Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3255

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2013
Datum publicatie
19-08-2013
Zaaknummer
20-000205-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:BY8473, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr); handelen in strijd met art. 26, eerste lid, WWM (onder meer een wapen en munitie categorie III). Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden en de maatregel TBS.

Verdachte heeft het slachtoffer bedreigd met de woorden: “ik schiet je kapot godverdomme”. Hij heeft hierbij een vuurwapen getoond (gasalarmpistool), en dat wapen ook in de lucht afgevuurd. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem d.d. 30 mei 2011, LJN BQ6616, is het hof van oordeel dat een dergelijke bedreiging naar zijn aard reeds een misdrijf in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is (een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het het lichaam van een of meer personen), nu er immers sprake is van een bedreiging die door gedrag – handelingen met een vuurwapen – is ondersteund. De aannemelijkheid van de uitvoering van het misdrijf behoeft – aldus verstaat het hof de uitspraak van gerechtshof Arnhem – behoudens uitzonderlijke omstandigheden niet in de beoordeling betrokken te worden. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn in de visie van het hof aan de orde als reeds bij eerste indruk – en kenbaar voor het slachtoffer – evident is dat hetgeen dient als ondersteuning van de bedreiging, nimmer tot uitvoering van het misdrijf waarmee wordt gedreigd, kan leiden. In casu is er geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.

De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling is daarom niet in tijd beperkt

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 38e
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000205-13

Uitspraak : 5 juli 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-800304-12 tegen:

[voor- en achternaam verdachte]

[geboorteplaats en geboortedatum]

[woonplaats]

[verblijfplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

1

subsidiair : Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2 :

: Voorhanden hebben van een wapen en munitie categorie III;

3 :

: Voorhanden hebben van een wapen en munitie categorie II;

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest en is ten aanzien van verdachte ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de duur van de terbeschikkingstelling maximaal vier jaar bedraagt . Bij genoemd vonnis is verdachte vrijgesproken van de onder 1. primair ten laste gelegde diefstal met geweld. Voorts heeft de eerste rechter beslist op het beslag.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van de aan hem onder 1. primair ten laste gelegde diefstal met geweld en het onder 2. en 3. ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte de maatregel TBS met dwangverpleging met ongemaximeerde duur wordt opgelegd.

Tot slot heeft hij zich op het standpunt gesteld dat op het beslag dient te worden besloten overeenkomstig de beslissingen van de rechter in eerste aanleg.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat verdachte van het onder 1. primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken;

  • -

    ter zake van de bewezenverklaring van de onder 1. subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zich gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    zich op het standpunt gesteld dat dient te worden volstaan met hooguit een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en dat ten aanzien van verdachte niet de maatregel TBS met dwangverpleging wordt gelast, althans niet van ongemaximeerde duur;

  • -

    zich het standpunt gesteld dat op het beslag wordt besloten overeenkomstig de beslissingen van de rechter in eerste aanleg.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair
hij op of omstreeks 06 januari 2012 op de Boerhaavelaan, althans op een openbare weg, te Roosendaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie, althans een of meer dozen inhoudende latex handschoenen en/of vijf, althans een of meer dozen inhoudende batterijen en/of een bundel tie-wraps, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Franciscus Ziekenhuis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een schot (in de lucht) heeft afgevuurd en/of die Wentzel dreigend heeft toegevoegd: “Ik schiet je kapot godverdomme, ik ga nu weg”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

1.

subsidiair
hij op of omstreeks 06 januari 2012 te Roosendaal [het slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een schot gelost en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: “Ik schiet je kapot godverdomme, ik ga nu weg”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 06 januari 2012 te Roosendaal een wapen, zijnde een gas- of alarmpistool van categorie III en/of bijbehorende munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 23 maart 2012 te Roosendaal een spuitbusje (met o.a als opschriften: “Walther Prosecur, High perfomance Pfeffer Spray, enthalt 10% Oleoresin Capsicum, inhalt 74 ml, haltbar bis 03.2016)”, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de in de tas van verdachte aangetroffen latex handschoenen, batterijen en tie-wraps toebehoorden aan het Franciscus Ziekenhuis dan wel aan een ander dan verdachte. In het bijzonder overweegt het hof in dit verband dat deze aangetroffen goederen onvoldoende specifiek zijn om de eigendom hiervan exclusief toe te dichten aan genoemd ziekenhuis. Het dossier bevat voorts onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan kan worden uitgesloten dat verdachte niet de eigenaar van deze goederen was.

