Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3433

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-07-2013
Datum publicatie
05-08-2013
Zaaknummer
HD 200.107.570_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4747, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-samenlevers met betrekking tot een rekening-courantschuld die op naam van een van hen is gesteld maar (deels) is gebruikt voor gemeenschappelijke uitgaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.570/01

arrest van 30 juli 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant, hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. van Alphen te Breda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.M.J. van Uitert te Kaatsheuvel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 juli 2012 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder zaaknummer 229858/ HA ZA 11-133 gewezen vonnissen van 23 november 2011 en 29 februari 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 juli 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 augustus 2012;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grief van de man wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond van 1980 tot begin 2009. Uit hun relatie zijn twee (inmiddels meerderjarige) kinderen geboren.

Een samenlevingsovereenkomst is door hen niet opgemaakt.

Partijen zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning [straatnaam][huisnummer] te [plaats]. Zij hebben de woning in 1996 gekocht.

Op de woning rust (sinds de omzetting in 2007 van twee eerdere hypotheken) een eerste hypotheek ten gunste van de Rabobank in verband met een (aflossingsvrije) lening ten bedrage van € 187.700,-.

De woning is daarnaast belast met een tweede hypotheek (tot 2007 was dit een derde hypotheek) ten gunste van de besloten vennootschap [Holding appellant] B.V. ten bedrage van

€ 230.000,-, dit in verband met een rekening-courantschuld ten name van de man aan [Holding appellant] B.V., welke rekening-courantschuld eind 2008 € 174.353 bedroeg.

Het geschil tussen partijen (voor zover in hoger beroep nog van belang) betreft de vraag of bij de verdeling van de voormelde woning (de woning moet worden verkocht aan een derde en de overwaarde moet bij helfte verdeeld) de hypothecaire schuld aan [Holding appellant] B.V. in mindering moet worden gebracht op de verkoopopbrengst, met andere woorden: de vraag die partijen verdeeld houdt is of de vrouw al dan niet mede draagplichtig is voor de rekening-courantschuld.

De rechtbank heeft in de vonnissen waarvan beroep deze vraag ontkennend beantwoord en heeft in het dictum van het eindvonnis bepaald dat de hypothecaire lening ten gunste van [Holding appellant] B.V. niet in de verdeling zal worden betrokken.

De man kan zich hiermee niet verenigen en is in hoger beroep gekomen.

7.2.

Het hof stelt voorop dat een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 353 lid 1 Rv). Voor zover de man in zijn memorie van grieven vorderingen heeft geformuleerd zal hij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het voorgaande neemt niet weg dat het hof wél acht kan slaan op nieuwe weren die de man voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de vorderingen van de vrouw, dit gelet op het bepaalde in artikel 348 Rv.

7.3.

Omtrent het ontstaan van de hypothecaire schuld aan [Holding appellant] B.V. blijkt uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken (waaronder de jaarrekeningen van [Holding appellant] B.V. die zijn gevoegd bij de brief van mr. Verhagen aan de rechtbank d.d. 12 mei 2011) het volgende.

De man is werkzaam in de reclame/communicatie en heeft van 1992 tot 1 januari 1999 een zelfstandige onderneming gehad in de vorm van een eenmanszaak. Vanaf 1 januari 1999 heeft hij zijn onderneming voortgezet in de vorm van een besloten vennootschap, te weten de werkmaatschappij [werkmaatschappij] B.V. waarin de man deelnam via zijn holding [Holding appellant] B.V.; van laatste genoemde vennootschap was hij (in ieder geval tot 2007) voor 100% eigenaar.

In de eenmanszaak had de man een fiscale oudedagsreserve (FOR) opgebouwd. Om een ”geruisloze overgang” mogelijk te maken, is in [Holding appellant] B.V. een stamrechtverplichting jegens de man opgenomen. Hiertegenover is voor de man jegens [Holding appellant] B.V. een schuld opgenomen in rekening-courant ten bedrage van f. 136.571,-, welk bedrag in 2002 werd gecorrigeerd in f. 156.071,-.

Als gevolg hiervan is in het boekjaar 1999 ten laste van de man een rekening-courantschuld bij [Holding appellant] B.V. ontstaan. Die schuld bedroeg volgens de jaarrekening aan het eind van het jaar 1999 f. 176.273,-, welk bedrag voor een groot deel (voor het voormelde bedrag van

f. 156.071,-) is ontstaan door opname van de stamrechtverplichting in de jaarstukken van de B.V. en voor het overige doordat in het jaar 1999 méér is opgenomen (ten behoeve van gezinsuitgaven, rente en meewerkbeloning voor de vrouw) dan aan de rekening-courant werd toegevoegd door overboeking van het salaris van de man in dat jaar. Omgerekend bedroeg de rekening-courantschuld per ultimo 1999 € 79.989,-.

