Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3018

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
20-004354-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag (art. 45 Sr juncto 287 Sr ). Slachtoffer ligt op de grond en wordt in elkaar getrapt door twee personen. Verdachte ziet dit van een afstand, rent er naar toe en trapt het slachtoffer tegen de heup/maag. Meteen daarna stopt verdachte met geweldsuitoefening en doet hij de twee andere daders ook ophouden. De door de verdachte zelf gegeven trap was niet in de buurt van het hoofd van het slachtoffer. Van deze trap kan niet worden gezegd dat als gevolg hiervan een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zou overlijden. Evenmin kan worden aangenomen dat verdachte door deel te nemen aan het door de medeverdachten uitgeoefende geweld het opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – om in nauwe samenwerking met de twee anderen het slachtoffer van het leven te beroven, nu er geen bewijs is dat de verdachte wist dat de medeverdachten tegen het hoofd van het slachtoffer hadden geschopt. Het hof acht bewezen medeplegen van poging tot zware mishandeling (art. 45 Sr juncto 302 Sr)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 47 en 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004354-12

Uitspraak : 26 juni 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 17 december 2012 in de strafzaak met parketnummer 04-860433-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 201 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen.

De verdediging heeft zich:

  • -

    op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    voor wat betreft de meer subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging) en de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    ten aanzien van de op te leggen straf op het standpunt gesteld dat dient te worden volstaan met voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 100 uur.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 12 augustus 2012 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk het slachtoffervan het leven te beroven, met dat opzet [het slachtoffer] een trap tegen zijn rug en/of een (karate)trap tegen het gezicht heeft gegeven, terwijl [het slachtoffer] op zijn knieën zat, en/of (vervolgens) [het slachtoffer] meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of hoofd en/of rug en/of buik, in elk geval tegen zijn lichaam heeft geschopt, terwijl [het slachtoffer]op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 12 augustus 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om het slachtoffer, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet het slachtoffer een trap tegen zijn rug en/of een (karate)trap tegen het gezicht heeft gegeven, terwijl het slachtoffer op zijn knieën zat, en/of (vervolgens) het slachtoffer meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of hoofd en/of rug en/of buik, in elk geval tegen zijn lichaam heeft geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 augustus 2012 in de gemeente Venlo met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer, welk geweld bestond uit het tegen de rug trappen en/of een (karate)trap -tegen het gezicht- geven van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer op zijn knieën zat, en/of (vervolgens) het slachtoffer meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of hoofd en/of rug en/of buik, in elk geval tegen zijn lichaam te schoppen, terwijl het slachtoffer op de grond lag.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging doodslag

Voor een veroordeling ter zake van medeplegen van poging tot doodslag moet worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het in bewuste en nauwe samenwerking met de medeplegers veroorzaken van de dood van het slachtoffer.

Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgespeelde camerabeelden blijkt het volgende. Terwijl de medeverdachten X en Y met bruut geweld op het op de grond liggend slachtoffer aan het inschoppen waren, onder andere ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer, kwam de verdachte aanrennen. De verdachte heeft al rennend het toen op zijn zij liggende slachtoffer met kracht één trap gegeven ter hoogte van diens heup/ maag terwijl hij daarbij over het slachtoffer heen sprong. Ten gevolge van deze trap kantelde het slachtoffer op zijn rug. Voorts blijkt uit deze beelden dat verdachte zich nadat hij over het slachtoffer was heen gesprongen direct omdraaide, terugliep naar de plek waar het slachtoffer lag en de twee medeverdachten aanspoorde de plaats van het geweldsincident te verlaten, waarop de medeverdachten hun geweldsuitoefening hebben gestaakt en met de verdachte rennend de plaats van het delict hebben verlaten.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat op het moment dat hij in de richting van het inmiddels aangevangen geweldsincident rende, hij weliswaar heeft waargenomen dat door de medeverdachten X en Y geweld werd uitgeoefend op het op de grond liggende slachtoffer, doch dat hij door zijn opwinding en boosheid niet heeft gezien dat het slachtoffer in het gezicht en tegen het hoofd werd getrapt. De verdachte erkent dat hij zelf het slachtoffer een harde trap heeft gegeven, naar hij denkt tegen het bovenbeen of de heup (zoals hij heeft verklaard ter terechtzitting in eerste aanleg op 3 december 2012).

