Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4032

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
HD 200.117.231-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

geen spoedeisend belang in appel

vordering tot opvragen notulen niet geschikt voor beoordeling in kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.117.231/01

arrest van 3 september 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.H. Lange te Amsterdam,

tegen

Vereniging de Medische Staf Catharina-Ziekenhuis,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 november 2012 ingeleide hoger beroep van het door de Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in kort geding gewezen vonnis van 6 november 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – de VMS – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 253239/KG ZA 12-676)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij brief van 26 juli 2013 door [appellant] toegezonden producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.1.

In overweging 3.1. a tot en met l heeft de Voorzieningenrechter aangegeven van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vermelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna deze feiten - voor zover relevant - en nog enkele andere relevante feiten vermelden.

4.1.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

voorgeschiedenis

a. a) [appellant] was sinds 1992 op grond van een toelatingsovereenkomst met de Stichting Catharina Ziekenhuis (hierna: de Stichting) werkzaam als internist in het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven (hierna: het ziekenhuis). Hij was lid van de maatschap Interne Geneeskunde/MDL (hierna: de maatschap) en lid van de VMS.

b) De Raad van Bestuur van de Stichting heeft de maatschap vanwege samenwerkingsproblemen in mei 2010 onder intensief toezicht gesteld onder oplegging van een verbeterplan.

c) De maatschap heeft daarop – na opdracht daartoe van de Raad van Bestuur - opdracht gegeven aan organisatieadviesbureau [organisatiekundige 1.]/[organisatiekundige 2.]/[organisatiekundige 3.] tot het opstellen van een meerjarig verbetertraject. Het organisatieadviesbureau diende te rapporteren aan de maatschap, het stafbestuur van de VMS en de Raad van Bestuur van de Stichting. In zijn rapporten maakt het organisatieadviesbureau melding van hardnekkige samenwerkingsproblemen tussen (leden van) de maatschap en [appellant].

d) Het bestuur van de maatschap heeft in februari 2012 aan Holland Consulting Group (hierna: HCG) verzocht te onderzoeken of samenwerking met [appellant] binnen de maatschap in de toekomst nog mogelijk was. HCG heeft op 16 april 2012 een rapport uitgebracht waarin zij concludeert dat de samenwerking niet op afzienbare termijn aantoonbaar zal worden genormaliseerd op een wijze die vertrouwen geeft in de toekomst.

e) Naar aanleiding van een klacht van [appellant] tegen [organisatiekundige 1.] heeft de Commissie van Toezicht op de naleving van de gedragscode van Ooa (Orde van organisatiekundigen en –adviseurs) en ROA (Raad van Organisatieadviesbureaus) op 28 november 2012 beslist dat twee van de vijf klachtonderdelen gegrond waren. Deze zagen op onvoldoende toepassen van hoor-en wederhoor door [organisatiekundige 1.] jegens [appellant] en op (de wijze van) meewerken door [organisatiekundige 1.] aan de rapportage van HCG. In hoger beroep heeft de Raad van Beroep Ooa en ROA op 13 juni 2013 het beroep van [organisatiekundige 1.] ongegrond verklaard.

ontbinding en opzegging

f) De maatschap heeft – na een vooraankondiging met een “voorgenomen besluit” ter zake - op 31 mei 2012 besloten over te gaan tot ontbinding van de maatschapsovereenkomst met [appellant].

g) Op 18 juli 2012 heeft de Raad van Bestuur van de Stichting de toelatingsovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 21 januari 2013. Op 6 juni 2012 had de Raad van Bestuur aan [appellant] melding gemaakt van zijn voorgenomen besluit en op 13 juli 2012 heeft een hoorzitting ter zake plaatsgevonden. Het maatschapsbestuur en het stafbestuur van de VMS zijn door de Raad van Bestuur gehoord en zij hebben positief geadviseerd over de opzegging. Zij hebben daarbij [appellant] niet gehoord.

h) [appellant] heeft tegen de opzegging een bodemprocedure bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg aanhangig gemaakt. De mondelinge behandeling vond plaats op 16 november 2012. Op 13 december 2012 heeft het Scheidsgerecht een arbitraal vonnis gewezen. Het Scheidsgerecht heeft de vorderingen van [appellant] - thans van belang: om de opzegging van de toelatingsovereenkomst te vernietigen en [appellant] wederom tot zijn werkzaamheden in het ziekenhuis toe te laten - afgewezen.

