Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3067

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
HD 200.098.334_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:725
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5097
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ongeldige stampandakte; met vervolgpandakten is zelfstandig een stil pandrecht gevestigd; geen mededeling van de rechtsgeldige verpanding gedaan vóór memorie van grieven;

curator stemt in met verrekening door crediteur van de gefailleerde: in de verhouding tussen twee crediteuren van de gefailleerde is die erkenning niet relevant;

beroep op art. 54 Fw komt alleen toe aan de curator en niet aan individuele crediteur jegens andere crediteur

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.098.334/01

arrest van 16 juli 2013

in de zaak van

Coöperatieve Rabobank Parkstad Limburg U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

appellante in principaal appel

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.M. Scholtes te Heerlen,

tegen

Personenvervoer Zuid Nederland B.V. tevens h.o.d.n. Personen- en Zorgvervoer Nederland (PZN),

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.J.H.M. Crombaghs te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 november 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 10 augustus 2011 tussen appellante – de Rabobank – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – PZN – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 141942/HA ZA 09-806)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven met producties heeft de Rabobank zes grieven aangevoerd, de grondslag van haar vorderingen gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot als aan het slot van die memorie omschreven.

2.2.

Bij memorie van antwoord met producties heeft PZN de grieven bestreden. Zij heeft daarbij onder aanvoering van twee grieven incidenteel appel ingesteld en gevorderd als aan het slot van die memorie omschreven.

2.3.

De Rabobank heeft een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

2.4.

Partijen hebben vervolgens hun zaak schriftelijk bepleit.

2.5.

Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Alleen de Rabobank heeft daarbij gedingstukken overgelegd. De producties die bij de overgelegde processtukken behoren, zijn helaas niet van elkaar gescheiden door bijvoorbeeld een tabblad, integendeel, door het dubbelzijdig gekopieerd zijn van alle stukken is moeilijk te onderscheiden waar de ene productie ophoudt en de andere begint.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

PZN houdt zich bezig met het ontwikkelen en exploiteren van personenvervoer. Rolgoed B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] (hierna: Rolgoed), houdt zich bezig met het verwerven, verhuren en in lease geven van roerende en onroerende zaken. PZN en Rolgoed zijn beide 100% dochtervennootschappen van Veolia Transport Nederland B.V. en behoorden bij het zgn. Veolia-concern.

4.1.2.

Parkstad Limburg Personenvervoer II B.V., destijds gevestigd te Kerkrade (hierna: PLP II), exploiteerde tussen 18 maart 2004 en 13 november 2008 onder meer een taxi-en vervoersbedrijf. PLP II behoorde samen met (onder andere) PLP B.V., AATax Vaals B.V., Taxi-en Kleinbusbedrijf [vervoerder] en Zonen B.V en [vervoerder] Simpelveld Beheer B.V. tot het zgn. [vervoerder]-concern van de heren [vervoerder 1] en [vervoerder 2].

PLP II is op 13 november 2008 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. M.M.H.J. Rompelberg tot curator.

financieringsrelatie Rabobank-PLP II

4.1.3.

In ieder geval op 21 april 2004 is tussen de Rabobank enerzijds en het [vervoerder]-concern en de heren [vervoerder] anderzijds een financieringsrelatie ontstaan, waarbij de Rabobank aan (de onderdelen van) het [vervoerder]-concern - waaronder dus ook PLP II - hoofdelijk een krediet in rekening-courant van € 450.000,-- en een geldlening van € 50.000,-- heeft verstrekt (prod. 10 cva in conventie). Onder het hoofdje “Zekerheden” op bladzijde 11 van de door alle partijen ondertekende overeenkomst staat onder meer vermeld:

Het financieringsvoorstel is mede gebaseerd op het stellen van de hierna vermelde zekerheden voor de bank (..)

  • -

    De verpanding van de inventaris (..)

  • -

    De verpanding van de transportmiddelen (..)

De reeds bestaande zekerheden strekken ook tot zekerheid voor de aangeboden financiering.