De schuld is vervolgens in de periode van 2000 t/m 2008 opgelopen tot € 174.353,-, dit als gevolg van gezinsuitgaven die werden voldaan via de rekening-courant en door toevoeging van de periodiek verschuldigde rente over de rekening-courantschuld.

7.4.

De man stelt zich primair op het standpunt dat de rekening-courantschuld een gezamenlijke schuld van partijen is die door beide partijen, ieder voor de helft, moet worden gedragen.

Hij voert hiertoe aan dat beide partijen de hypotheekakte hebben getekend waarin hypotheek is verleend aan [Holding appellant] B.V. Die hypotheekverlening was noodzakelijk omdat faillissement van [Holding appellant] B.V. dreigde; beide partijen wilden dat voorkomen. In de hier bedoelde hypotheekakte is vermeld dat hypotheek is verstrekt ”tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ([Holding appellant] B.V.) blijkens zijn administratie van hen, de comparanten onder A. (de man en de vrouw) zowel van hen te zamen als van ieder van hen afzonderlijk (…) te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook.” Volgens de man blijkt uit deze clausule dat (ook) de vrouw schuldenaar is ten aanzien van de hier bedoelde rekening-courantschuld.

De man stelt verder dat de vrouw volledig bekend was met de achtergrond van het ontstaan en het verloop van de rekening-courantschuld en zijn beide partijen er steeds van uit gegaan dat het om een gezamenlijke schuld ging.

Volgens de man is de schuld ontstaan doordat partijen méér hebben uitgegeven dan er aan inkomsten binnenkwam. Dit geldt ook ten aanzien van de opbouw van de FOR die is omgezet in een stamrechtverplichting: door de opbouw van de FOR hebben partijen een fiscaal voordeel genoten dat mede aan de vrouw ten goede is gekomen. Volgens de man gaat het niet aan dat de vrouw wel de voordelen heeft genoten van de extra bestedingsruimte maar niet de lasten wenst te dragen.

De man heeft er ook nog op gewezen dat de vrouw in haar aangifte IB over de jaren 2006 t/m 2008 de hier bedoelde schuld heeft opgenomen in box 3.

De vrouw heeft de stellingen van de man bestreden.

7.5.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Partijen hebben ongehuwd samengewoond. Zij hadden gescheiden vermogens (behoudens de door heb bewoonde woning die gemeenschappelijk was). Een samenlevingsovereenkomst was door hen niet gemaakt.

De rekening-courantschuld staat, blijkens de overgelegde jaarrekeningen van [Holding appellant] B.V., uitsluitend ten name van de man.

Verder staat vast dat partijen omtrent een eventuele verdeling van de hier aan de orde zijnde rekening-courantschuld geen expliciete overeenkomst hebben gesloten.

Een en ander betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden, zoals de rechtbank terecht heeft beslist, dat uitsluitend de man draagplichtig is voor de rekening-courantschuld, tenzij sprake is van feiten en/of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de vrouw zich jegens de man heeft verbonden een deel van de rekening-courantschuld voor haar rekening te nemen.

Anders dan de man stelt valt naar het oordeel van het hof in de hypotheekakte waarin ten behoeve van [Holding appellant] B.V. hypotheek is verleend op de gemeenschappelijke woning, niet te lezen dat de vrouw zich heeft verbonden om een deel van de rekening-courantschuld voor haar rekening te nemen. Aan de door de man geciteerde (standaard) clausule uit de hypotheekakte kan naar het oordeel van het hof slechts de betekenis worden toegekend dat de hypotheek mede strekte tot zekerheid van de betaling van eventuele vorderingen van [Holding appellant] B.V. op de vrouw en niet dat [Holding appellant] B.V. daadwerkelijk een vordering uit hoofde van de rekening-courantschuld had op de vrouw, noch dat de vrouw een deel van die rekening-courantschuld voor haar rekening diende te nemen. Dat de vrouw de hypotheekakte mede ondertekende lag voor de hand: zij was immers mede-eigenaar van het onderpand.

Ook het feit dat de vrouw de schuld heeft opgenomen in een aantal aangiften IB leidt niet tot de conclusie dat zij zich heeft verbonden een deel van de schuld te dragen. Voor de hand ligt dat fiscale overwegingen aan de opname in de belastingaangiften ten grondslag hebben gelegen.

Weliswaar voert de man terecht aan dat de opnamen in rekening-courant (althans een deel daarvan) mede ten goede zijn gekomen aan de vrouw maar naar het oordeel van het hof kunnen daaraan niet de conclusies worden verbonden die de man trekt. Uit de door partijen verstrekte gegevens maakt het hof op dat de man tijdens de samenleving een beduidend hoger inkomen had dan de vrouw (de man stelt dat hij ”hoofdkostwinner was” was); bovendien was hij degene die via de rekening-courantverhouding een doorlopende kredietfaciliteit bij zijn B.V. had. Gebruikelijk in samenwoningsrelaties is dat degene die over de meeste financiële middelen beschikt ook de meeste lasten draagt. Partijen hebben over de verdeling van de lasten geen expliciete afspraken gemaakt, althans is daarvan niet dan wel onvoldoende gebleken, maar ze waren het er kennelijk stilzwijgend over eens dat de lasten tussen hen werden verdeeld zoals feitelijk is geschied. Dat daarbij door de man een voorbehoud is gemaakt op het punt van verrekening of herverdeling van de lasten achteraf is niet gesteld of gebleken.

