Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2355

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
HD 200.092.207/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Gevolgencriterium. Schadebegroting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.092.207/01

arrest van 25 juni 2013

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. J. In ’t Ven te Kerkrade,

tegen

1 de maatschap [notarissen] Notarissen,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. Notarispraktijk [Notarispraktijk 1.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [geintimeerde 3.],

wonende te [woonplaats],

4. Notarispraktijk [Notarispraktijk 2.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te ‘s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 juli 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gewezen vonnis van 27 april 2011 tussen appellante – ‘[appellante]’ – als eiseres en geïntimeerden – gezamenlijk aan te duiden als ‘[notarissen] c.s.’ – als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 388952 cv expl 10/3276)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, houdende wijziging van eis, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [appellante], geboren op[geboortedag] 1956, is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst per 1 januari 1999 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) geïntimeerde sub 1 (hierna aan te duiden als ‘[notarissen] Notarissen’) in de functie van secretaresse. Laatstelijk was [appellante] bij [notarissen] Notarissen werkzaam voor 17,5 uur per week tegen een salaris van € 985,-- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en dertiende maand. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het Notariaat (hierna: ‘de CAO’) van toepassing.

b. Op 27 mei 2009 heeft [notarissen] Notarissen aan het UWV toestemming gevraagd het dienstverband met [appellante] te mogen beëindigen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden.

c. Op 28 mei 2009 heeft [notarissen] Notarissen aan [appellante] meegedeeld dat een ontslagvergunning voor haar was aangevraagd. [appellante] heeft zich per die dag ziek gemeld. Per 28 juli 2009 heeft zij zich beter gemeld.

d. [appellante] heeft in de procedure bij het UWV verweer gevoerd.

e. Bij beschikking van 21 juli 2009 (kenmerk 2009000657/0002-BW) heeft het UWV aan [notarissen] Notarissen toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst van [appellante] (uiterlijk op 15 september 2009) op te zeggen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden.

f. Bij brief van 28 juli 2009 heeft [notarissen] Notarissen de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 30 september 2009.

g. Op grond van de CAO gold een opzegtermijn van vijf maanden. Door [notarissen] Notarissen is aan [appellante] de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 BW betaald in verband met onregelmatige opzegging.

h. Van 1 oktober 2009 tot 31 oktober 2012 ontving [appellante] een WW-uitkering.

i. Ten tijde van de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellante] zijn de arbeidsovereenkomsten van drie andere medewerksters van [notarissen] Notarissen beëindigd. Voor mevrouw [medewerkster 1.] (hierna: ‘[medewerkster 1.]’) is een ontslagvergunning aangevraagd en verkregen. Aan [medewerkster 1.] is, zo volgt uit de door haar met [notarissen] Notarissen gesloten (als productie 3 bij memorie van antwoord overgelegde) vaststellingsovereenkomst, een suppletie op de WW betaald gedurende 27 maanden en met een maximum van 30% van het laatstverdiende salaris. Twee andere werkneemsters hebben bij andere werkgevers emplooi gevonden, één via het netwerk van [notarissen] Notarissen.

4.2.

Bij inleidende dagvaarding van 9 augustus 2010 heeft [appellante] onderhavige procedure aanhangig gemaakt en – samengevat weergegeven – gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [notarissen] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.560,-- bruto, wettelijke rente en de proceskosten.

4.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 27 april 2011 de vordering afgewezen onder veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.4.

[appellante] is met de appeldagvaarding van 13 juli 2011 tegen dit vonnis – tijdig – in hoger beroep gekomen. Zij heeft vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en, na wijziging van eis bij memorie van grieven, geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, voor recht zal verklaren dat het door [notarissen] Notarissen aan [appellante] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en [notarissen] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.008,82 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2009, althans een door het hof te bepalen schadevergoeding, een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en onder veroordeling van [notarissen] c.s. in de proceskosten van beide instanties.

4.5.

[notarissen] c.s. hebben de grieven gemotiveerd bestreden.

4.6.

Het hof stelt voorop dat geen (incidenteel) appel is ingesteld tegen het in het bestreden vonnis (in rechtsoverweging 3.2.1.) gegeven oordeel dat de vordering van [appellante] niet is verjaard. Dat oordeel ligt derhalve niet aan het hof voor.

4.6.1.

