Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2013
Datum publicatie
20-08-2013
Zaaknummer
20-000121-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:BY7756, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 12 jaar voor doodslag op 30-jarige militair.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000121-13

Uitspraak : 20 augustus 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 4 januari 2013 in de strafzaak met parketnummer 04-800247-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

thans verblijvende in het Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van moord en ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Voorts is aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van EUR 8.544,63. Tevens is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van EUR 8.544,63, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] afgewezen en is de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de door de rechtbank genomen beslissingen zal volgen.

De verdediging heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging en subsidiair bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde moord cq. doodslag op [slachtoffer] zal worden vrijgesproken.

Ingeval het hof komt tot een veroordeling heeft de verdediging met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen opgemerkt dat de rechtbank in de berekening van de schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar opkomend voordeel (uitkeringen uit levens- cq. begrafenisverzekering). Voor het overige heeft de verdediging opgemerkt zich te kunnen vinden in de beslissing van de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met 1 november 2011 te Herkenbosch, in elk geval in de gemeente Roerdalen, opzettelijk en met voorbedachten rade althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen met een hard voorwerp op/tegen het hoofd geslagen en/of samendrukkend/omsnoerend geweld uitgeoefend op de hals/keel van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, naar het hof begrijpt op grond van tunnelvisie bij het opsporingsonderzoek, die tot uiting zou zijn gekomen in een onvoldoende gemotiveerde verdenking, in sturende verhoren (waarbij de verdediging kennelijk het oog heeft op de verhoren van de verdachte en van de getuige [getuige 1]) en in nalatigheden bij het onderzoek.

Naar aanleiding van dit verweer overweegt het hof het volgende.

Met ‘sturende verhoren’ bedoelt de verdediging kennelijk dat sprake zou zijn geweest van onoirbare beïnvloeding van de gehoorde persoon. Zo zou door te refereren aan het overlijden van de vader van de getuige [getuige 1] een zeer hoge emotionele druk op haar zijn gelegd. Zij zou ook zijn geïntimideerd. Bij de verhoren van de verdachte zou zijn uitgegaan van diens daderschap.

Het hof stelt voorop dat bij een onderzoek naar een levensdelict het opbouwen van een zekere mate van psychische druk in een verhoor op zichzelf niet ongeoorloofd is en zelfs nauwelijks valt te vermijden. Het hof heeft geen aanknopingspunt gevonden om aan te nemen dat bij de verhoren sprake is geweest van een zo ernstige druk, dat de grenzen van het toelaatbare werden overschreden. Die aanknopingspunten zijn ook door de raadsman, na kennisname van de opnamen die van het verhoor van de getuige [getuige 1] zijn gemaakt, niet aangewezen. Dat sprake is geweest van intimidatie of andere vormen van onoirbare beïnvloeding is evenmin aannemelijk geworden. De verdachte is gehoord naar aanleiding van enkele (nog nader te noemen) bezwarende omstandigheden waarop de tegen hem gerezen verdenking berustte. Dat bij deze verhoren zijn daderschap voorop is gesteld is echter op geen enkele wijze gebleken.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat naar aanleiding van de verdwijning van [slachtoffer] een breed onderzoek is ingesteld, dat zich aanvankelijk in het geheel niet op specifieke verdachten richtte. Het scenario, dat [slachtoffer] om het leven zou zijn gebracht, stond hierbij geenszins voorop, laat staan dat het onderzoek tegen bepaalde personen gericht was. Pas geleidelijk rees een ernstig vermoeden dat sprake was van een levensdelict. Daarbij kwam [verdachte] als mogelijke dader in beeld: hij was de laatste van wie met zekerheid bekend was dat hij de vermiste had ontmoet, hij bleek ook een duidelijk motief te hebben, terwijl getuigen wezen op verdacht gedrag op de dag van de verdwijning. Toch heeft het nog enige tijd geduurd voordat hij als verdachte werd aangemerkt en het onderzoek zich in sterke mate op hem richtte. Tot op dat moment was het naar het oordeel van het hof bepaald niet zo dat overwegende, laat staan exclusieve, aandacht werd besteed aan het scenario, dat [verdachte] bij de verdwijning van [slachtoffer] betrokken was.

