Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3020

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
20-004155-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbraak in schoenenwinkel. Rechtbank spreekt vrij, maar hof acht door combinatie van verschillende bewijsmiddelen de conclusie gerechtvaardigd dat het feit is gepleegd door de verdachte en twee medeverdachten.

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling ex art. 15g van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is van oordeel dat de vordering tot herroeping voldoende “onverwijld” is aangebracht in de zin van artikel 15i, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Deze vordering is immers gebaseerd op het plegen van een nieuw strafbaar feit in de proeftijd, namelijk de onderhavige inbraak, en diende dus, gelet op het bepaalde in artikel 15i, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, gelijktijdig met de vervolging ter zake van dit nieuwe feit te worden ingediend. Het oordeel van de politierechter dat het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in zijn vordering omdat de vordering niet onverwijld is ingediend, acht het hof dan ook onjuist.

Gelet op het feit dat verdachte thans is gedetineerd in verband met een onherroepelijke veroordeling door de rechtbank Maastricht bij vonnis van 5 september 2012 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en hij volgens mededeling van de raadsman in het kader van de executie van deze straf vanaf 19 augustus 2013 een behandeling zal ondergaan in een besloten forensische afdeling van Mondriaan in Heerlen, acht het hof het, evenals de advocaat-generaal, niet opportuun om thans de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 15i, 15g, 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004155-11

Uitspraak : 26 juni 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-700712-10 tegen:

[verdachte],

[geboorteplaats] [geboortedag],

[woonplaats],

[detentie verblijfplaats].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde diefstal zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1.789,77, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering .

Ten aanzien van de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 15g van het Wetboek van Strafrecht heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden afgewezen.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair - in het geval het hof toch tot enige bewezenverklaring zou komen - heeft de raadsman het hof verzocht te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 15g van het Wetboek van Strafrecht heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 december 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een winkel (genaamd [S]) heeft weggenomen een hoeveelheid (kinder)schoenen (merken Ecco en/of Sketchers en/of Imac), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [S], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 december 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, genaamd [S], heeft weggenomen een hoeveelheid schoenen, merken Ecco en Sketchers en Imac, toebehorende aan [S], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

1.

Het proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer

PL2410 2010153566-12, in de wettelijke vorm opgemaakt door [A], hoofdagent van politie, dossierpagina 119, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van [getuige]

(…) Woensdag 29 december 2010, omstreeks 03:10 uur, liep ik over de Athoslaan te Maastricht. Voor mij, ongeveer over een afstand van 100 meter ter hoogte van de kerk [het hof begrijpt uit de plattegrond van Maastricht: de Sint Theresiakerk], stopte een auto. Deze was grijs van kleur, groot model en volgens mij een Opel Omega. Ik zag dat uit deze auto drie manspersonen stapten. Zij waren alle drie donker gekleed en alle drie hadden ongeveer dezelfde lengte. Ik zag verder dat ze de kofferbak van de voornoemde auto open maakten en iets uit de kofferbak pakten. (…) Vervolgens zag ik dat deze drie personen, voor de kerk langs, in de richting van de Tongerseweg liepen. Ongeveer een half uur later, omstreeks 03:30 uur, liep ik over de Ruttensingel en zag ik deze drie personen terug komen uit de richting van Carré (Hof: Uit bewijsmiddelen 5 en 10 volgt dat dit de naam is van het winkelcentrum waarin de schoenenwinkel [S] is gelegen).

Ik zag dat zij renden en dat een van hun een grote hamer in de hand had. (…).Zij renden in de richting van het Theresiaplein. Ik heb toen gelijk de politie gebeld. (

2.

