Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
HD 200.114.246-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:3538, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.114.246/01

arrest van 3 september 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats], België,

appellant,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.F.J.M. Mulders te Echt,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 september 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 1 augustus 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 168000/HA ZA 12-9)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.1. In r.o. 2.1-2.5 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

4.1.2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Op 1 januari 2010 was [geïntimeerde] enig aandeelhouder in [geïntimeerde] Beheer II B.V. (hierna: [geïntimeerde] Beheer). [geïntimeerde] Beheer was op dat moment voor 50% aandeelhouder van de aandelen in Ascon Beheer B.V. (hierna: Ascon Beheer) en voor 7,84% aandeelhouder in Ascon Holding B.V. (hierna: Ascon Holding). Ascon Beheer en Ascon Holding hadden samen alle aandelen in Ascon Software II B.V. [geïntimeerde] Beheer was via deze constructies voor 28,5 % indirect aandeelhouder van Ascon Software II B.V. De vennootschappen worden gezamenlijk wel aangeduid als de Ascon-groep.

(ii) [appellant] was op 1 januari 2010 in loondienst bij Euroned B.V., welk bedrijf ook deel uitmaakt van deze Ascon-groep.

(iii) Op 26 januari, 5 februari en 11 maart 2010 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [appellant]. De gesprekken op 5 februari en 11 maart 2010 hebben plaatsgevonden in het bijzijn van mr. [belastingadviseur appellant], de belastingadviseur van [appellant] en dhr. [consultant geïntimeerde] van [consultant geïntimeerde] Consultancy, de adviseur van [geïntimeerde]. Op of omstreeks 23 maart 2010 heeft nog een gesprek tussen [appellant] en [geïntimeerde] plaatsgevonden.

(iv) Op 5 februari 2010 hebben [appellant] en [geïntimeerde] Beheer (vertegenwoordigd door [geïntimeerde]) een overeenkomst ondertekend, die als opschrift draagt: “Geheimhoudingsovereenkomst” (prod. 2 inl. dagv.). Deze overeenkomst was opgesteld door ([belastingadviseur appellant] namens) [appellant]. [appellant] en [geïntimeerde] hebben de overeenkomst per bladzijde geparafeerd en aan het slot geheel ondertekend.

In art. 1 lid 1 van deze overeenkomst wordt bepaald dat onder “Aandelen” wordt verstaan de aandelen van [geïntimeerde] Beheer in Ascon Holding en Ascon Beheer.

Art. 1 lid 3 luidt: “Onder “de Gespreksvoering”wordt verstaan alle gesprekken tussen Partijen, waaronder tevens begrepen mogelijke onderhandelingen, in verband met de mogelijke overdracht van de Aandelen en dit alles in de ruimste zin des woords. De gespreksvoering is aangevangen op 5 februari 2010.”

Art. 6 lid 1 luidt: “Overdrager [ [geïntimeerde] Beheer, hof] verstrekt Gesprekspartner[ [appellant], hof] gedurende maximaal twaalf maanden exclusiviteit ten aanzien van de mogelijke overname van de Aandelen. Meer in het bijzonder zal Overdrager gedurende voornoemde periode niet op enigerlei wijze betrokken zijn bij activiteiten welke liggen op het terrein van mogelijke overdracht van de ondernemingsactiviteiten aan derden” (verder: het exclusiviteitsbeding).

Art. 7 lid 3 luidt: “De Gespreksvoering geldt als beëindigd, als één van Partijen dit aan de andere Partij schriftelijk heeft bericht. In afwijking van vorenstaande volzin wordt de Gespreksvoering als beëindigd beschouwd indien partijen uiterlijk 5 februari 2011 nog geen schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan, inhoudende enige vorm van overdracht van de Aandelen. Beëindiging van de Gespreksvoering laat onverlet de verplichting tot nakoming van deze overeenkomst”.

( v) Eveneens op 5 februari 2010 hebben [appellant] en de vertegenwoordiger van [geïntimeerde], [consultant geïntimeerde], een nagenoeg gelijkluidende overeenkomst getekend. In deze overeenkomst, die eveneens door ([belastingadviseur appellant] namens) [appellant] was opgesteld, ontbrak het hierboven als art. 7 lid 3 geciteerde artikel (prod. 3 cva).

