Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3722

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
HD 200.096.692/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:302, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringen wegens onrechtmatige verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.096.692/01

arrest van 13 augustus 2013

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. K.E.J. Dohmen te Venlo,

tegen

1 [geïntimeerde 1.],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

2. [geïntimeerde 2.],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.G. Spijker te Boxmeer,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 10 april 2012 en 17 juli 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 99205/haza 10-134 gewezen vonnis van 7 september 2011.

9 Het verloop van de procedure

9.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenarresten van 10 juli 2012 en 17 juli 2012;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

9.2.

Ter zitting van 13 juni 2013 is de zaak mondeling bepleit. Daarbij is voor [appellante] in aanwezigheid van haar advocaat het woord gevoerd door haar zoon [zoon appellante] (op grond van een volmacht van [appellante] van 13 juni 2013) en voor [geïntimeerde 1.] door zijn advocaat, beiden aan de hand van een pleitnota die deel uitmaakt van het dossier.

[geïntimeerde 1.] heeft ter zitting een productie overgelegd, waartegen [appellante] geen bezwaar heeft gemaakt.

[appellante] heeft ter zitting elf producties willen overleggen; in verband met bezwaar van de zijde van [geïntimeerde 1.] zijn alleen de producties 2, 3 en 11 geaccepteerd.

9.3.

Partijen hebben daarna arrest gevraagd.

10 De verdere beoordeling

10.1.

Het hof zal appellante verder aanduiden met “[appellante]” en de geïntimeerden gezamenlijk met “[geïntimeerde 1.]” (enkelvoud).

10.2.

In het incidenteel arrest van 17 juli 2012 is de incidentele vordering van [appellante] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, waarvan beroep, afgewezen, en is de beslissing over de proceskosten aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

10.3.

In het incidentele tussenarrest van 10 april 2012 heeft het hof in r.o. 3.1 enkele feiten vastgesteld.

Het hof voegt daaraan nog de volgende vaststaande feiten toe.

  1. . Partijen zijn bij de aan/verkoop van de woning in november 2005 uitgegaan van een waarde van € 230.000. Daarop kwam een bedrag van € 86.250 waarop het recht van gebruik en bewoning voor [appellante] werd gesteld, in mindering, zodat de koopsom € 143.750 bedroeg. Daarnaast nam [geïntimeerde 1.] de verplichting op zich om voor zijn rekening voor [appellante] een aanbouw aan de woning te laten bouwen voor een bedrag van € 85.000. Die aanbouw is gerealiseerd; daarnaast heeft [geïntimeerde 1.] op zijn kosten een aantal verbeteringen en moderniseringen in de woning aangebracht.

  2. . In februari 2006 is [appellante] uit de woning vertrokken en bij een zoon gaan wonen.

  3. . Aangezien [appellante] weigerde de woning aan [geïntimeerde 1.] te leveren heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond haar daartoe bij vonnis in kort geding van 9 februari 2006 veroordeeld. In een door [appellante] aangespannen bodemprocedure heeft de rechtbank Roermond bij vonnis van 16 augustus 2006 de vordering van [appellante] tot vernietiging van de koopovereenkomst afgewezen en de reconventionele vordering van [geïntimeerde 1.] tot nakoming toegewezen.

  4. . De woning is op 2 oktober 2006 in eigendom aan [geïntimeerde 1.] geleverd.

  5. . In hoger beroep van het vonnis van 16 augustus 2006 heeft dit gerechtshof bij arrest van 29 april 2008 de koopovereenkomst wegens dwaling van [appellante] in de hoogte van de koopsom vernietigd. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep op 11 september 2009 verworpen.

  6. . Een door [appellante] tegen [geïntimeerde 1.] in kort geding aangespannen vordering tot ontruiming van de woning is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond op 2 februari 2010 afgewezen. Aan de voorwaardelijke reconventionele vordering van [geïntimeerde 1.] tot betaling door [appellante] van een voorschot op schadevergoeding is de voorzieningenrechter niet toegekomen.