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer

PL2411 2010153566-5, in de wettelijke vorm opgemaakt door [B] aspirant van politie, en [C], hoofdagent van politie, dossierpagina 115-117 voor zover hier van belang inhoudende als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van evengenoemde verbalisanten en/of een van hen:

Op woensdag 29 december 2010 waren wij belast met de incidentenafhandeling binnen het district Maastricht, regiopolitie Limburg-Zuid. (…) Op genoemde datum te 03.31 uur kregen wij van de dienstdoende meldingsman van de regiopolitie Limburg-Zuid de melding om te rijden naar de Athoslaan te Maastricht. Hier zou een getuige drie personen gezien hebben die met een grote hamer rondliepen. Tevens zou de getuige gezien hebben dat de personen in een grijze Opel Omega waren gestapt en dat deze vervolgens wegreed in de richting van het Cannerplein te Maastricht. Wij begaven ons direct ter plaatse vanaf de Prins Bisschopsingel te Maastricht en wij reden in de richting van het Tongerseplein. Vervolgens reden wij door in de richting van de Tongerseweg. Op genoemde datum omstreeks 03.35 uur zagen wij op de Tongerseweg, ter hoogte van de aldaar gelegen verkeerslichten, nabij de kruising met de Cannerweg, een grijze Opel Omega rijden. Wij zagen dat het betrokken voertuig over de Cannerweg reed en wij zagen dat deze de Tongerseweg overstak in de richting van het Cannerplein. Wij reden achter het voertuig aan en gaven het voertuig op het Cannerplein een stopteken (…). Hieraan voldeed de bestuurder en wij zagen dat het voertuig tot stilstand kwam op het Cannerplein. (…) Vervolgens zijn wij uit ons dienstvoertuig gestapt en toen wij naar het voertuig toeliepen zagen wij dat er drie mannen in het voertuig zaten. Ik,[B], sprak de bestuurder aan en vroeg hem naar een identiteitsbewijs. Hierdoor stelde ik de volgende personalia vast:

[verdachte 3]

[geboortedag]

Ik, [C], vroeg aan de andere twee personen een identiteitsbewijs, waardoor ik de volgende personalia kon vaststellen:

Als bijrijder:

[verdachte]

[geboortedag]

Als inzittende op de achterbank:

[verdachte 2]

[geboortedag]

Controle voertuig

(…) Hierna vroeg ik, [C], de bestuurder of ik in de kofferbak van het voertuig mocht kijken. Ik hoorde dat de bestuurder mij toestemming gaf om een onderzoek in te stellen in de kofferbak van het voertuig en ik zag dat de bestuurder vanuit het voertuig de kofferbak opende. Toen ik, [C], in de kofferbak keek zag ik dat er diverse inbrekerswerktuigen in het voertuig lagen. Ik zag dat er de volgende goederen zichtbaar in de kofferbak lagen:

  • -

    grote moker

  • -

    koevoet

(…)

Wij hielden omstreeks 03.50 uur genoemde drie verdachten aan.

(…).

Op woensdag 29 december 2010 omstreeks 04:25 uur hebben, naar aanleiding van een portofonische melding gedaan omstreeks 04:20 uur, de verbalisanten [D]en [E]een onderzoek ingesteld naar het winkelcentrum aan de Tongerseweg Zij troffen daar forse braaksporen aan in een winkel genaamd [S].

3.

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer

PL2412 2010153566-13, in de wettelijke vorm opgemaakt door [F] en [G], beiden hoofdagent van politie, dossierpagina 123 en 124 voor zover hier van belang inhoudende als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van evengenoemde verbalisanten en/of een van hen:

Op woensdag 29 december 2010, omstreeks 03.30 uur, hoorden wij dat de patrouille 1102 ([C]/[B], portofonisch de melding kregen van de dienstdoende meldingsman van de Regionale Meldkamer Politie Limburg-Zuid, om te rijden naar de Athoslaan te Maastricht alwaar een drietal personen liepen naar een grijze personenauto van het merk Opel type Omega kleur grijs. Een van deze personen zou een grote hamer bij zich dragen. Wij gaven portofonisch door dat wij ook ter plaatse gingen. (...) Toen wij bij de patrouille 1102 aankwamen, vernamen wij van de collega's [C] en [B] dat er inbrekerswerktuig was aangetroffen in de personenauto en dat alle inzittenden van de personenauto waren aangehouden. (…)