Achteraf gezien kan men zich zelfs afvragen of het onderzoek niet al eerder op [verdachte] als verdachte had moeten worden gericht. De genoemde omstandigheden (in het bijzonder het laatste contact en het motief), tezamen met het gegeven dat geen andere aannemelijke verklaring voor de verdwijning van [slachtoffer] kon worden gevonden, hadden daartoe naar het oordeel van het hof voldoende aanleiding kunnen geven. Dat het onderzoek vervolgens, na het aantreffen van bloed in en onder de vloer van de woning van [verdachte] en het uitblijven van een verklaring daaromtrent, op hem werd toegespitst, acht het hof volstrekt begrijpelijk en ook juist.

Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden dat nadien alle andere mogelijkheden dan het daderschap van [verdachte] zijn uitgesloten. De verdediging heeft weliswaar een aantal omstandigheden genoemd, die daarop zouden wijzen, maar het hof kan haar daarin niet volgen. Dat het niet is gelukt om vast te stellen wie de persoon was, wiens DNA op het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, dat het niet gelukt is om diens verdwenen laptop en telefoon terug te vinden, en dat het niet is gelukt om de identiteit te achterhalen van een persoon, die zich op 9 september 2011 rond 15.30 uur in de buurt van de auto van het slachtoffer zou hebben opgehouden, kan worden betreurd, maar het hof ziet geen grond om aan te nemen dat hiertoe onvoldoende inspanning is geleverd. Er is een plausibele reden gegeven waarom is besloten om geen forensisch onderzoek uit te voeren op de binnenkant van de auto van het slachtoffer; op die beslissing is wellicht kritiek mogelijk, maar tunnelvisie kan er niet uit blijken.

De verdediging heeft zich in dit verband ook over de volgende punten beklaagd:

- er zou geen waarde zijn gehecht aan de omstandigheid dat noch in de auto van het slachtoffer noch in diens graf iets werd gevonden dat met de verdachte in relatie zou kunnen worden gebracht. Hoe hieruit tunnelvisie zou kunnen worden afgeleid is het hof niet duidelijk. Het hof komt hierop bij de bespreking van het bewijs terug.

- er zou onvoldoende aandacht zijn besteed aan (al dan niet vermeende) tegenstrijdigheden in de verklaringen van enkele getuigen. Voor zover van tegenstrijdigheden kon worden gesproken blijken die echter wel degelijk te zijn onderzocht; overigens zijn de betrokken getuigen, mede hieromtrent, door het hof ter terechtzitting gehoord. Ook hierop komt het hof bij de bespreking van het bewijs terug.

- er zou onvoldoende aandacht zijn besteed aan de verklaring van een zekere [Z], dat het slachtoffer enkele dagen voor zijn verdwijning ruzie zou hebben gehad met een derde. Wellicht kan hier van een onvolkomenheid worden gesproken, maar een enkele onvolkomenheid in het onderzoek kan naar het oordeel van het hof de conclusie, dat sprake was van tunnelvisie, niet dragen. Overigens is ook deze derde door het hof als getuige gehoord.

Samenvattend stelt het hof vast dat de feiten en omstandigheden, die door de verdediging ten grondslag zijn gelegd aan haar beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, voor zover al juist, de stelling dat bij het door de politie uitgevoerde onderzoek sprake was van tunnelvisie niet rechtvaardigen, laat staan dat zij de daaraan verbonden conclusie kunnen dragen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Het hof verstaat de tenlastelegging aldus, dat de verdachte primair moord en subsidiair doodslag wordt verweten. Primair is verdachte aldus ten laste gelegd dat hij het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met het vooropgezette plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 september 2011 te Herkenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een hard voorwerp op/tegen het hoofd geslagen en samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals/keel van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Daartoe is (kort en zakelijk weergegeven) het volgende aangevoerd.

Er is onvoldoende bewijs voorhanden om aan te nemen dat [slachtoffer], die op 9 september 2011 om 14.00 uur bij verdachte was, op dat moment om het leven is gekomen is en voor het laatst levend is gezien door verdachte, nu de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] [slachtoffer] daarna nog in leven hebben gezien.

