Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3156

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
HD 200.109.637/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

vervolg op LJN: BY6815. (ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6815)

Aanwezigheid van ten minste 22 kilo gedroogde hennep, een niet meer in werking zijnde hennepkwekerij en tien hennepplanten in (de tuin van) de huurwoning levert een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op; (woon)belang huurder weegt niet op tegen deze tekortkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.109.637/02

arrest van 16 juli 2013

in de zaak van

[opposant] ,

wonende te [woonplaats],

opposant,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

Gemeente Eindoven,

zetelend te Eindhoven,

geopposeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2013 ingeleide verzet tegen het op 18 december 2012 onder zaaknummer HD 200.109.637/01 bij verstek gewezen arrest van dit hof tussen opposant - huurder - als geïntimeerde en geopposeerde - de gemeente - als appellante.

6 Het arrest van 18 december 2012

Bij dit arrest heeft het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven van 1 maart 2012 onder zaaknummer 783495 11/9669 tussen partijen gewezen, vernietigd en de vorderingen van de gemeente alsnog grotendeels toegewezen met veroordeling van huurder in de proceskosten van beide instanties.

7 Het geding in verzet

7.1

Bij verzetdagvaarding heeft huurder aangevoerd dat voor toewijzing van de vorderingen van de gemeente geen grond bestaat en geconcludeerd, kort gezegd, tot vernietiging van het arrest waarvan verzet en tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter van 1 maart 2012.

7.2

Bij akte heeft huurder twee producties overgelegd, waarop de gemeente een akte uitlating producties heeft genomen.

7.3

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van huurder ontbreekt de memorie van grieven, in dat van de gemeente beide aktes in hoger beroep.

8. De beoordeling in verzet

8.1

In het verstekarrest van 18 december 2012 (r.o. 4.1) is het hof van de volgende feiten uitgegaan:

i. Huurder huurt met ingang van 16 juli 1982 van de gemeente een woning aan de [perceel] ([postcode]) te [woonplaats].

ii. Op 6 juli 2010 heeft de politie in het gehuurde 26,165 kilogram in zakken verpakte gedroogde hennep aangetroffen, op de zolder een niet meer in gebruik zijnde hennepkwekerij en in de tuin tien hennepplanten.

8.2

In deze procedure vordert de gemeente, kort gezegd, de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Volgens de gemeente heeft huurder het gehuurde niet gebruikt conform de bestemming “woning” en is huurder tekortgeschoten in zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen. Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn daarom volgens de gemeente gerechtvaardigd.

8.3

De kantonrechter heeft in het vonnis van 1 maart 2012 de vordering van de gemeente afgewezen, overwegende dat de tekortkomingen onvoldoende ernstig zijn om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. Daarbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat de gemeente ruim één jaar heeft gewacht met de aanvang van de procedure.

8.4

Wat deze laatste omstandigheid betreft heeft het hof in het verstekarrest geoordeeld dat van rechtsverwerking aan de zijde van de gemeente geen sprake is (r.o. 4.6). Verder heeft het hof geoordeeld dat het aanwezig hebben van ten minste 22 kilo gedroogde hennep, een niet meer in werking zijnde hennepkwekerij en tien hennepplanten in (de tuin van) het gehuurde aan de zijde van huurder een tekortkoming oplevert in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst (r.o. 4.10) en dat huurder hiermee heeft gehandeld in strijd met de verplichting om zich als een goed huurder te gedragen (artikel 7:214 BW) (r.o. 4.11). Het woonbelang van huurder weegt naar het oordeel van het hof in het verstekarrest niet op tegen de vastgestelde tekortkoming (r.o. 4.15), zodat de vorderingen van de gemeente alsnog zijn toegewezen, met een ontruimingstermijn van één maand en, gelet op artikel 556 Rv, zonder de gevraagde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te bewerkstelligen.

8.5

Na de verzetdagvaarding heeft huurder bij akte twee producties in het geding gebracht: het proces-verbaal van de strafzaak tegen hem wegens overtreding van de Opiumwet (prod. 1) en een overzicht van medische gegevens (prod. 2). De gemeente heeft in haar akte uitlating producties opgemerkt dat huurder deze producties al bij zijn verzetdagvaarding had kunnen voegen. De gemeente verzoekt het hof deze daarom buiten beschouwing te laten. Het hof gaat aan dit verzoek voorbij, aangezien niet valt in te zien waarom huurder in dit geval deze producties niet op deze wijze en in dit stadium in het geding zou hebben mogen brengen.

8.6

In zijn verzetdagvaarding gaat huurder in op twee aspecten van zijn verweer tegen de vorderingen van de gemeente:

  1. de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning;

  2. de persoonlijke omstandigheden van huurder.

Volgens huurder is de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet gerechtvaardigd.