Mitsdien acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. primair ten laste gelegde diefstal heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair, 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

subsidiair
hij op 6 januari 2012 te Roosendaal [het slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp een schot gelost en deze dreigend de woorden toegevoegd: “Ik schiet je kapot godverdomme ik ga nu weg”.

2.
hij op 6 januari 2012 te Roosendaal een wapen, zijnde een gas- of alarmpistool van categorie III en bijbehorende munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

3.
hij op 23 maart 2012 te Roosendaal een spuitbusje (met o.a als opschriften: “Walther Prosecur, High perfomance Pfeffer Spray, enthalt 10% Oleoresin Capsicum, inhalt 74 ml, haltbar bis 03.2016)”, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

A.1.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

A.2.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het feit dat de onder 1. subsidiair bewezen verklaarde bedreiging, gelet op de daarbij geuite bewoordingen, te weten “Ik schiet je kapot godverdomme (…)”, was gericht tegen het leven van het slachtoffer;

  • -

    het gewelddadig karakter en de ernst van genoemde bedreiging, in het bijzonder het feit dat deze bedreiging gepaard is gegaan met het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te weten gas- of alarmpistool, waarbij verdachte vervolgens met dit pistool in de lucht heeft geschoten;

  • -

    de omstandigheid dat zowel het onder 2. als het onder 3. bewezen verklaarde feit gaat om overtreding van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    29 april 2013, in het bijzonder het feit dat hieruit blijkt dat verdachte eerder bij vonnis d.d. 4 november 2003 is veroordeeld in verband met onder meer bedreiging en overtredingen van artikel 27 van de Wet wapens en munitie en meerdere gekwalificeerde diefstallen, alsmede het feit dat verdachte in 2008 wederom is veroordeeld in verband met het plegen van een gekwalificeerde diefstal;

  • -

    het ten aanzien van verdachte opgestelde deskundigenrapport Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie: Pieter Baan Centrum, d.d. 21 september 2012, opgemaakt door [psychiater Y], [GZ-psycholoog X], en [klinisch psycholoog Z], waaruit onder meer naar voren komt dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moeten worden beschouwd;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

A.3.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen straf en de duur daarvan aansluiting gezocht bij de straffen die door dit gerechtshof in min of meer vergelijkbare gevallen gebruikelijk worden opgelegd.

A.4.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden.

B.

Ten aanzien van de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel TBS met dwangverpleging overweegt het hof het volgende.

B.1.

Voor zover hier van belang is in het deskundigenrapport Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie: Pieter Baan Centrum, d.d. 21 september 2012, opgemaakt door [psychiater Y], en [GZ-psycholoog X], en [klinisch psycholoog Z], het volgende opgenomen:

Ten aanzien van het gevaarscriterium

Hoofdstuk 5 “Psychologisch onderzoek”, diagnostische beschouwing, pagina 60 en 61, [GZ-psycholoog X], onder supervisie van [klinisch psycholoog Z]:

“Ondanks dat er sprake is van een beperkt onderzoek, kan worden geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van ernstige problematiek. Er is onder meer sprake van een ernstig gestoorde agressieregulatie. De frustratie tolerantie is gering en wanneer boosheid oploopt kan betrokkene de controle over zijn impulsen verliezen. De omgeving en betrokkene zelf zien dit vaak niet aankomen: hevige impulsdoorbraken kunnen onvoorspelbaar en oninvoelbaar zijn. Betrokkene kan lange tijd wraakgevoelens opbouwen zonder dat de omgeving daar weet van heeft. Vanuit wraakgevoelens kan hij de grip op zijn impulsen verliezen. Dit gedrag is beschreven vanuit de verplichte hulpverleningscontacten die hij heeft gehad, maar komt ook vanuit het testmateriaal naar voren. Agressie kan gericht zijn jegens de behandelaars die hem in zijn autonomie beknotten en hem in een onmachtige positie brengen. Betrokkene is onverstoorbaar en heeft weinig boodschap aan wat zijn gedrag bij anderen teweegbrengt en voelt dat ook niet goed aan. Er is geen sprake van lijdensdruk. Over het algemeen is hij sterk gericht op zijn eigen gewin en wordt antisociaal gedrag direct geuit, zonder dat hij geremd wordt door zijn geweten. Er is een grote behoefte aan prikkels en spanningszoekend gedrag. Routinezaken worden door betrokkene saai gevonden en hij is niet goed in staat zich in te zetten voor lange termijn doelen. Betrokkene heeft moeite met intimiteit en hecht zich moeilijk wat kan duiden op een vroeg ontstaan gevoel van zich tekortgedaan en in de steek gelaten voelen. Dit lijkt een vroege bron van boosheid te zijn. Betrokkene kan ook (soms gedurende lange tijd) redelijk probleemloos en aangepast functioneren, waardoor de problematiek niet aan de orde lijkt te zijn, maar er wel is.”

Ten aanzien van de stoornis:

Hoofdstuk 7 “Forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling”, pagina 76 en 77, [GZ-psycholoog X], onder supervisie van [klinisch psycholoog Z] en [psychiater Y]:

“Uit de klinische indrukken van ondergetekenden, in combinatie met de tests die mogelijk zijn geweest, komen bij betrokkene vooral de volgende problemen naar voren. Er is sprake van een gestoorde, gestuwde agressiehuishouding. Hij is vervuld van boosheid waar hij weinig vat op heeft en waar hij ook weinig weet van heeft. Bovendien zijn er gevoelens van miskenning, wrok en wraak. Betrokkene heeft weinig inzicht in zijn eigen emoties en drijfveren. Zijn empathische vermogens zijn zeer beperkt; hij kan zich slecht verplaatsen in de gedachte- en gevoelswereld van de ander. Er is sprake van een gebrek aan emotionele diepgang, een belangrijke oorzaak van de onrijpheid van zijn persoonlijkheidsontwikkeling, ten gevolge waarvan betrokkene zoveel jonger overkomt dan de kalender aangeeft. Het is mogelijk dat betrokkene zich juist door het gebrek aan emotionele diepgang snel leeg en verveeld voelt, hetgeen hij compenseert met spanningzoekend gedrag. Betrokkene is al lange tijd bekend met diverse preoccupaties en fascinaties onder meer voor wapens en geweld in het algemeen. De genoemde symptomen maken in diagnostische zin deel uit van een stoornis in het autismespectrum. Omdat er bij betrokkene sprake is van een goede intelligentie en omdat hij redelijk in staat is aangepast gedrag te vertonen, moet er bij betrokkene worden gesproken van een zogeheten hoog functionerende vorm van autisme.

Uit het onderzoek blijkt ook dat er op het niveau van de persoonlijkheid bij betrokkene antisociale en narcistische trekken zijn te onderkennen. De antisociale tendens komt tot uiting in zijn neiging om zich niet aan regels en wetten te houden, terwijl het narcistische deel van de persoonlijkheidsproblematiek vooral blijkt uit zijn geldingsdrang, hoogmoed en krenkbaarheid. De eerdergenoemde gestoorde agressiehuishouding wordt ook door deze narcistische aspecten gevoed.

De antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken weerspiegelen zich in de score van de PCL-R. Volgens de uitkomsten van dit instrument is er bij betrokkene sprake van trekken van psychopathie.”

Conclusies

Hoofdstuk 7 “Forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling”, pagina 78 tot en met 81, [GZ-psycholoog X], onder supervisie van [klinisch psycholoog Z] en [psychiater Y]:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis en van een persoonlijkheid met trekken van de antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis. De chronische problematiek bestaat al lang en was ook in de periode van het ten laste gelegde aanwezig. (…)

In het huidige (hof: feit 1) ten laste gelegde lijkt betrokkene door de aangever in welk plan dan ook te worden gedwarsboomd en met het schieten met zijn wapen vertoont hij een wel zeer inadequate overreactie. Zijn woede, als uiting van de gestoorde agressiehuishouding wordt gewekt Hij weet zich niet passend af te stemmen op een voor hem nieuwe situatie en hij is niet in staat enige rekening te houden met de gevoelens van de ander, in dit geval de aangever. Op deze wijze komt het autisme van betrokkene in het gedrag bij het ten laste gelegde, indien bewezen, in dien mate tot uitdrukking dat het onderzoekend team van het PBC Uw college adviseert betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het ten laste gelegde, indien bewezen.