Tevens is er onvoldoende bewijs voor de conclusie dat het bloed van [slachtoffer] op 9 september 2011 tussen 14.00 uur en 20.00 uur in de woning van verdachte is terechtgekomen. [getuige 1] heeft verklaard over de werkzaamheden die aan de houten vloer zijn verricht, maar dat komt niet overeen met de bevindingen (met name wat betreft het aantal op de vloerplanken aangebrachte laklagen) van de verfdeskundige. Haar verklaringen kunnen dan ook niet tot het bewijs dienen ten aanzien van het tijdstip waarop het bloed op de vloer terecht is gekomen, terwijl enig steunbewijs ontbreekt. Bovendien vertoont het onderzoek naar de vloerplanken lacunes, nu onder meer van de vloerplanken 16b en 22b niet duidelijk is op welke plaats deze zijn aangetroffen of verwijderd, terwijl deze wel door het NFI zijn onderzocht.

Het staat voorts niet vast op welk moment het lichaam van [slachtoffer] in het maïsveld is begraven, laat staan dat verdachte dat heeft gedaan. Immers, op 15 en 28 september 2011 zijn door de politie luchtfoto’s gemaakt van het maïsveld, op welke foto’s verstoringen in het maïsveld zijn waar te nemen. Was wel nader onderzoek gedaan naar die verstoringen, dan had op dat moment kunnen worden vastgesteld of het lichaam van [slachtoffer] daar lag begraven. Nu dat niet is gebeurd kan niet worden aangenomen dat [slachtoffer] op 9 september 2011 in het maïsveld begraven lag. Bovendien kan verdachte op 9 september 2011 tussen 14.00 uur en 20.00 uur nooit alle handelingen hebben verricht die hem worden toegedicht.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat bloed van [slachtoffer] is aangetroffen in de woning van verdachte. Meer specifiek gaat het om bloedsporen die zijn aangetroffen op geschuurde vloerplanken van de woonkamervloer, onder de laklaag van de planken. De eerste vraag die moet worden beantwoord is, op welk moment deze bloedsporen door [slachtoffer] zijn achtergelaten op de vloerplanken in de woning van verdachte.

Daarbij is ten eerste van belang dat volgens verdachte en [getuige 1], zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, verdachte op woensdag 7 september 2011 is begonnen met de schuurwerkzaamheden aan de woonkamervloer.

Niet is gebleken dat [slachtoffer] op woensdag 7 september 2011, op donderdag 8 september 2011 of op vrijdag 9 september 2011 vóór 13.53 uur bij verdachte is geweest. Het hof leidt hieruit af dat het bloed van [slachtoffer] niet vóór 9 september 2011 om 13.53 uur op de vloer terecht kan zijn gekomen.

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op vrijdag 9 september 2011, omstreeks 20.00 uur, thuis kwam in de woning aan de [adres]. Verdachte was klaar met het schuren van het rechtergedeelte van de woonkamervloer en op de vloer was nog geen beits aangebracht. Verdachte heeft het rechtergedeelte van de woonkamervloer op zaterdag 10 september 2011 gelakt, aldus [getuige 1]. Volgens verdachte en [getuige 1] waren de werkzaamheden aan de woonkamervloer maandag 12 september 2011 of dinsdag 13 september 2011 afgerond, zodat het bloed van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof daarvoor op de vloer moet zijn terechtgekomen.

Uit de verklaring van [getuige 6] volgt dat [slachtoffer] hem op 9 september 2011 om 13.53 uur nog heeft gebeld met de mededeling dat hij naar de woning van verdachte ging en dat [slachtoffer] hem, [getuige 6], na dat bezoek zou bellen, hetgeen nooit is gebeurd.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] op vrijdag 9 september 2011 om 14.00 uur bij hem is geweest.