Ad 1)

8.7

Volgens huurder blijkt uit het door hem overgelegde proces-verbaal dat in het gehuurde geen hennepkwekerij is aangetroffen. Er zijn geen assimilatielampen e.d. aangetroffen en er is slechts als zijn verklaring vermeld dat hij jaren eerder eens een proefopstelling heeft gehad, waar hij niets mee gedaan heeft (blz. 21). De gemeente voert aan dat de verbalisanten in het proces-verbaal hebben vermeld dat zij op zolder een oude hennepkwekerij hebben aangetroffen (blz. 24) en dat huurder heeft bekend dat hij op zolder een hennepkwekerij in werking heeft gehad.

8.8

Het hof overweegt hierover het volgende. In het proces-verbaal is als verklaring van huurder onder meer vermeld: “Ik heb op zolder een hennepkwekerij gehad. Deze is niet meer in werking. Deze heb ik jaren geleden zelf opgeruimd. Ik heb ook geen oogsten verkocht. Ik heb hier niets mee gedaan. Dit was een proef.” (blz. 21). In het proces-verbaal is als bevindingen van een van de verbalisanten vermeld: “Op deze zolder troffen wij een oude hennepkwekerij aan welke niet meer in werking was. Ook waren er geen resten van hennep aanwezig in deze kwekerij.” (blz. 24). Uit deze passages kan niet anders worden geconcludeerd dan dat huurder in het gehuurde op zolder een hennepkwekerij in werking heeft gehad. Dat deze op het moment van de inval door de politie niet langer in gebruik was doet daar niet aan af. Dat geldt ook voor de stelling dat het slechts om een proef zou zijn gegaan. Door de gemeente is op dit punt ook niet gesteld dat sprake was van een werkende hennepkwekerij. Zoals hiervoor onder 8.1 aangegeven, is het hof er in het verstekarrest van uitgegaan dat het ging om een niet meer in gebruik zijnde hennepkwekerij. Uit het door huurder overgelegde proces-verbaal en uit hetgeen hij hierover verder naar voren heeft gebracht, kan niet worden afgeleid dat deze vaststelling onjuist is. Overigens zou ook indien de aanwezigheid van de (voormalige) hennepkwekerij buiten beschouwing gelaten zou worden de conclusie ten aanzien van de tekortkoming van huurder geen andere zijn geweest dan in het verstekarrest opgenomen.

Ad 2)

8.9

Huurder heeft aangevoerd dat hij de woning al sinds 15 juli 1982 huurt, zich altijd een goed huurder heeft betoond en aan de buurt verknocht is. Hij is inmiddels weduwnaar geworden en staat onder behandeling voor lichamelijke en geestelijke problemen. Gevolg van de ontbinding van de huurovereenkomst zal zijn dat hij gedurende vijf jaar geen woning zal kunnen huren. Deze omstandigheden staan volgens huurder aan toewijzing van de vorderingen van de gemeente in de weg. Ter onderbouwing van zijn gesteldheid heeft huurder bij akte een overzicht van medische gegevens overgelegd. Volgens de gemeente blijkt uit dit overzicht niet meer dan dat huurder spanningsklachten heeft die verband zouden houden met de dreigende ontruiming van het gehuurde. Er blijkt niet uit dat huurder niet in staat zou zijn de woning te ontruimen, aldus de gemeente. Eventuele spanningsklachten dienen volgens de gemeente geheel voor rekening en risico van huurder te komen nu hij zich uit winstbejag heeft ingelaten met risicovolle en illegale activiteiten.

8.10

Het hof overweegt hierover het volgende. Uit hetgeen de huurder over zijn omstandigheden eerder in de procedure naar voren heeft gebracht en uit hetgeen hij daaraan in deze verzetprocedure heeft toegevoegd blijkt niet van zodanige bijzondere omstandigheden dat voortzetting van de huurovereenkomst ondanks de vastgestelde tekortkomingen van huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst geboden is en dat zijn woonbelang zwaarder dient te wegen dan die tekortkomingen. Van specifiek op huurder toegesneden voorzieningen in de woning is niets gebleken, uit de overgelegde medische informatie blijkt niet dat ontruiming van de woning thans onverantwoord is en van het ontstaan van een acute noodtoestand door die ontruiming is evenmin gebleken. Ook de overige omstandigheden die huurder heeft aangevoerd, zijn niet van dien aard dat deze in dit verband als bijzondere omstandigheden met het door huurder gewenste gevolg kunnen worden aangemerkt.

8.11

Een en ander brengt het hof tot de slotsom dat het verzet van huurder tegen het arrest van 18 december 2012 ongegrond verklaard dient te worden. Het arrest wordt bekrachtigd met veroordeling van huurder in de kosten van de verzetprocedure.

9 De uitspraak

Het hof:

verklaart het verzet tegen het verstekarrest van dit hof van 18 december 2012 ongegrond;

bekrachtigt het verstekarrest van dit hof van 18 december 2012;

veroordeelt huurder in de kosten van de verzetprocedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 447,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2013.