In de kofferbak van genoemde personenauto trof ik, [F], een mokerhamer aan. Ik zag dat deze mokerhamer een ijzeren hamer had en oranje van kleur was. Tevens zag ik, [F], dat op de gehele oranje ijzeren hamer een wit/grijze substantie zat. Verder zag ik, [F], dat in de kofferbak van genoemde personenauto een blauw breekijzer lag. Ik [F], zag dat bij het uiteinde van dit breekijzer verse moddersporen zaten. Ik, [F], voelde dat de modder nog vochtig was. Tevens trof ik, [F], nog een aantal schroevendraaiers, een zwarte muts, een tang en een gereedschapskist aan.

Op de bijrijdersplek zag ik, [G], een zaklamp, een tweetal walkie-talkies, een paar handschoenen, een zwarte pet, een “bahco”sleutel, steeksleutel en een schroevendraaier op en rondom de bijrijdersstoel liggen.

Ik, [G], zag een bivakmuts, twee paar handschoenen en drie zaklampen op en rondom de bestuurdersstoel liggen.

Op de achterbank zag ik, [G], een zaklamp, een paar handschoenen en een bivakmuts liggen.

4a. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer PL2411 2010153566-15, in de wettelijke vorm opgemaakt door [D], hoofdagent van politie, dossierpagina 126 en 127, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van [aangever]

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben werkzaam als bedrijfsleider bij de winkel [S] gelegen aan de Tongerseweg 57 te Maastricht. Op dinsdag 28 december 2010, omstreeks 18.15 uur, werd de winkel afgesloten en verlaten. Er waren toen geen beschadigingen aan het winkelpand. Vandaag woensdag 29 december 2010, omstreeks 05.30 uur, werd ik in kennis gesteld dat was ingebroken in de winkel [S] gelegen aan de Tongerseweg 57 te Maastricht. Ik ging onmiddellijk ter plaatse.

Ik zag dat het elektronisch slot van het rolluik van de gemeenschappelijke toegangsruimte van de [Winkel X] en [S], vernield was. Tevens zag ik dat voornoemd rolluik deels omhoog was. Ik zag dat de schuifdeuren achter het rolluik openstonden en dat er braakschade aan de schuifdeuren was.

Ik zag ook dat het elektronisch slot van het rolluik van de winkel [S] vernield was. Ik zag dat het rolluik deels omhoog stond en dat de winkel vrij te betreden was. (…)

In de winkel zag ik dat meerdere paren kinderschoenen gestolen zijn.

Ik zag dat achter in de winkel, de ruimte van de kantine, alles overhoop was gehaald. Ik zag dat men getracht had de kluis geplaatst in het keukenblok open te breken. (…)

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

4b. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer PL2411 2010153566-17, in de wettelijke vorm opgemaakt door [E] en [D], beiden hoofdagent van politie, dossierpagina 121 en 122, voor zover hier van belang inhoudende:

Omstreeks 05.20 uur kwamen wij ter plaatse aan de Tongerseweg 57 te Maastricht. Wij zagen dat het in de kantine een grote ravage was. Wij zagen dat men met zeer grof geweld getracht had een gewapend betonnen kluis open te breken die in het keukenblok was verwerkt. Wij zagen overal betonnen brokstukken liggen.

5.

Het proces-verbaal verhoor aangever, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer PL2411 2010153566-22, in de wettelijke vorm opgemaakt door [H], brigadier van politie, dossierpagina 129, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van [aangever]:

Ik ben als filiaalhouder van schoenenzaak [S], gevestigd in winkelcentrum Carré, gevestigd aan de Tongerseweg 57 bevoegd tot het doen van aangifte. In de nacht van 28 op 29 december 2010 vond een inbraak plaats in mijn schoenenzaak alwaar meerdere goederen werden buitgemaakt. Het grootste gedeelte van de buit bestond uit kinderschoenen van de merken Ecco en Sketchers. Tevens werd getracht met grof geweld om de kluis die aan de achterzijde in het kantoor stond open te breken.

6.