In hoger beroep heeft dit gerechtshof bij arrest van 21 september 2010 de ontruiming toegewezen. Tevens is aan [geïntimeerde 1.] een voorschot op schadevergoeding van

€ 30.000 toegewezen.

g. [geïntimeerde 1.] heeft daarna executoriaal beslag gelegd op de woning, omdat [appellante] het bedrag van € 30.000 niet betaalde. [appellante] heeft een kort geding aangespannen tegen de aangezegde executieverkoop. Deze procedure is geëindigd in een vaststellingsovereenkomst van 23 maart 2011, op grond waarvan [appellante] aan [geïntimeerde 1.] een bedrag heeft betaald van € 42.440,59. Dit bedrag bestond uit € 30.000 op grond van het arrest van 21 september 2010 en

€ 12.440,59 kosten ter afwending van de executieverkoop.

h. Op 27 maart 2011 is [geïntimeerde 1.] met zijn gezin uit de woning vertrokken.

i. Op 29 maart 2011 is de woning notarieel teruggeleverd aan [appellante].

j. Zowel [geïntimeerde 1.] als [appellante] heeft een procedure tot schadevergoeding aangespannen tegen de notaris die in 2005 de koopovereenkomst heeft opgesteld en geadviseerd over de koopprijs. In de door [geïntimeerde 1.] tegen de notaris aangespannen procedure heeft de rechtbank Roermond bij vonnis van 27 juli 2011 bepaald dat de notaris aan [geïntimeerde 1.] diende te vergoeden een bedrag van

€ 104.400, zijnde het gemiddelde van de waardevermeerdering van de woning plus de verbouwingskosten minus 20% van dat bedrag wegens vergoeding genot en gebruik door [geïntimeerde 1.] en wegens het feit dat [appellante] het recht van gebruik en bewoning niet had uitgeoefend. Ingevolge dit vonnis heeft (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van) de notaris aan [geïntimeerde 1.] een bedrag van € 153.000 betaald. Nadat het vonnis tussen [geïntimeerde 1.] en [appellante], waarvan thans beroep, was gewezen heeft de notaris het tegen het vonnis van 27 juli 2011 aangespannen hoger beroep ingetrokken en heeft [geïntimeerde 1.] het bedrag van € 153.000 aan de verzekeraar terug betaald.

In de door [appellante] tegen de notaris aangespannen procedure is nog geen uitspraak gedaan.

k. In het kader van de door [geïntimeerde 1.] aan [appellante] aangezegde executie van het vonnis, waarvan thans beroep, is opnieuw de executieverkoop van de woning in gang gezet. Een door [appellante] aangespannen kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, waarvan beroep, is bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 10 november 2011 afgewezen. De woning is diezelfde dag geveild en verkocht voor

€ 222.000. Daarvan is € 147.424,23 aan [geïntimeerde 1.] betaald en € 74.575,77 aan [appellante].

10.4.

In r.o. 3.2 van het incidentele tussenarrest van 10 april 2012 heeft het hof weergegeven wat de vorderingen over en weer waren en wat de rechtbank in het vonnis, waarvan beroep, heeft beslist.

Voor zover de vorderingen van [geïntimeerde 1.] in dat vonnis niet zijn toegewezen spelen deze in hoger beroep geen rol meer, aangezien [geïntimeerde 1.] geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld.

[appellante] heeft haar reconventionele vordering bij memorie van grieven gewijzigd, waardoor deze thans als volgt luidt:

Zij vordert vernietiging van het vonnis van de rechtbank Roermond van 7 september 2011, en, opnieuw rechtdoende – kort weergegeven -:

1. de vordering van [geïntimeerde 1.] alsnog af te wijzen en [geïntimeerde 1.] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het vonnis, waarvan beroep, heeft voldaan of zal voldoen, met rente;

2a. een bedrag van € 69.500 wegens vergoeding voor de inboedel,

b. een bedrag van € 71.500 wegens gebruikersvergoeding en een bedrag van € 15.750,-- wegens onkostenvergoeding,

c. een bedrag van € 1.200 aan buitengerechtelijke kosten,

d. een bedrag van € 42.440,59 wegens vergoeding van de door [appellante] onterecht aan [geïntimeerde 1.] betaalde geldsom,

alles met wettelijke rente en de proceskosten in beide instanties, in conventie en reconventie en in het incident.