Bij het sub 2 ten laste gelegde feit komt, indien bewezen, vooral de fascinatie voor wapens, als onderdeel van de autismespectrumstoornis tot uiting. Ook voor dit feit adviseren wij de rechtbank betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten. (…)

Dezelfde factoren die het gedrag bij het ten laste gelegde, indien bewezen, hebben beïnvloed, zijn ook van belang bij het recidivegevaar. Daarnaast spelen de hardnekkige wraakgevoelens, behoefte aan spanningen, de fascinaties voor wapens en geweld en de ondoorgrondelijkheid van zijn delictgedrag een rol bij het recidivegevaar. Het onderzoekend team van het PBC is van mening dat de kans op een recidive groot is. Bij de overwegingen over het recidivegevaar hebben wij ook in ogenschouw genomen dat er moet worden gesproken van een zekere mate van escalatie van het gewelddadig gedrag van betrokkene. Het delict waarvoor hij een PIJ-maatregel kreeg opgelegd betrof het vernielen van materie. Het delict waarvoor de gemaximeerde tbs met dwangverpleging werd opgelegd betrof geweld tegen dieren en nu betreft het, indien bewezen, een mens die met ernstig geweld wordt bedreigd. Het risicotaxatieinstrument, de HCR-20, bevestigt, zowel op het niveau van de historische items, als op dat van klinische items en de meer op de toekomst gerichte risicohanteringsitems de klinische indruk van het hoge recidivegevaar.

De SAPROF, het instrument waarmee beschermende factoren, die de kans op recidive zouden kunnen beperken, in beeld worden gebracht geeft aan dat er bij betrokkene weinig beschermende factoren aanwezig zijn. (…)

Alle bovenstaande gegevens in overweging nemende komen wij tot de conclusie Uw College te adviseren de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. In verband met de ernst van de stoornis, de schatting van de hoge kans op een recidive, alsmede betrokkenes gebrek aan probleembesef en behandelmotivatie, is het niet te verwachten dat een minder verregaande maatregel het recidivegevaar voldoende zou kunnen beperken.

B.2.

Het hof neemt deze conclusies van voornoemd deskundigenrapport over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

B.3.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte ter beschikking dient te worden gesteld, nu tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf dat is omschreven in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging), en de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte eist.

B.4.

Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van het voornoemde rapport dat over de persoonlijkheid van verdachte is uitgebracht, in het bijzonder de fascinatie voor wapens en explosieven, het hoge recidiverisico waartoe wordt geconcludeerd, het ontbreken aan inzicht bij verdachte in zijn persoonlijkheidsproblematiek en de beperkte motivatie bij verdachte om zich te laten behandelen voor deze problematiek.

Voorts neemt het hof in aanmerking het feit dat ten aanzien verdachte reeds eerder, te weten op 4 november 2003 in verband met veroordelingen voor onder meer bedreiging, diefstal en oplichting en het opzettelijk en wederrechtelijk een dier doden, de TBS-maatregel met dwangverpleging (gemaximeerd) is gelast.

Tot slot neemt het hof in aanmerking de bijzondere ernst van de bewezen verklaarde bedreiging, in het bijzonder het feit dat dit een bedreiging met enig misdrijf gericht tegen het leven betrof, waarbij verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te weten gas- of alarmpistool, ter hand heeft genomen en vervolgens met dit pistool - in de directe nabij van [het slachtoffer A] - in de lucht heeft geschoten.

C.

Ten aanzien van de door de advocaat-generaal gevorderde ongemaximeerde maatregel TBS met dwangverpleging - en derhalve de vraag of er sprake is van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht - overweegt het hof het volgende.