Het proces-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer PL2410 2010153566-32, in de wettelijke vorm opgemaakt door [I], hoofdagent van politie, en [J], agent van politie, dossierpagina 33:

Inbeslagneming : Maastricht

Datum : woensdag 29 december 2010

[verdachte 3]

Beslag

Onder de verdachte

Naar Domeinen : Nee (spoor)

Object : Schoeisel (schoen)

Aantal : 2

Kleur : Zwart

Bijzonderheden : maat 43 merk: the original Checker

7.

Het proces-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer PL2410 2010153566-30, in de wettelijke vorm opgemaakt door[I], hoofdagent van politie, en [J], agent van politie, dossierpagina 82:

Inbeslagneming : Maastricht

Datum : woensdag 29 december 2010

[verdachte 2]

Beslag

Onder de verdachte

Naar Domeinen : Nee (spoor)

Object : Schoeisel (schoen)

Aantal : 2

Merk/type : Adidas

Bijzonderheden : Maat 43 paars/zwart

8.

Het proces-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer PL2410 2010153566-34, in de wettelijke vorm opgemaakt door [I], hoofdagent van politie, en [J], agent van politie, dossierpagina 58:

Inbeslagneming : Maastricht

Datum : woensdag 29 december 2010

[verdachte]

Beslag

Onder de verdachte

Naar Domeinen : Nee (spoor)

Object : Schoeisel (schoen)

Aantal : 1 paar

Merk/type : Imac

Kleur : Zwart

Bijzonderheden : Merk Imac “tex”, maat 44

9.

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 december 2010, proces-verbaalnummer

PL2411 2010153566-36, in de wettelijke vorm opgemaakt door [H], brigadier van politie, dossierpagina 133, voor zover hier van belang inhoudende als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van evengenoemde verbalisant:

Naar aanleiding van de aanhouding van [verdachte], geboren op 29 april 1987, als verdacht van een inbraak op 29 december 2010, in schoenenzaak [S] gelegen aan de Tongerseweg 57 te Maastricht, stelde ik een nader onderzoek in. Tijdens de aanhouding droeg verdachte een paar schoenen van het merk Imactex maat 44. Het betrof hier een paar zogenaamde bergschoenen met een specifiek schoenzoolprofiel. Deze schoenen werden inbeslaggenomen.

Op 29 december 2010, omstreeks 14.20 uur toonde ik [aangever] deze schoen. Hij herkende deze, althans hetzelfde merk en model schoen die vanuit schoenenzaak [S] worden verkocht. Bij controle van de voorraadgegevens bleek dat er een paar schoenen van het merk Imactax, maat 44, ontbraken.

10.

Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 5 januari 2011, proces-verbaalnummer

PL2400 2010153566-38, in de wettelijke vorm opgemaakt door [K], buitengewoon opsporingsambtenaar generieke opsporing van politie, dossierpagina 134, 135, 136 en 137, voor zover hier van belang inhoudende als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van evengenoemde verbalisant:

Onderzoekslocatie

(Blz. 134)

Het onderzoek is verricht in schoenenwinkel [S] op het Cannerplein te Maastricht.

(…)

Op 29 december 2010 is door een patrouille gereden naar de Tongerseweg 57 in Maastricht in verband met een plaatsgevonden inbraak. (…) Op 29 december 2010 om 08:00 uur ben ik mijn onderzoek gestart. (…).

(Blz. 135)

Bij het onderzoek van de ruime plaats delict zag ik bij het voormalige schoolgebouw dat gelegen is, gezien vanaf de ingang van het koop-center, aan de rechterzijde, schoenzoolindruksporen in de sneeuw. Deze sporen liepen van de rechterzijde van de parkeerplaats van het koop-center Carre in de richting van de fietsenstalling van voornoemde school. Alhier is een poort in de afscheiding gesitueerd vanwaar het terrein van de voormalige school bereikbaar is. De sporen liepen via deze fietsenstalling richting het Sint Theresiaplein. Nog op het terrein van het voormalige schoolgebouw zag ik een bouwkeet staan alwaar een zevental grijze vuilniszakken stonden en een plastic tas met het opdruk [S]. Dit bleek de door de daders gemaakte buit welke hier koud was gezet.