10.5.

De grieven van [appellante] houden het volgende in.

De grieven I t/m III betreffen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] tot een bedrag van

€ 125.000 is verrijkt, dat [geïntimeerde 1.] is verarmd, en dat de redelijkheid zich niet tegen vergoeding door [appellante] van een bedrag van € 125.000 verzet.

De grieven IV t/m VII hebben betrekking op de in eerste aanleg afgewezen en de in hoger beroep vermeerderde reconventionele vordering van [appellante]. Deze betreffen de vergoeding voor inboedel, de gebruikersvergoeding, de kosten van [appellante] voor kost en inwoning, de buitengerechtelijke kosten en het reeds door [appellante] betaalde bedrag van € 30.000.

Verrijking/verarming

10.6.1.

In de grieven I en II betoogt [appellante] dat er noch sprake is van verrijking aan haar zijde, noch van verarming aan de zijde van [geïntimeerde 1.]. Zij betwist het taxatierapport van 15 oktober 2010 waarin door [taxateur]. [taxateur] in opdracht van [geïntimeerde 1.] de onderhandse verkoopwaarde per 5 oktober 2010 is gesteld op € 355.000. Zij heeft een in haar opdracht opgemaakt taxatierapport van 5 oktober 2011 van Makelaardij [makelaardij] overgelegd, waarin de marktwaarde van de woning per 3 september 2011 is gesteld op € 289.000.

Daarnaast was [geïntimeerde 1.] volgens [appellante] ten tijde van het wijzen van het vonnis, waarvan beroep, niet verarmd. Hij had immers ingevolge het vonnis van 27 juli 2011 een betaling van (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van) de notaris gekregen, waarmee zijn verarming was opgeheven, aldus [appellante].

10.6.2.

Het hof overweegt dat [appellante] niet heeft betwist dat [geïntimeerde 1.] de woning van [appellante] heeft verbouwd en dat de waardestijging van de woning het gevolg is van deze verbouwing.

Partijen zijn het er over eens dat de woning in oktober 2005, voordat [geïntimeerde 1.] de woning ging bewonen en verbouwen, een onderhandse verkoopwaarde had van € 230.000 (taxatie [taxateur] van 12 oktober 2005). [appellante] heeft weliswaar betwist dat deze taxatie, zoals daarin staat vermeld, in haar opdracht heeft plaatsgevonden, maar zij heeft de waardebepaling op zichzelf niet bestreden. Daarom gaat het hof van die waardebepaling uit.

10.6.3.

[appellante] betwist wel de waardebepaling van de taxatie door [taxateur] per 5 oktober 2010 en bestrijdt dat voor de vaststelling van de waardestijging van de woning, van een waarde na verbouwing en verbetering, van € 355.000 moet worden uitgegaan. Zij onderbouwt dat met de in haar opdracht verrichte taxatie op € 289.000 van [makelaardij] per 3 september 2011.

10.6.4.

Het hof overweegt dat er geen sprake is van een gerechtelijke erkenning door [appellante], zoals [geïntimeerde 1.] stelt, doordat [appellante] de taxatie van [taxateur] per 5 oktober 2010 niet eerder zou hebben bestreden. Het staat [appellante] vrij dat in hoger beroep alsnog te doen.

10.6.5.

Een rechtshandeling wordt vernietigd doordat in een rechterlijke uitspraak een beroep op een vernietigingsgrond is aanvaard. De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de vernietigde rechtshandeling is verricht (artt. 3:51 lid 1 en 3:53 lid 1 BW).