C.1.

Het hof legt aan zijn overwegingen ten grondslag de uitspraak van het gerechtshof Arnhem d.d. 30 mei 2011, LJN BQ6616, inhoudende:

“In het verleden heeft het hof beslist, dat wel van een misdrijf kan worden gesproken dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, indien de bedreiging (A:) op de een of andere wijze nader is ondersteund en/of (B:)1 aannemelijk is geworden dat die bedreiging ook daadwerkelijk tenuitvoergebracht zou worden (onder meer Gerechtshof Arnhem 1 maart 1999, NJ 2000, 74 (http://jure.nl/ab7560), LJN AB7560 (http://jure.nl/ab7560)).
Thans meent het hof een meer beperkte uitleg te moeten geven aan dat begrip, in die zin, dat het in zijn algemeen van oordeel is, dat voor het aannemen van een misdrijf als hier bedoeld vereist is, dat een dreigende uiting voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd wordt door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde; gedacht wordt bijvoorbeeld aan het tonen van een wapen of het met een auto inrijden op een persoon.
Aan de aannemelijkheid van uitvoering van het misdrijf waarmee werd gedreigd wenst het hof op grond van zijn interpretatie van de parlementaire geschiedenis in zijn algemeenheid geen betekenis meer toe te kennen, omdat een dergelijke inschatting niet of nauwelijks (alsnog) gemaakt kan worden op basis van objectief vast te stellen feiten en omstandigheden. Het kan niet meer zijn dan een verwachting van wat er verder (na de bedreiging) wellicht had kunnen gebeuren.”

C.2.

Verdachte heeft [het slachtoffer A] gedreigd met de woorden: “ik schiet je kapot godverdomme”. Hij heeft hierbij een vuurwapen getoond, en dat wapen ook afgevuurd.

Het hof verstaat de uitspraak van het gerechtshof Arnhem aldus, dat een dergelijke bedreiging naar zijn aard reeds een misdrijf in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is, nu er immers sprake is van een bedreiging die door gedrag – handelingen met een vuurwapen – is ondersteund.

De aannemelijkheid van de uitvoering van het misdrijf behoeft – aldus verstaat het hof de uitspraak van gerechtshof Arnhem – behoudens uitzonderlijke omstandigheden niet in de beoordeling betrokken te worden. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn in de visie van het hof aan de orde als reeds bij eerste indruk – en kenbaar voor het slachtoffer – evident is dat hetgeen dient als ondersteuning van de bedreiging, nimmer tot uitvoering van het misdrijf waarmee wordt gedreigd, kan leiden. In casu is er geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.

De handelwijze van verdachte wordt door het hof derhalve aangemerkt als een misdrijf in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling niet in tijd is beperkt.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking waartoe of met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan cq. die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte onder 1., 2. en 3. begane misdrijven zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven schoeisel en de cd-roms zullen worden teruggegeven aan verdachte, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven stukken papier kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38e, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    2.00 STK Sirene: Kl: rood, met zwarte hoorns, made in Italy, voorwerp 728046;

  • -

    1.00 STK Sirene Kl: grijs, voorwerp 728048;

  • -

    1.00 STK Gereedschap Kl: zwart, Praxis, breekijzer of koevoet, voorwerp 728060;

  • -

    1.00 STK Pijp Kl: zwart, ijzer, 11m diam 3cm, voorwerp 728067;

  • -

    1.00 STK Knipmes Kl: zwart, Walther 440SS, voorwerp 719589;

  • -

    1.00 STK Wapen, Pepperspray 2885397, voorwerp 719590.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    2.00 STK Schoeisel Kl: meerkleur, Gola, maat 44, voorwerp 671190;

  • -

    2.00 STK Schoeisel Kl: zwart, voorwerp 671520;

  • -

    2.00 STK Cd-Rom, opname beelden, voorwerp 671525.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 13.00 STK Papier, voorwerp 671526.

Aldus gewezen door

mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. J.J. van Eck , raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 5 juli 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. van Eck is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Nummering A en B toegevoegd door griffier gerechtshof ‘s-Hertogenbosch