Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2627

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
02-09-2013
Zaaknummer
12-00681
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd om uiterlijk 1 januari 2011 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te doen. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 27 januari 2011 eraan herinnerd dat hij aangifte moest doen en daarbij bepaald dat de aangifte uiterlijk 10 februari 2011 bij de inspecteur binnen moest zijn. In de herinnering is opgenomen dat belanghebbende als hij niet reageert op dit verzoek, een aanmaning krijgt. Ook krijgt hij een boete als hij niet of te laat op de aanmaning reageert. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 maart 2011 aangemaand alsnog aangifte te doen en daarbij bepaald dat de aangifte uiterlijk 21 maart 2011 bij de inspecteur binnen moest zijn. In de aanmaning is eveneens opgenomen dat belanghebbende een boete krijgt als hij niet of te laat reageert. De inspecteur heeft vervolgens op 16 mei 2011 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en hem medegedeeld dat hij aangifte moest doen. Belanghebbende heeft diezelfde dag aangifte gedaan. De inspecteur heeft met dagtekening 17 juni 2011 de aanslag vastgesteld en belanghebbende een verzuimboete van € 226 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Belanghebbende heeft zich beroepen op afwezigheid van alle schuld. Het Hof oordeelt dat hiervan geen sprake is. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende op een moment gelegen vóór dat waarop het aangiftebiljet was uitgereikt, telefonisch aan de belastingdienst heeft gevraagd of er voor 2009 een aangifte was uitgereikt waarop toen zijdens de rijksbelastingdienst na raadpleging van ‘het systeem’werd geantwoord dat zulks - naar de stand van zaken op dat moment - niet het geval was en dat er derhalve op dat moment geen verplichting tot het doen van aangifte bestond. Aan die twee mededelingen mocht belanghebbende redelijkerwijs niet de conclusie verbinden dat niet alsnog een aangiftebiljet zou worden uitgereikt en ook niet dat hij geen aangifte behoefde te doen wanneer hij daartoe alsnog zou worden uitgenodigd. Het Hof is van oordeel dat de boete terecht is opgelegd, maar dat in dit geval een boete van € 226 te hoog is. Het Hof acht gelet op alle feiten en omstandigheden van dit geval een boete van € 75 passend en geboden. Het hoger beroep is derhalve gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1727
V-N 2013/53.21.3
FutD 2013-2241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/681

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 september 2012, nummer AWB 11/5490, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingregio Belastingdienst/[A],

hierna: de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.303, alsmede bij beschikking een boete van € 226. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 mei 2013 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende diens gemachtigde, [B], bijgestaan door [C], alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [D] en [E].

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

‘2.1. De inspecteur heeft op 30 november 2010, middels uitreiking van een aangiftebiljet IB 2009, belanghebbende uitgenodigd om uiterlijk 1 januari 2011 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te doen.

2.2.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 27 januari 2011 herinnerd dat hij aangifte moest doen en daarbij bepaald dat de aangifte uiterlijk 10 februari 2011 bij de inspecteur binnen moest zijn. In de herinnering is, voor zover hier van belang, nog de volgende passage opgenomen: "Als u niet reageert op dit verzoek, krijgt u een aanmaning. Ook krijgt u een boete als u niet of te laat op de aanmaning reageert."

2.3.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 maart 2011 aangemaand alsnog aangifte te doen en daarbij bepaald dat de aangifte uiterlijk 21 maart 2011 bij de inspecteur binnen moest zijn. In de aanmaning is nog, voor zover hier van belang, de volgende passage opgenomen: "U bent wettelijk verplicht om (op tijd) aangifte te doen. Als u niet reageert op deze aanmaning, zullen wij het inkomen moeten schatten. Ook krijgt u een boete als u niet of te laat reageert."

2.4.

De inspecteur heeft op 16 mei 2011 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en hem medegedeeld dat hij aangifte moest doen. Belanghebbende heeft diezelfde dag via zijn adviseur electronisch aangifte gedaan.

2.5.

De inspecteur heeft met dagtekening 17 juni 2011 de aanslag vastgesteld en belanghebbende een verzuimboete van € 226 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.’

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.6.

Begin 2010 is door de gemachtigde van belanghebbende telefonisch aan de rijksbelastingdienst gevraagd of er voor 2009 een aangiftebiljet was uitgereikt. Zijdens de rijksbelastingdienst is daarop toen geantwoord dat zulks niet het geval was en dat er derhalve geen verplichting tot het doen van aangifte bestond.