(…)

De schoenenwinkel is gelegen in het koop-center Carré dat is gelegen aan de Tongerseweg te Maastricht.

(Blz. 136)

De daders hebben de winkel via de plaats van binnenkomst ook weer verlaten. Uit het sporenbeeld in de sneeuw is te zien dat een aantal schoenzoolindruksporen richting deur in de afrastering lopen vanwaar het terrein van de voormalige school bereikbaar is. Vervolgens hebben de daders een aantal keren heen en weer gelopen en hebben in totaal acht plastic zakken bij een alhier staande keet neergezet. Te zien is dat de schoenzoolindruksporen vervolgens van de keet in de richting van het Sint Theresiaplein lopen.

(…) Ik verbalisant zag dat de daders de elektrische bediening van de rolpoort welke toegang geeft tot de centrale hal hadden gemanipuleerd. Op de cilinder zag ik werktuigsporen (…) die passen bij het gebruik van een tang.

(blz. 137)

Sporenonderzoek

Ik zag dat:

  • -

    in de kantine (in de winkel [S]) een groot aantal spullen op de grond lagen. Op een aantal papieren welke hier lagen zag ik schoenzoolafdruksporen welke gezien plaats en zetting waarschijnlijk door de daders zijn geplaatst. Deze schoenzoolafdruksporen zijn door mij inbeslaggenomen en middels folie veiliggesteld [AABC2862NL/32708 en AABC2861NL/32709];

  • -

    van het meest rechter keukenkastje ontbrak het bovenblad. Op dit bovenblad zag ik verschillende schoenzoolafdruksporen welke door mij zijn inbeslaggenomen en middels folie zijn veiliggesteld [AABC2859NL/32710, AABC2860NL/32711 en AABC2858NL/32712];

  • -

    in het keukenblad een ingemetselde kluis was verwerkt. De daders hebben geprobeerd deze kluis te openen;

  • -

    (…)

  • -

    er delen van de betonnen ombouw van de kluis waren afgebroken. Door mij is een hoeveelheid gruis inbeslaggenomen.

  • -

    (…)

  • -

    er in de sneeuw verschillende schoenzoolindruksporen zichtbaar waren welke liepen van en naar de voorzijde van de voormalige school in de richting van het Sint Theresiaplein. Door mij werden in totaal zeven indruksporen in de sneeuw inbeslaggenomen en middels gips veiliggesteld [AABC2869NL/32701, AABC2868NL/32702, AABC2867NL/32703, AABC2866NL/32704, AABC2865NL/32705, AABC2864NL/32706 en AABC2863NL/32707;

  • -

    bij de vuilniszakken met de buit van de inbraak een indrukspoor in de sneeuw zichtbaar was welke ik niet kon verklaren;

  • -

    de indruksporen in de sneeuw liepen in de richting van een op het terrein geparkeerde bouwkeet. Alhier zag ik zeven grijze vuilniszakken liggen en een plastic zak met opschrift [S] (…). De zakken waren gevuld met

  • -

    grijze vuilniszak 01: 3 paar kinderschoenen;

  • -

    grijze vuilniszak 02: 7 paar volwassen schoenen, 9 paar kinderschoenen en 1 losse kinderschoen;

  • -

    grijze vuilniszak 03: 8 paar kinderschoenen en 4 losse schoenen;

  • -

    grijze vuilniszak 04: 14 paar kinderschoenen, 1 paar herenschoenen en 4 losse schoenen;

  • -

    grijze vuilniszak 05: 7 paar kinderschoenen;

  • -

    grijze vuilniszak 06: 18 paar kinderschoenen, 1 paar herenschoenen en 2 paar damesschoenen;

  • -

    grijze vuilniszak 07: 21 paar kinderschoenen.

11.

