Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2942

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
HD 200.094.450-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.094.450/01

arrest van 18 juni 2013

in de zaak van

[Interieur-Projekten] Interieur-Projekten B.V.,

hierna te noemen: [Interieur-Projekten],

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. R.F. Vonk,

tegen

1 [X.] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

2. [Y.] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [geïntimeerden],

geïntimeerden,

advocaat: mr. Th.J.A. Winnubst,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 18 december 2012 en 29 januari 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder zaak-/rolnr 221598/HA ZA 10-2624 gewezen vonnis van 13 juli 2011.

10 De tussenarresten van 18 december 2012 en 29 januari 2013

Bij tussenarrest van 18 december 2012 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [Interieur-Projekten], teneinde [Interieur-Projekten] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het in overweging 8.8. van dit arrest geduide subsidiaire verweer van [geïntimeerden] en voor antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerden]. Bij tussenarrest van 29 januari 2013 is de termijn voor de door [Interieur-Projekten] te nemen akte met vier weken verlengd. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

11 De verdere procedure

11.1.

[Interieur-Projekten] heeft vervolgens een akte na tussenarrest genomen en [geïntimeerden] heeft hierop van antwoordakte gediend.

11.2.

Hierna is de uitspraak op heden bepaald.

12 De verdere beoordeling

12.1.

[Interieur-Projekten] heeft bij voormelde akte aangevoerd dat aan het rapport van [deskundige] van 30 maart 2010 overeenstemming van partijen ten grondslag lag. Volgens [Interieur-Projekten] zou daarom het beroep van [geïntimeerden] op de vernietigingsgrond van artikel 7:904 lid 1 BW moeten worden afgewezen.

12.2.

[geïntimeerden] heeft bij voormelde antwoordakte ten verweer primair voorop gesteld dat het rapport van 30 maart 2010 door [deskundige] is uitgebracht, terwijl partijen waren overeen gekomen, dat [deskundige] het bindend advies zou uitbrengen. Van een rechtsgeldig advies is daarom volgens [geïntimeerden] geen sprake. Subsidiair heeft [geïntimeerden], onder verwijzing naar hetgeen zij reeds eerder heeft aangevoerd, herhaald dat het rapport van 30 maart 2010 niet te rijmen valt met het rapport van 9 juli 2009 en haar beroep op de vernietigingsgrond van artikel 7:904 lid 1 BW benadrukt.

12.3.

Het hof oordeelt dat het pas voor het eerst bij genoemde antwoordakte door [geïntimeerden] gevoerde verweer dat het rapport van 30 maart 2010 niet door de tussen partijen overeengekomen persoon is opgemaakt, tardief is. Dit verweer zal derhalve worden gepasseerd.

12.4.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer van [geïntimeerden] oordeelt het hof, refererend aan het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW als volgt. De inhoudelijke ommezwaai van [deskundige] (het terugkomen op de constateringen die waren gedaan in het door hem ondertekende rapport van 9 juli 2009) bij de totstandkoming van het bindend advies van 30 maart 2010 maakt, dat het bindend advies van 30 maart 2010 dient te worden vernietigd, nu gebondenheid aan dit advies in verband met de inhoud in combinatie met de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Genoemde ommezwaai van [deskundige] roept immers in die mate vragen op over de totstandkoming van het oordeel van [deskundige] en daarmee ook over de inhoud van dat oordeel zelf, dat het bindend advies van 30 maart 2010 zonder inzichtelijke motivering van [deskundige] ten aanzien van zijn tournure – en een dergelijke verklaring ontbreekt – niet als een voldoende zorgvuldig oordeel kan worden beschouwd.

12.5.