De raadsman heeft betoogd dat het niet verdachte was die [slachtoffer] voor het laatst in leven heeft gezien, maar de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5], nu zij [slachtoffer] ofwel zijn auto, op 9 september 2011 tussen 14.00 en 15.00 uur, ofwel omstreeks 15.00 uur, voorbij hebben zien rijden in het park aan de [adres] te Herkenbosch.

Aan de raadsman moet worden toegegeven dat [getuige 2] aanvankelijk vrij stellig bij de politie heeft verklaard (op 14 september 2011; dossierpagina’s 1282 en 1283), dat hij [slachtoffer] op 9 september 2011 omstreeks 14.53 uur in zijn auto voorbij zag rijden. Op 15 september 2011 is [getuige 2] op die verklaring echter teruggekomen, aangezien hij er niet zeker van was dat hij [slachtoffer] daadwerkelijk had gezien als bestuurder van de auto. Ter terechtzitting in hoger beroep is [getuige 2] meermalen gevraagd te verduidelijken waarom hij op zijn aanvankelijk afgelegde verklaring was teruggekomen, waarop hij verklaarde (proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 juni 2013, pagina 7):

“Ik zag de auto van [slachtoffer] voorbij komen en ik ging er vanuit dat het [slachtoffer] was die erin zat. Ik ben gaan nadenken en kwam tot de conclusie dat ik hem niet kon hebben gezien, omdat ik bij een andere auto die even daarna langskwam eveneens niet heb kunnen zien wie de bestuurder was.

(…) Het is zo dat ik de auto van [slachtoffer] heb zien rijden, dat ik aanvankelijk dacht dat [slachtoffer] de bestuurder moet zijn geweest, maar dat ik dat eigenlijk niet kan hebben gezien, zodat het een conclusie van mij is geweest in plaats van mijn eigen waarneming.”

De getuigen [getuige 4] en [getuige 3] hebben eveneens een verklaring afgelegd over het feit dat zij de auto van [slachtoffer] op 9 september 2011 omstreeks 15.00 uur voorbij hebben zien rijden. In haar verhoor is [getuige 4] gewezen op haar aanvankelijk afgelegde verklaring, inhoudende (dossierpagina 1739):

“Ik [getuige 4] heb op vrijdag 9 september 2011 tussen 14.00 en 15.00 uur de auto van [slachtoffer] gezien. In eerste instantie dacht ik dat ik hem er ook in zag maar nu ik er beter en langer over nagedacht heb, twijfel ik wel.”

Vervolgens werd [getuige 4] gevraagd naar de reden van haar twijfels, waarop zij verklaarde:

“Ik zag die auto en dacht, dat is [slachtoffer]. Dat is het eerste wat je denkt. Je neemt aan dat [slachtoffer] in die auto zit. Maar ik weet niet wie er in zat. (...) Ik kon het niet zien.”

Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het verhoor van [getuige 3] blijkt (dossierpagina 1745):

“(…) Getuige gaf aan dat het voor hem duidelijk was dat dit de auto van [slachtoffer] betrof. Getuige gaf aan dat hij niet kon zien wie en hoeveel personen er in die auto zaten. Hij keek als het ware de auto achterna. Hij keek door de achterruit.”

De raadsman heeft gesuggereerd dat getuige [getuige 3] [slachtoffer] voorbij zag rijden in zijn auto, maar zoals uit het proces-verbaal en met name voorgaand citaat blijkt, is dat geenszins het geval.

Als laatste blijkt uit het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot het verhoor van getuige [getuige 5] het volgende (dossierpagina 1732):

“De heer [getuige 5] was al in het buurtonderzoek benaderd (…) en had toen verklaard dat hij (…) op 9 september 2011 omstreeks 15.00 uur, de auto van [slachtoffer] voorbij heeft zien rijden.”
Naar het oordeel van het hof blijkt evenmin uit deze verklaring dat [slachtoffer] is gezien als bestuurder van zijn auto.