In dit geval heeft dit gerechtshof bij arrest van 29 april 2008 de koopovereenkomst tussen [geïntimeerde 1.] en [appellante] vernietigd. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan nadat de Hoge Raad het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep bij arrest van 11 september 2009 had verworpen. De woning is door allerlei verwikkelingen tussen partijen pas op 29 maart 2011 teruggeleverd aan [appellante]. De vraag rijst, welk moment in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de waarde van de woning na verbetering en verbouwing, om daaruit de waardevermeerdering in vergelijking met de taxatie per oktober 2005 te kunnen afleiden. Daarvoor kunnen naar het oordeel van het hof in beginsel zowel de datum van het arrest van de Hoge Raad als de datum van teruglevering aan [appellante] in aanmerking komen.

10.6.6.

Naast deze onzekerheid stelt het hof vast dat de taxatie van [taxateur] per 5 oktober 2010 uitgaat van een bij de woning behorende grondoppervlakte van 1050 m2, en de taxatie van [makelaardij] van 3 september 2011 van een grondoppervlakte van 985 m2. Ten dele verklaart dat het verschil in de getaxeerde prijs. Welke grondoppervlakte de juiste is, kan in deze procedure niet worden vastgesteld. Partijen hebben het hof immers laten weten dat daarover een dispuut bestaat met de uiteindelijke koper op de executoriale veiling. Zij zijn het er niet over eens of dat geschil al is opgelost en zo ja, in welke zin.

10.6.7.

Nu er geen taxatie van de waarde van de woning na verbouwing en verbetering voorhanden is waar partijen het over eens zijn, een nieuwe taxatie op dit moment niet tot de reële mogelijkheden behoort aangezien de woning thans al weer geruime tijd eigendom van een derde is die mogelijk ook weer veranderingen aan de woning heeft aangebracht, en partijen het er niet over eens zijn van welke grondoppervlakte moet worden uitgegaan terwijl dat thans niet kan worden vastgesteld, zal het hof de hier bedoelde waarde ex aequo en bono vaststellen op het gemiddelde van de beide taxaties, derhalve op een bedrag van

(€ 355.000 + € 289.000 : 2 is) € 322.000.

Dat brengt mee dat de verrijking van [appellante], tevens verarming van [geïntimeerde 1.], moet worden vastgesteld op een bedrag van € 322.000 minus € 230.000 is € 92.000.

10.6.8.

[appellante] heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar verweer dat de redelijkheid zich tegen vergoeding van een bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking verzet, heeft verworpen. Ter onderbouwing heeft zij alleen aangevoerd dat zij [geïntimeerde 1.] er in een brief van 9 juni 2006 op heeft gewezen dat zij niet instemde met enige verbouwingswerkzaamheden. Dat [geïntimeerde 1.] toch is gaan verbouwen, komt volgens [appellante] voor zijn rekening en risico.

Het hof overweegt dat in de bedoelde brief van de (toenmalige) advocaat van [appellante] aan de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde 1.] staat dat [appellante] niet wenst dat er herstelwerkzaamheden aan het riool worden verricht zolang de zaak nog onder de rechter is. Deze kwestie ziet niet op de hier bedoelde verbeteringen en verbouwingen. Verder schrijft de advocaat van [appellante] dat [geïntimeerde 1.] “gewoon stug doorgaat met het bouwen van “verfraaiingen” aan het huis (niet met de aanbouw) Hij heeft een aantal muurtjes en zuiltjes gebouwd en een poort gehangen. Cliënte maakt hier bezwaar tegen.” Het enkele bezwaar tegen muurtjes, zuiltjes en een poort (kennelijk buiten) brengt echter niet mee dat [appellante] aan [geïntimeerde 1.] duidelijk heeft gemaakt dat zij tegen alle uitgevoerde verbouwingen en verbeteringen in het huis bezwaar maakte. De aanbouw was bovendien expliciet van haar bezwaar uitgezonderd.

Het verweer van [appellante] is derhalve terecht verworpen.

10.6.9.