Het hof dient – op grond van de grieven die zich voor gezamenlijke behandeling lenen – te beoordelen of de opzegging door [notarissen] Notarissen van de arbeidsovereenkomst met [appellante] kennelijk onredelijk is en vervolgens, wanneer tot dat oordeel zou worden gekomen, te beoordelen of [appellante] als gevolg daarvan schade heeft geleden en zo nodig die door [appellante] geleden schade te begroten danwel te schatten. Tenslotte dient alsdan te worden bepaald welk deel van de schade door [notarissen] c.s. zou moeten worden gedragen.

Kennelijk onredelijk ontslag

4.7.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het zogenoemde gevolgencriterium (artikel 7:681, tweede lid, sub b, BW) – waarop [appellante] zich beroept – maatstaf is of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering als bedoeld in artikel 7:681, eerste lid, BW. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

4.7.1.

Het hof ziet voorts aanleiding – nu partijen dat in hun debat (enigszins) lijken te miskennen – voorop te stellen dat de lengte van het dienstverband van een werknemer bij de opzeggende werkgever niet doorslaggevend is bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag op grond van het gevolgencriterium. Ook het feit dat bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met andere werknemers een voorziening is getroffen door de werkgever (zoals in dit geval bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [medewerkster 1.]) is niet doorslaggevend. Doorslaggevend zijn de op dat moment redelijkerwijs voorzienbare gevolgen (schade) die de opzegging met zich brengt voor de individuele werknemer wiens arbeidsovereenkomst wordt opgezegd. De lengte van het dienstverband en de wijze waarop met andere ontslagen werknemers is omgegaan zijn wel omstandigheden die bij de beoordeling van de gestelde kennelijke onredelijkheid relevant (kunnen) zijn.

4.7.2.

Het hof acht de volgende omstandigheden relevant voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging.

Opzeggingsgrond

4.7.3.

Met betrekking tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellante] kan worden vastgesteld dat deze heeft plaatsgevonden in verband met bedrijfseconomische omstandigheden, welke (expliciet) niet worden betwist door [appellante] (dagvaarding eerste aanleg sub 4). Uitgangspunt is derhalve dat [notarissen] Notarissen terecht heeft besloten tot inkrimping van haar personeelsbestand in verband met de verslechterende resultaten van haar onderneming. Dat laat echter onverlet dat de reden van de opzegging geheel is gelegen in haar risicosfeer, nu niet gesteld is dat [appellante] op enigerlei wijze een verwijt valt te maken met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband.

Duur dienstverband, leeftijd bij einde dienstverband, wijze functioneren

4.7.4.

Voorts kan worden vastgesteld dat [appellante] ten tijde van de opzegging 53 jaar oud was alsmede dat zij op dat moment tien jaar en negen maanden bij [notarissen] Notarissen (althans eerst bij haar rechtsvoorganger) in dienst was. De omvang van haar dienstverband was 17,5 uur per week, waarmee zij een salaris van € 985,-- bruto per maand verdiende. Gedurende het dienstverband heeft zij goed, althans voldoende gefunctioneerd, zo moet uit de stellingen van [notarissen] c.s. (memorie van antwoord pagina 15) worden afgeleid.

Kansen op de arbeidsmarkt

4.7.5.

Het hof neemt voorts aan dat de kansen c.q. mogelijkheden van [appellante] op de arbeidsmarkt matig waren. [appellante] heeft die door haar (ook) in eerste aanleg ingenomen stelling in hoger beroep van afdoende onderbouwing voorzien door het overleggen (als productie 1 bij memorie van grieven) van het rapport van een door de heer [register-arbeidsdeskundige], register-arbeidsdeskundige (hierna: ‘[register-arbeidsdeskundige]’) uitgevoerd arbeidsdeskundig onderzoek. Daarmee heeft [appellante], in hoger beroep, aan haar stelplicht op dit punt voldaan. In dat rapport wordt (op pagina 6 onder V) verwezen naar van de heer [arbeidsmarktspecialist], arbeidsmarktspecialist van het UWV (hierna: ‘[arbeidsmarktspecialist]’), verkregen gegevens met betrekking tot arbeidsmarktontwikkelingen vanaf 2009. Uit de gegevens van [arbeidsmarktspecialist] volgt, samengevat weergegeven, dat een oudere werknemer die in de WW belandt relatief moeilijk een nieuwe baan zal kunnen vinden alsmede dat dit op het moment van het ontslag ook (reeds) het geval was. Dit is met betrekking tot de situatie van [appellante] ten tijde van het ontslag een relevante, en naar het oordeel van het hof ook voor [notarissen] Notarissen redelijkerwijs voorzienbare, omstandigheid. Daarbij komt dan nog het onbetwiste eenzijdige arbeidsverleden van [appellante]. Dat zij in de periode dat zij werkzaam was bij [notarissen] Notarissen in enigerlei mate relevante bijscholing heeft gekregen, is niet gesteld of gebleken.