Onder het hoofdje “nadere afspraken” op bladzijden 12 en 13 staat onder meer vermeld:

Voor de aangeboden financiering gelden tevens onderstaande afspraken.

De bank ontvangt van u: (..)

- pandlijsten van vorderingen per maand en voorts terstond op eerste verzoek van de bank. (..)

Op de geldlening(en) respectievelijk rekening-courant zijn (..) van toepassing:

  • -

    de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie 2001;

  • -

    de Algemene voorwaarden voor rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001;

Op de relatie met de bank zijn van toepassing:

- de Algemene Bankvoorwaarden.

4.1.4.

Op 20 september 2005 is een ongedateerd geschrift geregistreerd, opgemaakt tussen PLP II en vier andere vennootschappen van het [vervoerder]-concern enerzijds en de Rabobank anderzijds, waarmee was bedoeld bij voorbaat toekomstige vorderingen van pandgevers op derden aan de Rabobank te verpanden (prod. 1 inl. dagv.). Dit geschrift is onder het hoofdje “De pandgever” getekend door [vervoerder 1] en [vervoerder 2]. [vervoerder 1] en [vervoerder 2] hebben de akte vervolgens eveneens ondertekend namens respectievelijk EDMA B.V. en Pajo Simpelveld B.V. EDMA B.V. vertegenwoordigde onder meer PLP II. [vervoerder 1] heeft daarvoor echter niet getekend. Vast staat in hoger beroep dat nu op dit geschrift enkele benodigde handtekeningen ontbraken, geen sprake is van een onderhandse pandakte in de zin van art. 3:239 lid 1 BW.

In dit geschrift staat onder meer: “De pandgever verbindt zich vorderingen op derden die na ondertekening van deze akte zullen ontstaan, en vorderingen die rechtstreeks zullen worden verkregen uit rechtsverhoudingen die na ondertekening van deze akte zullen ontstaan, door middel van pandlijsten aan de bank te verpanden.”

4.1.5.

Op 13 november 2008 heeft de Rabobank aan PZN mededeling gedaan van de (naar thans in hoger beroep vaststaat: niet rechtsgeldige) verpanding van 20 september 2005 (prod. 2 inl dagv.). In deze brief heeft de Rabobank PZN tevens geïnformeerd dat zij het bedrag van

€ 249.387,94 nog opeisbaar te vorderen had van PLP II. PZN schreef daarop op 19 november 2008 dat zij de aangehaalde bedragen niet kon plaatsen en vroeg om een nadere onderbouwing. Hierop zond de Rabobank op 1 december 2008 de betreffende facturen (waarbij zij in haar begeleidende brief per abuis vermeldde dat de factuur van 31 juli 2007 minus € 15,60 bedroeg, zodat volgens deze brief de opeisbare vordering € 249.356,74 zou bedragen) (prods 3 en 4 inl dagv.)

4.1.6.

Op de navolgende data zijn geregistreerd documenten, met als opschrift “Vervolgpandakte (pandlijst)”:

d.d. 10 juni 2008, geregistreerd 17 juni 2008;

d.d. 8 juli 2008, geregistreerd 14 juli 2008;

d.d. 6 augustus 2008, geregistreerd 14 augustus 2008,

d.d. 8 september 2008, geregistreerd 15 september 2008;

d.d. 13 oktober 2008, geregistreerd 20 oktober 2008,

ongedateerd, geregistreerd d.d. 12 november 2008,

ongedateerd, geregistreerd 12 december 2008;

enzovoorts tot aan januari 2010. (prod 5 inl. dagv. resp. prods. t.b.v. schriftelijk pleidooi in eerste aanleg).

Als pandgevers staan steeds vermeld [vervoerder] Simpelveld Beheer B.V., Parkstad Limburg Personenvervoer B.V., PLP II B.V. (ook na 13 december 2008), AATax Vaals B.V. en Taxi-en Kleinbusbedrijf [vervoerder] en Zonen B.V. Deze akten zijn onder het hoofdje “De pandgever” ondertekend door de beide heren [vervoerder] en een enkele maal (na december 2008) door de Rabobank.