Het hof is gebleken dat alleen de getuigen [getuige 2] en [getuige 4] aanvankelijk hebben verklaard dat zij [slachtoffer] op 9 september 2011 omstreeks 15.00 uur voorbij hebben zien rijden in zijn auto. Zij zijn op die verklaring echter teruggekomen in een latere verklaring en hebben dat ook uitgelegd. Naar het oordeel van het hof is hun uitleg afdoende en aannemelijk. Het hof acht goed voorstelbaar dat, als in een kort moment en zonder te stoppen de auto voorbij rijdt van een de waarnemer bekende persoon, diens eerste gedachte zal zijn dat deze persoon ook de bestuurder van die auto zal zijn geweest, zoals [getuige 2] en [getuige 4] dat aanvankelijk ook zelf verklaarden. Dit was echter hun conclusie cq. aanname, die niet was gestoeld op hun eigen waarneming.

Op grond van de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 2] kan naar het oordeel van het hof daarom alleen worden gesteld dat zij de auto van [slachtoffer] hebben gezien, maar zeker niet dat zij [slachtoffer] op 9 september 2011 omstreeks 15.00 uur nog in leven hebben gezien, zoals de raadsman heeft betoogd.

Tussenconclusie:

Op grond van het voorgaande concludeert het hof ten eerste dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] voor het laatst in leven heeft gezien op 9 september 2011 en voorts dat het bloed van [slachtoffer] op vrijdag 9 september 2011 tussen 13.53 uur (het moment van het telefonisch contact van [slachtoffer] met [getuige 6]) en 20.00 uur (het moment waarop [getuige 1] thuis kwam) op de woonkamervloer in de woning van verdachte moet zijn terecht gekomen.

Met betrekking tot het onderzoek naar de aangetroffen bloedsporen op de woonkamervloer in de woning van verdachte overweegt het hof het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op verschillende vloerplanken afkomstig uit de woning van verdachte bloedsporen zijn aangetroffen, bloed dat hoogst waarschijnlijk van [slachtoffer] afkomstig is. De stelling van de raadsman dat uiteindelijk slechts op een plank (12a) bloed is aangetroffen dat is terug te voeren op [slachtoffer], wordt derhalve weersproken door de bewijsmiddelen.

Onduidelijkheid is blijven bestaan over de vraag of het bloed onder één of onder twee laklagen is aangetroffen. Naar het oordeel van het hof behoeft deze vraag echter geen beantwoording, omdat doorslaggevend is dat het bloed werd aangetroffen onder de lak.

Het moet naar het oordeel van het hof derhalve op de vloer terecht zijn gekomen tussen het moment, waarop deze is geschuurd, en het moment waarop de (eerste) laklaag werd aangebracht; het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat dit laatste uiterlijk in de middag van 10 september 2011 is gebeurd. Een en ander correspondeert met de eerder vermelde bevinding van het hof, dat het bloed op vrijdag 9 september 2011 tussen 13.53 uur (het moment van het telefonisch contact van [slachtoffer] met [getuige 6]) en 20.00 uur (het moment waarop [getuige 1] thuis kwam) op de vloer is terechtgekomen.

De raadsman heeft betoogd dat van de negen vloerplanken, die bij de woning van verdachte onder de carport zijn aangetroffen, niet vast staat dat deze afkomstig zijn uit de vloer in de woonkamer van de woning. Het relaas van de verbalisanten daaromtrent, inhoudende dat de negen planken teruggeplaatst konden worden, onder andere op basis van de spijkergaten, is onvoldoende. Voorts staat niet vast waar de planken genummerd als 16b en 22b zijn aangetroffen of verwijderd.

Het hof overweegt daaromtrent dat verdachte en [getuige 1] zelf hebben verklaard, dat verdachte negen vloerplanken in de woonkamer heeft vervangen en dat hij deze had opgeslagen in de carport. Bovendien hebben ook de verbalisanten die de planken hebben aangetroffen, gerelateerd dat deze konden worden teruggeplaatst in de woonkamervloer. Het hof heeft geen enkele reden te twijfelen aan dit relaas. Op grond van het voorgaande moet naar het oordeel van het hof dan ook worden aangenomen dat de negen planken afkomstig waren uit de woonkamervloer.