Dit vonnis is op 14 december 2012 ter griffie van de rechtbank Utrecht gedeponeerd. Op 14 maart 2013 is de termijn om vernietiging van het vonnis te vragen verstreken. Hiermee is de toelatingsovereenkomst van [appellant] per 21 januari 2013 beëindigd en is op grond van de maatschapsovereenkomst deze eveneens geëindigd.

opgevraagde stukken

i. i) (De advocaat van) [appellant] heeft op 8 augustus 2012 aan het stafbestuur van de VMS geschreven: “Cliënt ontvangt van het stafbestuur graag kopieën van de volgende documenten (..)

- Notulen van de kernstafvergaderingen t.a.v. periode januari 2010 tot en met juli 2012 (..)

- Notulen van de bestuursvergaderingen t.a.v. periode januari 2010 tot en met juli 2012 (..)

- (..)

- Alle door de VMS van cliënt (op systematische wijze) verwerkte persoonsgegevens (..)

- Kopieën van alle schriftelijke adviezen van het stafbestuur aan de RvB over cliënt met betrekking tot (in de meest ruime zin) de opzegging van de toelatingsovereenkomst met cliënt (..)

- Kopieën van alle schriftelijke adviezen van het stafbestuur aan de maatschap van cliënt met betrekking tot (in de meest ruime zin) het besluit van de maatschap de maatschapsovereenkomst te ontbinden (..)

j) Op 23 augustus 2012 stuurde het stafbestuur van de VMS aan [appellant] de gevraagde kopieën van de kernstafvergaderingen en de schriftelijke adviezen van het stafbestuur aan de Raad van Bestuur. De VMS beschikte niet over (op systematische wijze) verwerkte persoonsgegevens van [appellant]. Schriftelijke adviezen van het stafbestuur aan de maatschap waren er niet en over kopieën van de notulen van de bestuursvergaderingen schreef het stafbestuur van de VMS dat zij deze op korte termijn zouden doornemen: “In verband met de media-aandacht voor de problematiek binnen de interne maatschap en de beschadiging van personen die hiervan het gevolg is geweest handelt het stafbestuur in deze uiterst zorgvuldig”.

k) Op 3 september 2012 antwoordde (de advocaat van) [appellant] dat hij recht had op een kopie van alle notulen en niet slechts op een kopie van een door de VMS/het stafbestuur gemaakte selectie daarvan.

l) Op 6 september 2012 schreef het stafbestuur van de VMS dat zij had besloten het verzoek om de gevraagde notulen af te wijzen omdat (i) het overleg van het stafbestuur over de problematiek binnen de maatschap altijd besloten is geweest, (ii) de problemen rond [appellant] en diens collega mevrouw [collega 1.] (hierna: [collega 1.]) vrijwel altijd gelijktijdig en in onderlinge samenhang zijn besproken en de persoonlijke levenssfeer van [collega 1.] beschermd moet worden, (iii) leden van het stafbestuur zich vrijelijk moeten kunnen uiten, waarmee niet verenigbaar is dat [appellant] inzage zou worden gegeven, (iv) men wil voorkomen dat de notulen aan externe personen/instanties ter beschikking worden gesteld door [appellant].

m) In zijn reactie hierop van 10 september 2012 beriep [appellant] zich op onder meer art. 20 lid 7 van de statuten. Ook de overige argumenten van de VMS werden tegengesproken.

