” heeft gebezigd in de zinsnede “adviserend en begeleidend optreden rondom dracht en bevalling” doet daaraan niet af.

Het hof verwerpt het verweer dat aan de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt dan ook reeds nu de aan dit verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk zijn geworden.

Aangezien ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het grote aantal honden waaraan verdachte de nodige verzorging heeft onthouden;

  • -

    het leed dat de honden is aangedaan als gevolg van misdrijven als het onderhavige.

Reeds gelet op het vorenstaande kan niet worden volstaan met een schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de raadsvrouwe is bepleit.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de vaststelling van de deskundigen in het Pro Justitia rapport d.d. 10 mei 2013
    dat het feit in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen, welke conclusie het hof ten grondslag zal leggen aan de hierna te nemen beslissing;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 juli 2013.

Gelet op de aard en ernst van het feit en de omvang kan – ook gelet op de specifieke persoonlijke omstandigheden van verdachte – naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een taakstraf van na te melden duur welke duur groter is dan de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde duur van de taakstraf.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting acht het hof – niettegenstaande hetgeen de deskundigen hebben opgemerkt omtrent verdachtes vermogen om van eerdere veroordelingen te leren - toch termen aanwezig om naast deze taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 3 maanden, met naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig dient te maken aan een strafbaar feit, de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het houden van dieren. Immers, met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt, ook in het geval van verdachte, de strafoplegging

mede dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Breda heeft bij vordering van 23 juni 2011, de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de economische politierechter in het arrondissement Breda d.d. 6 juli 2009 onder parketnummer 02-994894-08 opgelegde voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 600,- subsidiair 12 dagen hechtenis.

Nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is het hof van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Het hof merkt in dit verband op dat, anders dan door de verdediging is betoogd, voor de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf de wet niet eist dat het strafbaar feit waarvoor verdachte nadien is veroordeeld soortgelijk moet zijn aan het feit waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37, 121 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de duur van de proeftijd zal onthouden van het houden van dieren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de economische politierechter te Breda van 6 juli 2009, parketnummer 02-994894-08, te weten van:

een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 3 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.