Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
Wr 184-06-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking van de rolraadsheer in zaken met zaaknummer HD 200.100.000/01 en HD 200.103.021/01. Wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

registratienummer wraking Wr 184-06-2013
datum beslissing 28 mei 2013

beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

in de zaken met zaaknummers HD 200.100.000/01 en HD 200.103.021/01 van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

gevestigd te [woonplaats],

verzoekers tot wraking,

hierna te noemen: [verzoeker 1] respectievelijk de [verzoeker 2],

tegen:

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

strekkende tot wraking van mr. C.N.M. Antens, raadsheer in de civiele sector van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

1 Het procesverloop

1.1.

Het wrakingsverzoek van [verzoeker 1] en de [verzoeker 2], ondertekend door [verzoeker 1] zelf en door [betrokkene 1], mede namens (i.o.) [betrokkene 2], bestuursleden van de [verzoeker 2], is ter griffie van dit hof ontvangen op 7 mei 2013.

1.2.

Mr. Antens heeft niet in de wraking berust. Zij heeft de wrakingskamer laten weten dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid op het wrakingsverzoek te worden gehoord of daarop schriftelijk te reageren.

1.3.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is bepaald op 7 mei 2013. Ter openbare terechtzitting zijn verschenen [verzoeker 1] en zijn echtgenote [betrokkene 1], bestuurslid van de [verzoeker 2]. De wrakingskamer heeft ter zitting geconstateerd dat het wrakingsverzoek niet is ingediend door een advocaat en heeft de behandeling geschorst teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen het wrakingsverzoek alsnog te laten indienen/ondertekenen door een advocaat.

1.4.

Op 13 mei 2013 is ter griffie een door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, ingediend en ondertekend wrakingsverzoek ontvangen. De mondelinge behandeling van het verzoek is hervat op 14 mei 2013. Ter zitting waren aanwezig [verzoeker 1] en [betrokkene 1] voornoemd. [verzoeker 1] heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.5.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer op 28 mei 2013 uitspraak zal doen.

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.

Voor wrakingsverzoeken geldt geen uitzondering op de bij de gerechtshoven verplichte procesvertegenwoordiging in civiele zaken. In verband daarmee heeft het hof ter zitting van 7 mei 2013 [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] in de gelegenheid gesteld het door [verzoeker 1] en door [betrokkene 1], mede namens [betrokkene 2], ondertekende wrakingsverzoek te laten indienen/ondertekenen door een advocaat.

Het op 13 mei 2013 door mr. Hamelaars ingediende en ondertekende wrakingsverzoek vermeldt niet de [verzoeker 2] als verzoekende partij maar alleen [verzoeker 1]. Alleen [verzoeker 1] kan derhalve als verzoeker tot wraking worden aangemerkt. Het hof zal de [verzoeker 2] in het verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

3 Het verzoek tot wraking

3.1.

In de zaken met de rolnummers HD 200.100.000/01 en HD 200.103.021/01 (hierna ook: de rolzaken) zijn ter zitting van 1 oktober 2012 de pleidooien gehouden, waarna die zaken naar de rol van 27 november 2012 zijn verwezen voor het wijzen van arrest. Vervolgens is de uitspraak in de rolzaken driemaal aangehouden tot respectievelijk 22 januari 2013, 19 maart 2013 en 7 mei 2013.

3.2.

Bij fax van 26 april 2013 aan het hoofd administratie van de civiele griffie van het hof (productie B2 bij het verzoekschrift) hebben [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] verzocht de uitspraak van de arresten in de rolzaken aan te houden. Als onderbouwing van dat verzoek hebben [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] aangevoerd dat op 28 mei 2013 een gesprek plaatsvindt met de president van de rechtbank Oost-Brabant en dat zij in dat gesprek aan de orde willen stellen dat - onder meer en kort gezegd - aan de in de rolzaken bestreden vonnissen en processtukken in eerste aanleg formele gebreken en verzuimen kleven die van invloed zijn op de rolzaken in hoger beroep.

In antwoord op deze fax heeft het hoofd administratie bij brief van 1 mei 2013 aan [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] medegedeeld dat een verzoek om aanhouding moet worden ingediend door een advocaat (productie B3 bij het verzoekschrift).