Op het bedrag van € 92.000 komt in mindering het bedrag van € 30.000, dat dit gerechtshof in het arrest van 21 september 2010 als voorschot op de schade ten gevolge van ongerechtvaardigde verrijking aan [geïntimeerde 1.] heeft toegewezen en dat door [appellante] ingevolge de vaststellingsovereenkomst van 23 maart 2011 is betaald. Het hiertegen door [geïntimeerde 1.] gevoerde verweer wordt verworpen. Dat [appellante] zich in eerste aanleg hier niet op heeft beroepen staat niet aan beoordeling en toewijzing in hoger beroep in de weg. Het enkele feit dat [appellante] dit bedrag heeft betaald in het kader van een vaststellingsovereenkomst brengt niet mee dat dit bedrag op een andere titel dan als voorschot op de vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking is betaald. De vaststellingsovereenkomst is immers tot stand gekomen in het kader van het voorkomen van de door [geïntimeerde 1.] aangevangen executie van het arrest van 21 september 2010, waarin het bedrag van € 30.000 als voorschot op de vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking was toegewezen.

Door [appellante] is ter zake deze verrijking mitsdien thans nog te voldoen een bedrag van

(€ 92.000 minus € 30.000 is) € 62.000.

Inboedel

10.7.1.

[appellante] stelt dat [geïntimeerde 1.] vanaf 2005 haar inboedel geleidelijk uit de woning heeft verwijderd. Zij verwijst naar een door haar op 9 maart 2007 bij de politie gedane aangifte wegens diefstal van haar inboedel, en naar een door haar hierover op 12 november 2007 bij de notaris afgelegde verklaring. Bij teruggave van de woning op 29 maart 2011 was de woning leeg. De verzekerende waarde van de inboedel was € 69.500, aldus [appellante].

10.7.2.

[geïntimeerde 1.] stelt dat de volledige inboedel van [appellante], toen [geïntimeerde 1.] uit de woning vertrok, keurig in het tuinhuis van de woning stond opgeslagen. Daarvan is toen door de deurwaarder een proces-verbaal opgemaakt. Dat is bij de sleuteloverdracht daarna ook nog eens geconstateerd door de door [appellante] ingeschakelde notaris mr. J.S. Rief. Er zijn over de inboedel al vele procedures gevoerd, aldus [geïntimeerde 1.]. [geïntimeerde 1.] betwist ook de gestelde waarde van de inboedel.

10.7.3.

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde 1.] bij akte van 2 maart 2011 heeft gesteld dat alle inboedel (en kleding en lijfsieraden, waarover het in hoger beroep niet meer lijkt te gaan) keurig bewaard zijn gebleven en dat hij nogmaals uitdrukkelijk aanbiedt dat deze zaken door haar afgehaald mogen worden. In een brief van de advocaat van [geïntimeerde 1.] aan de advocaat van [appellante] van 15 maart 2011 heeft [geïntimeerde 1.] aan [appellante] laten weten dat hij bezig is de woning te ontruimen, dat de persoonlijke eigendommen van [appellante] die in de woning zijn gehouden, ook verwijderd moeten worden, dat hij meermalen heeft aangegeven dat [appellante] de inboedel kon afhalen maar dat zij daar nooit gebruik van heeft gemaakt, en dat als [appellante] van dit aanbod opnieuw geen gebruik maakt [geïntimeerde 1.] genoodzaakt is die persoonlijke eigendommen uit de woning te verwijderen, omdat anders de nieuwe eigenaar van de woning dat zal doen, en dat hij geen aansprakelijkheid voor de inboedel en persoonlijke eigendommen van [appellante] aanvaardt.

Kennelijk heeft [appellante] van dit (herhaalde) aanbod geen gebruik gemaakt.

Nu zij de gelegenheid heeft gehad haar inboedel en persoonlijke eigendommen op te halen, maar dat niet heeft gedaan, komt het feit dat deze zaken inmiddels verloren zijn gegaan, voor haar rekening en risico. Nu van dit verloren gaan aan [geïntimeerde 1.] geen verwijt kan worden gemaakt, komt een schadevergoeding niet aan de orde.

Gebruikersvergoeding en kosten kost en inwoning

10.8.1.