(vi) Op of omstreeks 22 maart 2010 is het [appellant] gebleken uit de aan hem gezonden statuten van [geïntimeerde] Beheer dat er een statutaire blokkeringsregeling gold (zodat de aandelen in [geïntimeerde] Beheer eerst aan drie andere medeaandeelhouders te koop moesten worden aangeboden voordat deze aan een derde konden worden verkocht).

(vii)  Op 26 maart 2010 heeft [geïntimeerde] namens [geïntimeerde] Beheer aan [appellant] en [belastingadviseur appellant] geschreven: “Hierbij bericht ik u schriftelijk de gespreksvoering te beeindigen. (..) Helaas kan ik niet anders berichten en wil hiermee snel duidelijkheid geven.” (prod. 3 inl. dagv.).

(viii) Op 30 juli 2010 heeft [appellant] jegens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op volledige nakoming van de overeenkomst van 5 februari 2010, met name art. 6 lid 1 daarvan (prod. 10 inl. dagv.).

(ix) Op 16 september 2010 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] de overeenkomst van 5 februari 2010, voor zover deze zou zien op het vastleggen van afspraken anders dan de overeengekomen geheimhouding, vernietigd op grond van dwaling (prod. 11 inl. dagv.).

( x)  Op 22 december 2010 heeft [geïntimeerde] haar aandelen in [geïntimeerde] Beheer verkocht en geleverd aan CompuGroup Medical AG (hierna: CompuGroup).

4.2.1. [appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en, kort samengevat, gesteld dat [geïntimeerde] jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de geheimhoudingsovereenkomst, door haar aandelen in [geïntimeerde] Beheer aan CompuGroup te verkopen binnen de twaalf maanden waarin [appellant] exclusief het recht had op de koop van die aandelen, dan wel dat zij daardoor onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [appellant] vorderde in conventie vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden omdat de koopovereenkomst geen doorgang heeft gevonden, primair van € 418.563,- en € 9.185,87, subsidiair € 17.946,27 en € 6.936,12, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2011 en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2.2. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd een verklaring voor recht dat het exclusiviteitsbeding nietig is omdat zij op 16 september 2010 de nietigheid van de geheimhoudingsovereenkomst heeft ingeroepen. Subsidiair vorderde zij ontbinding van de geheimhoudingsovereenkomst.

4.2.3. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie en reconventie afgewezen omdat, kort gezegd, [geïntimeerde] in privé geen partij is bij de geheimhoudingsovereenkomst en zij niet persoonlijk aansprakelijk is voor de (mogelijke) tekortkoming van [geïntimeerde] Beheer jegens [appellant], met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en [geïntimeerde] in de proceskosten in reconventie.

4.3.1. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen en waar nodig aan een individuele grief refereren.

4.3.2. In grief 1 en in de toelichting bij grief 3 stelt [appellant] dat er tussen partijen nog geen onderhandelingen waren begonnen (zoals de rechtbank bij de vaststaande feiten had vermeld). Uit haar stellingen bij pleidooi blijkt dat ook [geïntimeerde] die mening is toegedaan. [geïntimeerde] verwijst daarbij naar art. 1 lid 3 van de overeenkomsten van 5 februari 2010, waarin een definitie is opgenomen van datgene waar [appellant] en [geïntimeerde] Beheer zich mee bezig hebben gehouden: het hebben van een gespreksvoering.

Vast staat tussen partijen dat het deze gespreksvoering is, die eenzijdig door [geïntimeerde] Beheer is beëindigd. (Niet is overigens komen vast te staan of [appellant] inderdaad, zoals [geïntimeerde] stelt, toen aan [geïntimeerde] Beheer c.q. [geïntimeerde] een sms’je heeft gezonden met de tekst “Jammer, maar succes”.)

4.3.3. De vraag die voorligt is, of [geïntimeerde] kan worden aangesproken voor het feit dat zij haar aandelen in [geïntimeerde] Beheer op 21 december 2010 heeft verkocht aan CompuGroup, terwijl er tussen [geïntimeerde] Beheer en [appellant] op 5 februari 2010 een overeenkomst was gesloten.

Het verwijt van [appellant] komt er op neer dat met de verkoop aan CompuGroup het tussen hem en [geïntimeerde] Beheer geldende exclusiviteitsbeding is geschonden. [geïntimeerde] ontkent kort gezegd allereerst dat het exclusiviteitsbeding tussen [geïntimeerde] Beheer en [appellant] gelding heeft en subsidiair ontkent zij dat aan het beding die betekenis moet worden gehecht die [appellant] daaraan hecht. Vervolgens heeft zij gesteld dat zij in privé niet aan het beding is gebonden en dat haar in privé niets kan worden verweten.