4.7.6.

In het rapport van [register-arbeidsdeskundige] wordt voorts (op pagina’s 4 tot en met 6) gewezen op de bij [appellante] aanwezige duurzame medische beperkingen als vastgesteld door de heer [medewerker van Fura Verzuimaanpak] van Fura Verzuimaanpak (hierna: [medewerker van Fura Verzuimaanpak]’). Schoonhoff heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De bij [appellante] aanwezige beperkingen leiden, naar het oordeel van [register-arbeidsdeskundige], tot een geringere kans dat door [appellante] nieuw werk zou kunnen worden gevonden. Het hof neemt dat op grond van de rapportage van [register-arbeidsdeskundige] aan, doch is van oordeel dat die omstandigheid niet aan [notarissen] kan worden tegengeworpen. Door [appellante] is niet gesteld dat haar beperkingen zijn toegenomen als gevolg van de bij [notarissen] uitgevoerde werkzaamheden. Evenmin is gesteld of gebleken dat de beperkingen hebben geleid tot verminderde inzetbaarheid van [appellante] of een bovengemiddeld ziekteverzuim. In de rapportage van [register-arbeidsdeskundige] is ook vermeld (pagina 4) dat [appellante] haar werkzaamheden bij [notarissen] Notarissen zoveel mogelijk heeft verricht zonder te verzuimen. [notarissen] c.s. hebben voorts betwist dat zij (althans [notarissen] Notarissen) bekend waren met (relevante) bij [appellante] bestaande beperkingen. Dat [notarissen] Notarissen bij het ontslag redelijkerwijs rekening dienden te houden met de bij [appellante] bestaande beperkingen omdat zij daarvan op de hoogte was of (zelfs) omdat deze waren ontstaan als gevolg van de werkzaamheden, neemt het hof derhalve niet aan.

4.7.7.

Dat [appellante] te weinig (sollicitatie-)activiteiten zou hebben verricht als gevolg waarvan haar kansen op de arbeidsmarkt gering(-er) zouden zijn, zoals door [notarissen] c.s. gesteld, neemt het hof niet aan gelet op de door [appellante] gestelde – en door [notarissen] c.s. niet betwiste - door haar verrichte activiteiten in dat kader (productie 5 bij conclusie van repliek). [appellante] heeft, althans had contact met een werkcoach van het UWV en heeft daarnaast ook zelf (sollicitatie-)activiteiten ontplooid. In het licht daarvan acht het hof onvoldoende onderbouwd dat een gebrek aan activiteit zijdens [appellante], mede gezien haar arbeidsmarktsituatie als hiervoor in rov. 4.7.5. vastgesteld, debet is aan haar lange werkloosheidsduur.

Geboden voorziening

4.7.8.

Van drie werkneemsters van [notarissen] Notarissen, naast [appellante], zijn (naar het hof begrijpt eveneens medio 2009) de arbeidsovereenkomsten opgezegd, althans niet verlengd. Onweersproken is dat één van de werkneemster via het netwerk van [notarissen] c.s. aan een nieuwe baan is gekomen. Eveneens is onweersproken, en dat volgt ook uit de als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde stukken, dat aan [medewerkster 1.] een vergoeding is betaald in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het ging om een suppletie op haar WW-uitkering gedurende 27 maanden, met een minimum van 30% van jet laatstverdiende salaris.

4.7.9.

Voor [appellante] is door [notarissen] Notarissen geen enkele voorziening getroffen, noch in de vorm van pogingen haar elders onder te brengen, noch in de vorm van een vergoeding of een combinatie daarvan. Aangevoerd is wel (memorie van antwoord pagina 17) dat [appellante] voorafgaand aan het einde van het dienstverband gedurende vier maanden verlof heeft gehad om ander werk te kunnen zoeken, doch door [appellante] is gemotiveerd betwist dat zij door [notarissen] Notarissen met dat doel is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. [appellante] stelt dat zij door [notarissen] Notarissen destijds verplicht is haar resterende vakantiedagen op te nemen. Hoe dat ook zij, door [notarissen] Notarissen is niet, althans niet voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake was van een situatie waarin [appellante] nadrukkelijk was vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden waarvoor haar inzet in beginsel vereist was, teneinde die periode te kunnen aanwenden om ander werk te zoeken. Dat [appellante] feitelijk in de gelegenheid was om vooruitlopend op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zich reeds op de arbeidsmarkt te oriënteren is een bijkomende omstandigheid, maar die is niet aan te merken als een voorziening in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.7.10.