Het proces-verbaal, d.d. 6 februari 2011, proces-verbaalnummer 2010153566-54, in de wettelijke vorm opgemaakt door[L], brigadier van politie, en [M], dossierpagina 189, 192 en 193, voor zover hier van belang inhoudende als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van evengenoemde verbalisanten en/of een van hen:

ONTVANGEN MATERIAAL

Op donderdag 30 december 2010, ontving ik, [L], brigadier van politie, gecertificeerde onderzoeker Schoen- en Bandsporen, werkzaam bij het bureau Forensische Opsporing, regio Limburg-Zuid, van [K], forensisch medewerker, werkzaam bij het bureau Forensische Opsporing, regio Limburg-Zuid:

[1]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2869;

[2]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2868;

[3]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2867;

[4]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2866;

[5]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2865;

[6]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2864;

[7]- een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt SIN AABC2863;

[8]- een folie met een afgenomen schoenafdruk, gewaarmerkt SIN AABC2862;

[9]- een folie met een afgenomen schoenafdruk, gewaarmerkt SIN AABC2861;

[10]- een folie met een afgenomen schoen afdruk, gewaarmerkt SIN AABC2860;

[11]- een folie met een afgenomen schoenafdruk, gewaarmerkt SIN AABC2859;

[12]- een folie met een afgenomen schoenafdruk, gewaarmerkt SIN AABC2858;

[13]- een paar schoenen van het merk Adidas, gewaarmerkt SIN AACR9427NL;

[14]- een paar schoenen van het merk Checker, gewaarmerkt SIN AACR9426NL;

[15]- een paar schoenen van het merk Imac, gewaarmerkt SIN AACR9428NL;

Het hof overweegt dat de schoenen [13] blijkens bewijsmiddel 7 ten tijde van de aanhouding werden gedragen door verdachte[verdachte 2], de schoenen [14] blijkens bewijsmiddel 6 ten tijde van de aanhouding werden gedragen door verdachte [verdachte 3] en de schoenen [15] blijkens bewijsmiddelen 8 en 9 werden gedragen door verdachte [verdachte]

Voor nadere bijzonderheden met betrekking tot de ingestelde onderzoeken in deze zaak wordt verwezen naar de door de plaatselijke politie in Maastricht opgemaakte processen-verbaal.

VRAAGSTELLING

Zijn de schoensporen 1 t/m 12 veroorzaakt met de schoenen 13, 14 en 15?

(…)

CONCLUSIE

Spoor 2

Op grond van het vergelijkende schoensporenonderzoek concludeer ik, dat het schoenspoor 2 is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de linkerschoen 14.

(…)

Spoor 4

Op grond van het vergelijkende schoensporenonderzoek concludeer ik, dat het schoenspoor 4 is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de linkerschoen 13.

(…)

Spoor 6

Op grond van het vergelijkende schoensporenonderzoek concludeer ik, dat het schoenspoor 6 is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de linkerschoen [15].

(…)

Spoor 8 t/m 12

Op grond van het vergelijkende schoensporenonderzoek concludeer ik, dat de schoensporen 8 t/m 12 zijn veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de linkerschoen 14.

12.

Overzicht persoonsgegevens, opgenomen in het dossier van het voorbereidend onderzoek:

(dossierpagina 16-17) [verdachte 3], lengte 185 centimeter;

(dossierpagina 40-41) [verdachte], lengte 180 centimeter;

(dossierpagina 64-65) [verdachte 2], lengte 178 centimeter.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is –in de kern- aangevoerd dat direct bewijs dat verdachte zich medeschuldig heeft gemaakt aan de inbraak ontbreekt. De aanwijzingen waarvan in de appelmemorie sprake is, kunnen niet als bewijs dienen. Bovendien is de inbraak in de schoenenzaak pas ruim een uur na de aanhouding vastgesteld zodat niet is uitgesloten dat de inbraak pas na de aanhouding door een ander of anderen is gepleegd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

De verdachte en twee medeverdachten worden direct in de buurt van de plaats van het delict aangehouden in een grijze Opel Omega met in de kofferbak een grote moker en nog geen vijf minuten nadat een getuige drie mannen van ongeveer gelijke lengte uit de richting van het winkelcentrum Carre heeft zien komen rennen en zien instappen in een grijze Opel Omega. Een van de mannen had een grote hamer in zijn hand. Dezelfde drie mannen hadden zich ongeveer een half uur eerder in de richting van dat winkelcentrum begeven, nadat ze iets uit de kofferbak van de auto hadden genomen. Uit bewijsmiddel 12 blijkt dat de drie verdachten niet veel van elkaar verschillen in lengte.