Uit het bovenstaande en het eerder in voormeld tussenarrest van 18 december 2012 overwogene volgt dat het hof beide rapporten buiten beschouwing zal laten bij de verdere behandeling van onderhavige zaak. In zoverre slagen de grieven II tot en met V. Uit het petitum in hoger beroep, de (overige) gedingstukken en de uitlatingen van partijen ter zitting begrijpt het hof dat partijen geen prijs meer stellen op een traject ter verkrijging van een nieuw bindend advies, dat het traject van het verkrijgen van een bindend advies voor partijen derhalve thans is afgesloten en dat, in vervolg op het hierboven gegeven oordeel, van het hof een nadere beslissing wordt gevraagd ten aanzien van de vordering van [Interieur-Projekten]. Uit de uitlatingen van zowel [Interieur-Projekten] als [geïntimeerden] leidt het hof af dat partijen betreffende de vraag of [geïntimeerden] de gevorderde hoofdsom verschuldigd is, nog steeds de bevindingen van een – thans – door het hof te benoemen deskundige bepalend achten. Mocht het hof op basis van de bevindingen van deze deskundige oordelen dat [Interieur-Projekten] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met [geïntimeerden], dan is, zo luidt kennelijk de overeenstemming tussen partijen, [geïntimeerden] de gevorderde hoofdsom niet, althans niet geheel verschuldigd. Mocht geen sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming, dan dient [geïntimeerden] de gevorderde hoofdsom te voldoen. Het hof zal bij zijn verdere beoordeling van de gevorderde hoofdsom daarom van deze kennelijk nog steeds geldende afspraak uitgaan en overeenkomstig het subsidiaire verzoek van partijen een deskundige benoemen.

12.6.

Het hof begrijpt dat de door partijen gewenste aan de deskundige voor te leggen specifieke punten door partijen tot uitdrukking zijn gebracht in hun vraagstelling aan [deskundige], zoals door DAS Rechtsbijstand bij brieven van 9 januari 2009 respectievelijk 14 januari 2009 aan [deskundige] voorgelegd, met dien verstande dat partijen het er inmiddels over eens zijn dat de schoonloopmatten niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen, omdat zij te laag liggen, zodat dit punt niet meer aan de orde hoeft te worden gesteld. Ter gelegenheid van voormeld pleidooi is door partijen desgevraagd geantwoord dat de situatie ter plekke ongewijzigd is. Het hof is voornemens de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:

  1. Hoe is de kwaliteit van de Woodstone vloer? Constateert u gebreken aan deze vloer? Kunt u zich bij de beantwoording van deze vraag in ieder geval uitlaten over de zichtbaarheid van de naden en eventuele spoorvorming op de tegels?

  2. Hoe is de kwaliteit van het marmoleum in de kantine? Constateert u gebreken aan deze vloer? Kunt u zich bij de beantwoording van deze vraag vooral richten op de reinigingsmogelijkheden van – met name – het gele gedeelte?

  3. Hoe is de kwaliteit van de aangebrachte kitranden? Is er sprake van gebreken aan de kitranden? Zij er kitranden aangebracht op alle plaatsen waar deze aangebracht hadden moeten worden?

  4. Kunt u zich uitlaten over de scheur over de volledige breedte van het marmoleum in de werkruimte?

  5. Voor zover sprake is van gebreken:
    a) Is er mogelijkheid tot herstel? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze de geconstateerde gebreken hersteld dienen te worden en welke kosten
    – gespecificeerd – daarmee gemoeid zijn?
    b) Kunt u gespecificeerd aangeven, voor zover mogelijk, of de geconstateerde gebreken aan [Interieur-Projekten] te wijten zijn of dat deze aan derden of andere factoren dienen te worden toegeschreven?
    c) Welk bedragen aan waardevermindering zijn aan de orde ten aanzien van door u geconstateerde onherstelbare gebreken?

  6. Geeft het onderzoek u nog aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?

12.7.

Alvorens de deskundige te benoemen zal het hof de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte (nader) uit te laten – bij voorkeur eensluidend – over de deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige en de voor te leggen vragen. Het hof is voornemens de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [geïntimeerden] te laten komen, aangezien op [geïntimeerden] de bewijslast van de gestelde tekortkomingen rust.

12.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

13 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 16 juli 2013 voor akte aan de zijde van [geïntimeerden], uitsluitend met de hiervoor onder rechtsoverweging 12.7. vermelde doeleinden, waarna [Interieur-Projekten] in de gelegenheid wordt gesteld bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, E.K. Veldhuijzen van Zanten en
J. Hallebeek en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 juni 2013.