Dat [appellante] geen kostwinner was, zoals [notarissen] c.s. stellen (memorie van antwoord pagina 10), maakt niet dat (reeds daarom) het treffen van een voorziening ten behoeve van haar achterwege kon blijven. Wanneer een werknemer kostwinner is, zal in de regel sneller sprake zijn van zodanig ernstige gevolgen van het ontslag aan diens zijde dat die gevolgen te ernstig zijn in vergelijking met het belang bij de opzegging aan de zijde van werkgever, indien een voorziening ontbreekt. Omgekeerd kan echter niet (zonder meer) worden aangenomen dat voor een werknemer die niet of in mindere mate van het inkomen afhankelijk is voor zijn eerste levensbehoeften, geen voorziening behoeft te worden getroffen. Daarbij komt nog dat het dienstverband van [appellante] met 17,5 uur per week bepaald niet gering van omvang was.

Slotsom met betrekking tot kennelijke onredelijkheid

4.7.11.

Op grond van al het voorgaande komt het hof tot het volgende oordeel. [notarissen] Notarissen is, op grond van een in haar risicosfeer gelegen omstandigheid, overgegaan tot ontslag van [appellante], die op dat moment reeds geruime tijd bij [notarissen] Notarissen in dienst was. Gelet op de leeftijd van [appellante] ten tijde van het ontslag en haar eenzijdige arbeidsverleden was voorzienbaar dat haar perspectieven op het (binnen redelijke termijn) vinden van ander werk matig waren. Daarbij komt dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat [appellante] gedurende haar dienstverband door [notarissen] Notarissen in de gelegenheid is gesteld relevante opleidingen te volgen. [appellante] was in die zin een kwetsbare werknemer. Gelet daarop had het in de rede gelegen aan [appellante] een voorziening te bieden in het kader van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij lag het meest voor de hand het trachten [appellante] bij een andere werkgever onder te brengen, al dan niet door het aanbieden van een outplacementtraject althans een vergoeding waarmee [appellante] een dergelijk traject zelf kon financieren. [notarissen] c.s. hebben gesteld dat [appellante] niet meer in het notariaat werkzaam wilde zijn, doch in de dierenverzorging (memorie van antwoord pagina 7). Zou dat zo zijn, onderbouwd is de stelling niet, dan doet dat niet aan het vorenstaande af omdat ook dan (wellicht des te meer) een outplacementtraject met daarin opgenomen enige vorm van scholing uitkomst had kunnen bieden. Het hof acht het niet redelijk om gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden aan [appellante] geen enkele voorziening te bieden.

4.7.12.

Uit de onweersproken aan [medewerkster 1.] geboden (niet onaanzienlijke) vergoeding kan worden afgeleid dat aan de zijde van [notarissen] Notarissen, ondanks de bedrijfseconomische omstandigheden die noopten tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst, voldoende financiële ruimte bestond om (ook) aan [appellante] een voorziening te bieden als hiervoor (rechtsoverweging 4.7.11.) bedoeld. Nu [notarissen] Notarissen dat heeft nagelaten, dienen – gelet op al het voorgaande – de nadelige gevolgen van de beëindiging ten dele voor rekening van [notarissen] Notarissen (en daarmee, zo is onweersproken, voor haar maten die naast haar zijn gedaagd) te komen. De daarop gerichte grieven slagen derhalve.

Schadevergoeding

4.8.

Gelet op het voorgaande dient het hof te bepalen welke vergoeding aan [appellante] ten laste van [notarissen] c.s. dient te worden toegewezen.

4.8.1.

Het hof stelt daarbij voorop dat bij de beantwoording van de vraag welke vergoeding in geval van kennelijk onredelijk ontslag billijk is te achten, de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag, zoals de duur van de dienstbetrekking, de hoogte van het salaris en eventuele emolumenten, de leeftijd van de werknemer, de (voorzienbare) schade die hij lijdt als gevolg van het verlies van zijn arbeidsplaats, de omstandigheden waaronder het ontslag is gegeven, de financiële situatie van de werkgever en de mate waarin het ontslag aan elk van partijen is te wijten, in onderlinge samenhang in aanmerking dient te nemen. Het is aan de rechter het gewicht dat aan de diverse factoren moet worden toegekend te beoordelen. Daarbij geldt dat de vergoeding van artikel 7:681, eerste lid, BW een bijzonder karakter heeft, in die zin dat deze vooral ertoe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening (of, in de woorden van de wetgever: ‘pleister op de wonde’: Kamerstukken II 1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Daarmee strookt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft op grond van alle omstandigheden de hoogte van de schadevergoeding te bepalen. De algemene regels van Boek 6 BW zijn op de begroting van de schadevergoeding van toepassing (HR 12 februari 2010, LJN: BK4472 Rutten/Breed in aansluiting op HR 27 november 2009, LJN: BJ6596 Van der Grijp/Stam). Het hof stelt verder voorop, dat op grond van artikel 6:97 BW de rechter de schade in beginsel moet begroten en wel op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Alleen indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat.