n) Op 1 oktober 2012 ontvingen de leden en plaatsvervangende leden van de kernstaf van de VMS een uitnodiging voor een ingelaste besloten Kernstafvergadering op 8 oktober 2012. In de toelichtende brief schreef het stafbestuur aan de leden: “Volgens de statuten van de Vereniging de Medische Staf (artikel 20, lid 7) worden notulen van de bestuursvergaderingen desgevraagd aan de leden beschikbaar gesteld. In de historie van de vereniging is dit echter nog nooit gevraagd. Het stafbestuur is ervan overtuigd dat de notulen een juiste en zorgvuldige opstelling van het stafbestuur in het proces weergeven en het bestuur heeft in principe voor haar stafleden niets te verbergen. Het stafbestuur heeft echter zeer gegronde redenen, waaronder de privacy van haar leden, om deze notulen niet beschikbaar te stellen aan de heer [appellant]. (..) De belangen (..) rechtvaardigen naar ons oordeel dat het verzoek, om de notulen van de bestuursvergaderingen aan de heer [appellant] ter beschikking te stellen, wordt afgewezen. Het stafbestuur wil dit voorgenomen besluit toelichten(..). Vervolgens wil het stafbestuur het voorgenomen besluit door de Kernstaf laten bekrachtigen (..)

Zoals blijkt uit de notulen van de besloten kernstafvergadering is het voorstel van het stafbestuur aangenomen met 173 stemmen voor en 40 onthoudingen.

o) Een e-mail van mr. [jurist Orde Medisch Specialisten], jurist bij de Orde Medisch Specialisten aan de advocaat van [appellant] van 24 juli 2013 luidt:

Artikel 18 lid 7 van de model statuten VMS geeft een ongeclausuleerd recht aan het individuele lid van de vereniging op de notulen. Indien een individueel lid verzoekt om een afschrift van de notulen (“desgevraagd”) dan wordt het afschrift aan het individuele lid zelf verstrekt. (..)”

statuten

p) De relevante artikelen van de statuten van de VMS, laatstelijk gewijzigd op 22 maart 2011, luiden:

Art. 5 lid 2: De vereniging kent de navolgende groepen leden:

  1. gewone leden (..);

  2. gewone leden (..);

  3. buitengewone leden;

  4. ereleden.

Art. 5 lid 3: Waarin deze statuten wordt gesproken van leden worden daaronder alle groepen leden verstaan, tenzij het tegendeel blijkt.

Art. 15 lid 2: De kernstaf staat het bestuur met raad en daad ter zijde. De kernstaf behandelt en neemt besluiten over alle onderwerpen die door het bestuur aan de kernstaf aan de orde worden gesteld (..)

Art. 17 lid 7: De notulen van de kernstafvergaderingen worden desgevraagd aan alle leden van de vereniging beschikbaar gesteld.

Art. 20 lid 7: De notulen van de bestuursvergaderingen worden desgevraagd aan de leden beschikbaar gesteld.

4.1.3.

[appellant] heeft de VMS in kort geding betrokken en kort gezegd gevorderd dat de VMS wordt veroordeeld tot afgifte van de notulen van de bestuursvergaderingen van het stafbestuur van de VMS vanaf januari 2010 tot en met juli 2012. Hij heeft deze vordering gebaseerd op het bepaald in art. 20 lid 7 van de statuten.

Bij het thans beroepen vonnis heeft de Voorzieningenrechter deze vordering afgewezen omdat naar zijn voorlopig oordeel [appellant] aan art. 20 lid 7 van de statuten, zoals dat artikel door de Voorzieningenrechter is uitgelegd, geen recht op de notulen van de vergadering van het stafbestuur kan ontlenen.

4.1.4.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Hij vordert primair, subsidiair en meer subsidiair thans ook afgifte van alle ten aanzien van hem verwerkte persoonsgegevens en daarnaast, kort gezegd, afschriften van de notulen in kwestie waarbij subsidiair de notulen door een deurwaarder ten aanzien van gegevens met betrekking tot andere personen dan [appellant] en [collega 1.] geanonimiseerd worden en meer subsidiair afschriften van genoemde notulen waarbij de notulen door een deurwaarder ten aanzien van gegevens met betrekking tot andere personen dan [appellant] geanonimiseerd worden.