Gelet op eerder genoemde conclusie dat het bloed van [slachtoffer] op vrijdag 9 september 2011 tussen 13.53 uur en 20.00 uur op de woonkamervloer in de woning van verdachte moet zijn terechtgekomen, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of dat bloed kan worden verklaard uit het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel en, zo dat het geval is, door wie dat letsel is toegebracht.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer], als gevolg van het tegen hem toegepaste geweld en het daarbij aan hem toegebrachte letsel, fors bloedverlies moet hebben geleden. Dat blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de spreiding van de aangetroffen bloedsporen op de woonkamervloer en het bloedspoor dat op een steen onder één van de vloerplanken is aangetroffen. Op grond van het voorgaande gaat het hof er vanuit dat het bloed – dat op 9 september 2011 tussen 13.53 uur en 20.00 uur op de woonkamervloer is terechtgekomen – moet worden verklaard uit het bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] geconstateerde letsel. Indien daarvoor een andere verklaring was te geven, had die door de verdachte moeten kunnen worden verstrekt. Hij heeft dit niet gedaan.

Vastgesteld moet worden dat [slachtoffer], als gevolg van het hem toegebrachte letsel, snel het bewustzijn heeft verloren. Het hof acht het dan ook uitgesloten dat [slachtoffer] op eigen kracht de woning van verdachte heeft kunnen verlaten.

Het hof concludeert dat [slachtoffer] op 9 september 2011 tussen 13.53 uur en 20.00 uur in de woonkamer van perceel [adres] om het leven is gebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting of het procesdossier is het hof niet gebleken dat een andere persoon dan verdachte op 9 september 2011 tussen 13.53 uur en 20.00 uur in de woning van verdachte is geweest. Het hof acht hoogst onaannemelijk dat dit het geval zou kunnen zijn geweest zonder dat de verdachte – derden maakten volgens [getuige 1] van de huissleutels van verdachtes woning geen gebruik – hiervan op de hoogte was. Nu verdachte zelf over een derde niet heeft gesproken, sluit het hof deze mogelijkheid uit. Het lichaam van [slachtoffer] is op korte afstand van de woning van verdachte begraven in het maïsveld. Bovendien blijkt van een duidelijke aanleiding voor de gewelddadigheden, aangezien verdachte en [slachtoffer] een financieel conflict hadden en [slachtoffer] daar erg mee zat. [slachtoffer] had om die reden ook een afspraak gemaakt met verdachte op 9 september 2011 om 14.00 uur en hij is daadwerkelijk op dat moment bij verdachte geweest.

Op grond van het voorgaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat verdachte op 9 september 2011 het fatale letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Gelet op de aard van het geconstateerde letsel moet worden geconcludeerd dat verdachte dit letsel ook opzettelijk heeft toegebracht.

De raadsman heeft betoogd dat ten onrechte geen nader onderzoek is verricht naar de op 15 en 28 september 2011 door de politie gemaakte luchtfoto’s, terwijl daarop duidelijk is waar te nemen dat zich verstoringen in het maïsveld bevinden. Ware dat wel zo geweest, dan had vastgestaan of het lichaam ten tijde van het maken van die opnamen al in het maïsveld begraven lag. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat het lichaam van [slachtoffer] al op 9 september 2011 in het maïsveld begraven lag.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat het op basis van de genomen luchtfoto’s, waarop ook volgens het hof duidelijke verstoringen in het maïsveld zijn waar te nemen, was aangewezen op of kort na 28 september 2011 nader onderzoek te doen in het maïsveld. Wat daar ook van zij, zoals uit vorenstaande conclusie van het hof blijkt kan het niet anders dan dat verdachte [slachtoffer] op 9 september 2011 om het leven heeft gebracht en vervolgens op enig moment heeft begraven in het maïsveld.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het onmogelijk is dat verdachte in een tijdsbestek van vier uren de doodslag heeft gepleegd, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en de vloer heeft geschuurd, voordat [getuige 1] om 20.00 uur thuis kwam terwijl verdachte tussendoor omstreeks 17.00 à 17.30 uur ook nog bij [getuige 6] langs is geweest en dat bezoek, naar de raadsman aanneemt, een uur tot anderhalf uur heeft geduurd.