Alle pandakten uit 2008, en sommige van latere datum, dragen als volgnummer 1432104.

Voorts staat in deze akten vermeld:

De pandgever doet de bank hierbij overeenkomstig het bepaalde in de desbetreffende akte van verpanding deze vervolgpandakte toekomen alsmede (..) opgave van de verpande c.q. middels deze akte te verpanden rechten/vorderingen.

De pandgever verklaart zoals overeengekomen bij deze aan de bank te verpanden, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie uit welken hoofde ook van de in de desbetreffende akte van verpanding genoemde debiteur(en) en/of van de pandgever te vorderen heeft of zal hebben, alle ten tijde van de registratie van deze akte bestaande rechten/vorderingen van de pandgever (..) en alle rechten/vorderingen die worden verkregen uit ten tijde van de registratie van deze akte bestaande rechtsverhoudingen tussen de pandgever en derden (..)

4.1.7.

Een brief van de curator aan (de advocaat van) de bank van 20 juli 2010 maakt gewag van de vernietiging door de curator op 18 juni 2010 van “de verpandingen” door de [vervoerder]-vennootschappen aan de Rabobank en in deze brief betwist de curator dat de Rabobank een rechtsgeldig pandrecht heeft (prod. PZN tbv schriftelijk pleidooi).

overeenkomst PZN en PLP II

4.1.8.

Op 28 maart 2007 hebben PZN en PLP II een overeenkomst gesloten genaamd “Overeenkomst Regiotaxi Limburg” waarbij zij overeenkwamen dat PZN voor de uitvoering van de regiotaxi in Limburg gebruik zou gaan maken van de diensten van PLP II (prod. 2 cva in conventie).

(i) Art. 3 lid 1 sub a resp. b van deze overeenkomst bepaalt dat PZN de overeenkomst met onmiddellijke ingang en zonder schadeplichtig te worden mag ontbinden als het faillissement van PLP II “is/wordt aangevraagd” of als zij in staat van faillissement is verklaard.

(ii) Art. 4 handelt over de duur van de overeenkomst en de gevolgen van de beëindiging daarvan. Lid 5 van art. 4 bepaalt dat, indien de dienstverlener een of meer verplichtingen niet nakomt, hij schriftelijk in gebreke gesteld zal worden en een redelijke termijn zal krijgen om alsnog na te komen. Vervolgens kan PZN de overeenkomst ontbinden, onverminderd haar recht om schadevergoeding te vorderen. Lid 6 van dit artikel bepaalt: “De schadevergoeding wordt beperkt tot de omvang van de geleverde dienstverlening tot een bedrag van 20% van de jaaromzet per jaar.”

4.1.9.

Bijlage 2 bij deze overeenkomst bevat de (door partijen geparafeerde) Algemene (Inkoop) Voorwaarden van Veolia Transport Nederland en Personen- en Zorgvervoer Nederland B.V., welke krachtens art. 8 van de overeenkomst van toepassing zijn.

( i) Art. 3 lid 5 bepaalt: “Door opdrachtgever in verband met de juiste uitvoering gemaakte kosten , waaronder in ieder geval voor juridische bijstand, kunnen door opdrachtgever in mindering worden gebracht op enige betaling aan opdrachtgever (..)”.

(ii) Art. 4 lid 3 bepaalt dat PZN “te allen tijde gerechtigd [is] vorderingen, welke hij (..) op uitvoerder mocht hebben, te verrekenen met vorderingen welke uitvoerder uit hoofde van de overeenkomst op opdrachtgever mocht hebben”.

(iii) Art. 6 lid 6 bepaalt: “Eventueel door de overheid opgelegde sancties, zowel in administratieve als strafrechtelijke zin, die voortvloeien uit de niet-naleving van enige wettelijke bepaling door de chauffeur als de uitvoerder, komen altijd voor rekening van de uitvoerder.”