4.3.4. [geïntimeerde] voert aan dat toen zij namens [geïntimeerde] Beheer de overeenkomst tekende, zij het exclusiviteitsbeding in het geheel niet gezien heeft. Zij wijst er daarbij op dat in het contract tussen [consultant geïntimeerde] en [appellant] dit beding niet voorkomt. [consultant geïntimeerde] heeft, zo stelt [geïntimeerde], (slechts) zijn eigen exemplaar doorgelezen en haar vervolgens geadviseerd te tekenen. Hiermee heeft [geïntimeerde] gedwaald toen zij de overeenkomst tekende, want zij wilde een beding zoals het onderhavige exclusiviteitsbeding in het geheel niet sluiten namens [geïntimeerde] Beheer. Daarom heeft zij het beding dan ook (rechtsgeldig) vernietigd op 16 september 2010.

4.3.5. Het hof verwerpt dit standpunt omdat er naar zijn oordeel geen sprake kan zijn van dwaling. Daarbij wijst het hof erop dat met vette en onderstreepte letters boven artikel 6 staat vermeld “exclusiviteit”. Dit kan [geïntimeerde] toch niet ontgaan zijn, temeer nu zij iedere bladzijde apart heeft geparafeerd. Zij ondertekende het contract in haar professionele hoedanigheid van directeur en (indirect) aandeelhouder van een onderneming, waarbij zij vergezeld was van een adviseur. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat [geïntimeerde] Beheer heeft willen instemmen met het bepaalde in artikel 6.

Dat [geïntimeerde] kennelijk ondanks een overduidelijke aanduiding en een paraaf op iedere bladzijde artikel 6 niet heeft opgemerkt en dat haar adviseur [consultant geïntimeerde] haar op dit punt kennelijk onjuist of onvolledig heeft geadviseerd, komt dan ook voor haar rekening.

4.4.1. Het komt derhalve aan op de betekenis van het tussen [appellant] en [geïntimeerde] Beheer overeengekomen beding. Deze dient te worden vastgesteld aan de hand van hetgeen de partijen bij de overeenkomst over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4.2. In dit geval gaat het om een exclusiviteitsbeding dat is opgenomen in een overeenkomst die als opschrift draagt “Geheimhoudingsovereenkomst”. Partijen zijn het erover eens dat de fase van echte onderhandelingen tussen hen nog niet was begonnen. Zij verkeerden nog in een voorfase. Er was nog geen prijs genoemd en, toen de overeenkomst werd gesloten, waren ook de statuten van de vennootschappen waarover zou worden gesproken nog niet bij een van de contractssluitende partijen (i.c. [appellant]) bekend.

Uit alles wat partijen hierover hebben gesteld en ook uit de tekst van de overeenkomst van 5 februari 2010 zelf, blijkt naar het oordeel van het hof dat de overeenkomst nog zelfs geen intentieovereenkomst was, maar dat partijen in een stadium daarvóór verkeerden. Zo ontbreekt bijvoorbeeld in de overeenkomst ook een considerans. Het hof is van oordeel dat de overeenkomst, gezien het stadium waarin de gesprekken tussen partijen zich bevonden - zeer verkennend - in beginsel niet meer was dan uit het opschrift daarvan blijkt: een geheimhoudingsovereenkomst.

4.4.3. Vanuit deze uitleg dient het in de overeenkomst in art. 6 opgenomen exclusiviteitsbeding en het daarop volgende artikel 7, dat handelt over nakoming en beëindiging, te worden bezien. Art. 6 lid 1 bepaalt dat gedurende “maximaal” twaalf maanden exclusiviteit wordt verstrekt. Art. 7 lid 3 bepaalt dat beëindiging van de Gespreksvoering de verplichting tot nakoming van de overeenkomst onverlet laat.