Gelet op de camerabeelden moet de verdachte toen hij naar de plaats rende waar het slachtoffer op de grond lag, gezien hebben dat de medeverdachten op het slachtoffer aan het intrappen waren. Aldus heeft hij ook verklaard in zijn verhoor bij de politie op 27 augustus 2012, dossierpar. 28, blad 4: “Ik rende (…) in de richting waar werd gevochten. (…) Ik zag die jongen op de grond liggen. Ik zag hem liggen rollen en ik zag dat hij zijn gezicht beschermde. Ik zag dat Y en de vriend van Y [hof: X] om hem heen stonden. Ik zag dat Onur en zijn vriend die jongen aan het trappen waren.”

Het hof kan echter niet uitsluiten dat de verdachte, voordat hij zelf het slachtoffer een trap gaf, niet heeft gezien dat de medeverdachten het slachtoffer tegen het hoofd schopten.

De door de verdachte zelf gegeven trap was niet in de buurt van het hoofd van het slachtoffer. Van deze trap kan niet worden gezegd dat als gevolg hiervan een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zou overlijden.

Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachtes opzet gericht was op de dood van het slachtoffer. Evenmin kan worden aangenomen dat verdachte door deel te nemen aan het door de medeverdachten uitgeoefende geweld het opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – om in nauwe samenwerking met de twee anderen het slachtoffer van het leven te beroven, nu er geen bewijs is dat de verdachte wist dat de medeverdachten tegen het hoofd van het slachtoffer hadden geschopt.

Mitsdien dient verdachte te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 12 augustus 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan het slachtoffer, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet het slachtoffer meermalen tegen zijn lichaam heeft geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Verdachte heeft, alvorens deel te nemen aan het op het slachtoffer door de medeverdachten uitgeoefende geweld, waargenomen dat door de medeverdachten het op de grond liggend slachtoffer tegen het lichaam werd geschopt. Vervolgens heeft verdachte aan dit geweld een bijdrage geleverd door het op de grond liggende slachtoffer in volle ren en derhalve met aanzienlijke kracht een trap ter hoogte van de heup en de maag te geven. De verdachte heeft derhalve nauw en bewust samengewerkt met beide medeverdachten bij het uitoefenen van het geweld op het slachtoffer.

Naar algemene ervaringsregelen is er een aanmerkelijke kans dat het geweld zoals dat door de verdachte is waargenomen en later door de verdachte werd aangevuld, zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt. Door onder deze omstandigheden een trap uit te delen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat als gevolg van dat gezamenlijk uitgeoefend geweld het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, zodat zijn opzet ten minste in voorwaardelijke zin op dit gevolg gericht was.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het hier gaat om een zeer gewelddadig feit waardoor de in de maatschappij heersende gevoelens van onrust en onveiligheid worden versterkt;

  • -

    het laffe en zeer gewelddadige karakter van het geweld, waarbij zonder invoelbare aanleiding twee en later drie personen een vluchtende jongeman achterna rennen, onderuit schoppen en ernstig mishandelen;

  • -

    de mate waarin door het bewezen verklaarde feit pijn en letsel is toegebracht aan het slachtoffer.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de omstandigheid dat verdachte blijkens de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2013, niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het op het slachtoffer uitgeoefende geweld, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op het ontbreken van recidive en op de jonge leeftijd van de verdachte acht het hof het niet wenselijk dat de verdachte nog meer gevangenisstraf moet ondergaan dan het voorarrest.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, te weten 39 dagen, alsmede een taakstraf voor de maximale duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 898,22, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 898,22, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is, evenals de beide mededaders, hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 (negenendertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig dagen) hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 898,22 (achthonderdachtennegentig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 298,22 (tweehonderdachtennegentig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, een bedrag te betalen van € 898,22 (achthonderdachtennegentig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 298,22 (tweehonderdachtennegentig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. C.M. Hilverda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 26 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.