Gelet op de door de getuige verschafte gegevens zijn de door de politie aangehouden verdachten dezelfde personen die door de getuige zijn gezien.

In de kofferbak heeft de politie een mokerhamer aangetroffen met daarop een wit-grijze substantie, alsmede een breekijzer/koevoet met daarop nog verse, natte moddersporen en een tang.

Uit de aangifte en het onderzoek op de plaats van het delict blijkt dat de daders door het forceren van een rolluik en de schuifdeuren zich de toegang tot de schoenenwinkel hebben verschaft en dat in de schoenenwinkel is getracht een ingemetselde kluis met geweld open te breken waarbij een betonnen ombouw is afgebroken. Het onder de verdachten in de auto aangetroffen inbrekerswerktuig is hiermee in overeenstemming. Op de koevoet zaten verse moddersporen; deze koevoet was derhalve kort tevoren met modder in contact geweest. Op de hamer zat een wit-grijze substantie; deze kleur correspondeert blijkens de kleurenfoto op dossierpagina 171 met die van het cement van de ingemetselde kluis die de daders hebben proberen open te breken. Op de cilinder van de door de daders gemanipuleerde elektrische bediening van de rolpoort die toegang geeft tot de centrale hal, bevonden zich werktuigsporen die passen bij het gebruik van een tang. De verdachten hadden een tang in hun auto liggen.

In het vergelijkende schoensporenonderzoek is geconcludeerd dat op en bij de plaats van delict aangetroffen schoensporen soortgelijk zijn aan schoenen die verdachte en medeverdachten bij aanhouding droegen en die onder hen na aanhouding in beslag zijn genomen.

De onder de verdachte in beslag genomen schoenen, merk Imactex maat 44, zijn door de aangever herkend als schoenen van hetzelfde merk en model schoen die uit de schoenenzaak

zijn gestolen. Bij controle van de voorraadgegevens bleek dat er een paar schoenen van het merk Imactex, maat 44, ontbraken.

Er is geen buit onder de verdachten aangetroffen, hetgeen overeenkomt met de vaststelling dat de buit direct in de buurt van het winkelcentrum is “koud’’ gezet.

De verdachten zijn omstreeks 03:35 uur gesignaleerd door de politie en aangehouden. Omstreeks 04:20 uur is gezien dat in het winkelcentrum was ingebroken. Er is geen enkele aanwijzing en het is hoogst onwaarschijnlijk dat deze inbraak pas zou zijn gepleegd na aanhouding van de drie verdachten.

Deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien rechtvaardigen, mede gelet op het feit dat verdachte voor deze feiten en omstandigheden geen aannemelijke andere, hem ontlastende, verklaring heeft gegeven, de conclusie dat de verdachte en zijn medeverdachten de personen zijn geweest die zich hebben schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde inbraak in de schoenenzaak gepleegd op 29 december 2010.

Het verweer wordt verworpen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het feit dat het bewezenverklaarde feit een in vereniging gepleegde bedrijfsinbraak betreft waarbij de daders met grof geweld midden in de nacht diverse braakschades hebben aangericht;

  • -

    de hoogte van schade en de mate van overlast en ergernis die door het plegen van dit delict is veroorzaakt aan de gedupeerden

  • -

    het feit dat verdachte onderhavige bedrijfsinbraak heeft gepleegd terwijl hij in verband met een andere veroordeling voorwaardelijk in vrijheid was gesteld.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    24 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen voor soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Hierbij is rekening gehouden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, gelet op het onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Maastricht van 5 september 2012 (veroordeling tot een gevangenisstraf van vier jaren ter zake van art. 311, 312 en 157 van het Wetboek van Strafrecht).