[appellante] vordert op grond van ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde 1.] een vergoeding omdat [geïntimeerde 1.] haar woning jarenlang heeft gebruikt en bewoond zonder daarvoor een vergoeding te betalen. [geïntimeerde 1.] heeft daar tegen in gebracht dat hij lange tijd eigenaar van de woning is geweest en dat hij de gehele periode alle woonlasten heeft voldaan, waaronder hypotheeklasten, onderhoud, verzekeringspremies, gemeentelijke heffingen en nutsvoorzieningen, zodat geen sprake is van enige verrijking. De rechtbank heeft de vordering afgewezen bij gebrek aan duidelijke onderbouwing en omdat geen rekening was gehouden met door [geïntimeerde 1.] betaalde vaste lasten.

10.8.2.

[appellante] baseert zich bij haar vordering met name op een taxatie van makelaar [makelaardij] van 15 oktober 2012, die een “redelijke huurprijs” voor de woning heeft vastgesteld door vergelijking van de woning met vijf vergelijkbare panden. Dat levert, in 2012, een gemiddelde huurprijs op van € 11 per m2, en voor de woning van circa 100 m2 dus € 1.100 per maand. [appellante] vordert dit bedrag over 65 maanden (november 2005 t/m maart 2011), mitsdien € 71.500.

[geïntimeerde 1.] betwist opnieuw dat hij ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt, nu hij in die periode alle lasten van het huis heeft gedragen. Gelet daarop betwist hij dat € 1.100 per maand een redelijke huurprijs zou zijn.

10.8.3.

Het hof overweegt het volgende.

Dat [geïntimeerde 1.] enige tijd in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij eigenaar was, speelt geen rol, aangezien de vernietiging wegens dwaling terugwerkt tot het moment van de vernietigde rechtshandeling. Achteraf bezien is [geïntimeerde 1.] dus nooit eigenaar geweest.

10.8.4.

In beginsel is [geïntimeerde 1.] aan [appellante] een vergoeding verschuldigd voor het gebruik van de woning gedurende de jaren dat [geïntimeerde 1.] daarin gewoond heeft terwijl niet hij maar [appellante] eigenaar van de woning was. Het gebruik is over die jaren immers niet meer ongedaan te maken, zodat een vergoeding in geld daarvoor in de plaats komt.

Het hof acht de door [makelaardij] (per 2012) genoemde huurprijs van € 1.100 per maand als uitgangspunt acceptabel. Deze prijs is op een behoorlijke en goed onderbouwde manier, door vergelijking met vergelijkbare panden, tot stand gekomen.

Het gaat hier om een periode van februari 2006 – toen [appellante] uit de woning vertrok - t/m maart 2011 (62 maanden). Het hof neemt de maanden november, december 2005 en januari 2006 niet in aanmerking aangezien [geïntimeerde 1.] toen op grond van een afspraak tussen partijen in de woning verbleef. De per 2012 op € 1.100 vastgestelde huurprijs dient met behulp van het percentage waarmee de huurprijs van huurwoningen in de periode 2006 t/m maart 2011 gemiddeld is gestegen, te worden teruggerekend naar de jaren 2006 t/m maart 2011.

Het hof heeft op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=70675NED) de volgende percentages huurverhoging in aanmerking genomen:

- 2012: + 2,8%

- 2011: + 1,8%

- 2010: + 1,6%

- 2009: + 2,8%

- 2008: + 1,9%

- 2007: + 1,4%

Dat leidt ertoe, dat een huurprijs van € 1.100 in 2012 als volgt moet worden teruggerekend:

- 2011: € 1.070

- 2010: € 1.051

- 2009: € 1.034

- 2008: € 1.006

- 2007: € 987

- 2006: € 973

Uitgaande van 10 maanden in 2006, 12 maanden in 2007 t/m 2010 en 3 maanden in 2011 levert dat een door [geïntimeerde 1.] aan [appellante] te vergoeden gebruiksvergoeding op van € 61.876.

10.8.5.

Voorts heeft [geïntimeerde 1.] terecht gesteld dat op die gebruiksvergoeding de eigenaarslasten van de woning, die [geïntimeerde 1.] in de bewuste periode heeft betaald, in mindering komen.