4.2.1.

Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is.

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheid kan op zichzelf niet het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening heeft.

4.2.2.

In eerste aanleg heeft [appellant] zijn gestelde spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ondersteund met een verwijzing naar de bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg aanhangige procedure. [appellant] was voornemens de opgevraagde notulen daar in het geding te brengen. De uiterste datum daarvoor was 9 november 2012. Terecht nam de Voorzieningenrechter aan dat [appellant] een spoedeisend belang had.

In dit hoger beroep heeft [appellant] in zijn memorie van grieven (welke dateert van 5 februari 2013) aangegeven dat hij nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening: hij wenst de notulen in te brengen in de op korte termijn door hem aanhangig te maken vernietigingsprocedure van het arbitrale vonnis van het Scheidsgerecht (mvg nr 90).

Voorts wenste hij de notulen in te brengen in de reeds door hem gestarte arbitrale procedure tegen de maatschap (pleitnota [appellant] nr. 35) en de nog te starten aansprakelijkheidsprocedures tegen de VMS (pleitnota nr. 36), [organisatiekundige 1.] (pleitnota nr. 37) en mogelijk de Raad van Bestuur (pleitnota nr. 38).

4.2.3.

Het hof is van oordeel dat in casu in hoger beroep het spoedeisende belang is komen te ontbreken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De aangekondigde vernietigingsprocedure van het arbitrale vonnis is door [appellant] niet geëntameerd, zodat hieraan geen spoedeisend belang kan worden ontleend. Voor wat betreft de reeds gestarte arbitrageprocedure tegen de maatschap heeft de VMS in haar pleidooi onweersproken gesteld dat in de op 8 mei jl. ingediende memorie van eis geen enkele stelling is te vinden waarvoor de notulen van de vergaderingen van het stafbestuur ook maar enige relevantie zouden hebben (pleitnota VMS nr. 4 en 9).

Aan overige, aangekondigde maar nog niet geëntameerde, aansprakelijkheidsprocedures valt evenmin op dit moment een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening te ontlenen, nog afgezien van het feit dat deze procedures voldoende handvatten bezitten, al dan niet op basis van art. 843a Rv, om in het kader daarvan te beoordelen of [appellant] recht heeft op de gevraagde stukken.

Voor de in hoger beroep voor het eerst gevorderde overlegging van alle ten aanzien van [appellant] verwerkte persoonsgegevens is het hof op geen enkele wijze enig spoedeisend belang van [appellant] gebleken. (Deze vordering is in deze – zeer uitvoerig gedocumenteerde – kort geding-procedure niet dan wel volstrekt onvoldoende onderbouwd). Het hof zal de vordering met betrekking tot de persoonsgegevens in het navolgende ter zijde laten.

4.2.4.

Ten aanzien van de opgeëiste notulen komt er nog bij dat het hof voorshands van oordeel is dat een kort geding in een zaak als de onderhavige niet de geëigende procedure is om te oordelen over de afgifte daarvan. Immers, als de vordering van [appellant] in kort geding zou worden toegewezen, is de beslissing - ondanks het voorlopige karakter daarvan - definitief en onomkeerbaar. Dit noopt het hof tot grote terughoudendheid.

Bij het hof bestaat, mede gezien de gang van zaken zoals deze in de feitenopsomming is geschetst, begrip dat [appellant] informatie wenst over de gang van zaken rond zijn gedwongen vertrek. Het hof sluit niet uit dat toewijzing van de vordering tot – eventueel geclausuleerde – overlegging van de notulen mogelijk zou kunnen zijn, maar daarover dient naar het oordeel van het hof in een bodemprocedure te worden beslist. Immers zoals door de VMS terecht is aangevoerd, staan tegenover het mogelijk rechtens te respecteren belang van [appellant] bij de verkrijging van de notulen de belangen van de VMS en de privacybelangen van derden, die zich kunnen verzetten tegen de afgifte daarvan. Deze tegengestelde belangen dienen zorgvuldig en na gedegen voorlichting van de rechter te worden afgewogen.