Bij H16-formulier van 4 mei 2013 (productie B4 bij het verzoekschrift) heeft de advocaat van [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] in de rolzaken (thans mr. P.M.A.C. van de Laak) namens hen een verzoek om aanhouding gedaan. Als motivering van het verzoek is op het formulier vermeld: "Clienten wensen dat het arrest wordt uitgesteld, althans de uitspraak wordt aangehouden op grond van artikel 229 Rv."

3.3.

Op 6 mei 2013 is door de griffie namens mr. Antens in haar hoedanigheid van rolraadsheer aan mr. Van de Laak medegedeeld dat de uitspraak in de rolzaken niet wordt aangehouden en dat op 7 mei 2013 arrest wordt gewezen.

3.4.

Op 7 mei 2013 - vóór de uitspraak van het arrest in de rolzaken - is het onderhavige verzoek tot wraking ingediend. Als gevolg daarvan zijn de rolzaken geschorst en is geen uitspraak gedaan.

3.5.

[verzoeker 1] heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat door de weigering van mr. Antens in haar hoedanigheid van rolraadsheer om de uitspraak in de rolzaken aan te houden de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

[verzoeker 1] voert daartoe in de eerste plaats aan, verkort weergegeven, dat de eerdere aanhoudingen van 27 november 2012, 22 januari 2013 en 19 maart 2013 kennelijk - nu daarover niet anders is bericht - door de wederpartij van [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] in de rolzaken zijn verzocht en dat die verzoeken om aanhouding zonder meer zijn ingewilligd. Weigering vervolgens van het verzoek om aanhouding van [verzoeker 1] en de [verzoeker 2], hoewel daartoe op juiste wijze klemmende redenen zijn aangevoerd, de wederpartij daarvan in kennis is gesteld en waarbij groot belang bestaat, doet op z'n minst vermoeden dat er sprake is van partijdigheid.

In de tweede plaats voert [verzoeker 1] aan dat hij op advies van het hoofd administratie op 29 januari 2013 mr. Antens telefonisch heeft benaderd teneinde inlichtingen te verkrijgen omtrent de - kennelijk op verzoek van de wederpartij - verleende aanhouding en dat mr. Antens toen kort en geïrriteerd heeft gereageerd dat die vraag door het hoofd administratie moest worden beantwoord. Door deze wijze van handelen heeft mr. Antens de indruk gewekt vooringenomen te zijn, aldus [verzoeker 1].

In de derde plaats voert [verzoeker 1] aan dat mr. Antens als rolraadsheer voornemens was de in de rolzaken op 7 mei 2013 uit te spreken arresten te ondertekenen, daarmee de inhoud daarvan voor haar rekening te nemen en zich ook verantwoordelijk te maken voor de inhoud van de uit te spreken arresten. Gelet op de aan de wederpartij in de rolzaken verleende uitstellen en de weigering aan [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] uitstel te verlenen, is volgens [verzoeker 1] de vrees terecht dat de arresten vooringenomen tot stand komen. [verzoeker 1] betoogt in dit verband dat met de ondertekening van een arrest door een andere raadsheer (de rolraadsheer) dan de raadsheren die het arrest hebben gewezen in feite een geschrift valselijk wordt opgemaakt (artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht).

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.2.

De wrakingskamer stelt voorop dat mr. Antens in haar hoedanigheid van rolraadsheer niet inhoudelijk betrokken is bij de inhoud van de tussen de partijen in de rolzaken uit te spreken arresten. Als zodanig heeft zij met betrekking tot de rolzaken slechts bemoeienis gehad met de op de rol al dan niet verleende uitstellen en met de - als gevolg van de indiening van het wrakingsverzoek geschorste - uitspraak van de arresten in de rolzaken.

4.3.

Ingevolge het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch (hierna: het Procesreglement) dient een partij een bericht, waaronder begrepen een verzoek om uitstel, behoudens in geval van bijzondere spoed, ter kennis te brengen aan het hof door middel van de elektronische indiening van het daartoe bestemde H-formulier door haar advocaat. Van een aldus ingediend verzoek krijgt de advocaat van de wederpartij te allen tijde bericht. Indien een verzoek of ander bericht op andere wijze wordt ingediend is de advocaat op grond van artikel 1.8 van het Procesreglement gehouden een kopie van het bericht aan de advocaat van de wederpartij te doen toekomen.