[geïntimeerde 1.] heeft bij akte van 17 november 2010 een handgeschreven overzicht met onderliggende stukken overgelegd, waaruit deze lasten blijken. Het hof neemt de volgende posten, die kosten betreffen ten laste van de eigenaar van een woning, in aanmerking:

  • -

    waterschapsheffing, te stellen op gemiddeld € 155 per jaar, is over 62 maanden: € 801.

  • -

    WOZ belasting (eigenaarsdeel) en rioolrechten: over de jaren 2006 t/m 2009 € 1.935,64. Daarbij nog de jaren 2010 en 2011, te stellen op € 500 per jaar. In totaal: € 2.936.

  • -

    woonhuisverzekering: kennelijk door [geïntimeerde 1.] betaald vanaf 2007, over 4 jaren (t/m 2010)

€ 1.215,85. Daarbij nog te rekenen 2011, te stellen op € 325, is in totaal

€ 1.541.

Hypotheek- en verhuiskosten en andere door [geïntimeerde 1.] genoemde “bijkomende kosten” komen niet voor verrekening in aanmerking aangezien dat geen posten zijn waarmee [appellante], als eigenaar, is verrijkt doordat zij zich die kosten in die jaren heeft bespaard.

Tenslotte vallen naar het oordeel van het hof onder eigenaarslasten, die [appellante] zich heeft bespaard, ook kosten van regulier onderhoud dat gebruikelijk door de eigenaar wordt betaald. Het hof zal daarvoor ex aequo et bono een bedrag vaststellen van € 10.000 voor de gehele periode dat [geïntimeerde 1.] de woning heeft bewoond.

In totaal zal het hof aldus een bedrag van € 15.278 wegens door [appellante] bespaarde, door [geïntimeerde 1.] betaalde lasten in aanmerking nemen.

Dat leidt ertoe dat als gebruiksvergoeding van [geïntimeerde 1.] aan [appellante] zal worden toegewezen een bedrag van € 61.876 verminderd met € 15.278, derhalve € 46.598.

10.8.6.

[appellante] vordert voorts vergoeding van de door haar aan haar zoon betaalde kosten voor kost en inwoning gedurende de periode dat zij niet in haar eigen huis heeft kunnen wonen. Zij stelt dat zij daarvoor € 250 per maand heeft betaald.

Het hof overweegt dat de hierin begrepen kosten voor levensonderhoud niet in aanmerking zullen worden genomen omdat [appellante] die kosten ook zou hebben gehad als zij wel in haar woning had kunnen wonen. De kosten voor inwoning komen in beginsel wel in aanmerking, nu [geïntimeerde 1.] immers de door hem betaalde eigenaarslasten van de woning aan [appellante] in rekening heeft kunnen brengen (zie r.o. 10.8.5).

[appellante] heeft deze kosten niet verder aangetoond dan door overlegging van 17 bewijzen van een wekelijkse betaling van € 50 in 2006, 2007 en 2008. Het hof zal hiervan een geschat bedrag van een kwart of € 12,50 per week aan kosten van inwoning in aanmerking nemen. In totaal komt dan een bedrag van € 212,50 voor vergoeding in aanmerking. Voor het overige heeft [appellante], gelet op de stellige betwisting door [geïntimeerde 1.], deze kosten niet aangetoond.

Buitengerechtelijke kosten

10.9.

Gesteld noch gebleken is dat er aan de zijde van [appellante] verrichtingen zijn geweest die meer omvatten dan voorbereiding van de processtukken en instructie van de zaak. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten kan daarom niet worden toegewezen.

€ 12.440,59 ter afwending executie

10.10.1.

[appellante] vordert tenslotte terugbetaling van een bedrag van € 12.440,59, dat zij ingevolge de vaststellingsovereenkomst van 23 maart 2011 aan [geïntimeerde 1.] heeft betaald ter afwending van de executieveiling van de woning. Zij stelt dat de grondslag voor deze tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof komt te vervallen.