Het hof is van oordeel dat vanuit de positie waarin de diverse betrokkenen zich bevonden het verklaarbaar is dat in de overeenkomst tussen [appellant] en [consultant geïntimeerde] wel het artikel over de beëindiging – met inbegrip van de laatste zinsnede – is opgenomen, maar niet het exclusiviteitsbeding. Immers: [appellant] en [consultant geïntimeerde] voerden geen gesprekken, maar [appellant] wenste wel dat [consultant geïntimeerde] evenmin als [geïntimeerde] over de gesprekken tussen hem en [geïntimeerde] naar buiten zou treden.

4.4.4. Wanneer, zoals [appellant] stelt, de zinsnede dat de beëindiging van de gespreksvoering de verplichting tot nakoming van de overeenkomst onverlet laat, in de overeenkomst tussen [geïntimeerde] Beheer en [appellant] niet alleen zou terugslaan op de in die overeenkomst opgenomen geheimhoudingsverplichting – de kern van de overeenkomst – maar ook op het exclusiviteitsbeding, zou dit een zeer zware verplichting voor [geïntimeerde] Beheer met zich brengen. Dat zou immers inhouden dat zij gedurende de gehele resterende looptijd tot 5 februari 2011 – ook indien gedurende deze looptijd, na beëindiging, niet meer met [appellant] gesproken zou worden (art. 7 lid 3) - evenmin met anderen zou mogen spreken over de mogelijke verkoop van de aandelen. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke zware consequentie voor [geïntimeerde] Beheer tussen partijen aan de orde is geweest.

Mede gezien het feit dat in art. 6 lid 1 staat vermeld dat er “maximaal” twaalf maanden exclusiviteit wordt gegeven, brengt dit naar het oordeel van het hof met zich dat [appellant] in redelijkheid ook niet heeft mogen aannemen dat de overeenkomst inhield dat [geïntimeerde] Beheer gedurende de volledige twaalf maanden na 5 februari 2010 niet met anderen dan hijzelf zou mogen spreken, en zeker niet dat die periode nog door zou lopen nadat de gesprekken tussen hem en [geïntimeerde] Beheer al waren afgelopen.

4.4.5. Het hof is derhalve van oordeel dat de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting voor [geïntimeerde] Beheer om exclusiviteit te verlenen slechts geldt voor de periode dat de Gespreksvoering tussen haar en [appellant] plaatsvond: in die tijd mocht zij niet met andere potentiële kopers spreken. Deze verplichting om alleen met [appellant] te spreken duurde maximaal twaalf maanden na aanvang van de Gespreksvoering. Na de beëindiging van de Gespreksvoering (vgl. r.o. 4.1 onder vii) bleef de verplichting om geheimhouding te betrachten overeind, maar niet de verplichting om (gedurende twaalf maanden) exclusiviteit aan de voormalige Gesprekspartner te geven. [geïntimeerde] Beheer heeft de overeenkomst gelet op al het voorgaande redelijkerwijs in deze zin mogen opvatten.

4.4.6. Anders dan [appellant] stelt, was [geïntimeerde] Beheer niet gehouden met hem te onderhandelen: iedere partij mocht de overeenkomst op elk moment beëindigen (art. 7 lid 3). [appellant] heeft tegenover de betwisting door [geïntimeerde] Beheer geen feiten gesteld waaraan hij zijn – andersluidende - uitleg redelijkerwijs heeft mogen ontlenen. [appellant] betwist niet dat partijen met elkaar hebben gesproken. Tot meer waren zij niet verplicht. De – door [geïntimeerde] Beheer betwiste – stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] of [geïntimeerde] Beheer hem had uitgenodigd om over een overname te praten, is in dit verband niet relevant.

4.4.7. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] Beheer reeds vóór de beëindiging van de Gespreksvoering met andere potentiële kopers, waaronder CompuGroup, heeft gesproken. [geïntimeerde] Beheer is derhalve niet tekort geschoten jegens [appellant] in de nakoming van de overeenkomst en er is dan ook geen grond aanwezig voor enige persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde].

De grieven, in onderling verband beschouwd, falen.

Ten overvloede merkt het hof op dat de overeenkomst tussen [geïntimeerde] Beheer en [appellant] zag op de verkoop van de aandelen Ascom Beheer en Ascom Holding en het uiteindelijk niet die aandelen zijn, die aan CompuGroup zijn verkocht, maar de aandelen in [geïntimeerde] Beheer.

4.4.8. Nu alle grieven falen, zal het beroepen vonnis worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.513,00 aan verschotten en € 1.788,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, L.S. Frakes en H.E.G. van der Flier en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september.