Zo is thans niet exact bekend of en zo ja welke privacygerelateerde belangen door overlegging van de notulen zouden kunnen worden geschonden. Het hof wenst hierbij wel op te merken dat de enkele - gemotiveerd betwiste - vrees bij de VMS dat [appellant] de notulen aan derden zal openbaren daarvoor onvoldoende is.

Partijen strijden voorts in deze kort geding procedure over de uitleg van art. 20 lid 7 van de statuten. [appellant] heeft een zeer korte e-mail van de Orde Medisch Specialisten in het geding gebracht, waarin een uitleg wordt gegeven van een vergelijkbaar - maar niet gelijkluidend - artikel in de modelstatuten van de Orde. Om tot een gedegen uitleg van art. 20 lid 7 van de statuten te kunnen komen, is het hof voorshands van oordeel dat meer en uitvoeriger voorlichting nodig is. Mogelijk komt het aan op voorlichting door een deskundige of getuigenbewijs, waarvoor een kort geding zich niet leent.

Ook hierom zou de vordering van [appellant] dienen te worden afgewezen.

4.3.1.

Nu [appellant] als gezegd geen spoedeisend belang heeft bij het hoger beroep zal zijn vordering reeds hierom worden afgewezen. In eerste aanleg had [appellant] echter wel een spoedeisend belang. Het gaat derhalve thans eveneens om de vraag of de Voorzieningenrechter destijds de vordering terecht heeft afgewezen, dit met het oog op de vraag of [appellant] in eerste aanleg terecht in de proceskosten is veroordeeld. Voor die vraag is toetsing ex tunc geïndiceerd. In zoverre zal het hof het door de Voorzieningenrechter gewezen vonnis beoordelen.

4.3.2.

De Voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] tot ongeclausuleerde (cursivering hof) overlegging van de notulen afgewezen op grond van zijn voorlopige uitleg van art. 20 lid 7 in relatie tot art. 17 lid 7 van de statuten van de VMS. Voorlopig was hij van oordeel dat art. 20 lid 7 (anders dan art. 17 lid 7) niet beoogt beschikbaarstelling van de notulen aan de individuele leden van de VMS voor te schrijven en het niet de bedoeling is geweest van de opsteller van de statuten om de notulen van de stafvergaderingen aan ieder individueel lid van de vereniging ter beschikking te stellen.

Het hof zal zich niet uitlaten over de motivering van dit voorlopige oordeel, omdat het hof reeds op grond van de onomkeerbaarheid van een beslissing in deze kwestie voorlopig van oordeel is dat de vordering moest worden afgewezen. Het hof heeft daarbij met name het oog op de ongeclausuleerde toezending van de notulen aan [appellant] (zoals [appellant] in eerste aanleg vorderde). De Voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening dan ook terecht geweigerd en hij heeft [appellant] terecht in de proceskosten veroordeeld.

4.3.3.

Dit zou anders hebben kunnen zijn in hoger beroep, nu [appellant] zijn eis heeft gewijzigd en hij thans subsidiair en meer subsidiair een geclausuleerde toezending van de notulen vordert, maar het hof komt aan deze subsidiaire vorderingen niet toe nu er geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen bestaat.

4.4.

Het hof komt niet toe aan een beoordeling van de grieven omdat het spoedeisend belang in appel ontbreekt en de vordering reeds daarom zal worden afgewezen. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch op 6 november 2012 tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de VMS tot op heden begroot op € 666,00 aan verschotten en € 1.896,00 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, C.W.T. Vriezen en

Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2013.