4.8.2.

[appellante] heeft de door haar gestelde schade inzichtelijk gemaakt door middel van een berekening (memorie van grieven pagina 14). Zij gaat daarbij uit van het mislopen van het eerder bij [notarissen] Notarissen verdiende bruto maandsalaris ad € 1.145,88 gedurende de WW-duur van 37 maanden. Zowel het door [appellante] berekende salaris als de WW-duur zijn door [notarissen] c.s. niet, althans niet gemotiveerd betwist, zodat daarvan wordt uitgegaan. Hetzelfde geldt voor het door [appellante] gestelde dagloon WW, dat ook volgt uit de als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde beslissing van het UWV van 25 januari 2010.

4.8.3.

[appellante] heeft voorts als schadepost opgevoerd het door [notarissen] Notarissen betaalde deel van de pensioenpremie (ad € 51,98 per maand). Door [notarissen] c.s. is echter (reeds) bij conclusie van antwoord (pagina 12) gesteld – welke stelling zij in hoger beroep heeft herhaald (memorie van antwoord pagina 18) – dat geen sprake kan zijn van pensioenschade omdat [appellante] aanspraak kan maken op pensioencompensatie uit hoofde van het Fonds Voortzetting Pensioenen. Door [appellante] is dat niet betwist. Mede gelet daarop is door [appellante] onvoldoende gesteld om te onderbouwen dat zij pensioenschade lijdt of zal lijden die bij de bepaling van de hoogte van haar schade dient te worden betrokken. Dit deel van de gestelde schade wordt derhalve buiten beschouwing gelaten.

4.8.4.

Het hof zal aan [appellante] een schadevergoeding naar billijkheid toekennen. Bij de bepaling van de hoogte daarvan zal worden aangesloten bij de met [medewerkster 1.] overeengekomen regeling, die volgt uit de (als productie 3 bij memorie van grieven, laatste blad overgelegde) met [notarissen] Notarissen gesloten vaststellingsovereenkomst. Door [notarissen] c.s. is onvoldoende gesteld om te onderbouwen dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de ten behoeve van [medewerkster 1.] enerzijds en [appellante] anderzijds te treffen voorziening. De enkele omstandigheid dat [medewerkster 1.] aanzienlijk langer in dienst was van [notarissen] Notarissen, kan een dergelijk onderscheid niet rechtvaardigen, nu met dat enkele feit niet is gegeven dat het ontslag voor [medewerkster 1.] grotere gevolgen met zich bracht. Voor het overige is door [notarissen] Notarissen op dit punt niets gesteld.

4.8.5.

De WW-uitkering van [medewerkster 1.] is gedurende 27 maanden aangevuld, met een maximum van 30% van het laatstverdiende salaris. De maximale suppletie voor [appellante] per maand bedraagt (30% van € 1.145,88 =) € 343,76 bruto. [appellante] ontving de eerste twee maanden een WW-uitkering van € 759,-- en de overige 25 maanden € 708,40. Het verschil met het laatstverdiende loon bij [notarissen] Notarissen (ad € 1.145,88) is respectievelijk € 386,88 en € 437,48. Derhalve wordt uitgegaan van de maximale suppletie van € 343,76 bruto per maand gedurende 27 maanden, derhalve € 9.281,52 (27 x € 343,76), afgerond € 9.280,-- bruto.

Slotsom

4.9.

De verklaring voor recht als door [appellante] gevorderd zal worden toegewezen. Voorts zal worden toegewezen een bedrag van € 9.280,-- bruto, te vermeerderen met de onweersproken wettelijke rente vanaf 30 september 2009.

4.9.1.

[notarissen] c.s. zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden in de proceskosten van beide instanties.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat het door [notarissen] Notarissen aan [appellante] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;

veroordeelt [notarissen] c.s. tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 9.280,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2009 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [notarissen] c.s. in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op € 96,08 aan dagvaardingskosten, € 208,-- aan griffierecht en € 1.400,-- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [notarissen] c.s. in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 284,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, M.J.H.A. Venner-Lijten en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juni 2013.