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.389,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat niet blijkt dat[Y], die blijkens het voegingsformulier indiener [Z] gemachtigd heeft de vordering van [S R BV] in te dienen, daartoe bevoegd was. De verdediging heeft bij ontbreken van stukken waaruit die bevoegdheid blijkt betwist dat [Y] als gemachtigde van [S R BV] kan optreden.

Op het door [Z] namens [S R BV] ingediende voegingsformulier is vermeld dat [Z] door [Y] is gemachtigd om namens benadeelde partij onderhavige vordering in te dienen. Het hof is uit het dossier evenwel niet gebleken dat laatstgenoemde [Y] bevoegd is [S R BV] te vertegenwoordigen en een dergelijke machtiging aan [Z] voornoemd te verlenen. Mitsdien is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van een bevoegde vertegenwoordiging en de verdediging deze heeft betwist, de benadeelde partij in haar vordering niet kan worden ontvangen.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [S R BV] als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden bestaande uit de in het voegingsformulier onder 4b genoemde posten 1, 2, 3, 5, 6 en 7 in totaal bedragende € 1.839,77. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Ten aanzien van post 7 te weten ‘noodreparatie kluis’, overweegt het hof in het bijzonder dat de schade die tijdens de bedrijfsinbraak is toegebracht aan de kluis wél rechtstreekse schade is, immers het gaat om bij deze inbraak toegebrachte braakschade waardoor een noodreparatie noodzakelijk was, en deze post derhalve voor vergoeding in aanmerking komt.

In verband met de posten waarvoor geen schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, te weten de posten 4 en 8, overweegt het hof dat voor deze posten geen onderbouwing is gegeven.

Het hof zal gelet op het vorenoverwogene aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.839,77 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal bepalen dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling ex art. 15g van het Wetboek van Strafrecht

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte van de gevangenisstraf opgelegd bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 11 maart 2009 voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, zal worden herroepen voor een periode van 300 dagen, om reden dat de verdachte zich in de bij de invrijheidstelling bepaalde proeftijd van 365 dagen schuldig heeft gemaakt aan het onderhavige feit.

Het hof is van oordeel dat deze vordering tot herroeping voldoende “onverwijld” is aangebracht in de zin van artikel 15i, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Deze vordering is immers gebaseerd op het plegen van een nieuw strafbaar feit in de proeftijd, namelijk de onderhavige gekwalificeerde diefstal, en diende dus, gelet op het bepaalde in artikel 15i, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, gelijktijdig met de vervolging ter zake van dit nieuwe feit te worden ingediend.

Het oordeel van de politierechter dat het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in zijn vordering omdat de vordering niet onverwijld is ingediend, acht het hof dan ook onjuist.

Gelet op het feit dat verdachte thans is gedetineerd in verband met een onherroepelijke veroordeling door de rechtbank Maastricht bij vonnis van 5 september 2012 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en hij volgens mededeling van de raadsman in het kader van de executie van deze straf vanaf 19 augustus 2013 een behandeling zal ondergaan in een besloten forensische afdeling van Mondriaan in Heerlen, acht het hof het, evenals de advocaat-generaal, echter niet opportuun om thans de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen.

Het hof zal de vordering dan ook afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [S R BV] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [S R BV], een bedrag te betalen van € 1.839,77 (duizend achthonderdnegenendertig euro en zevenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Wijst af de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 15g van het Wetboek van Strafrecht (v.i.-zaaknummer 99-000027-24).

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 26 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt, tenzij op andere wijze bepaald, verwezen naar dossierpagina’s opgenomen in het proces-verbaal Politie, Limburg Zuid, District Maastricht, Afdeling Recherche, proces-verbaalnummer 201053566, op ambtseed opgemaakt door [T] brigadier van politie, met bijlagen, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, doorgenummerde blz. 1-220.