Het hof overweegt ten eerste dat het bezoek van verdachte aan [getuige 6] en [getuige 7] (op 9 september 2011 omstreeks 17.00 uur) volgens de verklaring van [getuige 6] zelf ongeveer een half uurtje heeft geduurd. De stelling van de raadsman, dat uit de door [getuige 7] ter terechtzitting van het hof op 25 juni 2013 afgelegde verklaring blijkt dat het bezoek van verdachte veel langer heeft geduurd dan een half uur (zoals [getuige 6] verklaarde), te weten de tijd die nodig is om te koken en af te wassen zoals [getuige 7] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, volgt het hof niet. Immers, uit de enkele mededeling ‘Ik heb afgewassen en gekookt, dus ik heb niet de hele tijd bij het gesprek tussen [verdachte] en [getuige 6] gezeten’ – waaruit naar het oordeel van het hof niet blijkt of [getuige 7] al bezig was met die bezigheden en evenmin of die waren afgerond voordat verdachte vertrok – kan niet worden afgeleid dat het bezoek veel langer heeft geduurd dan een half uur, zoals [getuige 6] heeft verklaard.

Verder overweegt het hof dat uit het dossier niet duidelijk naar voren komt wat precies is gebeurd na 9 september 2011 te 14.00 uur. Het hof is – gelijk evenoverwogen – van oordeel dat uit de bewijsmiddelen alsmede vorenstaande bewijsoverwegingen de conclusie kan worden getrokken dat [slachtoffer] op 9 september 2011 om het leven is gebracht. Over de precieze gang van zaken omtrent het verbergen van diens lichaam blijkt niets. Geenszins kan worden uitgesloten dat dit pas na 20.00 uur, het moment waarop [getuige 1] thuis kwam, is gebeurd.

Tevens heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [getuige 6], inhoudende dat verdachte op 9 september 2011 bleek, bezweet en benauwd bij hem op bezoek kwam, geen steun kan bieden aan de stelling dat verdachte kort voor het bezoek aan [getuige 6] daarvoor een forse inspanning moet hebben verricht. Immers, zowel [getuige 6] als zijn echtgenote [getuige 7] was dit opgevallen, maar het is vreemd dat zij niet hebben gevraagd wat daarvan de reden was, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat uit de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] kan worden afgeleid, dat het hen opviel dat verdachte bezweet en bleek binnen kwam en dat het erop leek alsof hij zojuist een zware inspanning had verricht. Dit is een waarneming van beiden geweest en naar het oordeel van het hof doet aan die waarneming niet af dat [getuige 6] noch [getuige 7] aan verdachte heeft gevraagd wat daarvan de reden was. Dat de verklaring van [getuige 6] is beïnvloed door alle verhalen die de ronde deden (doen), zoals de raadsman heeft gesteld, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Volledigheidshalve merkt het hof nog het volgende op. De overgelegde pleitnota bevat een kopje ‘contra-argumenten’. Tekst is onder dit kopje echter niet gegeven en ook niet uitgesproken. De verdediging heeft echter, toen zij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie inriep, wel gewezen op een contra-argument, namelijk dat noch in de auto van het slachtoffer, noch in diens graf iets is aangetroffen dat aan de verdachte kon worden gerelateerd. Gelet op het hierboven besproken bewijs is het hof echter van oordeel dat aan dit contra-argument geen betekenis kan worden gehecht.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer], gepleegd op 9 september 2011.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

De raadsman heeft, gelet op zijn verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde, niets naar voren gebracht ten aanzien van de op te leggen straf.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 9 september 2011, in zijn woning, op zeer gewelddadige wijze een einde gemaakt aan het leven van de 30-jarige [slachtoffer], een man die midden in het leven stond. Vervolgens heeft verdachte het ontzielde lichaam van [slachtoffer] begraven in het maïsveld achter zijn woning. De grafkuil met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] werd echter pas op 16 november 2011 bij toeval aangetroffen, hetgeen ervoor heeft gezorgd dat de nabestaanden van [slachtoffer] gedurende een periode van ruim twee maanden in onzekerheid hebben moeten leven over de vraag of [slachtoffer] nog in leven was.