(iv) Art. 11 bepaalt dat PZN bij ontbinding van de overeenkomst gerechtigd is onmiddellijke voldoening van het haar toekomende te vorderen. Het tweede lid van art. 11 bepaalt voorts dat bij ontbinding de uitvoerder verplicht is reeds betaalde termijnen terug te betalen en alle schade te vergoeden.

( v) Art. 12 bepaalt dat uitvoerder een niet voor matiging vatbare boete van € 450,-- per dag verschuldigd is, indien zij haar verplichtingen niet nakomt.

4.1.10.

PLP II heeft de navolgende facturen aan PZN gezonden ter zake uitgevoerde ritten, welke aanvankelijk - tot het faillissement van PLP II - door PZN onbetwist zijn behouden, doch niet zijn betaald:

- factuur d.d. 31 juli 2007 (nummer 800202) van € 15,60;

  • -

    factuur d.d. 30 september 2008 (nummer 800210) van € 26.737,09;

  • -

    factuur d.d. 30 september 2008 (nummer 800213) van € 109.414,12;

  • -

    factuur d.d. 31 oktober 2008 (nummer 800258) van € 113.221,13.

In totaal heeft PLP II voor € 249.387,94 aan - niet betaalde - facturen verzonden aan PZN. Naast deze onbetaalde facturen heeft PLP II aan PZN ook facturen gezonden die wel zijn betaald.

4.1.11.

Op 10 november 2008 heeft (de advocaat van) PZN aan de Legal Manager van het Veolia-concern geschreven dat in overleg met de directie van de [vervoerder]-groep is besloten de faillissementsaanvraag van (onder meer) PLP II aan te houden (prod 15 dupliek). Hierop antwoordde Veolia op diezelfde dag onder meer dat er geen enkele reden was de faillissementsaanvraag aan te houden nu de heren [vervoerder] zelf hadden aangekondigd dat er geen zicht was op enige levensvatbaarheid van het bedrijf (prod. 16 dupliek).

4.1.12.

Een brief van 12 november 2008, waarover partijen het eens zijn dat deze afkomstig is van PZN (slechts de eerste twee bladzijden zijn overgelegd en deze bevatten geen naam van de afzender) vermeldt dat PZN verbaasd is over de aangekondigde faillissementsaanvrage van PLP II. PLP II wordt in gebreke gesteld en de overeenkomst met PLP II wordt (onder de voorwaarde dat het faillissement inderdaad zal worden uitgesproken) met een beroep op art. 3 lid 1 van de overeenkomst opgezegd tegen 15 november 200823.59 uur. Er wordt in deze brief verrekend en medegedeeld dat PZN na verrekening nog

€ 39.709,54 te vorderen heeft, los van de malus van € 61.000,--. Schadevergoeding op basis van art. 4 lid 5 jo lid 6 ter hoogte van € 370.000,-- wordt eveneens gevorderd. (prod. 21 dupliek).

overeenkomst Rolgoed en PLP II

4.1.13.

Naar onbetwist vaststaat op 28 maart 2007 is - naast de overeenkomst tussen PZN en PLP II - een (ongedateerde) overeenkomst gesloten tussen Rolgoed en PLP II, genaamd “Huurovereenkomst Regiotaxi Voertuigen” (prod 4 cva in conventie).

(i) Art. 7 lid 5 bepaalt onder meer: “(..) Indien niet tijdig kan worden geïncasseerd is de verhuurder gerechtigd de huurtermijnen te incasseren door verrekening met de vergoedingen verschuldigd door Veolia Transport Nederland B.V. en/of haar dochters aan de huurder”.

(ii) Art. 8 lid 1 van de overeenkomst bepaalt dat wanneer de huurder in verzuim is met de betaling van huurtermijnen, hij een rente verschuldigd is van 1% per maand.

4.1.14.

Rolgoed heeft ter zake deze overeenkomst aan PLP II facturen voor de huur van regiotaxi’s gezonden, welke onbetaald zijn gebleven (prod. 5 cva in conventie).