[geïntimeerde 1.] bestrijdt deze vordering.

10.10.2.

[appellante] heeft niet duidelijk gemaakt op welke grond zij meent dat het arrest van het gerechtshof van 21 september 2010, dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarbij aan [geïntimeerde 1.] een voorschot op de schade als gevolg van ongerechtvaardigde verrijking is toegewezen, zijn gelding heeft verloren. Die stelling is ook onjuist. Het stond [geïntimeerde 1.] vrij het hem daarbij toegewezen bedrag te executeren, nu [appellante] dat kennelijk niet uit eigen beweging betaalde. Het gevolg daarvan was, dat een executoriale veiling is voorbereid, die [appellante] door middel van een kort gedingprocedure heeft weten te voorkomen door op 23 maart 2011 met [geïntimeerde 1.] af te spreken dat van de veiling tegen betaling van het toegewezen bedrag van

€ 30.000 en € 12.440,59 executiekosten zou worden afgezien. Er is geen grond waarop [geïntimeerde 1.] dit laatste bedrag aan [appellante] zou moeten terugbetalen.

Resumerend

10.11.1.

De slotsom luidt als volgt.

Aan [geïntimeerde 1.] komt toe een bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking van € 92.000.

Daarop is door [appellante] al een voorschot betaald van € 30.000, zodat resteert € 62.0000.

Aan [appellante] komt toe wegens gebruik van de woning, minus de door [geïntimeerde 1.] betaalde eigenaarslasten, een bedrag van € 46.598 en een vergoeding voor de door [appellante] betaalde kosten van inwoning van € 212,50, in totaal € 46.810,50.

10.11.2.

Beide partijen hebben vergoeding van wettelijke rente gevorderd.

De rechtbank heeft in conventie aan [geïntimeerde 1.] wettelijke rente toegewezen over het bedrag van de waardevermeerdering van de woning vanaf de dag der dagvaarding, 4 februari 2010. Daartegen is door geen van partijen beroep ingesteld. Uit de door [geïntimeerde 1.] in hoger beroep bij conclusie van antwoord in incident van 31 januari 2012 overgelegde afrekening van de notaris van 27 december 2011 blijkt dat aan [geïntimeerde 1.] over het door de rechtbank toegewezen bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking reeds een bedrag aan rente is vergoed van

€ 7.845,31. Dit bedrag komt mitsdien in mindering op de door [appellante] nog aan [geïntimeerde 1.] te betalen wettelijke rente over het bedrag van € 92.000 resp. € 62.000.

Aan [geïntimeerde 1.] komt mitsdien toe:

- € 62.000 met de wettelijke rente over € 92.000 van 4 februari 2010 tot 23 maart 2011 en de wettelijke rente over € 62.000 vanaf 23 maart 2011 tot de dag der voldoening, het rentebedrag te verminderen met € 7.845,31.

[appellante] vordert over de aan haar toegewezen posten de wettelijke rente, primair vanaf 23 maart 2011. Tegen die ingangsdatum is geen verweer gevoerd.

Aan [appellante] komt derhalve toe:

- € 46.810,50 met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2011.

10.11.3.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven I, V en VII ten dele slagen en dat de overige grieven falen.

10.11.4.

Op grond van het feit dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, terwijl partijen voorts bloedverwanten in de rechte lijn zijn, zal het hof de proceskosten, zowel in eerste aanleg in conventie en reconventie, als in hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

11 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Roermond van 7 september 2011, onder rolnr. 99205/HA ZA 10-134 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde 1.] te betalen een bedrag van € 62.000 met de wettelijke rente over € 92.000 van 4 februari 2010 tot 23 maart 2011 en de wettelijke rente over € 62.000 vanaf 23 maart 2011 tot de dag der voldoening, het rentebedrag te verminderen met € 7.845,31;

veroordeelt [geïntimeerde 1.] om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 46.810,50 met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2011 tot de dag van voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in eerste aanleg in conventie en reconventie en in hoger beroep, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en W.A. van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 augustus 2013.