Anders dan de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank is het hof van oordeel, dat de verdachte niet mag worden verweten dat hij ter terechtzitting gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te zwijgen, ook al heeft dit er toe geleid dat de nabestaanden van het slachtoffer tot op de dag van vandaag in onzekerheid zijn blijven verkeren over wat zich precies heeft afgespeeld. Het hof rekent het de verdachte daarentegen wel, in strafverzwarende zin, aan dat hij het lijk van zijn slachtoffer in een maïsveld heeft begraven, waardoor het pas geruime tijd later kon worden teruggevonden.

Verdachte heeft met zijn handelen de familie en naaste omgeving van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht, zoals onder meer is gebleken uit hetgeen [moeder slachtoffer] en [broer slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht.

Daarnaast zijn gewelddadige delicten als de onderhavige, te weten doodslag, feiten waardoor de rechtsorde zeer ernstig wordt geschokt en die in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengen.

Bij zijn oordeel heeft het hof ten aanzien van de persoon van de verdachte tevens betrokken:

  • -

    de inhoud van het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 juli 2013, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de inhoud van het Reclasseringsadvies d.d. 10 januari 2012;

  • -

    de inhoud van psychiatrisch rapport d.d. 11 april 2012, opgemaakt door psychiater J.R. Nijdam;

  • -

    de inhoud van het psychologisch rapport d.d. 12 april 2012, opgemaakt door forensisch psycholoog prof. dr. J.J. Baneke.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Het hof houdt bij de bepaling van de op te leggen straf in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheden dat een relatief klein financieel conflict voor de verdachte blijkbaar de aanleiding was om [slachtoffer] van het leven te beroven alsmede met de berekenende wijze waarop verdachte heeft gehandeld. Immers, verdachte heeft [slachtoffer] op gewelddadige wijze in zijn woning om het leven gebracht, daarna het lichaam van [slachtoffer] in een maïsveld begraven en vervolgens getracht de sporen van de gewelddadigheden die in zijn woning hadden plaatsgevonden uit te wissen.

Alles in ogenschouw nemend kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een straf zoals door de eerste rechter is opgelegd. Met de advocaat-generaal acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur in het onderhavige geval een passende straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 8.951,63 (opmerking hof: bij optelling van de verschillende opgegeven schadeposten is het hof gebleken dat het totaalbedrag EUR 8.915,63 moet zijn, zodat het hof van dat bedrag uit zal gaan) een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

[benadeelde partij 1] heeft ten eerste vergoeding gevorderd van de kosten voor de uitvaart van [slachtoffer]. Gelet op het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering alsmede de omstandigheid dat het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade is toegebracht, is de vordering voor dat deel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van de kosten van het verzoek instelling afwezigheidsbewind (EUR 71,--) en telefoonkosten (EUR 300,--). Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze kosten, gelet op het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering niet voor vergoeding in aanmerking komen, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting van eventueel opkomend voordeel, zoals uitkeringen uit een begrafenisverzekering of uit een levens(risico)verzekering(en), niet is gebleken, zodat dat niet in de schadeberekening kan worden meegenomen. Bovendien zou onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 429,00.

De vordering is bij vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van gemaakte telefoonkosten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering, deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, zodat de vordering zal worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 415,24.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ingevolge het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafrecht kunnen erfgenamen, die rechtstreeks schede hebben geleden door een strafbaar feit, zich voegen als benadeelde partij. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat van [benadeelde partij 3] niet als erfgename van [slachtoffer] kan worden aangemerkt. Bovendien vallen de door de benadeelde partij gevorderde kosten niet onder de kosten die op grond van voormelde bepaling voor vergoeding in aanmerking komen. Zodoende zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar ingestelde vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van EUR 8.544,63 (achtduizend vijfhonderdvierenveertig euro en drieënzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 (zevenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde toe tot het bedrag van EUR 8.544,63 (achtduizend vijfhonderdvierenveertig euro en drieënzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot schadevergoeding af.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 20 augustus 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J. Huurman-van Asten en mr. J.M. Reijntjes zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.