Op 27 oktober 2008 schreef Rolgoed aan PLP II: onder meer:

“(..) bent u per 21 oktober 2008 een bedrag verschuldigd van EUR 395.680,04 en hebt u van ons nog een bedrag van EUR 16.880,14 te vorderen. Middels dit schrijven doen wij een beroep op verrekening zodat wij per 21 oktober 2008 nog een bedrag van EUR 378.799,90 te vorderen hebben, vermeerderd met de in artikel 8 lid 1 vermelde rente van 1% per maand. (..)” (prod. 7B cva in conventie)

4.1.15.

Op 28 oktober 2008 heeft Rolgoed haar vorderingen op PLP II ter zake van de vervallen huurtermijnen over de maanden januari tot en met september 2008 tot een bedrag van € 162.149,40 gecedeerd aan PZN. Op 27 en 29 oktober 2008 is van deze cessie mededeling gedaan aan de toenmalige advocaat van PLP II (prods. 6, 7A en 7B cva in conventie).

4.1.16.

Op 6 november 2008 heeft Rolgoed haar vorderingen op PLP II ter zake van de vervallen huurtermijnen over de maanden juni tot en met december 2007 tot een bedrag van

€ 126.116,20 gecedeerd aan PZN. Op 6 november 2008 is van deze cessie mededeling gedaan aan PLP II (prods. 8 en 9 cva in conventie).

de vordering van de Rabobank in eerste aanleg

4.2.

De Rabobank heeft PZN in rechte betrokken en betaling gevorderd van € 249.387,94 met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de onderscheidene facturen, althans vanaf de dag der dagvaarding en van € 4.000,-- ter zake buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van PZN in de kosten van de procedure, die van de beslaglegging daaronder begrepen. PZN voerde primair tegen de vorderingen van de Rabobank onder meer als verweer dat de Rabobank geen rechtsgeldig pandrecht op die vorderingen had en subsidiair beriep PZN zich op verrekening. Voor het geval dat laatste beroep in rechte niet zou worden gehonoreerd vorderde PZN in voorwaardelijke reconventie een verklaring voor recht dat zij gerechtigd was tot verrekening van haar vorderingen op PLP II met de vorderingen van PLP II op haar.

De rechtbank heeft de vorderingen van de Rabobank afgewezen omdat er geen sprake was van een openbaar gemaakt stil pandrecht op de beweerdelijke vorderingen van PLP II, omdat het geschrift niet kon dienen als “onderhandse akte” als bepaald in art. 3:239 lid 1 BW. De Rabobank heeft derhalve geen bevoegdheid om tot inning over te gaan. Aan het subsidiaire verweer en een inhoudelijke beoordeling van de voorwaardelijke reconventionele vordering kwam de rechtbank niet toe. De Rabobank is veroordeeld in de proceskosten.

de grieven in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel appel

4.3.1.

In hoger beroep baseert de Rabobank zich niet langer op het geschrift van 20 september 2005 (hierboven beschreven in r.o. 4.1.4). Zij heeft zich niet neergelegd bij de beslissing van de rechtbank dat dit geschrift geen rechtsgeldige (stam)pandakte is (vgl. mvg nr 2.2), maar zij heeft tegen dit oordeel geen grief geformuleerd, zo stelt zij. Bij gebreke van een grief over het oordeel van de rechtbank over het geschrift van 20 september 2005 moet in hoger beroep van dat oordeel worden uitgegaan.

4.3.2.