2.7.

Aan belanghebbende was nog niet eerder een verzuimboete opgelegd wegens het niet of niet tijdig indienen van een aangifte.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1.

Is de boete terecht opgelegd?

3.1.2.

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is de boete tot de juiste hoogte opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is telkens de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.2.1.

De Inspecteur heeft hieraan, voor zoveel hier van belang, ter zitting nog het volgende toegevoegd. De reden dat er een aangiftebiljet is uitgereikt voor 2009 is dat er voor 2008 een teruggaaf van belasting is verleend wegens giften. De aangifte voor 2008 is eerst in de zomer van 2010 afgehandeld, de aangifte voor 2009 is daarna afgehandeld. In de gevallen beschreven in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst matig ik de boete van € 226 wel eens, met name in geval van ziekte en van financiële omstandigheden. In dit geval is er mijns inziens geen aanleiding de boete te matigen. Wij moeten daarvoor naar de feiten kijken en niet naar de verzuimenreeks. De door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie betreft naar ik meen de vennootschapsbelasting en is zeer feitelijk van aard. Het door belanghebbende genoemde geval uit Den Haag betrof het jaar 2008 en toen golden ter zake andere bepalingen. Dat geval kan hier dus niet maatgevend zijn.

3.2.2.

De gemachtigde van belanghebbende heeft daaraan, voor zover hier van belang, ter zitting nog toegevoegd dat de redenen voor matiging van de boete niet veranderd zijn.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, tot vernietiging van de boetebeschikking, en voor het geval het Hof van oordeel is dat de boete terecht is opgelegd, tot vermindering van de boete. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het Hof overweegt dat uit de vastgestelde feiten volgt dat belanghebbende door toezending van een aangiftebiljet is uitgenodigd tot het doen van die aangifte aan belanghebbende diverse schriftelijke waarschuwingen en een aanmaning zijn gezonden, en dat belanghebbende op dit alles niet reageerde. Op grond van die omstandigheden moet geoordeeld worden dat het door belanghebbende gevoerde verweer, inhoudende dat sprake is van de afwezigheid van alle schuld ter zake, faalt. Aan dit oordeel doet niet af dat zijdens belanghebbende op een moment gelegen vóór dat waarop het aangiftebiljet was uitgereikt, de rijksbelastingdienst telefonisch is gevraagd of er voor 2009 een aangifte was uitgereikt waarop toen zijdens de rijksbelastingdienst werd geantwoord dat - naar de stand van zaken op dat moment - zulks niet het geval was en dat er derhalve geen verplichting tot het doen van aangifte bestond. Aan die twee mededelingen mocht belanghebbende redelijkerwijs niet de conclusie verbinden dat niet alsnog een aangiftebiljet zou worden uitgereikt en ook niet dat hij geen aangifte behoefde te doen wanneer hij daartoe alsnog zou worden uitgenodigd. Evenmin doet aan die oordelen af dat de in de toezending van het aangiftebiljet voor 2009 vervatte uitnodiging tot het doen van aangifte ruim na het daarvoor gebruikelijke moment, en ook na het evenbedoelde telefoongesprek, geschiedde.

4.2.

De conclusie uit het in 4.1 overwogene is dat de boete terecht is opgelegd.

4.3.

Het Hof is van oordeel dat in dit geval een boete van € 226 te hoog is. Het Hof acht gelet op alle feiten en omstandigheden van dit geval een boete van € 75 passend en geboden. Deze beslissing inzake de strafmaat behoeft door de belastingrechter niet te worden gemotiveerd.

4.4.

De conclusie uit het in 4.3 overwogene is dat de boete moet worden verminderd tot € 75.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigen en de boete verminderen tot € 75.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Gelet op de omstandigheid dat de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur worden vernietigd, is het Hof van oordeel dat redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.8.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de procedure voor het Hof op 2 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 944, en voor de procedure voor de Rechtbank op 2 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 944, in totaal derhalve op € 1.888.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 75,

  • -

    gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 156 vergoedt,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.888, en

  • -

    wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 27 juni 2013 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, P. Fortuin en N. van Beelen, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303,
2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  3. de naam en het adres van de indiener;

  4. een dagtekening;

  5. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  6. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.