Onder deze omstandigheden is er geen grond om aan te nemen dat de vrouw zich zou hebben verbonden om een deel van de door de man voor zijn rekening genomen lasten alsnog voor haar rekening te nemen.

Dit wordt niet anders indien de (door de vrouw betwiste) stelling van de man juist zou zijn dat de vrouw op de hoogte was van de achtergrond en het verloop van de rekening-courantschuld.

De conclusie is dat de primaire stelling van de man moet worden verworpen.

7.6.

Subsidiair stelt de man dat de redelijkheid en billijkheid die partijen als voormalige samenwoners jegens elkaar in acht dienen te nemen meebrengen dat de rekening-courantschuld wordt betrokken in de financiële afwikkeling van hun samenleving.

Hij voert in dit verband met name aan dat de vrouw voordeel heeft genoten als gevolg van (te) hoge opnamen voor gemeenschappelijke uitgaven en dat het onredelijk is dat de man de daaruit voortvloeiende schuld alleen zou moeten dragen.

Dit standpunt kan niet worden aanvaard gelet op hetgeen omtrent dit punt hiervoor onder 7.5 is overwogen.

Van ongerechtvaardigde verrijking zoals de man stelt is naar het oordeel van het hof geen sprake, alleen al omdat niet valt in te zien dat de voldoening door de man tijdens de samenleving, van huishoudelijke uitgaven die mede ten voordele van de vrouw strekken ongerechtvaardigd zou zijn.

4.7.

Het hof voegt hieraan nog toe dat de stamrechtverplichting die in 1999 is gevestigd en die (tezamen met de daarover verschuldigde rente) een substantieel deel van de rekening-courantschuld uitmaakt, uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de man zodat niet valt in te zien dat het onredelijk zou zijn dat de daarmee samenhangende schuld volledig door de man wordt gedragen.

4.8.

Een en ander betekent dat ook het subsidiaire standpunt van de man niet kan worden aanvaard.

4.9.

Meer subsidiair heeft de man aangevoerd dat hij uit privé-middelen de lasten van de hypotheek bij de Rabobank (volledig) heeft voldaan. Hij stelt dat de vrouw die lasten voor de helft moet dragen. Hij heeft de door hem betaalde lasten voor de Rabohypotheek over de periode 2000 t/m november 2012 berekend op € 130.028,79. Hij stelt dat de helft hiervan, dus € 65.014,39, ten laste van de vrouw dient te komen. Hij wenst dat bedrag te verrekenen met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de gemeenschappelijke woning na verkoop.

De vrouw heeft de verschuldigdheid van het voormelde bedrag betwist.

4.10.

Het hof begrijpt uit de door de man bij zijn memorie van grieven (productie 3) overgelegde bankafschriften dat het door hem berekende bedrag betrekking heeft op door hem betaalde rente.

Voor zover die hypotheekrente door hem is betaald tijdens de samenleving van partijen gaat het om kosten van de gemeenschappelijke huishouding en geldt onverkort hetgeen in de voorgaande rechtsoverwegingen is overwogen: partijen waren het kennelijk eens over een verdeling van de gemeenschappelijke lasten tijdens de samenleving en er is geen grond om achteraf tot een herverdeling te komen.

Voor de periode ná het verbreken van de relatie geldt dat – zo begrijpt het hof – de man met uitsluiting van de vrouw in de gemeenschappelijke woning is blijven wonen. Niet gesteld of gebleken is dat hij hiervoor aan de vrouw een gebruiksvergoeding betaalt. Evenmin is gesteld of gebleken dat partijen over een eventuele verdeling van de lasten van de Rabohypotheek na het uiteen gaan, afspraken hebben gemaakt.

Onder deze omstandigheden verzetten de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat dat de man thans van de vrouw de betaling van een deel van de door hem betaalde hypotheekrente verlangt.

Dit betekent dat het meer subsidiaire verweer van de man eveneens moet worden verworpen.

4.11.

De man heeft in algemene termen bewijs van zijn stellingen aangeboden. Dit aanbod wordt als onvoldoende gespecificeerd door het hof gepasseerd..

4.12.

De conclusie is dat de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dienen te worden bekrachtigd, met aanvulling van de gronden zoals in het voorgaande is vermeld.

De kosten van het hoger beroep zullen, omdat partijen gewezen samenlevers zijn, worden gecompenseerd.

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn vorderingen in hoger beroep;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling van de gronden zoals in het voorgaande is vermeld;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, C.D.M. Lamers en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juli 2013.