Gesteld noch gebleken is dat de advocaat van [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] in de rolzaken er bericht van heeft gekregen dat door de wederpartij op 27 november 2012, 22 januari 2013 en/of 19 maart 2013 uitstel is gevraagd. Ook na raadpleging van de griffiedossiers en van het elektronische roljournaal is niet van dergelijke verzoeken van de wederpartij gebleken. De stelling van [verzoeker 1] dat de aanhoudingen op genoemde data op verzoek van de wederpartij in de rolzaken moeten zijn verricht wordt dan ook verworpen. Naar het oordeel van de wrakingskamer dient ervan te worden uitgegaan dat de aanhoudingen door de rolraadsheer ambtshalve, althans op verzoek van de behandelend kamer zijn verricht. In dit licht bezien getuigt de (aankondiging van de) beslissing van 7 mei 2013 het verzoek om aanhouding van de uitspraak van de arresten niet in te willigen niet van partijdigheid of vooringenomenheid ten gunste/nadele van een van partijen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de weging van de door [verzoeker 1] en de [verzoeker 2] ter onderbouwing van hun verzoek om aanhouding aangevoerde klemmende redenen is voorbehouden aan de rolraadsheer en dat de wrakingskamer zich daarover geen oordeel kan aanmeten. In ieder geval blijkt uit de weigering als zodanig geen vooringenomenheid van mr. Antens.

4.4.

De wrakingskamer overweegt voorts dat het in verband met het beginsel van hoor en wederhoor niet aangaat dat één van partijen zich rechtstreeks (telefonisch) tot een raadsheer wendt teneinde inlichtingen te verkrijgen over (de voortgang van) een zaak. De wrakingskamer wijst voorts nog op artikel 12 Wet RO1. Gelet op een en ander was de reactie van mr. Antens toen zij op 29 januari 2013 telefonisch door [verzoeker 1] werd benaderd, inhoudende dat zij op de vraag om inlichtingen niet kon ingaan en dat [verzoeker 1] zich tot het hoofd administratie moest wenden, de enige juiste. De omstandigheid dat [verzoeker 1], naar hij stelt, dat op advies van het hoofd administratie heeft gedaan, maakt dat niet anders. De woordkeuze die mr. Antens volgens [verzoeker 1] daarbij heeft gebruikt (Dat moet het hoofd administratie beantwoorden) wijst, in het licht bezien van het voorgaande, niet op een onheuse bejegening. Van vooringenomenheid van mr. Antens is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen sprake geweest.

4.5.

Op grond van artikel 230 lid 3 jo. 353 Rv wordt het arrest ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer die de zaak behandelt maar kan het ook worden ondertekend door de raadsheer die het uitspreekt. De voorgenomen uitspraak van de arresten in de rolzaken door mr. Antens op 7 mei 2013 was derhalve conform de wettelijke vereisten. Het bezwaar van [verzoeker 1] tegen deze bij dit hof in civiele zaken gebruikelijke wijze waarop arresten worden ondertekend, stuit daarop af.

In ieder geval kan niet worden gezegd dat bij [verzoeker 1] de gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid kan zijn ontstaan doordat mr. Antens voornemens was rolzaken uit te spreken waarbij zij niet inhoudelijk betrokken is geweest. De omstandigheid dat mr. Antens het verzoek van [verzoeker 1] om aanhouding niet heeft ingewilligd maakt dat niet anders.

4.6.

De slotsom is dat het verzoek om wraking van [verzoeker 1] moet worden afgewezen.

5 De beslissing

Het hof:

verklaart de [verzoeker 2] niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;

wijst het verzoek van [verzoeker 1] af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekers, aan de geïntimeerde partijen in de zaken met rolnummers HD 200.100.000/01 en HD 200.103.021/01 en mr. C.N.M. Antens.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.J. Huige, K.J. van Dijk en

J.H.J.M. Mertens-Steeghs en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2013.

1 Artikel 12 Wet RO luidt: "De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast (…) mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun advocaten of gemachtigden over enige voor hen aanhangige geschillen of geschillen waarvan zij weten of vermoeden dat die voor hen aanhangig zullen worden."