In hoger beroep stelt de Rabobank zich op het standpunt dat in mei 2007 een rechtsverhouding is ontstaan tussen enerzijds een of meer vennootschappen van het [vervoerder]-concern (waaronder PLP II) en anderzijds een of meer vennootschappen van het Veolia-concern (waaronder PZN). De vorderingen van PLP II op PZN, waarover het thans gaat, vloeiden rechtstreeks uit die rechtsverhouding voort, aldus de Rabobank. Met de geschriften, hierboven in r.o. 4.1.6. omschreven en hierna aangeduid als vervolgpandakten, is een pandrecht ten gunste van de Rabobank gevestigd op alle (ten tijde van het opmaken van die vervolgpandakten) bestaande en toekomstige vorderingen van PLP II op derden (waaronder de ten tijde van het opmaken van de (vervolg)pandakten nog toekomstige vorderingen op PZN, voortvloeiend uit de sinds mei 2007 bestaande rechtsverhouding tussen PLP II en PZN), aldus de Rabobank. De grieven 1, 3, 4 en 5 in principaal appel zien op deze kwestie. Op de ongedateerde vervolgpandakte geregistreerd op 12 november 2008 doet de Rabobank eerst subsidiair een beroep; zij stelt dat haar pandrechten reeds tot stand zijn gekomen door de vijf eerdere - naar het hof begrijpt: reguliere - vervolgpandakten. Grief 2 in principaal appel ziet op deze kwestie. Grief 6 in principaal appel is een “veeg”grief waarmee de Rabobank kennelijk beoogt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen.

4.3.3.

In incidenteel appel wijst PZN op haar voorwaardelijke reconventionele vorderingen, welke zij slechts heeft ingesteld voor zover haar beroep op verrekening in conventie zou worden gepasseerd. Nu de rechtbank PZN in conventie in het gelijk heeft gesteld was een veroordeling van PZN in reconventie niet aan de orde, omdat de voorwaarde waaronder deze reconventionele vordering was ingesteld niet is vervuld, aldus PZN. Grieven 1 en 2 zien op deze kwestie. PZN herhaalt haar voorwaardelijke reconventionele vordering en bestrijdt de juistheid van de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg in het geding in voorwaardelijke reconventie.

in principaal en incidenteel appel

4.4.

Het hof behoeft nog enkele aanvullende gegevens.

4.4.1.

De overeenkomst van 21 april 2004 tussen de Rabobank en het [vervoerder]-concern en de heren [vervoerder] verwijst naar de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie 2001, de Algemene voorwaarden voor rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001 en de Algemene Bankvoorwaarden (zoals die toentertijd golden). Deze algemene voorwaarden zijn (nog) niet in het geding gebracht.

4.4.2.

De Rabobank heeft ter ondersteuning van haar stellingen, dat zij op datum faillissement van PLP II een opeisbare vordering op PLP II had, gewezen op een aantal documenten waaruit zou blijken dat de financieringsrelatie tussen haar en het [vervoerder]-concern in 2007 opnieuw is vormgegeven zodanig dat alle vennootschappen in het concern hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor vorderingen van de Rabobank. Voorts zou hieruit blijken dat de vordering van de Rabobank op datum faillissement zonder meer opeisbaar was en wat de hoogte daarvan was. Genoemde stukken zijn echter nog niet (volledig) overgelegd. Het hof wenst voorts nader inzicht te krijgen in de exacte hoogte en opbouw van de vorderingen van de Rabobank op datum faillissement.

4.4.3.

PZN heeft zich beroepen op verrekening. In haar processtukken is echter nog niet duidelijk geworden of - naar haar stelling - alle vorderingen van PLP II op PZN teniet zijn gegaan door de verrekening van de door Rolgoed gecedeerde vorderingen. Het hof wenst geïnformeerd te worden over de exacte hoogte van de vorderingen van PLP II op PZN op datum faillissement.

4.4.4.

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen de gevraagde informatie bij akte in het geding te brengen. Het hof zal partijen daartoe – tegelijkertijd - in de gelegenheid stellen. Hierna zal gelegenheid worden geboden om desgewenst bij akte (kort) op elkaars stukken te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus:

  • -

    voor akte aan de zijde van de Rabobank, teneinde de in r.o. 4.4.1 en 4.4.2. vermelde informatie in het geding te brengen;

  • -

    voor akte aan de zijde van PZN , teneinde de in r.o. 4.4.3. vermelde informatie in het geding te brengen;

waarna partijen nog gelegenheid zullen krijgen om op de door de wederpartij ingebrachte stukken bij akte te reageren;

iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2013.